Nota standplaatsenbeleid 2017

 

Een vaste standplaatsvergunning geldt voor vijf jaar met een proefperiode van drie maanden.

Inhoudsopgave

Samenvatting 3

  • 1.

    Voorgeschiedenis en uitgangspunten 7

  • 2.

    Juridisch kader 9

  • 2.

    1 Algemene Plaatselijke Verordening 9

  • 2.

    2 Overige wetgeving 10

  • 3.

    Bestaande beleid 12

  • 3.

    1 Nota straathandel 12

  • 3.

    2 Verleende vergunningen 12

  • 3.

    3 Overige besluiten 13

  • 4.

    Regels voor standplaatsen 15

  • 4.

    1 Inleiding 15

  • 4.

    2 Weigeringsgronden 16

  • 4.

    3 Uitwerking weigeringsgronden in regels 17

  • 4.

    4 Toetsing potentiële locaties aan de regels 20

  • 4.

    5 Overzicht aangewezen standplaatsen en branchering 22

  • 4.

    6 Aanvullende regels voor tijdelijke vergunningen 23

  • 5.

    Vergunning voor standplaatshouders 24

  • 5.

    1 Aanvraagprocedure en advisering 24

  • 5.

    2 Besluitvorming en mogelijkheid van bezwaar 25

  • 5.

    3 Kosten voor het innemen van een standplaats 28

  • 5.

    4 Voorschriften te verbinden aan de vergunning 31

  • 5.

    5 Toezicht en handhaving 31

  • 5.

    6 Intrekking of wijziging van de vergunning 32

  • 5.

    7 Persoonlijk innemen standplaats, vervanging en afwezigheid 32

  • 5.

    8 Overgangsbepalingen bestaande vergunninghouders 33

Bijlage 1: aan de vergunning te verbinden voorschriften 34

Bijlage 2: tekeningen van locaties bij winkelcentra 37

Samenvatting

De Nota straathandel uit 2007 is gedateerd en moet worden vervangen. Ter voorbereiding is in november 2015 door BMC Implementatie B.V. het adviesrapport Standplaatsenbeleid opgesteld, met een inventarisatie van de specifieke (on)mogelijkheden op dit gebied. Dit rapport is op 4 februari 2016 aan de orde geweest in een informatieve raadsvergadering.

Op 6 september 2016 zijn in een collegebesluit de volgende uitgangspunten voor het nieuwe standplaatsenbeleid vastgelegd:

  • 1.

    de uitstraling van de uitstallingen op standplaatsen mag een betere kwaliteit hebben;

  • 2.

    er moet een “gelijkwaardiger speelveld” ontstaan in de concurrentieverhouding tussen winkeliers en standplaatshouders;

  • 3.

    een voorkeur voor een gedifferentieerd standplaatsenbeleid per gebiedsdeel;

  • 4.

    invloed hebben op de branchering door “maximaal gebruik te maken” van de juridische ruimte;

  • 5.

    winkeliers(verenigingen) worden als adviseur betrokken bij de vergunningverlening.

Op 2 november 2016 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (201406676/1/A3) nieuw recht geschapen over de verdeling van schaarse vergunningen. Standplaatsvergunningen mogen in beginsel niet voor onbepaalde tijd doch alleen tijdelijk worden verleend. Er moet een verdelingsprocedure worden vastgesteld.

Op 18 september 2013 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (201208105/1/R2) nogmaals bepaald, dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet is toegestaan, tenzij het voorzieningenniveau voor de consument bij detailhandel in eerste levensbehoeften in een deel van de gemeente in gevaar komt.

De regelgeving voor standplaatsen in de Algemene Plaatselijke verordening (APV) is beperkt. Derhalve is het van belang om helder beleid te hebben bij deze regels. Daar waar mogelijk sluit dit beleid aan bij de regelgeving voor de weekmarkt.

Verder is belangrijk om te vermelden dat de standplaatsen te zijner tijd, in het kader van de Omgevingswet, geregeld worden in het Omgevingsplan.

In de nota standplaatsenbeleid 2017 zijn de volgende uitgangspunten opgenomen die gefaseerd ingaan vanaf 1 juni 2018 en 1 januari 2019. De inwerkingtreding van het nieuwe standplaatsenbeleid gaat gepaard met wijziging van de precarioverordening en de legesverordening. Verder moeten nieuwe vergunningen worden verstrekt, de aanvraagformulieren aangepast worden en zullen er huurovereenkomsten opgesteld moeten worden. Het nieuwe beleid kan per 1 juni 2018 in werking treden enkel de aanpassing van de precarioverordening en de huurovereenkomsten zullen per 1 januari 2019 in werking treden. Dit heeft als voordeel dat er geen tussentijdse aanpassing aan de precarioverordening nodig is en de huurcontracten deugdelijk voorbereid kunnen worden.

De algemene regels voor standplaatsen zijn:

  • streven naar concentratie van voorzieningen voor consumenten (detailhandelsbeleid); dus met standplaatsen zoveel mogelijk aansluiting zoeken bij bestaande winkelcentra; de standplaatsen dienen wel ondersteunend/ondergeschikt te zijn aan de winkelcentra en verkapte marktvorming moet worden voorkomen, dus beperkt in aantal en omvang;

  • rekening houden met een aanloopperiode bij een nieuw winkelcentrum door tijdelijke beperking van het aantal standplaatsen indien dit nodig is voor het opzetten van een voldoende verzorgingsniveau voor de consument;

  • geen standplaatsen in woonbuurten en woonstraten; dit in verband met hinder, verkeersaantrekkende werking, verkeersveiligheid en verstoring van de bewoners (openbare orde en beperken overlast);

  • geen standplaatsen langs doorgaande wegen in verband met verkeersveiligheid;

  • geen standplaatsen in groen- en natuurgebieden in verband met de bescherming van het milieu;

  • geen standplaatsen op locaties die binnen afzienbare tijd worden herontwikkeld, waar de

inrichting van de openbare ruimte ingrijpend wordt gewijzigd;

  • de verkoop van alcoholhoudende dranken voor directe consumptie is verboden in verband met gevaar voor de openbare orde en/of overlast;

  • het verkoopmiddel dient veilig, heel, netjes en schoon te zijn; omdat het verkoopmiddel mobiel is, zal het nodige technisch onderhoud moeten worden gepleegd; hiernaast dient het uiterlijk aanzien in goede staat te zijn, in overeenstemming te zijn met de (bebouwde) omgeving.

Een aanvraag om een vergunning wordt hiernaast getoetst aan vier regels:

  • 1.

    de afstand tot bebouwing bedraagt minimaal drie meter, indien een standplaats beschikt over een inrichting om te bakken, braden of frituren bedraagt deze afstand minimaal vijf meter;

  • 2.

    overlast voor de omgeving dient zoveel mogelijk te worden voorkomen;

  • 3.

    de situering binnen de omgeving moet passend zijn;

  • 4.

    er mag geen gevaar of hinder voor het verkeer worden veroorzaakt.

De volgende potentiële locaties voor vaste standplaatsen zijn getoetst, met als waardering:

+ = voldoet, 0 = nog onduidelijk en - = voldoet niet.

toetsing potentiële locaties voor vaste standplaatsen aan de beleidsregels

locatie (met plaats)

waardering per beleidsregel

totaal oordeel

 

1

2

3

4

 

Gruttoplein

+

+

+

+

positief

Station Diemen Centrum

+

+

0

0

toetsing na herinrichting

Diemerplein

+

+

+

+

positief

Arent Krijtsstraat

-

-

-

-

negatief

Kruidenhof

+

+

+

+

positief

Station en Campus Diemen Zuid

+

+

0/+

0/+

Station toetsing na herinrichting

Overig Bergwijkpark Noord

+

+

+

+

positief

Bergwijkpark Zuid

+

+

-

-

negatief

Bedrijventerreinen

+

+

+

+

positief

Overig buitengebied

+

+

0

0

geen jurisdictie gemeente

De toetsing aan de regels heeft niet tot beperking van thans ingenomen standplaatsen geleid. Indien een aanvrager een andere locatie aanvraagt, zal deze aan de hand van de regels worden getoetst.

Een standplaats kan in ieder geval worden ingenomen op de volgende locaties (niet limitatief) met de volgende oppervlakten (huidig gebruik verhoogd met circa 5 m2 en afgerond op veelvouden van 5 m2) en branches:

locatie (met plaats)

oppervlakte

branche

 

huidig gebruik

stand-plaats

 

Gruttoplein (1)

19,5 m2

25 m2

food (aanvullend)

Gruttoplein (2)

24,5 m2

30 m2

seizoensgebonden producten

Diemerplein (1)

36,0 m2

40 m2

eet- en drinkwaren voor directe consumptie

Diemerplein (2)

23,8 m2

30 m2

food en non-food (aanvullend)

Diemerplein (3)

65,0 m2

70 m2

food en non-food (aanvullend)

Diemerplein (4)

24,0 m2

30 m2

food en non-food (aanvullend)

Plein gemeentehuis

28,0 m2

35 m2

seizoensgebonden producten

Kruidenhof

25,0 m2

30 m2

food (aanvullend)

Campus Diemen Zuid

n.v.t.

30 m2

food (aanvullend)

Station/campus Diemen Zuid

n.v.t.

30 m2

seizoensgebonden producten

Bergwijkpark Noord

25,0 m2

30 m2

eet- en drinkwaren voor directe consumptie

Bedrijventerreinen (1)

30,0 m2

35 m2

eet- en drinkwaren voor directe consumptie

Bedrijventerreinen (2)

n.v.t.

35 m2

eet- en drinkwaren voor directe consumptie

Sniep bij PDV

n.v.t.

35 m2

seizoensgebonden producten

Door de hoofdindeling in drie groepen (food, non-food en eet- en drinkwaren voor directe consumptie) en de toevoeging van ‘aanvullend’ wordt tegemoet gekomen aan de wens om invloed te hebben op de branchering. Onder food valt ook eet- en drinkwaren voor directe consumptie (omgekeerd niet).

Bij de beoordeling van de aanmeldingen voor een vaste standplaats kent het college punten toe aan de hand van de volgende aspecten en tot het daarbij vermelde maximum aantal:

  • a.

    het innemen van de standplaats door de gegadigde (of een combinatie van gegadigden waardoor de standplaats het vaakst wordt gebruikt) heeft een toegevoegde waarde op het functioneren van en de levendigheid in de directe omgeving van de standplaats (maximaal 40 punten);

  • b.

    de uitstraling van de uitstalling (maximaal 20 punten);

  • c.

    het standplaatsverleden van de gegadigde en de indruk die hij maakt (maximaal 10 punten);

  • d.

    bij de gegadigde is sprake van maatschappelijk verantwoord ondernemen (maximaal 5 punten);

  • e.

    de gegadigde plaatst geen voertuig bij de kraam (15 punten);

  • f.

    bij de gegadigde kan betaald worden via een pinautomaat (10 punten);

  • g.

    de gegadigde betreft een stichting of vereniging met statutaire ideële doelstellingen die bijdragen aan de bewustwording van een of meer maatschappelijke problemen (25 punten).

Gegadigden komen in aanmerking voor een vergunning in de volgorde van het aantal toegekende punten.

Het college legt de aanmeldingen om advies voor aan een door haar te benoemen selectiecommissie.

Een tijdelijke vergunning voor de verkoop van seizoensgebonden producten geldt voor vijf dezelfde seizoenen in opvolgende jaren met een proefperiode van twee weken.

Wat betreft de kosten voor het innemen van een standplaats wordt voorgesteld:

  • -

    huur te innen in plaats van precario (de precarioverordening wordt hierop aangepast);

  • -

    geen onderscheid meer te maken in een tarief per week, maand, seizoen of jaar;

  • -

    het tarief vast te stellen per m2 ingenomen door de verkoopmiddelen, minimaal 10 m2;

  • -

    het tarief vast te stellen per dag; er wordt ook betaald als de standplaats niet wordt ingenomen;

  • -

    het huidige tarief voor standplaatsen op het Diemerplein te verhogen naar het gemiddelde huurbedrag van de winkels op het Diemerplein;

  • -

    het tarief op de woensdag op het Diemerplein 50% lager vast te stellen dan het reguliere tarief op het Diemerplein;

  • -

    het tarief voor standplaatsen op andere locaties 50% lager vast te stellen dan het tarief dat geldt op het Diemerplein;

  • -

    de tariefsverhoging voor bestaande vaste standplaatsvergunningen gefaseerd in vier jaar door te voeren ingaande vanaf 2019.

Het voorstel leidt tot een dagtarief per 10 m2 van € 8,22 op het Diemerplein en € 4,11 op andere locaties. Dat is in de praktijk zo’n 10% lager dan de huurprijzen van winkels in Diemen.

Ter vergelijking: het dagtarief per 10 m2 bedraagt op de weekmarkt circa € 9,40 en voor standplaatsen in de regio gemiddeld circa € 20,17.

1. Voorgeschiedenis en uitgangspunten

De Nota straathandel uit 2007 (standplaatsen en venten) is gedateerd en moet worden vervangen. De beleidsregels voor venten zijn door een wijziging van de APV, waarbij venten vergunningsvrij is geworden, komen te vervallen.

In de Detailhandelsvisie Detailhandel Diemen 2014 (vastgesteld op 18 december 2014) is opgenomen dat standplaatsen in samenhang dienen te worden gezien met het aanbod van gevestigde detailhandel en de gemeentelijke detailhandelsstructuur moeten versterken.

Ter voorbereiding op het opstellen van nieuw beleid voor standplaatsen is in november 2015 door BMC Implementatie B.V. het adviesrapport Standplaatsenbeleid opgesteld, met een inventarisatie van de specifieke (on)mogelijkheden op dit gebied. Dit rapport is op 4 februari 2016 aan de orde geweest in een informatieve raadsvergadering. Uit deze informatieve bespreking zijn vijf uitgangspunten geselecteerd die worden verwerkt in een concreet voorstel tot wijziging van het standplaatsenbeleid.

Op 6 september 2016 zijn in een collegebesluit de vijf uitgangspunten voor het nieuwe standplaatsenbeleid als volgt vastgesteld en aan de gemeenteraad toegezonden.

1.Kwaliteitseisen

De algemene opvatting is dat de uitstraling van de uitstallingen op standplaatsen een betere kwaliteit mag hebben, waarbij de locatie wel relevant is. Aan een uitstalling op het Diemerplein mogen hogere eisen worden gesteld dan een uitstalling op het bedrijventerrein. In algemene zin geldt: wel kwaliteitseisen stellen, maar niet zodanig hoog dat daardoor van een standplaats geen gebruik meer wordt gemaakt.

Er is aandacht voor onderhoud en schoonmaken van (en rond) de standplaats en de bestrating hiervan (met name bij uitstallingen die aan het eind van de dag worden weggehaald).

  • Dit wordt behandeld in paragraaf 5.4 en wordt geregeld in de voorschriften die zijn opgenomen in bijlage 1.

    • 1.

      Vergoeding

Uitgangspunt is dat een “gelijkwaardiger speelveld” ontstaat in de concurrentieverhouding tussen winkeliers en standplaatshouders. Dat betekent dat de vergoeding voor een standplaats hoger mag zijn (de vergoeding is thans vrij laag), maar niet zo hoog als de huurprijs van een winkel. Een winkel biedt namelijk voordelen ten opzichte van een standplaats.

De voorkeur bestaat voor een gedifferentieerd tarief. Het tarief mag hoger zijn naarmate een standplaats meer opbrengstpotentie heeft.

In het algemeen bestaat de voorkeur voor het verhuren (privaatrechtelijk) van een standplaats, boven het huidige stelsel van het in rekening brengen van een precariovergoeding.

  • Dit wordt behandeld in paragraaf 5.3.

    • 1.

      Gedifferentieerd standplaatsenbeleid

Er bestaat een voorkeur voor een gedifferentieerd standplaatsenbeleid waarbij per gebiedsdeel wordt bekeken of standplaatsen worden toegestaan, al dan niet uitgebreid ten opzichte van de bestaande situatie, dan wel geheel niet worden toegestaan. Er moet aandacht zijn voor de rechtszekerheid voor bestaande standplaatshouders. Als ergens minder standplaatsen worden toegestaan dan nu het geval is, zal een ruime overgangstermijn moeten worden aangehouden.

  • Dit wordt behandeld in paragraaf 4.5.

    • 1.

      Invloed op branchering

Het is duidelijk dat de gemeente zich terughoudend moet opstellen als het gaat om concurrentieverhoudingen, maar in het algemeen bestaat wel de behoefte om invloed te hebben op branchering. Daarbij is uitgangspunt om “maximaal gebruik te maken” van de juridische ruimte. Die invloed op de branchering is vooral ingegeven door de behoefte om bestaande branches (niet concrete winkels) te beschermen en standplaatsen vooral voor de consument te kunnen inzetten als aanvulling op het bestaande aanbod (zowel wat betreft diversiteit als kwaliteit/prijsstelling).

  • Dit wordt behandeld in paragraaf 4.5.

    • 1.

      Rol winkeliers/consumenten

Heel breed is de opvatting dat winkeliers(verenigingen) moeten worden betrokken bij het standplaatsenbeleid en bij de vergunningverlening, maar dan wel in een adviesrol. Daarbij moet vooral worden gelet op het belang van de consument. De concurrentiepositie van de winkelier mag in de adviesrol geen zwaarwegend belang zijn. In het algemeen bestaat de voorkeur voor het handhaven van de gemeente als vergunningverlenende instantie (en dus niet de winkeliers).

Verder is gevraagd om de Vereniging voor ambulante handel te betrekken bij het opstellen van het standplaatsenbeleid.

Nadrukkelijk dienen de inwoners van Diemen, als consument, betrokken te worden bij het nieuwe standplaatsenbeleid: wat willen zij? Geadviseerd is om hiervoor interviews of een enquête te houden.

•De adviesrol van de winkeliersverenigingen is opgenomen in paragraaf 5.1.

Deze nota is niet van toepassing op de weekmarkt, evenementen, snuffelmarkten en het verkopen vanuit een bouwwerk (zoals een kiosk). Daarvoor geldt afzonderlijke regelgeving.

In de voorliggende Nota standplaatsenbeleid 2017 zijn de nog relevante delen van de Nota straathandel 2007 overgenomen. Over het algemeen in een beknoptere vorm.

De regelgeving voor standplaatsen in de Algemene Plaatselijke verordening (APV) is beperkt. Derhalve is het van belang om helder beleid te hebben bij deze regels. Daar waar mogelijk sluit dit beleid aan bij de regelgeving voor de weekmarkt.

Verder is het zo dat de standplaatsen te zijner tijd, in het kader van de Omgevingswet, geregeld worden in het Omgevingsplan.

2. Juridisch kader

2.1 Algemene Plaatselijke Verordening Diemen (APV)

De wettelijke grondslag voor het reguleren van de standplaatsen is te vinden in artikel 108 van de Gemeentewet. Dit artikel erkent de autonome bevoegdheid van het gemeentebestuur tot het stellen van regels inzake de huishouding van de gemeente. Het reguleren van de straathandel wordt tot de huishouding van de gemeente gerekend.

In de APV is gebruik gemaakt van de bevoegdheid om op grond van de Gemeentewet regels te stellen. Het is zonder vergunning van het college verboden een standplaats in te nemen.

In artikel 5:17 van de APV wordt onder een standplaats verstaan: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, al dan niet gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

In artikel 1:8 van de APV is geregeld dat een vergunning mag worden geweigerd in het belang van:

  • a.

    de openbare orde;

  • b.

    de openbare veiligheid;

  • c.

    de volksgezondheid;

  • d.

    de bescherming van het milieu.

In artikel 5:18 van de APV zijn als gronden voor weigering van een vergunning voor een standplaats toegevoegd:

  • a.

    wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit;

  • b.

    indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

  • c.

    indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.

In de toelichting van de model APV is ondermeer onderstaande tekst opgenomen.

De vergunning dient om te voorkomen dat de openbare orde wordt verstoord en dat overlast wordt tegengegaan. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld: geluidsoverlast; stankoverlast; verkeershinder; overlast door zwerfafval.

Redelijke eisen van welstand

Deze weigeringsgrond kan gehanteerd worden indien een of meer standplaatsen worden ingenomen op een zodanige plaats dat het straatbeeld ernstig verstoord wordt. Met deze weigeringsgrond wordt het aanzien van monumentale gebouwen of stedenbouwkundige ensembles gewaarborgd. Het is niet noodzakelijk, maar wel verstandig om bijvoorbeeld de zogenaamde welstandscommissie om advies te vragen.

Redelijk verzorgingsniveau

Op 18 september 2013 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (201208105/1/R2) nogmaals bepaald, dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument bij detailhandel in eerste levensbehoeften in een deel van de gemeente in gevaar komt. Doorslaggevend is of inwoners van een bepaald gebied op aanvaardbare afstand van hun woning kunnen voorzien in hun eerste levensbehoeften. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning weigeren, dan moet worden aangetoond dat het voortbestaan van het voorzieningenniveau in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen worden aangeboden als in de bestaande winkel(s).

Maximumstelsel

Het kan in het kader van de openbare orde van belang zijn om het aantal te verlenen vergunningen aan een maximum te verbinden. In dat geval dient te worden aangetoond of aannemelijk worden gemaakt dat van zo'n gevaar daadwerkelijk sprake is.

R egels

Aan de hand van de weigeringsgronden, genoemd in artikel 1:8 van de APV, kan het college regels vaststellen, waarin wordt aangegeven wanneer wel of niet tot het afgeven van een standplaatsvergunning wordt overgegaan.

De zaken die het college in het standplaatsenbeleid kan vastleggen betreffen:

  • -

    de vaststelling van het maximum aantal af te geven standplaatsvergunningen;

  • -

    de vaststelling van het aantal af te geven standplaatsvergunningen per branche;

  • -

    de aanwijzing van locaties waar standplaatsen mogen worden ingenomen;

  • -

    de aanwijzing van tijdstippen waarop standplaatsen mogen worden ingenomen.

Hiernaast is het volgende relevant.

Schaarse vergunningen

Een vergunning wordt conform artikel 1:7 van de APV in beginsel voor onbepaalde tijd verleend. Indien de gemeente de vergunning met het oog op de verdeling van standplaatsen aan een termijn wil verbinden, dan is het zaak te motiveren waarom dit noodzakelijk is in het belang van onder meer de openbare orde, overlast, verkeersveiligheid en milieu. Dit is inmiddels achterhaald.

Op 2 november 2016 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (201406676/1/A3) nieuw recht geschapen over de verdeling van schaarse vergunningen. Schaarse vergunningen mogen in beginsel niet voor onbepaalde tijd doch alleen tijdelijk worden verleend. Bij verlening voor onbepaalde tijd wordt de vergunninghouder onevenredig bevoordeeld, omdat het voor nieuwkomers dan nagenoeg onmogelijk is om nog toe te treden tot de markt. Om gelijke kansen te realiseren dient daarom een passende mate van openbaarheid te worden verzekerd met betrekking tot de beschikbaarheid van de schaarse vergunning, de verdelingsprocedure, het aanvraagtijdpad en de toe te passen criteria.

2.2 Overige wetgeving

Winkeltijdenwet en Verordening winkeltijden gemeente Diemen 2014

Op grond van de Winkeltijdenwet mag een standplaats op werkdagen (maandag tot en met zaterdag) van 6.00 tot 22.00 uur worden ingenomen.

Op grond van de gemeentelijke verordening geldt dat:

  • -

    verkoop op zon- en feestdagen mag plaatsvinden van 9.00 tot 22.00 uur;

  • -

    verkoop op goede vrijdag, 24 december en 4 mei is toegestaan tot 19.00 uur.

Controle en handhaving van de winkeltijden vindt in eerste instantie plaats door de door het college aangewezen toezichthouders.

Warenwet

In de Warenwet staat aan welke eisen voedingsmiddelen en andere producten moeten

voldoen. Aan de Warenwet zijn besluiten en regelingen toegevoegd zoals bijvoorbeeld regels

over het hygiënisch klaarmaken en het etiketteren van levensmiddelen. De Nederlandse

Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) controleert of de regels van voedselveiligheid worden

nageleefd. Bij overtreding van de Warenwet kan de NVWA maatregelen nemen.

Handelsregisterwet 2007

Uit artikel 5 van deze wet blijkt dat een onderneming (waaronder standplaatshouder) ingeschreven dient te zijn bij de Kamer van Koophandel.

Burgerlijk wetboek

In boek 6, titel 5, afdeling 2b van het Burgerlijk Wetboek zijn sinds juni 2014 bepalingen

neergelegd die gelden voor overeenkomsten tussen handelaren en consumenten. De

Colportagewet is hiermee vervallen. De regels zoals deze zijn neergelegd in het Burgerlijk Wetboek gelden ook voor standplaatsen.

Dienstenrichtlijn

De Europese dienstenrichtlijn verplicht lidstaten van de Europese Unie tot het vrijgeven van hun dienstenmarkt, ten gunste van aanbieders uit andere lidstaten. Belemmerende regelgeving is niet toegestaan. Dit geldt ook voor diensten die door middel van een standplaats worden geleverd. De Dienstenrichtlijn is voor zover relevant in de APV geïmplementeerd. De Dienstenrichtlijn heeft geen betrekking op het aanbieden van goederen.

3. Bestaande beleid

3.1 Nota straathandel

De Nota straathandel uit 2007 met bijbehorende toelichting geldt voor standplaatsen en venten. De nota is gedateerd en moet worden vervangen. De beleidsregels voor venten zijn door een wijziging van de APV, waarbij venten vergunningsvrij is geworden, inmiddels komen te vervallen.

In de voorliggende Nota standplaatsenbeleid 2017 zijn de nog relevante delen van de Nota straathandel 2007 overgenomen. Over het algemeen in een beknoptere vorm.

Hiernaast is zoveel mogelijk de (na 2007 vastgestelde) bestaande regelgeving voor standplaatsen op de weekmarkt overgenomen voor zover deze ook relevant is voor standplaatsen niet gevestigd op de weekmarkt.

3.2 Verleende vergunningen

Naast onderstaande vergunningen voor standplaatsen op vaste dagen of seizoen, is het ook mogelijk een vergunning te verlenen voor een enkele dag (is bijvoorbeeld verleend voor het graveren van kentekens). De afkorting vw staat voor verkoopwagen. In rood zijn afwijkingen aangegeven die onder de tabel worden verklaard.

Ten aanzien van onderstaande tabel wordt opgemerkt dat er reeds een aantal relevante wijzigingen hebben plaatsgevonden. Het aantal standplaatsen dat op het Diemerplein wordt ingenomen is momenteel (23-11-2017) op zaterdag al teruggebracht naar 4 plaatsen.

verleende standplaatsvergunningen per 1 maart 2017

locatie (met plaats)

branche

periode

dagen

tijden

oppervlakte in m2

 

 

 

 

 

vergund

gebruikt

Gruttoplein

vis

onbepaald

wo, do, za

9.00-18.00

19,50

19,50 vw

Gruttoplein (seizoen)

oliebollen

nov - dec 2016

ma t/m za

11.00-18.00

15,00

24,50 vw

Diemerplein (plaats 1)

snacks

onbepaald

ma t/m vr

9.00-22.00

24,00

36,00 vw

Diemerplein (plaats 1)

snacks

5-11-16 / 4-11-17

za

10.00-20.00

15,00

36,00 vw

Diemerplein (plaats 2)

wereldproducten

onbepaald

vr, za

10.00-17.00

15,50

23,80 vw

Diemerplein (plaats 3)

aardappel, groente, fruit

onbepaald

za

8.00-13.00

52,00

65,00

Diemerplein (plaats 4)

kaas

onbepaald

za

8.00-13.00

18,00

24,00 vw

Diemerplein (plaats 5)

Vietnamese snacks

onbepaald

ma, di, do, vr

7.00-23.00

15,00

15,00 vw

Diemerplein (plaats 5)

bloemen

13-11-16/12-11-17

za

8.00-17.00

32,00

40,00

Gemeentehuis (seizoen)

oliebollen

nov-dec 2016

ma t/m zo

7.00-20.00

28,00

28,00 vw

Kruidenhof

vis

onbepaald

ma t/m za

9.00-16.30

12,00

25,00 vw

Verrijn Stuart

broodjes en snacks

onbepaald

ma t/m vr

8.00-18.00

18,85

30,00 vw

Wildenborch

snacks

onbepaald

ma t/m vr

7.00-22.00

12,50

25,00 vw

De vergunde oppervlakte voor bloemen is door het Team Vergunningen overigens al verhoogd naar 48 m2.

Naast standplaatsen zijn er ook kiosken in Diemen (al dan niet op gemeentegrond) waarvoor een bouwvergunning of omgevingsvergunning is verleend. De kiosken staan vermeld op de bladzijden 18 en 19 in de toelichting per locatie.

De vergunning voor Vietnamese snacks tot 23.00 uur is in strijd met de Winkeltijdenwet die verkoop tot 22.00 uur toestaat. Dit wordt aangepast in de nieuwe vergunning.

Tijdens controles in december 2016 is gebleken dat op negen standplaatsen meer ruimte wordt ingenomen dan is vergund. Precario wordt geheven per veelvoud van 10 m2. Dit heeft tot gevolg dat negen standplaatshouders minder precario betalen dan op grond van de Verordening precariobelasting verschuldigd is. In de nieuwe vergunningen wordt de oppervlakte aangepast.

Tijdens de controles is ook gebleken dat zeven verkoopmiddelen, met name verkoopwagens, niet binnen de op de plattegrond aangegeven standplaats zijn geplaatst. Het innemen van de juiste plek is niet eenvoudig omdat een markering op de bestrating ontbreekt. Wellicht is het mogelijk kleine markeringen aan te brengen zonder dat de (soms luxe) uitstraling van de bestrating wordt verstoord.

Niet alle in de Nota straathandel 2007 beschikbare locaties en plaatsen worden benut.

Het NS-station Diemen-Zuid is voor één plaats aangewezen (daar moet de NS als eigenaar van de grond toestemming voor geven) en er zijn in 2007 twee plaatsen beschikbaar gesteld op de locaties: Gruttoplein, Verrijn Stuart, Bergwijkpark Noord en Bergwijkpark Zuid.

Omgekeerd zijn in de Nota straathandel 2007 twee plaatsen opgenomen voor het Diemerplein. In de afgelopen jaren is daar het aantal plaatsen uitgebreid tot vijf. Ter voorbeeld het aantal plaatsen dat op 20 maart 2017 tegelijk in gebruik is bedraagt:

0 op zondag;

2 op maandag;

2 op dinsdag;

1 op woensdag (na de weekmarkt);

2 op donderdag;

3 op vrijdag;

5 op zaterdag.

Met betrekking tot het aantal standplaatsen dat op de zaterdag in gebruik is, wordt opgemerkt dat dit op 23-11-2017 vier bedraagt. Er is op dit moment op geen enkele dag sprake van ingebruikname van vijf standplaatsen.

Kortom, op dit moment zijn er op geen enkele dag vijf standplaatsen op het Diemerplein in gebruik. Meer dan vier standplaatsen is echter niet gewenst aangezien hierdoor een verkapte marktvorming ontstaat. Het maximum aantal toelaatbare plaatsen wordt derhalve beperkt tot vier.

3.3 Overige besluiten

Het weigeren van een vergunning komt maar één keer per twee à drie jaar voor. Tegen een besluit tot weigering zijn door de aanvragers geen bezwaarschriften ingediend.

Het geringe aantal weigeringen is het gevolg van het contact met de aanvrager in het voortraject. Voordat een aanvraag wordt ingediend wordt de aanvrager al geïnformeerd over de kansen op een vergunning of weigering daarvan. In het laatste geval wordt de aanvraag niet ingediend om legeskosten uit te sparen.

In de afgelopen jaren is tegen verleende vergunningen voor vis en bloemen door een winkelier uit dezelfde branche een bezwaarschrift ingediend. Deze bezwaarschriften zijn afgewezen.

4. R egels voor standplaatsen

4.1 I nleiding

Onder het innemen van een standplaats wordt verstaan: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, al dan niet gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

Deze nota is niet van toepassing op de weekmarkt, evenementen, snuffelmarkten en het verkopen vanuit een bouwwerk (zoals een kiosk). Daarvoor geldt afzonderlijke regelgeving.

Het te koop aanbieden van producten zoals bloemen, vis, kaas, friet, ijs, loempia’s en dergelijke op straten en pleinen vanuit een verkoopwagen of kraam is niet weg te denken uit het Hollandse straatbeeld. Het verlevendigt de openbare ruimte terwijl deze activiteiten tevens, naast de reguliere weekmarkt, een aanvulling kunnen vormen op het assortiment in winkels.

De schaduwzijde is dat er een wildgroei aan standplaatsen kan ontstaan. Dat kan leiden tot ongewenste situaties zoals parkeerproblematiek, overlast ervaren door omwonenden (parkeren, stank van bakken, en dergelijke) en verkeersonveilige situaties. Ook kan het innemen van een standplaats het uiterlijk aanzien van de omgeving aantasten. De belangrijkste doelstelling van het standplaatsenbeleid is om duidelijkheid te scheppen over de locaties waar wel of niet een standplaats kan worden ingenomen.

Standplaatsen kunnen een positieve dimensie toevoegen aan bepaalde locaties, bijvoorbeeld

door:

  • vergroting van de levendigheid (en het gevoel van sociale veiligheid) van een bepaalde locatie zoals bijvoorbeeld de omgeving van stations: meer mensen op straat;

  • het vergroten van de aantrekkingskracht van winkelcentra (bijvoorbeeld door toevoeging van een viskraam);

  • toevoeging van een voorziening die in het betreffende gebied beperkt voorhanden is (zoals het aanbieden van broodjes en snacks op de bedrijventerreinen en in Bergwijkpark Noord);

  • toevoeging van de variëteit aan producten die lokaal worden aangeboden;

  • inspelen op specifieke perioden, zoals een kraam voor de verkoop van kerstbomen gedurende de kerstperiode of een oliebollenkraam voor kerst en oud en nieuw.

Het standplaatsenbeleid gaat uit van:

  • gelijke behandeling van aanvragers gegeven de schaarste aan vergunningen;

  • heldere regels voor standplaatshouders (zoveel mogelijk gelijk aan de regels voor de weekmarkt) en inzichtelijk beleid voor eventuele belanghebbenden in de directe omgeving van de standplaats (zoals winkeliers);

  • het waarborgen van bepaalde randvoorwaarden, bijvoorbeeld de verkeersveiligheid en het waarborgen van voldoende parkeergelegenheid in de omgeving.

In het beleid voor standplaatsen wordt onderscheid gemaakt tussen vaste standplaatsen die in principe elke week worden ingenomen en tijdelijke standplaatsen die incidenteel worden ingenomen (bijvoorbeeld seizoensgebonden).

Vaste standplaats

Vanaf een vaste standplaats worden gedurende één of meer vaste tijdstippen per week voor een periode van vijf jaar (met verleningsmogelijkheid in concurrentie) in het algemeen, commerciële goederen en diensten aangeboden. Met andere woorden, het gaat hier om een standplaats op een vaste locatie voor een langdurige periode. Een voorbeeld hiervan is het verkopen van vis of bloemen vanaf een vaste locatie gedurende vijf of meer jaren.

Tijdelijke standplaats

Een tijdelijke standplaats is het commercieel aanbieden van goederen en diensten vanaf een vaste standplaats voor een beperkte periode, doch niet gedurende het hele jaar. Een voorbeeld hiervan is het verkopen van oliebollen in de periode november/december van het jaar en de verkoop van kerstbomen.

Onder een tijdelijke standplaats wordt ook verstaan het al dan niet commercieel aanbieden van goederen en diensten vanaf een willekeurige standplaats voor een incidentele periode. Met andere woorden, het gaat hier om een standplaats voor een beperkte periode, waarbij de locatie niet steeds dezelfde is. Voorbeelden hiervan zijn een dagstandplaats voor een ideële organisatie of voor het graveren van auto’s.

4. 2 Weigeringsgronden

In artikel 1:8 APV is geregeld dat een vergunning mag worden geweigerd in het belang van:

  • a.

    de openbare orde;

  • b.

    de openbare veiligheid;

  • c.

    de volksgezondheid;

  • d.

    de bescherming van het milieu.

In artikel 5:18 APV zijn als gronden voor weigering van een vergunning voor een standplaats toegevoegd:

  • a.

    wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit;

  • b.

    indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

  • c.

    indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.

In de praktijk zal het bij de weigeringsgronden om de volgende belangen gaan.

Openbare orde, verkeersvrijheid en -veiligheid

Het innemen van een standplaats zal slechts sporadisch een gevaar opleveren voor de openbare orde. Deze weigeringsgrond wordt vaak gehanteerd in combinatie met de weigeringsgrond “belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid”. Standplaatsen waar goederen te koop worden aangeboden, hebben een verkeersaantrekkend karakter of kunnen het zicht op de openbare weg belemmeren. Door deze verkeersaantrekkende werking ontstaan mogelijk ongewenste oversteekbewegingen door voetgangers en ontoelaatbaar fietsverkeer in voetgangersgebieden. Ook parkerende en geparkeerde auto’s kunnen overlast veroorzaken. Uit jurisprudentie is gebleken dat beperking van een aantal standplaatsen in het belang van de verkeersveiligheid is toegestaan. Dit neemt niet weg dat iedere aanvraag op eigen omstandigheden en situatie beoordeeld moet worden (een afwijzing waarbij enkel naar “het beleid” wordt verwezen wordt door de rechter niet geaccepteerd). Met andere woorden, de eventuele afwijzing moet te allen tijde goed gemotiveerd zijn.

Voorkomen of beperken van overlas t

Meer dan vijf standplaatsen op dezelfde locatie komt volgens vaste jurisprudentie in ieder geval neer op (verkapte) marktvorming. Gelet op de grote van Diemen en het Diemerplein achten wij vier standplaatsen het maximale aantal op het Diemerplein. Dit gegeven kan mede worden gebruikt bij het aanwijzen van de locaties waar een standplaats kan worden ingenomen.

Bij veel belangstelling voor dezelfde locatie kunnen met behulp van deze weigeringsgrond de af te geven vergunningen over de week worden verspreid, zodat een concentratie van de in te nemen standplaatsen en derhalve het ontstaan van marktvorming wordt tegengegaan.

Redelijke eisen van welstand

Deze weigeringsgrond is van toepassing, als een verkoopmiddel op een zodanige plaats een standplaats inneemt, dat het straatbeeld ernstig verstoord wordt. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer meerdere standplaatsen naast elkaar worden ingenomen en daardoor de architectonische eenheid in het gedrang komt. Ook het aanzien van monumentale gebouwen of waardevolle stedenbouwkundige verbanden kan met deze weigeringsgrond worden gewaarborgd.

Redelijk verzorgingsniveau

Ook als uit onderzoek blijkt, dat er voldoende verkooppunten zijn, is dit op zichzelf onvoldoende reden om een vergunning te weigeren. Het bepalende element is het verzorgingsniveau van de consument en niet de concurrentiepositie van een gevestigde winkelier. Wel kunnen winkeliers in een nieuw op te zetten winkelcentrum worden beschermd tegen concurrentie van een standplaatshouder. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft aanvaard, dat nieuwe winkeliers gedurende een bepaalde aanloopperiode beschermd mogen worden, echter alleen in het belang van het opzetten van een voldoende verzorgingsniveau voor de consument.

4. 3 Uitwerking weigeringsgronden in regels

Doel van het detailhandelsbeleid is het voorzieningenniveau voor de burger op een hoger niveau te brengen en te houden. Daarbij past een beleid dat voorziet in mogelijkheden voor het innemen van een standplaats. Op basis van de regels is een aantal voorbeeld locaties voor standplaatsen aangewezen.

De algemene regels voor standplaatsen zijn:

  • streven naar concentratie van voorzieningen voor consumenten (detailhandelsbeleid); dus met standplaatsen zoveel mogelijk aansluiting zoeken bij bestaande winkelcentra; de standplaatsen dienen wel ondersteunend/ondergeschikt te zijn aan de winkelcentra en verkapte marktvorming moet worden voorkomen, dus beperkt in aantal en omvang;

  • rekening houden met een aanloopperiode bij een nieuw winkelcentrum door tijdelijke beperking van het aantal standplaatsen indien dit nodig is voor het opzetten van een voldoende verzorgingsniveau voor de consument;

  • geen standplaatsen in woonbuurten en woonstraten; dit in verband met hinder, verkeersaantrekkende werking, verkeersveiligheid en verstoring van de bewoners (openbare orde en beperken overlast);

  • geen standplaatsen langs doorgaande wegen in verband met verkeersveiligheid;

  • geen standplaatsen in groen- en natuurgebieden in verband met de bescherming van het milieu;

  • geen standplaatsen op locaties die binnen afzienbare tijd worden herontwikkeld, waar de inrichting van de openbare ruimte ingrijpend wordt gewijzigd;

  • de verkoop van alcoholhoudende dranken voor directe consumptie is verboden in verband met gevaar voor de openbare orde en/of overlast;

  • het verkoopmiddel dient veilig, heel, netjes en schoon te zijn; omdat het verkoopmiddel mobiel is, zal het nodige technisch onderhoud moeten worden gepleegd; hiernaast dient het uiterlijk aanzien in goede staat te zijn, in overeenstemming te zijn met de (bebouwde) omgeving.

Een aanvraag om een standplaatsvergunning wordt hiernaast beoordeeld aan de hand van vier criteria genoemd in onderstaande checklist. Hierin zijn verschillende weigeringsgronden in concrete regels verwerkt.

 

Beleidsregel

Uitleg

 

In het belang van de openbare orde .

1

De afstand tot bebouwing bedraagt minimaal drie meter.

Deze drie meter geldt tot gevels met ramen en/of deuropeningen. Dit in verband met gevaar voor overslag van brand in het geval dat brand op de standplaats ontstaat. Mogelijkheden voor uitzonderingen op deze regel worden beoordeeld na advisering door de brandweer.

 

In het belang van het voorkomen of beperken van overlast .

2

Overlast voor de omgeving dient zoveel mogelijk te worden voorkomen.

Het bakken, braden, frituren, en dergelijke mag niet plaatsvinden op een afstand van minder dan vijf meter van woonbebouwing en terrassen. Deze afstand is ook mede ingegeven uit brandveiligheidsoverwegingen.

 

Indien de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand .

3

De situering binnen de omgeving moet passend zijn.

Een standplaats mag het straatbeeld niet aantasten, zichtlijnen niet onderbreken, het zicht op en/of de bereikbaarheid van etalages en terrassen niet belemmeren; met het aantal standplaatsen mag geen totaalbeeld van wildgroei ontstaan.

Standplaatsen mogen individueel en (ingeval van meerdere standplaatsen) in samenhang geen afbreuk doen aan het straatbeeld, het karakter van de omgeving en de kwaliteit en beleving van de openbare ruimte.

 

In het belang van de verkeersvrijheid of - veiligheid .

4

Er mag geen gevaar of hinder voor het verkeer worden veroorzaakt.

Daarom mag geen standplaats worden ingenomen op de volgende locaties:

-langs een weg buiten de bebouwde kom in verband met de hogere maximum snelheid aldaar;

-langs een weg binnen de bebouwde kom als dat de doorstroming van het verkeer beïnvloedt of belemmert;

-op een rijbaan, bromfietspad of fietspad;

-op een calamiteitenroute van de nood- en hulpdiensten alsmede op een locatie van een ondergrondse of bovengrondse brandkraan;

-op kruispunten, op hoeken van straten en onoverzichtelijke punten waardoor een gevaar ontstaat voor de verkeersveiligheid;

-op locaties waar zij het vrije zicht op kruisingen, oversteekplaatsen, uitritten, verkeerstekens, verkeerslichten of verkeersborden belemmeren;

-op een trottoir/voetgangersgebied als voor het voetgangersverkeer niet tenminste twee meter vrije doorloopruimte overblijft;

-op locaties waar zij de gidslijn voor visueel gehandicapten blokkeren;

-op een locatie waar in de nabijheid van de standplaats geen parkeerplaatsen aanwezig zijn;

-op parkeervakken in gebieden waar betaald parkeren is of wordt ingevoerd;

-op parkeerplaatsen of parkeerterreinen waar de parkeerdruk op een representatief moment hoger is dan 80%;

-locaties waar ongewenste verkeersbewegingen van voetgangers over niet-voetgangersgebied ontstaan.

Om de mobiliteit te garanderen zijn de volgende voorschriften van toepassing op vaste standplaatsen:

  • -

    maximaal een uur voor het begin van het tijdstip waarop, overeenkomstig het vermelde in de vergunning, met de verkoop of verstrekking wordt begonnen, mag de standplaats worden ingenomen;

  • -

    binnen een uur na het tijdstip dat, overeenkomstig het vermelde in de vergunning, de verkoop of verstrekking wordt beëindigd, dient de standplaats te worden ontruimd.

Dit betekent dat de standplaats iedere dag ontruimd dient te worden.

In geval er een evenement wordt gehouden op een locatie waar een standplaats wordt ingenomen zal aan de standplaatshouder een alternatieve locatie worden aangeboden.

Gelet op het beperken van overlast en de verkeersveiligheid is een terras bij een standplaats niet toegestaan. Gelet op de aard van een standplaats, het binnen een beperkte tijd aanschaffen en indien van toepassing, het nuttigen van de aangeschafte goederen, is het hebben van een terras voorbehouden aan horecagelegenheden. Maximaal twee hoge tafeltjes voor het staand nuttigen van etenswaren zijn toegestaan.

Het uitstallen van bijvoorbeeld groente en fruit is toegestaan, mits de ruimte van de standplaats dit toelaat.

De standplaatsen worden verkeerstechnisch ingericht. In sommige gevallen dient er een verkeersbesluit te worden genomen, wanneer bijvoorbeeld parkeerplaatsen gereserveerd dienen te worden om de beschikbaarheid van deze plaatsen te kunnen garanderen (Kruidenhof). In sommige gevallen is het verlenen van een ontheffing op grond van artikel 87 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) noodzakelijk, omdat bij het innemen van een standplaats de verkoopwagen wellicht een weggedeelte moet betreden waar dat niet is toegestaan (bijvoorbeeld het trottoir).

Indien een verkoopmiddel, bijvoorbeeld een kraam, in een voertuig zoals een vrachtwagen wordt vervoerd, dient dit voertuig, indien de in te nemen standplaats geen ruimte voor dit voertuig biedt, elders in een parkeervak te worden geparkeerd of op een door het college aangewezen plaats. Het verlenen van een ontheffing op grond van artikel 87 van het RVV 1990 is soms noodzakelijk.

Als uitwerking van de regels worden aan de vergunning zo nodig diverse voorschriften verbonden. Deze voorschriften sluiten zoveel mogelijk aan bij de voorschriften die gelden voor de weekmarkt (Marktreglement Diemen).

4. 4 Toetsing potentiële locaties aan de regels

Er bestaat een voorkeur voor een gedifferentieerd standplaatsenbeleid waarbij per gebiedsdeel wordt bekeken of standplaatsen wel of niet worden toegestaan. Daarbij moet er aandacht zijn voor de rechtszekerheid voor bestaande standplaatshouders. De toetsing aan de regels heeft alleen voor het Diemerplein tot verandering geleid dat het maximum aantal standplaatsen dat gelijktijdig ingenomen mag worden van 5 naar 4 gaat.

De vier regels zijn:

  • 1.

    de afstand tot bebouwing bedraagt minimaal drie meter, indien een standplaats beschikt over een inrichting om te bakken, braden of frituren bedraagt deze afstand minimaal vijf meter;

  • 2.

    overlast voor de omgeving dient zoveel mogelijk te worden voorkomen;

  • 3.

    de situering binnen de omgeving moet passend zijn;

  • 4.

    er mag geen gevaar of hinder voor het verkeer worden veroorzaakt.

De volgende potentiële locaties voor vaste standplaatsen zijn getoetst, met als waardering:

+ = voldoet, 0 = nog onduidelijk en - = voldoet niet.

toetsing potentiële locaties voor vaste standplaatsen aan de beleidsregels

locatie (met plaats)

waardering per beleidsregel

totaal oordeel

 

1

2

3

4

 

Gruttoplein

+

+

+

+

positief

Station Diemen Centrum

+

+

0

0

toetsing na herinrichting

Diemerplein

+

+

+

+

positief

Arent Krijtsstraat

-

-

-

-

negatief

Kruidenhof

+

+

+

+

positief

Station en Campus Diemen Zuid

+

+

0/+

0/+

Station toetsing na herinrichting

Overig Bergwijkpark Noord

+

+

+

+

positief

Bergwijkpark Zuid

+

+

-

-

negatief

Bedrijventerreinen

+

+

+

+

positief

Overig buitengebied

+

+

0

0

geen jurisdictie gemeente

Onderstaand per locatie een toelichting.

Gruttoplein

In 2007 zijn twee vaste standplaatsen beschikbaar gesteld. Daarvan is er maar één in gebruik. Voorgesteld wordt het aantal te verminderen tot één vaste standplaats.

Het aantal moet passen bij het wijkwinkelcentrum. Daar is leegstandsproblematiek. In verband met de parkeerdruk geen standplaats op de parkeerplaats(en). Er is al een kiosk aanwezig. De standplaats situeren op het plein aan de voorzijde van het winkelcentrum in verband met symbiose, aanvulling en ondersteuning van de voorzieningen. Die locatie geeft ook een beperking in aantal en omvang in verband met beleving en zichtbaarheid.

Station Diemen Centrum

Vooralsnog geen standplaats in verband met herinrichting van het stationsgebied. Daarna valt deze locatie te heroverwegen. Keuze mede laten afhangen van eventueel alternatief aanbod: bij het voortbestaan van de stationsvoorziening (kiosk) geen standplaats.

Diemerplein

In 2007 zijn twee vaste standplaatsen beschikbaar gesteld. In de loop der jaren is het aantal plekken waar standplaats kan worden ingenomen uitgebreid tot vijf, die ook daadwerkelijk enige tijd op zaterdag allemaal in gebruik zijn geweest. Tijdens het beoordelingsmoment op 20 maart 2017 waren er verder op vrijdag drie plaatsen gelijktijdig in gebruik en op andere dagen minder dan drie. Het maximum aantal standplaatsen dat gelijktijdig ingenomen mag worden wordt vastgesteld op vier (waarbij van vijf plekken gebruik kan worden gemaakt).

Het aanbrengen van een differentiatie per dag behoort niet tot de mogelijkheden gelet op de bestaande jurisprudentie (zie bijvoorbeeld Raad van State RVS:2013:CA0661).

Het aantal moet passen bij het hoofdwinkelcentrum. Door de renovatie en uitbreiding is daar nog sprake van leegstand. De standplaatsen worden gesitueerd op het plein aan de oostzijde van de apotheek. Aantal en omvang wordt beperkt in het kader van de beleving, welstand, bereikbaarheid en zichtbaarheid van winkels, horeca en terrassen.

Arent Krijtsstraat

Net als nu geen standplaats. Het ontbreekt aan fysieke ruimte die voldoet aan de criteria van (verkeers)veiligheid. Bij de hoek Hartveldseweg/Schoolstraat is aanbod door twee kiosken.

Kruidenhof

Net als nu één standplaats. Het aantal moet passen bij het wijkwinkelcentrum. Locatie aan de voorzijde in verband met symbiose, aanvulling en ondersteuning van de voorzieningen. De standplaats is fysiek alleen mogelijk op het parkeerterrein. In verband met de parkeerdruk geeft dit een beperking in aantal en omvang.

Station en Campus Diemen Zuid

Vooralsnog geen standplaats bij het station in verband met herinrichting van het stationsgebied. Daarna heroverwegen voor het voorplein. Keuze mede afhankelijk van eventueel alternatief aanbod. Bij aanwezigheid van een stationsvoorziening geen standplaats gedurende de aanloopperiode.

Bij de Campus Diemen Zuid kan één standplaats worden ingenomen. Er wordt rekening gehouden met de aanloopperiode van de voorzieningen op de Campus Diemen Zuid (en eventuele voorzieningen in Holland Park).

Overig Bergwijkpark Noord

De standplaats bij Hogeschool In Holland kan worden gehandhaafd. In de woonbuurten en woonstraten (van bijvoorbeeld Holland Park) worden gelet op de algemene regel geen standplaatsen toegestaan.

Bergwijkpark Zuid

In 2007 zijn twee vaste standplaatsen beschikbaar gesteld. Daarvan wordt thans geen gebruik gemaakt. Voorgesteld wordt hier geen vaste standplaatsen meer toe te staan.

Gelet op de parkeerdruk is er geen goede locatie beschikbaar. De ervaring leert bovendien dat een standplaats hier niet rendabel is. In dit hoogwaardige kantorengebied heeft uit een oogpunt van welstand het realiseren van vaste horeca de voorkeur.

Bedrijventerreinen

In 2007 zijn twee vaste standplaatsen beschikbaar gesteld. Daarvan is er thans maar één in gebruik. Voorgesteld wordt twee vaste standplaatsen toe te staan.

De standplaatsen bij voorkeur spreiden over de diverse terreinen. Na opening van een vaste horecavoorziening rekening houden met de aanloopperiode.

Overig b uitengebied

Geen (gemeentelijke) standplaats. Het grondgebied, behalve ten noordoosten van het Amsterdam-Rijnkanaal waar geen standplaats te verwachten is, valt onder de verordening van het Groengebied Amstelland. Er is geen gemeentelijke jurisdictie.

Tijdelijke standplaatsen

Voor tijdelijke standplaatsen voor seizoensgebonden producten komen in ieder geval de volgende vier locaties in aanmerking:

  • 1.

    Gruttoplein, bestaande locatie voor oliebollen;

  • 2.

    Plein gemeentehuis, bestaande locatie voor oliebollen;

  • 3.

    Omgeving station en campus Diemen Zuid, nieuwe locatie;

  • 4.

    Sniep bij de Perifere Detailhandelsvestigingen (PDV), nieuwe locatie.

Hierbij is rekening gehouden met spreiding over het grondgebied (consumentenbelang), concentratie van voorzieningen, bereikbaarheid, beschikbaarheid ruimte en parkeerdruk.

4. 5 Overzicht aangewezen standplaatsen en branchering

Het is duidelijk dat de gemeente zich terughoudend moet opstellen als het gaat om concurrentieverhoudingen, maar in het algemeen bestaat wel de behoefte om invloed te hebben op branchering. Daarbij is uitgangspunt om “maximaal gebruik te maken” van de juridische ruimte. Die invloed op de branchering is vooral ingegeven door de behoefte om bestaande branches (niet concrete winkels) te beschermen en standplaatsen vooral voor de consument te kunnen inzetten als aanvulling op het bestaande aanbod (zowel wat betreft diversiteit als kwaliteit/prijsstelling).

Een aantal locaties is aan de hand van vier regels al getoetst en voldoet daaraan. Indien een aanvrager een andere locatie aanvraagt, zal deze aan de hand van de regels worden getoetst.

Een standplaats kan in ieder geval worden ingenomen op de volgende locaties (niet limitatief) met de volgende oppervlakten (huidig gebruik verhoogd met circa 5 m2 en afgerond op veelvouden van 5 m2) en branches:

locatie (met plaats)

Oppervlakte

branche

 

huidig gebruik

stand-plaats

 

Gruttoplein (1)

19,5 m2

25 m2

food (aanvullend)

Gruttoplein (2)

24,5 m2

30 m2

seizoensgebonden producten

Diemerplein (1)

36,0 m2

40 m2

eet- en drinkwaren voor directe consumptie

Diemerplein (2)

23,8 m2

30 m2

food en non-food (aanvullend)

Diemerplein (3)

65,0 m2

70 m2

food en non-food (aanvullend)

Diemerplein (4)

24,0 m2

30 m2

food en non-food (aanvullend)

Plein gemeentehuis

28,0 m2

35 m2

seizoensgebonden producten

Kruidenhof

25,0 m2

30 m2

food (aanvullend)

Campus Diemen Zuid

n.v.t.

30 m2

food (aanvullend)

Station/Campus Diemen Zuid

n.v.t.

30 m2

seizoensgebonden producten

Bergwijkpark Noord

25,0 m2

30 m2

eet- en drinkwaren voor directe consumptie

Bedrijventerreinen (1)

30,0 m2

35 m2

eet- en drinkwaren voor directe consumptie

Bedrijventerreinen (2)

n.v.t.

35 m2

eet- en drinkwaren voor directe consumptie

Sniep bij PDV

n.v.t.

35 m2

seizoensgebonden producten

Door de hoofdindeling in drie groepen (food, non-food en eet- en drinkwaren voor directe consumptie) en de toevoeging van ‘aanvullend’ wordt tegemoet gekomen aan de wens om invloed te hebben op de branchering. Onder food valt ook eet- en drinkwaren voor directe consumptie (omgekeerd niet).

Voor een gedetailleerde locatietekening wordt verwezen naar bijlage 2.

Op dit moment wordt geen wachtlijst bijgehouden. Dit is vooralsnog en waarschijnlijk ook in de toekomst niet nodig omdat er minder vergunningen zijn verleend dan de beschikbare standplaatsruimte.

Alle standplaatsen kunnen (net als voorheen) gedurende alle dagen van de week tijdens de toegestane verkoopuren worden gebruikt.

Een verkoopwagen moet voldoen aan de maximale afmetingen van wagens zoals bepaald in de Regeling voertuigen (artikel 5.3.6). Dit betekent onder meer dat de wagen maximaal 2.55 meter breed, 12 meter lang en 4 meter hoog mag zijn. De maximale oppervlakte van een verkoopwagen is derhalve 30,6 m2. Uiteraard is de beschikbare ruimte van de standplaats op de locatie leidend.

In het belang van de openbare orde kan per branche een maximaal aantal vergunningen worden verleend. Een dergelijke brancheverdeling heeft echter alleen zin wanneer het aantal aanvragen per branche het totaal aantal af te geven vergunningen overtreft. In Diemen zijn onvoldoende vergunningen verleend. Het in het leven roepen van een maximumstelsel ten aanzien van de branches is daarom op dit moment niet mogelijk. Mocht dit in de toekomst wel gebeuren, dan zal alsnog een maximumstelsel in het leven kunnen worden geroepen.

In geval van wijziging van de bestemming dan wel herinrichting van het betreffende gedeelte van de openbare weg is het college bevoegd een vervangende standplaats aan te wijzen. Indien een vervangende standplaats niet voorhanden is, kan intrekking van de vergunning volgen. Een vervangende locatie geldt alleen voor de vergunninghouder waarvan de oorspronkelijke locatie is komen te vervallen. Het geeft geen rechten aan een eventuele nieuwe aanvrager.

4. 6 Aanvullende regels voor tijdelijke standplaatsen

Voor tijdelijke standplaatsen gelden onderstaande aanvullende regels. Er geldt onder meer een andere indieningtermijn voor de aanvraag dan bij een vaste standplaats.

aanvullende regels voor tijdelijke standplaatsen

Soort

maximum duur

maximum aantal

indiening-termijn

aanvullende voorwaarden

Standplaats voor seizoensgebonden producten.

twee maanden

Per locatie wordt één tijdelijke standplaats tegelijkertijd toegestaan.

Komt in bekendmaking te staan.

Vergunning wordt verleend, op basis van selectie, voor vijf keer hetzelfde seizoen.

Standplaats voor enkele dagen.

vijftien dagen

 

zes weken

 

Dagstandplaats.

één dag

 

drie weken

 

Voor de noten wordt verwezen naar de toelichting.

De tijdelijke vergunning voor twee maanden voor de verkoop van seizoensgebonden producten komt ongeveer overeen met een jaar verkoop gedurende een dag per week.

Voor zover niet feitelijk onmogelijk zijn de in deze nota genoemde regels en voorschriften voor standplaatsen van overeenkomstige toepassing op het verlenen van een tijdelijke standplaatsvergunning.

5. Vergunning voor standplaatshouders

De nieuwe uitgangspunten kunnen ingaan vanaf 1 juni 2018. Voordien moeten de legesverordening, aanvraagformulieren en vergunningen worden aangepast. Gelet op de invoering van het huurstelsel per 1 januari 2019 moeten de aanpassing van de precarioverordening en de huurovereenkomsten voordien worden opgesteld. De aanvraagformulieren worden door het Team Vergunningen opgesteld voor de inwerkingtreding van het nieuwe beleid.

5.1 Aanvraagprocedure en advisering

Voor toewijzing van een standplaats komt uitsluitend in aanmerking een handelingsbekwaam natuurlijk persoon die gerechtigd is in Nederland arbeid te verrichten.

Het college maakt aan kooplieden bekend dat voor een bepaalde datum door middel van een formulier een aanmelding voor een vaste standplaatsvergunning of tijdelijke vergunning voor twee maanden voor de verkoop van seizoensgebonden producten kan worden ingediend. Het formulier wordt tezamen met de vereiste bijlagen bij de gemeente ingediend.

De bekendmaking vindt plaats:

  • a.

    voor een vaste standplaats: circa zes maanden voor het aflopen van de periode van vijf jaar waarvoor vergunning is verleend (als de vergunning is verleend van 1 juni 2018 tot en met 30 mei 2023, dan vindt de bekendmaking plaats op of omstreeks 1 januari 2023);

  • b.

    voor een seizoensplaats: binnen een maand na de periode van vijf jaar waarvoor vergunning is verleend (als de vergunning is verleend voor de maanden november en december in 2018 tot en met 2022, dan vindt de bekendmaking plaats in januari 2023).

De na het doorlopen van de selectieprocedure te honoreren aanmelding wordt beschouwd als aanvraag om een vergunning (alleen de te honoreren aanvraag is legesplichtig).

De aanvraag om een tijdelijke standplaatsvergunning wordt gedaan op een door een college vastgesteld aanvraagformulier. Dat wordt tezamen met de vereiste bijlagen bij de gemeente ingediend. Dit moet gebeuren met in achtneming van een termijn voor de start van de verkoopactiviteiten:

  • -

    zes weken voor een tijdelijke standplaats voor maximaal vijftien dagen;

  • -

    drie weken voor een dagstandplaats.

Indien hieraan niet wordt voldaan kan het college besluiten de vergunning te weigeren.

Op het formulier moet ondermeer de volgende informatie worden versterkt:

  • -

    de naam en voornamen, de geboortedatum en -plaats, het adres en de woonplaats, het telefoonnummer en burgerservicenummer van de aanvrager;

  • -

    het assortiment dat de aanvrager wenst te verkopen;

  • -

    de wijze waarop de te verkopen goederen worden uitgestald en welke verkoopmaterialen (zoals kraam of verkoopwagen) worden gebruikt; de kwaliteit van de standplaats moet worden aangetoond door middel van foto’s;

  • -

    indien van toepassing, volgens welke goedgekeurde hygiënecode voedselprocessen plaatsvinden;

  • -

    een overzicht van de in het verleden of heden ingenomen standplaatsen;

  • -

    of en op welke wijze de aanvrager maatschappelijk verantwoord onderneemt;

  • -

    of, indien gebruik wordt gemaakt van een kraam, bij de kraam een voertuig wordt geplaatst;

  • -

    of klanten de gelegenheid wordt geboden om via een pinautomaat te betalen;

  • -

    op welke wijze wordt voorzien in de behoefte aan elektriciteit.

Binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag wordt door de vergunningverlener in ieder geval advies ingewonnen bij:

  • de verkeersmedewerker van team Ruimtelijk Beleid van de gemeente;

  • de stedenbouwkundige van team Ruimtelijk Beleid van de gemeente;

  • de medewerker bestemmingsplannen van het team Ruimtelijk Beleid van de gemeente;

  • de betreffende winkeliersvereniging indien de aanvraag een vaste standplaats bij een winkelcentrum betreft.

Indien relevant vraagt de vergunningverlener ook advies aan:

  • het team Handhaving en OO&V van de gemeente;

  • het team Wijkbeheer van de gemeente;

  • de politie;

  • de brandweer.

Zij adviseren binnen twee weken na ontvangst van de adviesaanvraag of de aanvraag naar hun mening kan worden gehonoreerd.

5.2 Besluitvorming en mogelijkheid van bezwaar

Het vergunningenstelsel heeft tot doel de standplaatsenhandel te reguleren met het oog op verschillende belangen. Wanneer één van deze belangen in het geding is en het verbinden van voorschriften aan de vergunning geen soelaas biedt, kan een vergunning worden geweigerd.

Het college beslist op een aanmelding om een vergunning voor een vaste standplaats of seizoensplaats binnen acht weken na sluitingsdatum voor het indienen van een aanmelding.

Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.

Indien er voor een vaste standplaats of seizoensplaats meerdere gegadigden zijn waarvan de aanmelding kan worden gehonoreerd, vindt de vergunningverlening door middel van selectie plaats.

Bij de beoordeling van de aanmeldingen voor een vaste standplaats kent het college punten toe aan de hand van de volgende aspecten en tot het daarbij vermelde maximum aantal:

  • a.

    het innemen van de standplaats door de gegadigde (of een combinatie van gegadigden waardoor de standplaats het vaakst wordt gebruikt) heeft een toegevoegde waarde op het functioneren van en de levendigheid in de directe omgeving van de standplaats (maximaal 40 punten);

  • b.

    de uitstraling van de uitstalling (maximaal 20 punten);

  • c.

    het standplaatsverleden van de gegadigde en de indruk die hij maakt (maximaal 10 punten);

  • d.

    bij de gegadigde is sprake van maatschappelijk verantwoord ondernemen (maximaal 5 punten);

  • e.

    de gegadigde plaatst geen voertuig bij de kraam (15 punten);

  • f.

    bij de gegadigde kan betaald worden via een pinautomaat (10 punten);

  • g.

    de gegadigde betreft een stichting of vereniging met statutaire ideële doelstellingen die bijdragen aan de bewustwording van een of meer maatschappelijke problemen (25 punten).

Gegadigden komen in aanmerking voor een vergunning in de volgorde van het aantal toegekende punten.

Het college legt de aanmeldingen om advies voor aan een door haar te benoemen selectiecommissie. De betreffende winkeliersverenigingen (indien de aanvraag een vaste standplaats bij een winkelcentrum betreft) en de Centrale Vereniging voor de Ambulante Handel worden uitgenodigd een afgevaardigde voor de commissie aan te wijzen.

Aanvragen om een vergunning voor een vaste standplaats of seizoensplaats die na voornoemde sluitingsdatum zijn ingekomen worden aangehouden totdat een besluit is genomen over de aanmeldingen, al dan niet met toepassing van de selectieprocedure. De aangehouden aanvragen en aanvragen die in de loop der jaren worden ingediend kunnen daarna worden gehonoreerd als er nog plaatsen beschikbaar zijn. De vergunning wordt dan verleend tot het einde van de termijn (maximaal vijf jaren) die geldt voor gehonoreerde aanmeldingen. Kortom er wordt gewerkt met vaste momenten waarop vergunningverleningsprocedures in gang worden gezet. Indien er sprake is van tussentijdse verlening van een vergunning wordt, indien er sprake is van meer gegadigden waarvan de aanmelding kan worden gehonoreerd, hetzelfde puntensysteem gevolgd.

Indien twee gegadigden met hetzelfde puntenaantal eindigen wordt door middel van loting uitgevoerd door het Team Vergunningen bepaald wie de vergunning krijgt.

Indien er meer aanvragen dan beschikbare plekken zijn voor een tijdelijke standplaats beslist het college op basis van de datum van ontvangst van de aanvraag.

De samenstelling van de selectiecommissie is als volgt:

  • 1.

    een vertegenwoordiger van de betreffende winkeliersvereniging (indien de aanvraag een

    vaste standplaats bij een winkelcentrum betreft).

  • 2.

    de afgevaardigde van de Centrale Vereniging voor de Ambulante Handel.

  • 3.

    de ambtenaar, die belast is met de selectiecommissie. In beginsel zal dit dezelfde ambtenaar zijn als de ambtenaar die belast is met de selectiecommissie voor de markt.

De selectiecommissie mag alleen vergaderen indien alle drie hiervoor genoemde leden

aanwezig zijn, voor zover het betreft een aanvraag om een vaste standplaats bij een

winkelcentrum. Indien het een aanvraag betreft om een vaste standplaats op een plek niet bij

een winkelcentrum, kan volstaan worden met de leden genoemd onder punt 2 en 3.

De ambtenaar genoemd onder punt 3 roept de selectiecommissie bijeen en stelt een proces

verbaal op van de aan de aanmelders voor een vaste standplaats toegekende punten en het

uit te brengen advies.

De commissie moet een eensluidend advies uitbrengen op basis van een toegekend aantal

punten per aanmelder. Bij staken van stemmen over het aantal toe te kennen punten geeft de

stem van het lid genoemd onder 2, de doorslag.

Een vergunning voor een vaste standplaats of seizoensplaats wordt in ieder geval geweigerd indien:

  • 1.

    de aanvraag in strijd is met de regels;

  • 2.

    binnen een jaar na intrekking van een vergunning voor een vaste standplaats of seizoensplaats opnieuw een aanvraag om een vergunning voor een vaste standplaats of seizoensplaats wordt ingediend, indien die intrekking het gevolg was van:

    • a.

      het verstrekken van onjuiste dan wel onvolledige gegevens ter verkrijging van de vergunning;

    • b.

      het overtreden van het bepaalde bij of krachtens de APV of de voorschriften van de vergunning.

Als een vergunning voor een standplaats wordt verleend of geweigerd, wordt dit op de gebruikelijke wijze bekend gemaakt. Op dit moment worden gemeentelijke bekendmakingen geplaatst op de gemeentepagina in het Diemer Nieuws. De vergunning is in het gemeentehuis in te zien. De vergunningverlener stuurt een kopie van het besluit naar de indieners van zienswijzen en de adviserende diensten.

Voordat tot weigering van een standplaatsvergunning kan worden besloten, wordt de

aanvrager eerst in de gelegenheid gesteld om een zienswijze, schriftelijk of mondeling, naar voren te brengen (artikel 4:7 Algemene wet bestuursrecht).

Dit gebeurt als de afwijzing gebaseerd is op gegevens over feiten en belangen, die de aanvrager betreffen en als deze afwijken van gegevens, die de aanvrager heeft verstrekt. Bij het uiteindelijke besluit wordt de zienswijze meegewogen.

Mogelijkheid van bezwaar

Met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, kunnen belanghebbenden hiertegen bezwaar maken bij het college van Burgemeester en Wethouders. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. Wanneer het besluit tot één of meer belanghebbenden is gericht, dan gaat de zes-wekentermijn in op de dag na bekendmaking (= verzending) van het besluit aan die belanghebbende(n). Het bezwaar kan naar keuze schriftelijk of elektronisch worden ingediend. Wanneer schriftelijk bezwaar wordt gemaakt, dan dient het bezwaarschrift gestuurd te worden naar postadres: Postbus 191, 1110 AD Diemen. Verder dient het te zijn ondertekend en tenminste te bevatten:

  • -

    de dagtekening,

  • -

    naam en adres van de indiener,

  • -

    een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is gericht, en

  • -

    de gronden van het bezwaar.

Zo mogelijk wordt een afschrift van het bestreden besluit meegezonden.

Bij elektronische indiening van het bezwaar is gebruikmaking van het via de gemeentelijke website (www.diemen.nl) beschikbaar gestelde elektronische formulier verplicht, evenals identificatie van de indiener met DigiD.

De belanghebbende die bezwaar maakt en meent een spoedeisend belang te hebben, kan de voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam verzoeken de werking van het besluit te schorsen door het treffen van een voorlopige voorziening. Een verzoek om voorlopige voorziening dient gericht te worden aan de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam, Sector Bestuursrecht, postbus 75850, 1070 AW Amsterdam. Voor de behandeling van een verzoek om voorlopige voorziening wordt griffierecht geheven.

Een vaste standplaatsvergunning geldt voor vijf jaar. Het college verbindt aan een vaste standplaatsvergunning een proefperiode van drie maanden.

Een tijdelijke vergunning voor de verkoop van seizoensgebonden producten geldt voor vijf dezelfde seizoenen in opvolgende jaren. Hier geldt een proefperiode van twee weken.

Het college kan in bijzondere omstandigheden een andere standplaats aanwijzen.

Een vaste standplaatsvergunning vermeldt in ieder geval:

  • a.

    de naam en voornamen, de geboortedatum en -plaats, het adres en de woonplaats van de vergunninghouder;

  • b.

    een duidelijke omschrijving van de toegewezen vaste standplaats met vermelding van het nummer en de afmetingen daarvan;

  • c.

    de kraam of andere verkoopmaterialen die de vergunninghouder bij het innemen van de standplaats mag gebruiken; de bij de aanvraag meegezonden foto’s maken onderdeel uit van de vergunning;

  • d.

    het soort artikelen dat de vergunninghouder mag verhandelen of de branche waartoe de vergunninghouder behoort;

  • e.

    de datum waarop aan de vergunninghouder voor het eerst vergunning is verleend;

  • f.

    dat aan de vergunning een proefperiode van drie maanden is verbonden;

  • g.

    dat de vergunninghouder zelf zorg draagt voor de inzameling en afvoer van zijn afval en dat hij zijn standplaats schoon oplevert;

  • h.

    de wijze waarop de vergunninghouder zijn elektriciteit betrekt;

  • i.

    welke geluidsapparatuur op de standplaats is toegestaan;

  • j.

    welke kook-, bak- en verwarmingsapparatuur zijn toegestaan en volgens welke goedgekeurde hygiënecode voedselprocessen plaatsvinden;

  • k.

    dat de kosten voor het gebruik van de gemeentelijke stroomkasten aan de gebruiker worden doorbelast;

  • l.

    een eventuele verplichting om klanten de mogelijkheid te bieden om via een pinautomaat te betalen.

5.3 Kosten voor het innemen van een standplaats

Huur in plaats van precario

Tot op heden is, op grond van de precarioverordening van de gemeente, voor het innemen van een standplaats belasting geheven. De precario belasting is een bedrag per m2 per locatie voor een dag of een andere tijdseenheid. Bij precario is het ‘innemen van de standplaats’ het belastbaar feit. Het feitelijk gebruik van de standplaats kan achteraf soms tot discussie leiden. Dit vraagt ook om extra toezicht, wat weer kosten met zich meebrengt.

Bij een huurovereenkomst stemt de standplaatshouder vooraf in met de huurprijs waardoor het feitelijk gebruik achteraf geen relevant punt van discussie is. In de huurovereenkomst kunnen tevens andere privaatrechtelijke zaken zoals het gebruik van elektriciteit worden geregeld.

In het algemeen bestaat de voorkeur voor het verhuren (privaatrechtelijk) van een standplaats, boven het huidige stelsel van het in rekening brengen van een precariovergoeding. In de huurovereenkomst moet rekening worden gehouden met de doorkruisingleer. Zo mogen er bijvoorbeeld geen voorwaarden in de overeenkomst worden opgenomen ten aanzien van onderwerpen die in het publiekrecht (vergunning en precario) niet kunnen worden geregeld.

Uitgangspunt is dat een “gelijkwaardiger speelveld” ontstaat in de concurrentieverhouding tussen winkeliers en standplaatshouders. Dat betekent dat de vergoeding voor een standplaats hoger mag zijn (de vergoeding is thans vrij laag), maar niet zo hoog als de huurprijs van een winkel. Een winkel biedt namelijk voordelen ten opzichte van een standplaats. De voorkeur bestaat voor een gedifferentieerd tarief. Het tarief mag hoger zijn naarmate een standplaats meer opbrengstpotentie heeft.

Ten opzichte van omliggende gemeenten is het tarief in Diemen zeer laag. Zie bijlage 1 van het adviesrapport Standplaatsenbeleid van BMC Implementatie B.V.. Allereerst is gekeken of het tarief kan worden verhoogd naar bijvoorbeeld het gemiddelde in de regio. Dit heeft tot gevolg dat standplaatsen veel duurder worden dan de huurprijzen van winkels. Deze variant is daarom afgevallen. Zie de berekening in onderstaand kader.

Vergelijking met tarieven in de regio

Het tarief in Diemen bedraagt in 2017 voor een standplaats van 10 m2 gedurende één dag per week € 296,10 : 52 (weken) = € 5,69 per dag. Wie meer dan één dag verkoopt is per dag veel goedkoper uit: € 4,27 bij twee dagen; € 2,85 bij drie dagen; € 3,60 bij vier dagen, € 2,88 bij vijf dagen, € 2,40 bij zes dagen en € 2,06 bij zeven dagen.

Voor seizoensplaatsen geldt in Diemen een tarief van € 101,00 per maand per 10 m2.

Bij de precariobelasting wordt uitgegaan van veelvouden van 10 m2. Wie bijvoorbeeld 21 m2 in gebruik heeft betaalt voor 30 m2.

In 2017 kost een standplaats van 10 m2 gedurende één dag per week gemiddeld in de regio € 1.049 (Diemen € 296, Amstelveen € 345, Ouder-Amstel € 508, Weesp € 905, Haarlemmermeer € 1.422, en Aalsmeer € 2.820). Haarlemmermeer en Amstelveen hanteren minimum en maximum tarieven afhankelijk van de locatie; bovenstaand is uitgegaan van het gemiddelde daarvan.

Het gemiddelde tarief in de regio bedraagt € 1.049 : 52 (weken) = € 20,17 per dag per 10 m2.

Gelet op voornoemde uitgangspunten wordt voorgesteld om vanaf 1 januari 2019:

  • -

    huur te innen in plaats van precario (de precarioverordening wordt hieraan aangepast);

  • -

    geen onderscheid meer te maken in een tarief per week, maand, seizoen en jaar;

  • -

    het tarief vast te stellen per m2 ingenomen door de verkoopmiddelen, met een minimum van 10 m2;

  • -

    het tarief vast te stellen per dag; er wordt ook betaald als de standplaats niet wordt ingenomen;

  • -

    het huidige tarief voor standplaatsen op het Diemerplein te verhogen naar het gemiddelde huurbedrag van de winkels op het Diemerplein;

  • -

    het tarief voor standplaatsen op andere locaties 50% lager vast te stellen dan het (normale) tarief dat geldt op het Diemerplein (winkelhuren zijn daar 50% lager);

  • -

    de tariefsverhoging voor bestaande vaste standplaatsvergunningen gefaseerd in vier jaar door te voeren.

De huurprijzen in winkelcentrum Diemerplein variëren van € 250 tot € 350 per m2 per jaar, afhankelijk van ligging, oppervlakte en oude of nieuwe huurder. Uitgaande van gemiddeld

€ 300 bedraagt het dagtarief dan: € 300 x 10 m2 = € 3.000 : 365 dagen = € 8,22.

Voorgesteld wordt om voor standplaatsen op het Diemerplein uit te gaan van de gemiddelde huurprijs voor de winkels op het Diemerplein: € 8,22 per 10 m2.

De winkeliersverenigingen Diemen Noord en Kruidenhof hebben geen informatie verstrekt over de huurprijzen. Uit het rapport winkelhuren Amsterdam 2015 van DTZ Zadelhoff blijkt dat de gemiddelde huurprijs in een buurtcentrum of klein wijkcentrum zo’n € 150 per m2 per jaar bedraagt (de helft van het Diemerplein).

Daarom wordt voorgesteld voor standplaatsen op andere locaties dan het Diemerplein ook uit te gaan van de helft. De huurprijs wordt dan € 8,22 x 50% = € 4,11 per dag per 10 m2.

De huurprijs van € 4,11 per dag per 10 m2 geldt ook voor de woensdag op het Diemerplein. De reden hiervan is dat op die dag slechts een halve dag een standplaats ingenomen kan worden vanwege de weekmarkt.

Dit betekent dat gemiddeld gesproken de huurkosten van een standplaats theoretisch gelijk worden aan de huurkosten van een winkel. Omdat veel winkels maar één koopzondag per maand hebben (€ 300 x 10 m2 = € 3.000 : 325 dagen = € 9,23) is in de praktijk sprake van gemiddeld zo’n 10% lager bedrag voor de standplaatsen.

De gemeente brengt alleen huur in rekening als de standplaats op gemeentegrond staat.

De tariefsverhoging voor bestaande vaste standplaatsvergunningen vindt gefaseerd over vier jaar plaats en moet per vergunning op basis van het aantal verkoopdagen worden berekend.

Vanaf 1 januari 2023 kan het tarief (eventueel met terugwerkende kracht tot 2019) aan de inflatie worden aangepast.

Op de weekmarkt is sprake van een tarief per jaar van € 195,50 : 52 weken = € 3,76 per strekkende meter x 2,5 (circa 4 meter diep) = circa € 9,40 per 10 m2. Dus ruim 14% hoger dan het voorgestelde nieuwe tarief voor standplaatsen op het Diemerplein buiten de weekmarkt.

In onderstaande tabel staan per vaste standplaats de verschillen tussen de precariobelasting per 1 januari 2017 en de voorgestelde huurtarieven per 1 januari 2023.

Bij de precario wordt uitgegaan van de oppervlakte in de vergunning (vg) afgerond naar boven in veelvouden van 10 m2. Bij de huurprijs gaat het om het daadwerkelijk (dw) aantal m2 verkoopruimte.

De kolommen onder tarief hebben de volgende betekenis:

  • -

    basis: de berekening conform de Verordening precariobelasting 2017 op basis van de in de verleende vergunning opgenomen m2;

  • -

    huidig: de berekening conform de Verordening precariobelasting 2017 op basis van de thans werkelijk aantal m2 ingenomen ruimte (wijkt af bij acht vaste standplaatsen);

  • -

    nieuw: de over vier jaar in rekening te brengen huurprijs op basis van de thans werkelijk aantal m2 ingenomen ruimte en de nieuwe dagprijs van € 8,22 of € 4,11 per 10 m2.

  • -

    De kolommen houden geen rekening met de woensdagprijs van € 4,11 per 10 m2 op het Diemerplein.

verleende vaste en seizoen standplaatsvergunningen per 1 maart 2017

locatie (met plaats)

branche

aantal

dagen

tijden

m2

tarief per jaar in €

 

 

 

 

vg

dw

basis

huidig

nieuw

Gruttoplein

vis

3

9.00-18.00

20

20

888,30

888,30

1.282,32

Gruttoplein

oliebol

6

11.00-18.00

15

25

404,00

606,00

554,85

Gemeentehuis

oliebol

7

7.00-20.00

28

28

606,00

606,00

725,00

Diemerplein (1)

snacks

5

9.00-22.00

24

36

2.248,20

2.997,60

7.693,92

Diemerplein (1)

snacks

1

10.00-20.00

15

36

592,20

1.184,40

1.538,78

Diemerplein (2)

wereld

2

10.00-17.00

16

24

888,30

1.332,45

2.051,71

Diemerplein (3)

agf

1

8.00-13.00

52

65

1.776,60

2.072,70

2.778,36

Diemerplein (4)

kaas

1

8.00-13.00

18

24

592,20

888,30

1.025,86

Diemerplein (5)

V-snacks

4

7.00-23.00

15

15

1.498,80

1.498,80

2.564,64

Diemerplein (5)

bloemen

1

8.00-17.00

32

32

1.184,40

1.184,40

1.367,81

Kruidenhof

vis

6

9.00-16.30

12

25

1.498,80

2.248,20

3.205,80

Verrijn Stuart

snacks

5

8.00-18.00

19

30

1.498,80

2.248,20

3.205,80

Wildenborch

snacks

5

7.00-22.00

13

25

1.498,80

2.248,20

2.671,15

Bij de seizoensplaatsen (oliebol) is voor het nieuwe tarief gerekend met negen weken (komt ongeveer overeen met twee maanden).De vergunning voor bloemen op het Diemerplein (zaterdag) is recentelijk verhoogd naar 48 m2 met als nieuw bedrag € 2.051,71.

Leges

Op grond van artikel 1.22.1.1.1 van de Legesverordening zijn voor het indienen van een aanvraag tot het verkrijgen van een standplaatsvergunning legeskosten verbonden. Het tarief is afhankelijk van de vergunning: € 40 voor één dag, € 80 voor een periode korter dan een jaar, € 165 voor een jaar en € 400 voor een vergunning voor onbepaalde tijd. Uitgaande van dit stramien kan voor de vergunning voor vijf jaar worden gedacht aan € 300.

Ter vergelijking, voor de weekmarkt geldt € 81,50 (vergunning voor onbepaalde tijd).

Vergoeding gebruik elektriciteit

De standplaatshouder dient zelf voor de stroomvoorziening te zorgen. Indien gebruik wordt gemaakt van een gemeentelijke elektriciteitskast worden de kosten daarvan in rekening gebracht. Op grond van artikel 1.22.1.2 van de legesverordening bedragen de kosten voor gewone elektriciteit afhankelijk van het verbruik € 35 tot € 140 per jaar en op grond van artikel 1.22.1.3 voor krachtstroom circa € 115 tot € 220 per jaar.

5.4 Voorschriften te verbinden aan de vergunning

De van toepassing zijnde voorschriften uit de marktregelgeving (Marktreglement Diemen) worden zoveel mogelijk overgenomen in dit standplaatsenbeleid.

De algemene opvatting is dat de uitstraling van de uitstallingen op standplaatsen een betere kwaliteit mag hebben, waarbij de locatie wel relevant is. Aan een uitstalling op het Diemerplein mogen hogere eisen worden gesteld dan een uitstalling op het bedrijventerrein. In algemene zin geldt: wel kwaliteitseisen stellen, maar niet zodanig hoog dat daardoor van een standplaats geen gebruik meer wordt gemaakt.

Er is aandacht voor onderhoud en schoonmaken van (en rond) de standplaats en de bestrating hiervan (met name bij uitstallingen die aan het eind van de dag worden weggehaald).

In de vergunning worden daarom ondermeer onderstaande voorschriften opgenomen:

  • 1.

    het verkoopmiddel moet in goede staat van onderhoud verkeren, veilig, heel, netjes en schoon zijn;

  • 2.

    indien vanuit de standplaats afvalstoffen vrijkomen dan dienen er in de onmiddellijke nabijheid van de standplaats tenminste twee afvalbakken te worden geplaatst; voor het legen van deze afvalbakken is de vergunninghouder verantwoordelijk;

  • 3.

    de aanwezige afvalstoffen worden zodanig opgeslagen dat nadelige gevolgen voor het milieu worden voorkomen dan wel worden beperkt en gescheiden afgifte mogelijk blijft;

  • 4.

    bedrijfsafvalwater mag niet in het openbaar riool worden gebracht;

  • 5.

    de vergunninghouder levert de standplaats schoon op.

Door bij de aanvraag om een vergunning foto’s te verlangen van verkoopmaterialen en uitstallingen en deze foto’s onderdeel te laten zijn van de vergunningvoorschriften wordt tegemoet gekomen aan de gewenste kwaliteit.

De voorschriften (zie ook bijlage 1) hebben verder onder meer betrekking op:

  • -

    opvolgen van aanwijzingen;

  • -

    brandveiligheid.

5.5 Toezicht en handhaving

Toezicht en handhaving vindt plaats conform het protocol standplaatsen en terrassen. 

De inzet van de Buitengewoon opsporingsambtenaren (BOA’s) is gericht op het controleren of de locatie en de afmetingen van standplaatsen voldoen aan de verleende vergunningen. Ook is het protocol gericht op het tegengaan van gevaarlijke situaties. Uitgangspunt bij overtredingen is dat bestuursrechtelijk wordt opgetreden. In de regel wordt gebruik gemaakt van de last onder dwangsom, tenzij zonder vergunning een standplaats wordt ingenomen. In dat geval wordt gekozen voor het mondeling opleggen van een last onder bestuursdwang, hetgeen inhoudt dat men de standplaats direct moet opheffen (of in ieder geval binnen een uur).

Bij een door de BOA geconstateerde overtreding wordt een controlerapport via Op Orde opgesteld.

Standplaatsen worden in projectvorm gecontroleerd. Bij een standplaatsvergunning wordt gekeken of er een vergunning is en of wordt voldaan aan de voorwaarden van de vergunning.

Stappenplan voor het zonder vergunning innemen van een standplaats

  • 1.

    De standplaats per direct op laten heffen en de standplaatshouder weg te sturen (termijn geven van één uur).

  • 2.

    De BOA’s maken een rapport in Op Orde.

  • 3.

    Indien geen gevolg wordt gegeven aan de waarschuwing wordt strafrechtelijk gehandhaafd door het opmaken van een mini.

Stappenplan voor het niet voldoen aan de voorwaarden

  • 1.

    De BOA’s verzoeken mondeling om de situatie ongedaan te maken. Dit wordt in ieder geval vastgelegd in een rapport in Op Orde.

  • 2.

    Indien een overtreding blijvend wordt aangetroffen, maakt de BOA een controlerapport in Op Orde met informatie voor de juristen/coördinator handhaving. Bij het controlerapport wordt een foto gevoegd.

  • 3.

    Vervolgens sturen de juristen/coördinator handhaving een vooraankondiging last onder dwangsom. In de vooraankondiging wordt een begunstigingstermijn opgenomen en de mogelijkheid geboden om een zienswijze in te dienen.

  • 4.

    Na verstrijken van de begunstigingstermijn wordt overgegaan tot het opleggen van de last onder dwangsom.

  • 5.

    Indien na het verbeuren van het volledige bedrag aan dwangsommen de overtreding nog niet ongedaan is gemaakt wordt verder handhavend opgetreden. Zo mogelijk wordt een procedure tot intrekking van de vergunning opgestart.

5. 6 Intrekking of wijziging van de vergunning

Op grond van artikel 1:6 van de APV kan een standplaatsvergunning worden ingetrokken of gewijzigd indien:

  • a.

    ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;

  • b.

    op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning vereist is;

  • c.

    aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet worden nagekomen;

  • d.

    geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijk termijn, binnen een redelijk termijn;

  • e.

    de houder dit verzoekt.

Het college trekt een vaste standplaatsvergunning ook in bij overlijden of onder curatele

stelling van de vergunninghouder, tenzij de vergunning wordt overgeschreven.

%1.1Persoonlijk innemen standplaats, vervanging en afwezigheid

Een standplaatsvergunning is een persoonsgebonden vergunning in de zin van artikel 1:5 van de APV. De vergunning is derhalve niet overdraagbaar. De vergunninghouder neemt de toegewezen (vaste) standplaats persoonlijk in. Er zijn echter een aantal situaties waarbij de vergunninghouder zich mag laten vervangen of zich afwezig kan melden. Vakantie, sterfgevallen en ziekte zijn (in ieder geval) legitieme redenen om afwezig te zijn dan wel zich te laten vervangen.

Ten aanzien van bovenstaande gelden de volgende regels:

  • 1.

    Afwezigheid of vervanging moet binnen twee weken aan de toezichthouders (bijvoorbeeld per e-mail of sms) worden gemeld. Tevens geeft de vergunninghouder aan hoe lang de afwezigheid of vervanging naar verwachting duurt. De vergunninghouder meldt de reden van de afwezigheid of vervanging;

  • 2.

    Van de vergunning moet in principe ieder dagdeel waarvoor de vergunning is

afgegeven, gebruik worden gemaakt. De melding moet zo vroeg mogelijk worden gedaan. In geval van spoed, kan achteraf de mededeling worden gedaan dat men afwezig is geweest, eveneens onder opgaaf van redenen.

  • 3.

    Indien naar het oordeel van het college geen geldige reden bestaat voor het niet innemen van een standplaats of het niet of niet juist melden van de afwezigheid of vervanging, wordt dit schriftelijk gemeld aan de vergunninghouder.

  • 4.

    Indien een vergunninghouder naar het oordeel van het college vier keer per vergunningsperiode zonder geldige reden of zonder opgaaf van reden afwezig is geweest, kan het college de vergunning intrekken.

  • 5.

    Vervanging is tijdelijk en slechts toegestaan voor zo lang als de geldige reden tot vervanging van toepassing is. Vervangers dienen tenminste 18 jaar oud te zijn. Het college kan verzoeken de reden van afwezigheid nader (schriftelijk) te onderbouwen.

  • 6.

    Een vergunninghouder mag zich laten bijstaan door assistenten.

    %1.1Overgangsbepalingen bestaande vergunninghouders

Ten aanzien van bestaande vergunninghouders van vaste en tijdelijke (seizoensgebonden) vergunninghouders gelden de volgende overgangsbepalingen:

Bestaande vergunninghouders krijgen met ingang van het nieuwe beleid eenmaal een vergunning met een duur van 10 jaar. Ratio hiervan is dat, anders dan nieuwe aanvragers om een standplaatsvergunning, deze vergunninghouders in de omstandigheid geleefd hebben dat hun vergunning voor onbepaalde tijd geldig zou zijn. Een ruimere overgangstermijn is gelet daarop redelijk. De nieuwe vergunningen zullen ambtshalve verstrekt worden. Behoudens de wijziging van de vergunningstermijn en eventuele aanpassing van de gebruikte vierkante meters zullen de nieuwe vergunningen geen inhoudelijke wijzigingen bevatten ten opzichte van de bestaande vergunningen.

Zoals al eerder beschreven zal de tariefsverhoging voor bestaande vaste standplaatsvergunningen gefaseerd plaatsvinden over vier jaar en moet per vergunning op basis van het aantal verkoopdagen worden berekend.

Vanaf 1 januari 2023 kan het tarief (eventueel met terugwerkende kracht tot 2019) aan de inflatie worden aangepast.

Bijlage 1: Aan de vergunning te verbinden v oo rschriften

In de vergunning worden ondermeer onderstaande voorschriften opgenomen:

  • 1.

    het verkoopmiddel moet in goede staat van onderhoud verkeren, veilig, heel, netjes en schoon zijn;

  • 2.

    indien vanuit de standplaats afvalstoffen vrijkomen dan dienen er in de onmiddellijke nabijheid van de standplaats tenminste twee afvalbakken te worden geplaatst; voor het legen van deze afvalbakken is de vergunninghouder verantwoordelijk;

  • 3.

    de aanwezige afvalstoffen worden zodanig opgeslagen dat nadelige gevolgen voor het milieu worden voorkomen dan wel worden beperkt en gescheiden afgifte mogelijk blijft;

  • 4.

    bedrijfsafvalwater mag niet in het openbaar riool worden gebracht;

  • 5.

    de vergunninghouder levert de standplaats schoon op.

Aanwijzingen:

  • 6.

    de aanwijzingen, gegeven door ambtenaren van de gemeente (waaronder de brandweer

    met betrekking tot de veiligheid, moeten stipt worden opgevolgd;

  • 7.

    aanwijzingen, gegeven door de politie met betrekking tot de openbare orde en/of

    veiligheid dienen terstond en stipt te worden opgevolgd.

Hiernaast kan gebruik worden gemaakt van de onderstaande voorschriften uit het Marktreglement 2015 indien deze gelet op het voorgenomen gebruik van toepassing zijn. Van deze voorschriften kan gebruik worden gemaakt nu deze overeenkomen met de doelstellingen en belangen die gepaard gaan met de vergunningverlening van een standplaats. De te gebruiken voorschriften zijn gedeeltelijk aangepast ten behoeve van standplaatsen. Inhoudelijk zijn de bepaling(en) omtrent ‘Preventieve maatregelen bereiden eetwaren en ‘Gebruik van propaan, butaan en LPG’ gewijzigd ten opzichte van het Marktreglement, dit naar aanleiding van het brandweeradvies (het gebruik van LPG is anders dan in het Marktreglement vermeld mits voldaan wordt aan bepaalde eisen toegestaan voor bakinstallaties).

Hoofdstuk 1. Bepalingen over het gebruik van de standplaats

Artikel 1. Tijdstip innemen standplaats en aan- en afvoer goederen

  • 1.

    Het is verboden voor vergunninghouders op de standplaats meer dan één uur voor aanvang en meer dan één uur na afloop van de toegestane verkoopperiode met een voertuig, goederen of anderszins ruimte in te nemen of goederen aan of af te voeren.

  • 2.

    Een voertuig mag alleen onderdeel uitmaken van de standplaats indien dit voor de directe uitvoering van de verkoopactiviteiten noodzakelijk is en past binnen de afmetingen van de standplaats. Het voertuig dient dan onderdeel uit te maken van de standplaatsvergunning.

Artikel 2. Verboden waar

  • 1.

    Het is verboden op de standplaats tijdens de duur van de verkoop met goederen of waren ten verkoop rond te lopen of te rijden, hinderlijke muziek ten gehore te brengen, dan wel om handelsreclame te verspreiden.

  • 2.

    Het is verboden tweedehandsartikelen (met uitzondering van boeken en tijdschriften) en sexartikelen op de standplaats te verkopen.

Artikel 3. Niet doorgaan en beëindigen verkoop

De burgemeester is bevoegd om de verkoop niet door te laten gaan dan wel onmiddellijk te beëindigen indien:

  • 1.

    een calamiteit of een verstoring van de openbare orde, veiligheid of gezondheid op of in de onmiddellijke nabijheid van de standplaats zich voordoet;

  • 2.

    er sprake is van weersomstandigheden die de veiligheid van standplaatshouder en bezoekers in gevaar kunnen brengen.

Hoofdstuk 2. Bepalingen over brandveiligheid

Artikel 4. Bereikbaarheid voor hulpdiensten

  • 1.

    De omgeving van de standplaats, aan- en afvoerwegen naar de standplaats, de standplaats zelf en de daarop geplaatste objecten moeten van twee kanten bereikbaar zijn voor hulpdiensten.

  • 2.

    De routes van hulpdiensten dienen te allen tijde vrij te zijn van obstakels.

  • 3.

    Te allen tijde is een vrije doorgang voor de hulpdiensten vereist. Bij levensbedreigende situaties zullen de hulpdiensten gebruik maken van iedere mogelijke route die zij nodig achten, waarbij de hulpdiensten niet aansprakelijk kunnen worden gesteld voor eventueel ontstane schades.

  • 4.

    Toetredingen, uitgangen en nooduitgangen van gebouwen, bouwwerken en andere objecten, waaronder kramen en attracties, dienen vrijgehouden te worden van obstakels.

Artikel 5. Plaatsen van objecten

  • 1.

    Bij het plaatsen van standplaatsen, voertuigen en andere objecten moet rekening worden gehouden met het kunnen passeren van brandweermaterieel (minimale doorrijdbreedte van 3,5 meter, hoogte van 4,2 meter, bochtstraal R7 en hellingbaan maximaal 7%). Op de fietspaden geldt een minimale doorloopbreedte van 2 meter.

  • 2.

    Het is verboden voornoemde objecten op zodanige wijze te plaatsen dat de brandweer in het onmiddellijk gebruik van de brandkranen en overige bluswaterwinplaatsen wordt belemmerd.

  • 3.

    Brandkranen en aansluitingen voor droge blusleidingen en bijbehorende bordjes moeten schoon, zichtbaar en rondom één meter vrij gehouden worden.

  • 4.

    De objecten moeten tenminste drie meter van gevels met ramen en/of deuropeningen zijn geplaatst. Voor kramen met een inrichting voor bakken, braden of verwarmen bedraagt deze afstand vijf meter.

  • 5.

    Uitstallingen van waar zijn slechts toegestaan indien deze uitstallingen binnen de afmetingen van de luifel of standplaats worden geplaatst.

Artikel 6. Kabels en leidingen

  • 1.

    Kabels, draden, leidingen, en dergelijke moeten zodanig zijn bevestigd dat zij geen aanleiding kunnen geven tot struikelen en vallen. Losse kabels en snoeren zijn niet toegestaan.

  • 2.

    Elektriciteitskabels moeten zodanig zijn bevestigd dan niemand ermee in aanraking kan komen.

  • 3.

    Indien snoeren of kabels naar standplaatsen en/of andere objecten moeten worden gebracht, dienen deze tenminste op een hoogte van 2,5 meter te hangen. Is sprake van een aanrijdroute voor de hulpdiensten dan bedraagt de minimale hoogte 4,2 meter.

Artikel 7. Preventieve maatregelen bereiden eetwaren

  • 1.

    De gebruiker van een kraam dient rook- en stankoverlast tot een minimum te beperken en indien nodig te voorkomen.

  • 2.

    Onder eventueel aanwezige winkelluifels of markiezen mogen geen kramen worden geplaatst waarin wordt gebakken en/of gebraden.

  • 3.

    Apparatuur en toestellen voor koken, bakken, braden, roosteren, roken of warm houden dient brandveilig en stevig te zijn geplaatst op een onbrandbare en de warmte slecht geleidende ondergrond. Een barbecue, spit of (paling)rokerij moet brandveilig en stevig zijn geplaatst.

  • 4.

    Binnen handbereik van het baktoestel is voor iedere bak een passend deksel

(of een blusdeken die voldoet aan NEN-EN 1869:1997) aanwezig waarmee de

bakken ingeval van brand worden afgedekt.

  • 1.

    Een bakoven moet zijn voorzien van een goed functionerende thermostaat of een andere beveiligingsregeling die bij oververhitting van de olie of het vet, automatisch de gastoevoer stopt.

  • 2.

    De brandstof in de barbecue, onder het spit of in een rokerij mag niet worden ontstoken met licht ontvlambare vloeistoffen zoals spiritus en dergelijke.

  • 3.

    Bij de standplaats dient tenminste één draagbaar blustoestel (met minimaal 6 kg

inhoud blusmiddel) aanwezig zijn. Het blustoestel moet op een direct bereikbare

plaats zijn opgehangen en voor onmiddellijk gebruik gereed zijn. Het blustoestel moet

ten minste één keer per twee jaar door een deskundige op de goede werking worden

gecontroleerd. NB: Pas op met het gebruik van brandblussers bij het braden en bakken. Alleen een type F blusser is geschikt voor het blussen van vetbranden. Het gebruik van deze blusser vereist kennis en oefening. Plaats en gebruik geen schuimblusser in de

keuken.

Artikel 8. Gebruik van butaan, propaan en LPG (Gasinstallatie)

  • 1.

    Voor een gasverbruikstoestel met toebehoren gelden de volgende voorschriften:

    • a.

      de in het gasverbruikstoestel en toebehoren toegepaste brandstof is overeenkomstig de technische specificaties van de leverancier van het toestel;

    • b.

      de verbinding tussen een gastank of gasfles en gasverbruikstoestel bestaat uit een deugdelijke samenstelling van slang of leiding, een drukreduceersysteem en aansluitingen en afsluitkranen;

    • c.

      de verbinding tussen een gastank of gasfles en gasverbruikstoestel verkeert in goede staat van onderhoud, is niet uitgedroogd, vertoont geen andere beschadigingen en is niet ouder dan 10 jaar of dan het aantal jaren dat volgens de productspecificatie als levensduur kan worden aangehouden;

    • d.

      een gasverbruikstoestel en toebehoren verkeren in goede staat van onderhoud en zijn niet beschadigd;

    • e.

      een gastank of gasfles en een gasverbruikstoestel zijn stabiel opgesteld, en

    • f.

      een gastank of gasfles en een gasverbruikstoestel staan niet in een vluchtroute.

  • 2.

    Het toegepaste drukreduceersysteem is op een van de volgende wijzen gemonteerd:

    • a.

      direct op de kraan van de gastank of gasfles;

    • b.

      door gebruik van een geschikte flexibele hogedrukslang tussen gasfles en drukreduceersysteem, die niet langer is dan 0,4 m, of dan 0,75 m indien een uitschuiflade wordt toegepast voor het plaatsen van de flessen.

  • 3.

    Het toegepaste drukreduceersysteem bezit voldoende doorlaatcapaciteit voor een ongestoorde en gelijktijdige nominale belasting van alle tot de installatie behorende verbruikstoestellen.

  • 4.

    Het toegepaste drukreduceersysteem is zodanig, dat de druk waaronder het gas aan een verbruikstoestel wordt toegevoerd, niet hoger is dan de werkdruk die door de fabrikant van het verbruikstoestel is voorgeschreven.

  • 5.

    Bij gelijktijdige aansluiting van meer gasflessen behoort de installatie te zijn voorzien van een voorziening die het ontsnappen van onverbrand gas voorkomt indien een van de flessen is afgekoppeld.

  • 6.

    De gasslang of gasleiding tussen het drukreduceersysteem en het gasverbruikstoestel is niet langer dan 10 m, tenzij door branchegebruik, in de betreffende gebruiksaanwijzing of door toestemming van de brandweer een grotere lengte is toegestaan.

  • 7.

    Bij een gasverbruikstoestel zijn de toepasselijke specificaties voor het installeren vanwege de leverancier aanwezig.

  • 8.

    De lpg-installaties voor gebruik anders dan voor de aandrijving van motorvoertuigen voldoen aan NEN-NPR 2577.

Naar boven