Gemeenteblad van Diemen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Diemen | Gemeenteblad 2018, 28615 | Overige besluiten van algemene strekking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Diemen | Gemeenteblad 2018, 28615 | Overige besluiten van algemene strekking |
Een vaste standplaatsvergunning geldt voor vijf jaar met een proefperiode van drie maanden.
Bijlage 1: aan de vergunning te verbinden voorschriften 34
Bijlage 2: tekeningen van locaties bij winkelcentra 37
De Nota straathandel uit 2007 is gedateerd en moet worden vervangen. Ter voorbereiding is in november 2015 door BMC Implementatie B.V. het adviesrapport Standplaatsenbeleid opgesteld, met een inventarisatie van de specifieke (on)mogelijkheden op dit gebied. Dit rapport is op 4 februari 2016 aan de orde geweest in een informatieve raadsvergadering.
Op 6 september 2016 zijn in een collegebesluit de volgende uitgangspunten voor het nieuwe standplaatsenbeleid vastgelegd:
Op 2 november 2016 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (201406676/1/A3) nieuw recht geschapen over de verdeling van schaarse vergunningen. Standplaatsvergunningen mogen in beginsel niet voor onbepaalde tijd doch alleen tijdelijk worden verleend. Er moet een verdelingsprocedure worden vastgesteld.
Op 18 september 2013 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (201208105/1/R2) nogmaals bepaald, dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet is toegestaan, tenzij het voorzieningenniveau voor de consument bij detailhandel in eerste levensbehoeften in een deel van de gemeente in gevaar komt.
De regelgeving voor standplaatsen in de Algemene Plaatselijke verordening (APV) is beperkt. Derhalve is het van belang om helder beleid te hebben bij deze regels. Daar waar mogelijk sluit dit beleid aan bij de regelgeving voor de weekmarkt.
Verder is belangrijk om te vermelden dat de standplaatsen te zijner tijd, in het kader van de Omgevingswet, geregeld worden in het Omgevingsplan.
In de nota standplaatsenbeleid 2017 zijn de volgende uitgangspunten opgenomen die gefaseerd ingaan vanaf 1 juni 2018 en 1 januari 2019. De inwerkingtreding van het nieuwe standplaatsenbeleid gaat gepaard met wijziging van de precarioverordening en de legesverordening. Verder moeten nieuwe vergunningen worden verstrekt, de aanvraagformulieren aangepast worden en zullen er huurovereenkomsten opgesteld moeten worden. Het nieuwe beleid kan per 1 juni 2018 in werking treden enkel de aanpassing van de precarioverordening en de huurovereenkomsten zullen per 1 januari 2019 in werking treden. Dit heeft als voordeel dat er geen tussentijdse aanpassing aan de precarioverordening nodig is en de huurcontracten deugdelijk voorbereid kunnen worden.
De algemene regels voor standplaatsen zijn:
streven naar concentratie van voorzieningen voor consumenten (detailhandelsbeleid); dus met standplaatsen zoveel mogelijk aansluiting zoeken bij bestaande winkelcentra; de standplaatsen dienen wel ondersteunend/ondergeschikt te zijn aan de winkelcentra en verkapte marktvorming moet worden voorkomen, dus beperkt in aantal en omvang;
inrichting van de openbare ruimte ingrijpend wordt gewijzigd;
Een aanvraag om een vergunning wordt hiernaast getoetst aan vier regels:
De volgende potentiële locaties voor vaste standplaatsen zijn getoetst, met als waardering:
+ = voldoet, 0 = nog onduidelijk en - = voldoet niet.
De toetsing aan de regels heeft niet tot beperking van thans ingenomen standplaatsen geleid. Indien een aanvrager een andere locatie aanvraagt, zal deze aan de hand van de regels worden getoetst.
Een standplaats kan in ieder geval worden ingenomen op de volgende locaties (niet limitatief) met de volgende oppervlakten (huidig gebruik verhoogd met circa 5 m2 en afgerond op veelvouden van 5 m2) en branches:
Door de hoofdindeling in drie groepen (food, non-food en eet- en drinkwaren voor directe consumptie) en de toevoeging van ‘aanvullend’ wordt tegemoet gekomen aan de wens om invloed te hebben op de branchering. Onder food valt ook eet- en drinkwaren voor directe consumptie (omgekeerd niet).
Bij de beoordeling van de aanmeldingen voor een vaste standplaats kent het college punten toe aan de hand van de volgende aspecten en tot het daarbij vermelde maximum aantal:
Gegadigden komen in aanmerking voor een vergunning in de volgorde van het aantal toegekende punten.
Het college legt de aanmeldingen om advies voor aan een door haar te benoemen selectiecommissie.
Een tijdelijke vergunning voor de verkoop van seizoensgebonden producten geldt voor vijf dezelfde seizoenen in opvolgende jaren met een proefperiode van twee weken.
Wat betreft de kosten voor het innemen van een standplaats wordt voorgesteld:
Het voorstel leidt tot een dagtarief per 10 m2 van € 8,22 op het Diemerplein en € 4,11 op andere locaties. Dat is in de praktijk zo’n 10% lager dan de huurprijzen van winkels in Diemen.
Ter vergelijking: het dagtarief per 10 m2 bedraagt op de weekmarkt circa € 9,40 en voor standplaatsen in de regio gemiddeld circa € 20,17.
1. Voorgeschiedenis en uitgangspunten
De Nota straathandel uit 2007 (standplaatsen en venten) is gedateerd en moet worden vervangen. De beleidsregels voor venten zijn door een wijziging van de APV, waarbij venten vergunningsvrij is geworden, komen te vervallen.
In de Detailhandelsvisie Detailhandel Diemen 2014 (vastgesteld op 18 december 2014) is opgenomen dat standplaatsen in samenhang dienen te worden gezien met het aanbod van gevestigde detailhandel en de gemeentelijke detailhandelsstructuur moeten versterken.
Ter voorbereiding op het opstellen van nieuw beleid voor standplaatsen is in november 2015 door BMC Implementatie B.V. het adviesrapport Standplaatsenbeleid opgesteld, met een inventarisatie van de specifieke (on)mogelijkheden op dit gebied. Dit rapport is op 4 februari 2016 aan de orde geweest in een informatieve raadsvergadering. Uit deze informatieve bespreking zijn vijf uitgangspunten geselecteerd die worden verwerkt in een concreet voorstel tot wijziging van het standplaatsenbeleid.
Op 6 september 2016 zijn in een collegebesluit de vijf uitgangspunten voor het nieuwe standplaatsenbeleid als volgt vastgesteld en aan de gemeenteraad toegezonden.
De algemene opvatting is dat de uitstraling van de uitstallingen op standplaatsen een betere kwaliteit mag hebben, waarbij de locatie wel relevant is. Aan een uitstalling op het Diemerplein mogen hogere eisen worden gesteld dan een uitstalling op het bedrijventerrein. In algemene zin geldt: wel kwaliteitseisen stellen, maar niet zodanig hoog dat daardoor van een standplaats geen gebruik meer wordt gemaakt.
Er is aandacht voor onderhoud en schoonmaken van (en rond) de standplaats en de bestrating hiervan (met name bij uitstallingen die aan het eind van de dag worden weggehaald).
Uitgangspunt is dat een “gelijkwaardiger speelveld” ontstaat in de concurrentieverhouding tussen winkeliers en standplaatshouders. Dat betekent dat de vergoeding voor een standplaats hoger mag zijn (de vergoeding is thans vrij laag), maar niet zo hoog als de huurprijs van een winkel. Een winkel biedt namelijk voordelen ten opzichte van een standplaats.
De voorkeur bestaat voor een gedifferentieerd tarief. Het tarief mag hoger zijn naarmate een standplaats meer opbrengstpotentie heeft.
In het algemeen bestaat de voorkeur voor het verhuren (privaatrechtelijk) van een standplaats, boven het huidige stelsel van het in rekening brengen van een precariovergoeding.
Er bestaat een voorkeur voor een gedifferentieerd standplaatsenbeleid waarbij per gebiedsdeel wordt bekeken of standplaatsen worden toegestaan, al dan niet uitgebreid ten opzichte van de bestaande situatie, dan wel geheel niet worden toegestaan. Er moet aandacht zijn voor de rechtszekerheid voor bestaande standplaatshouders. Als ergens minder standplaatsen worden toegestaan dan nu het geval is, zal een ruime overgangstermijn moeten worden aangehouden.
Het is duidelijk dat de gemeente zich terughoudend moet opstellen als het gaat om concurrentieverhoudingen, maar in het algemeen bestaat wel de behoefte om invloed te hebben op branchering. Daarbij is uitgangspunt om “maximaal gebruik te maken” van de juridische ruimte. Die invloed op de branchering is vooral ingegeven door de behoefte om bestaande branches (niet concrete winkels) te beschermen en standplaatsen vooral voor de consument te kunnen inzetten als aanvulling op het bestaande aanbod (zowel wat betreft diversiteit als kwaliteit/prijsstelling).
Heel breed is de opvatting dat winkeliers(verenigingen) moeten worden betrokken bij het standplaatsenbeleid en bij de vergunningverlening, maar dan wel in een adviesrol. Daarbij moet vooral worden gelet op het belang van de consument. De concurrentiepositie van de winkelier mag in de adviesrol geen zwaarwegend belang zijn. In het algemeen bestaat de voorkeur voor het handhaven van de gemeente als vergunningverlenende instantie (en dus niet de winkeliers).
Verder is gevraagd om de Vereniging voor ambulante handel te betrekken bij het opstellen van het standplaatsenbeleid.
Nadrukkelijk dienen de inwoners van Diemen, als consument, betrokken te worden bij het nieuwe standplaatsenbeleid: wat willen zij? Geadviseerd is om hiervoor interviews of een enquête te houden.
•De adviesrol van de winkeliersverenigingen is opgenomen in paragraaf 5.1.
Deze nota is niet van toepassing op de weekmarkt, evenementen, snuffelmarkten en het verkopen vanuit een bouwwerk (zoals een kiosk). Daarvoor geldt afzonderlijke regelgeving.
In de voorliggende Nota standplaatsenbeleid 2017 zijn de nog relevante delen van de Nota straathandel 2007 overgenomen. Over het algemeen in een beknoptere vorm.
De regelgeving voor standplaatsen in de Algemene Plaatselijke verordening (APV) is beperkt. Derhalve is het van belang om helder beleid te hebben bij deze regels. Daar waar mogelijk sluit dit beleid aan bij de regelgeving voor de weekmarkt.
Verder is het zo dat de standplaatsen te zijner tijd, in het kader van de Omgevingswet, geregeld worden in het Omgevingsplan.
2.1 Algemene Plaatselijke Verordening Diemen (APV)
De wettelijke grondslag voor het reguleren van de standplaatsen is te vinden in artikel 108 van de Gemeentewet. Dit artikel erkent de autonome bevoegdheid van het gemeentebestuur tot het stellen van regels inzake de huishouding van de gemeente. Het reguleren van de straathandel wordt tot de huishouding van de gemeente gerekend.
In de APV is gebruik gemaakt van de bevoegdheid om op grond van de Gemeentewet regels te stellen. Het is zonder vergunning van het college verboden een standplaats in te nemen.
In artikel 5:17 van de APV wordt onder een standplaats verstaan: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, al dan niet gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.
In artikel 1:8 van de APV is geregeld dat een vergunning mag worden geweigerd in het belang van:
In artikel 5:18 van de APV zijn als gronden voor weigering van een vergunning voor een standplaats toegevoegd:
In de toelichting van de model APV is ondermeer onderstaande tekst opgenomen.
De vergunning dient om te voorkomen dat de openbare orde wordt verstoord en dat overlast wordt tegengegaan. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld: geluidsoverlast; stankoverlast; verkeershinder; overlast door zwerfafval.
Deze weigeringsgrond kan gehanteerd worden indien een of meer standplaatsen worden ingenomen op een zodanige plaats dat het straatbeeld ernstig verstoord wordt. Met deze weigeringsgrond wordt het aanzien van monumentale gebouwen of stedenbouwkundige ensembles gewaarborgd. Het is niet noodzakelijk, maar wel verstandig om bijvoorbeeld de zogenaamde welstandscommissie om advies te vragen.
Op 18 september 2013 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (201208105/1/R2) nogmaals bepaald, dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument bij detailhandel in eerste levensbehoeften in een deel van de gemeente in gevaar komt. Doorslaggevend is of inwoners van een bepaald gebied op aanvaardbare afstand van hun woning kunnen voorzien in hun eerste levensbehoeften. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning weigeren, dan moet worden aangetoond dat het voortbestaan van het voorzieningenniveau in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen worden aangeboden als in de bestaande winkel(s).
Het kan in het kader van de openbare orde van belang zijn om het aantal te verlenen vergunningen aan een maximum te verbinden. In dat geval dient te worden aangetoond of aannemelijk worden gemaakt dat van zo'n gevaar daadwerkelijk sprake is.
Aan de hand van de weigeringsgronden, genoemd in artikel 1:8 van de APV, kan het college regels vaststellen, waarin wordt aangegeven wanneer wel of niet tot het afgeven van een standplaatsvergunning wordt overgegaan.
De zaken die het college in het standplaatsenbeleid kan vastleggen betreffen:
Hiernaast is het volgende relevant.
Een vergunning wordt conform artikel 1:7 van de APV in beginsel voor onbepaalde tijd verleend. Indien de gemeente de vergunning met het oog op de verdeling van standplaatsen aan een termijn wil verbinden, dan is het zaak te motiveren waarom dit noodzakelijk is in het belang van onder meer de openbare orde, overlast, verkeersveiligheid en milieu. Dit is inmiddels achterhaald.
Op 2 november 2016 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (201406676/1/A3) nieuw recht geschapen over de verdeling van schaarse vergunningen. Schaarse vergunningen mogen in beginsel niet voor onbepaalde tijd doch alleen tijdelijk worden verleend. Bij verlening voor onbepaalde tijd wordt de vergunninghouder onevenredig bevoordeeld, omdat het voor nieuwkomers dan nagenoeg onmogelijk is om nog toe te treden tot de markt. Om gelijke kansen te realiseren dient daarom een passende mate van openbaarheid te worden verzekerd met betrekking tot de beschikbaarheid van de schaarse vergunning, de verdelingsprocedure, het aanvraagtijdpad en de toe te passen criteria.
Winkeltijdenwet en Verordening winkeltijden gemeente Diemen 2014
Op grond van de Winkeltijdenwet mag een standplaats op werkdagen (maandag tot en met zaterdag) van 6.00 tot 22.00 uur worden ingenomen.
Op grond van de gemeentelijke verordening geldt dat:
Controle en handhaving van de winkeltijden vindt in eerste instantie plaats door de door het college aangewezen toezichthouders.
In de Warenwet staat aan welke eisen voedingsmiddelen en andere producten moeten
voldoen. Aan de Warenwet zijn besluiten en regelingen toegevoegd zoals bijvoorbeeld regels
over het hygiënisch klaarmaken en het etiketteren van levensmiddelen. De Nederlandse
Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) controleert of de regels van voedselveiligheid worden
nageleefd. Bij overtreding van de Warenwet kan de NVWA maatregelen nemen.
Uit artikel 5 van deze wet blijkt dat een onderneming (waaronder standplaatshouder) ingeschreven dient te zijn bij de Kamer van Koophandel.
In boek 6, titel 5, afdeling 2b van het Burgerlijk Wetboek zijn sinds juni 2014 bepalingen
neergelegd die gelden voor overeenkomsten tussen handelaren en consumenten. De
Colportagewet is hiermee vervallen. De regels zoals deze zijn neergelegd in het Burgerlijk Wetboek gelden ook voor standplaatsen.
De Europese dienstenrichtlijn verplicht lidstaten van de Europese Unie tot het vrijgeven van hun dienstenmarkt, ten gunste van aanbieders uit andere lidstaten. Belemmerende regelgeving is niet toegestaan. Dit geldt ook voor diensten die door middel van een standplaats worden geleverd. De Dienstenrichtlijn is voor zover relevant in de APV geïmplementeerd. De Dienstenrichtlijn heeft geen betrekking op het aanbieden van goederen.
De Nota straathandel uit 2007 met bijbehorende toelichting geldt voor standplaatsen en venten. De nota is gedateerd en moet worden vervangen. De beleidsregels voor venten zijn door een wijziging van de APV, waarbij venten vergunningsvrij is geworden, inmiddels komen te vervallen.
In de voorliggende Nota standplaatsenbeleid 2017 zijn de nog relevante delen van de Nota straathandel 2007 overgenomen. Over het algemeen in een beknoptere vorm.
Hiernaast is zoveel mogelijk de (na 2007 vastgestelde) bestaande regelgeving voor standplaatsen op de weekmarkt overgenomen voor zover deze ook relevant is voor standplaatsen niet gevestigd op de weekmarkt.
Naast onderstaande vergunningen voor standplaatsen op vaste dagen of seizoen, is het ook mogelijk een vergunning te verlenen voor een enkele dag (is bijvoorbeeld verleend voor het graveren van kentekens). De afkorting vw staat voor verkoopwagen. In rood zijn afwijkingen aangegeven die onder de tabel worden verklaard.
Ten aanzien van onderstaande tabel wordt opgemerkt dat er reeds een aantal relevante wijzigingen hebben plaatsgevonden. Het aantal standplaatsen dat op het Diemerplein wordt ingenomen is momenteel (23-11-2017) op zaterdag al teruggebracht naar 4 plaatsen.
De vergunde oppervlakte voor bloemen is door het Team Vergunningen overigens al verhoogd naar 48 m2.
Naast standplaatsen zijn er ook kiosken in Diemen (al dan niet op gemeentegrond) waarvoor een bouwvergunning of omgevingsvergunning is verleend. De kiosken staan vermeld op de bladzijden 18 en 19 in de toelichting per locatie.
De vergunning voor Vietnamese snacks tot 23.00 uur is in strijd met de Winkeltijdenwet die verkoop tot 22.00 uur toestaat. Dit wordt aangepast in de nieuwe vergunning.
Tijdens controles in december 2016 is gebleken dat op negen standplaatsen meer ruimte wordt ingenomen dan is vergund. Precario wordt geheven per veelvoud van 10 m2. Dit heeft tot gevolg dat negen standplaatshouders minder precario betalen dan op grond van de Verordening precariobelasting verschuldigd is. In de nieuwe vergunningen wordt de oppervlakte aangepast.
Tijdens de controles is ook gebleken dat zeven verkoopmiddelen, met name verkoopwagens, niet binnen de op de plattegrond aangegeven standplaats zijn geplaatst. Het innemen van de juiste plek is niet eenvoudig omdat een markering op de bestrating ontbreekt. Wellicht is het mogelijk kleine markeringen aan te brengen zonder dat de (soms luxe) uitstraling van de bestrating wordt verstoord.
Niet alle in de Nota straathandel 2007 beschikbare locaties en plaatsen worden benut.
Het NS-station Diemen-Zuid is voor één plaats aangewezen (daar moet de NS als eigenaar van de grond toestemming voor geven) en er zijn in 2007 twee plaatsen beschikbaar gesteld op de locaties: Gruttoplein, Verrijn Stuart, Bergwijkpark Noord en Bergwijkpark Zuid.
Omgekeerd zijn in de Nota straathandel 2007 twee plaatsen opgenomen voor het Diemerplein. In de afgelopen jaren is daar het aantal plaatsen uitgebreid tot vijf. Ter voorbeeld het aantal plaatsen dat op 20 maart 2017 tegelijk in gebruik is bedraagt:
1 op woensdag (na de weekmarkt);
Met betrekking tot het aantal standplaatsen dat op de zaterdag in gebruik is, wordt opgemerkt dat dit op 23-11-2017 vier bedraagt. Er is op dit moment op geen enkele dag sprake van ingebruikname van vijf standplaatsen.
Kortom, op dit moment zijn er op geen enkele dag vijf standplaatsen op het Diemerplein in gebruik. Meer dan vier standplaatsen is echter niet gewenst aangezien hierdoor een verkapte marktvorming ontstaat. Het maximum aantal toelaatbare plaatsen wordt derhalve beperkt tot vier.
Het weigeren van een vergunning komt maar één keer per twee à drie jaar voor. Tegen een besluit tot weigering zijn door de aanvragers geen bezwaarschriften ingediend.
Het geringe aantal weigeringen is het gevolg van het contact met de aanvrager in het voortraject. Voordat een aanvraag wordt ingediend wordt de aanvrager al geïnformeerd over de kansen op een vergunning of weigering daarvan. In het laatste geval wordt de aanvraag niet ingediend om legeskosten uit te sparen.
In de afgelopen jaren is tegen verleende vergunningen voor vis en bloemen door een winkelier uit dezelfde branche een bezwaarschrift ingediend. Deze bezwaarschriften zijn afgewezen.
Onder het innemen van een standplaats wordt verstaan: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, al dan niet gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.
Deze nota is niet van toepassing op de weekmarkt, evenementen, snuffelmarkten en het verkopen vanuit een bouwwerk (zoals een kiosk). Daarvoor geldt afzonderlijke regelgeving.
Het te koop aanbieden van producten zoals bloemen, vis, kaas, friet, ijs, loempia’s en dergelijke op straten en pleinen vanuit een verkoopwagen of kraam is niet weg te denken uit het Hollandse straatbeeld. Het verlevendigt de openbare ruimte terwijl deze activiteiten tevens, naast de reguliere weekmarkt, een aanvulling kunnen vormen op het assortiment in winkels.
De schaduwzijde is dat er een wildgroei aan standplaatsen kan ontstaan. Dat kan leiden tot ongewenste situaties zoals parkeerproblematiek, overlast ervaren door omwonenden (parkeren, stank van bakken, en dergelijke) en verkeersonveilige situaties. Ook kan het innemen van een standplaats het uiterlijk aanzien van de omgeving aantasten. De belangrijkste doelstelling van het standplaatsenbeleid is om duidelijkheid te scheppen over de locaties waar wel of niet een standplaats kan worden ingenomen.
Standplaatsen kunnen een positieve dimensie toevoegen aan bepaalde locaties, bijvoorbeeld
Het standplaatsenbeleid gaat uit van:
In het beleid voor standplaatsen wordt onderscheid gemaakt tussen vaste standplaatsen die in principe elke week worden ingenomen en tijdelijke standplaatsen die incidenteel worden ingenomen (bijvoorbeeld seizoensgebonden).
Vanaf een vaste standplaats worden gedurende één of meer vaste tijdstippen per week voor een periode van vijf jaar (met verleningsmogelijkheid in concurrentie) in het algemeen, commerciële goederen en diensten aangeboden. Met andere woorden, het gaat hier om een standplaats op een vaste locatie voor een langdurige periode. Een voorbeeld hiervan is het verkopen van vis of bloemen vanaf een vaste locatie gedurende vijf of meer jaren.
Een tijdelijke standplaats is het commercieel aanbieden van goederen en diensten vanaf een vaste standplaats voor een beperkte periode, doch niet gedurende het hele jaar. Een voorbeeld hiervan is het verkopen van oliebollen in de periode november/december van het jaar en de verkoop van kerstbomen.
Onder een tijdelijke standplaats wordt ook verstaan het al dan niet commercieel aanbieden van goederen en diensten vanaf een willekeurige standplaats voor een incidentele periode. Met andere woorden, het gaat hier om een standplaats voor een beperkte periode, waarbij de locatie niet steeds dezelfde is. Voorbeelden hiervan zijn een dagstandplaats voor een ideële organisatie of voor het graveren van auto’s.
In artikel 1:8 APV is geregeld dat een vergunning mag worden geweigerd in het belang van:
In artikel 5:18 APV zijn als gronden voor weigering van een vergunning voor een standplaats toegevoegd:
In de praktijk zal het bij de weigeringsgronden om de volgende belangen gaan.
Openbare orde, verkeersvrijheid en -veiligheid
Het innemen van een standplaats zal slechts sporadisch een gevaar opleveren voor de openbare orde. Deze weigeringsgrond wordt vaak gehanteerd in combinatie met de weigeringsgrond “belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid”. Standplaatsen waar goederen te koop worden aangeboden, hebben een verkeersaantrekkend karakter of kunnen het zicht op de openbare weg belemmeren. Door deze verkeersaantrekkende werking ontstaan mogelijk ongewenste oversteekbewegingen door voetgangers en ontoelaatbaar fietsverkeer in voetgangersgebieden. Ook parkerende en geparkeerde auto’s kunnen overlast veroorzaken. Uit jurisprudentie is gebleken dat beperking van een aantal standplaatsen in het belang van de verkeersveiligheid is toegestaan. Dit neemt niet weg dat iedere aanvraag op eigen omstandigheden en situatie beoordeeld moet worden (een afwijzing waarbij enkel naar “het beleid” wordt verwezen wordt door de rechter niet geaccepteerd). Met andere woorden, de eventuele afwijzing moet te allen tijde goed gemotiveerd zijn.
Voorkomen of beperken van overlas t
Meer dan vijf standplaatsen op dezelfde locatie komt volgens vaste jurisprudentie in ieder geval neer op (verkapte) marktvorming. Gelet op de grote van Diemen en het Diemerplein achten wij vier standplaatsen het maximale aantal op het Diemerplein. Dit gegeven kan mede worden gebruikt bij het aanwijzen van de locaties waar een standplaats kan worden ingenomen.
Bij veel belangstelling voor dezelfde locatie kunnen met behulp van deze weigeringsgrond de af te geven vergunningen over de week worden verspreid, zodat een concentratie van de in te nemen standplaatsen en derhalve het ontstaan van marktvorming wordt tegengegaan.
Deze weigeringsgrond is van toepassing, als een verkoopmiddel op een zodanige plaats een standplaats inneemt, dat het straatbeeld ernstig verstoord wordt. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer meerdere standplaatsen naast elkaar worden ingenomen en daardoor de architectonische eenheid in het gedrang komt. Ook het aanzien van monumentale gebouwen of waardevolle stedenbouwkundige verbanden kan met deze weigeringsgrond worden gewaarborgd.
Ook als uit onderzoek blijkt, dat er voldoende verkooppunten zijn, is dit op zichzelf onvoldoende reden om een vergunning te weigeren. Het bepalende element is het verzorgingsniveau van de consument en niet de concurrentiepositie van een gevestigde winkelier. Wel kunnen winkeliers in een nieuw op te zetten winkelcentrum worden beschermd tegen concurrentie van een standplaatshouder. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft aanvaard, dat nieuwe winkeliers gedurende een bepaalde aanloopperiode beschermd mogen worden, echter alleen in het belang van het opzetten van een voldoende verzorgingsniveau voor de consument.
4. 3 Uitwerking weigeringsgronden in regels
Doel van het detailhandelsbeleid is het voorzieningenniveau voor de burger op een hoger niveau te brengen en te houden. Daarbij past een beleid dat voorziet in mogelijkheden voor het innemen van een standplaats. Op basis van de regels is een aantal voorbeeld locaties voor standplaatsen aangewezen.
De algemene regels voor standplaatsen zijn:
streven naar concentratie van voorzieningen voor consumenten (detailhandelsbeleid); dus met standplaatsen zoveel mogelijk aansluiting zoeken bij bestaande winkelcentra; de standplaatsen dienen wel ondersteunend/ondergeschikt te zijn aan de winkelcentra en verkapte marktvorming moet worden voorkomen, dus beperkt in aantal en omvang;
Een aanvraag om een standplaatsvergunning wordt hiernaast beoordeeld aan de hand van vier criteria genoemd in onderstaande checklist. Hierin zijn verschillende weigeringsgronden in concrete regels verwerkt.
Om de mobiliteit te garanderen zijn de volgende voorschriften van toepassing op vaste standplaatsen:
Dit betekent dat de standplaats iedere dag ontruimd dient te worden.
In geval er een evenement wordt gehouden op een locatie waar een standplaats wordt ingenomen zal aan de standplaatshouder een alternatieve locatie worden aangeboden.
Gelet op het beperken van overlast en de verkeersveiligheid is een terras bij een standplaats niet toegestaan. Gelet op de aard van een standplaats, het binnen een beperkte tijd aanschaffen en indien van toepassing, het nuttigen van de aangeschafte goederen, is het hebben van een terras voorbehouden aan horecagelegenheden. Maximaal twee hoge tafeltjes voor het staand nuttigen van etenswaren zijn toegestaan.
Het uitstallen van bijvoorbeeld groente en fruit is toegestaan, mits de ruimte van de standplaats dit toelaat.
De standplaatsen worden verkeerstechnisch ingericht. In sommige gevallen dient er een verkeersbesluit te worden genomen, wanneer bijvoorbeeld parkeerplaatsen gereserveerd dienen te worden om de beschikbaarheid van deze plaatsen te kunnen garanderen (Kruidenhof). In sommige gevallen is het verlenen van een ontheffing op grond van artikel 87 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) noodzakelijk, omdat bij het innemen van een standplaats de verkoopwagen wellicht een weggedeelte moet betreden waar dat niet is toegestaan (bijvoorbeeld het trottoir).
Indien een verkoopmiddel, bijvoorbeeld een kraam, in een voertuig zoals een vrachtwagen wordt vervoerd, dient dit voertuig, indien de in te nemen standplaats geen ruimte voor dit voertuig biedt, elders in een parkeervak te worden geparkeerd of op een door het college aangewezen plaats. Het verlenen van een ontheffing op grond van artikel 87 van het RVV 1990 is soms noodzakelijk.
Als uitwerking van de regels worden aan de vergunning zo nodig diverse voorschriften verbonden. Deze voorschriften sluiten zoveel mogelijk aan bij de voorschriften die gelden voor de weekmarkt (Marktreglement Diemen).
4. 4 Toetsing potentiële locaties aan de regels
Er bestaat een voorkeur voor een gedifferentieerd standplaatsenbeleid waarbij per gebiedsdeel wordt bekeken of standplaatsen wel of niet worden toegestaan. Daarbij moet er aandacht zijn voor de rechtszekerheid voor bestaande standplaatshouders. De toetsing aan de regels heeft alleen voor het Diemerplein tot verandering geleid dat het maximum aantal standplaatsen dat gelijktijdig ingenomen mag worden van 5 naar 4 gaat.
De volgende potentiële locaties voor vaste standplaatsen zijn getoetst, met als waardering:
+ = voldoet, 0 = nog onduidelijk en - = voldoet niet.
Onderstaand per locatie een toelichting.
In 2007 zijn twee vaste standplaatsen beschikbaar gesteld. Daarvan is er maar één in gebruik. Voorgesteld wordt het aantal te verminderen tot één vaste standplaats.
Het aantal moet passen bij het wijkwinkelcentrum. Daar is leegstandsproblematiek. In verband met de parkeerdruk geen standplaats op de parkeerplaats(en). Er is al een kiosk aanwezig. De standplaats situeren op het plein aan de voorzijde van het winkelcentrum in verband met symbiose, aanvulling en ondersteuning van de voorzieningen. Die locatie geeft ook een beperking in aantal en omvang in verband met beleving en zichtbaarheid.
Vooralsnog geen standplaats in verband met herinrichting van het stationsgebied. Daarna valt deze locatie te heroverwegen. Keuze mede laten afhangen van eventueel alternatief aanbod: bij het voortbestaan van de stationsvoorziening (kiosk) geen standplaats.
In 2007 zijn twee vaste standplaatsen beschikbaar gesteld. In de loop der jaren is het aantal plekken waar standplaats kan worden ingenomen uitgebreid tot vijf, die ook daadwerkelijk enige tijd op zaterdag allemaal in gebruik zijn geweest. Tijdens het beoordelingsmoment op 20 maart 2017 waren er verder op vrijdag drie plaatsen gelijktijdig in gebruik en op andere dagen minder dan drie. Het maximum aantal standplaatsen dat gelijktijdig ingenomen mag worden wordt vastgesteld op vier (waarbij van vijf plekken gebruik kan worden gemaakt).
Het aanbrengen van een differentiatie per dag behoort niet tot de mogelijkheden gelet op de bestaande jurisprudentie (zie bijvoorbeeld Raad van State RVS:2013:CA0661).
Het aantal moet passen bij het hoofdwinkelcentrum. Door de renovatie en uitbreiding is daar nog sprake van leegstand. De standplaatsen worden gesitueerd op het plein aan de oostzijde van de apotheek. Aantal en omvang wordt beperkt in het kader van de beleving, welstand, bereikbaarheid en zichtbaarheid van winkels, horeca en terrassen.
Net als nu geen standplaats. Het ontbreekt aan fysieke ruimte die voldoet aan de criteria van (verkeers)veiligheid. Bij de hoek Hartveldseweg/Schoolstraat is aanbod door twee kiosken.
Net als nu één standplaats. Het aantal moet passen bij het wijkwinkelcentrum. Locatie aan de voorzijde in verband met symbiose, aanvulling en ondersteuning van de voorzieningen. De standplaats is fysiek alleen mogelijk op het parkeerterrein. In verband met de parkeerdruk geeft dit een beperking in aantal en omvang.
Vooralsnog geen standplaats bij het station in verband met herinrichting van het stationsgebied. Daarna heroverwegen voor het voorplein. Keuze mede afhankelijk van eventueel alternatief aanbod. Bij aanwezigheid van een stationsvoorziening geen standplaats gedurende de aanloopperiode.
Bij de Campus Diemen Zuid kan één standplaats worden ingenomen. Er wordt rekening gehouden met de aanloopperiode van de voorzieningen op de Campus Diemen Zuid (en eventuele voorzieningen in Holland Park).
De standplaats bij Hogeschool In Holland kan worden gehandhaafd. In de woonbuurten en woonstraten (van bijvoorbeeld Holland Park) worden gelet op de algemene regel geen standplaatsen toegestaan.
In 2007 zijn twee vaste standplaatsen beschikbaar gesteld. Daarvan wordt thans geen gebruik gemaakt. Voorgesteld wordt hier geen vaste standplaatsen meer toe te staan.
Gelet op de parkeerdruk is er geen goede locatie beschikbaar. De ervaring leert bovendien dat een standplaats hier niet rendabel is. In dit hoogwaardige kantorengebied heeft uit een oogpunt van welstand het realiseren van vaste horeca de voorkeur.
In 2007 zijn twee vaste standplaatsen beschikbaar gesteld. Daarvan is er thans maar één in gebruik. Voorgesteld wordt twee vaste standplaatsen toe te staan.
De standplaatsen bij voorkeur spreiden over de diverse terreinen. Na opening van een vaste horecavoorziening rekening houden met de aanloopperiode.
Geen (gemeentelijke) standplaats. Het grondgebied, behalve ten noordoosten van het Amsterdam-Rijnkanaal waar geen standplaats te verwachten is, valt onder de verordening van het Groengebied Amstelland. Er is geen gemeentelijke jurisdictie.
Voor tijdelijke standplaatsen voor seizoensgebonden producten komen in ieder geval de volgende vier locaties in aanmerking:
Hierbij is rekening gehouden met spreiding over het grondgebied (consumentenbelang), concentratie van voorzieningen, bereikbaarheid, beschikbaarheid ruimte en parkeerdruk.
4. 5 Overzicht aangewezen standplaatsen en branchering
Het is duidelijk dat de gemeente zich terughoudend moet opstellen als het gaat om concurrentieverhoudingen, maar in het algemeen bestaat wel de behoefte om invloed te hebben op branchering. Daarbij is uitgangspunt om “maximaal gebruik te maken” van de juridische ruimte. Die invloed op de branchering is vooral ingegeven door de behoefte om bestaande branches (niet concrete winkels) te beschermen en standplaatsen vooral voor de consument te kunnen inzetten als aanvulling op het bestaande aanbod (zowel wat betreft diversiteit als kwaliteit/prijsstelling).
Een aantal locaties is aan de hand van vier regels al getoetst en voldoet daaraan. Indien een aanvrager een andere locatie aanvraagt, zal deze aan de hand van de regels worden getoetst.
Een standplaats kan in ieder geval worden ingenomen op de volgende locaties (niet limitatief) met de volgende oppervlakten (huidig gebruik verhoogd met circa 5 m2 en afgerond op veelvouden van 5 m2) en branches:
Door de hoofdindeling in drie groepen (food, non-food en eet- en drinkwaren voor directe consumptie) en de toevoeging van ‘aanvullend’ wordt tegemoet gekomen aan de wens om invloed te hebben op de branchering. Onder food valt ook eet- en drinkwaren voor directe consumptie (omgekeerd niet).
Voor een gedetailleerde locatietekening wordt verwezen naar bijlage 2.
Op dit moment wordt geen wachtlijst bijgehouden. Dit is vooralsnog en waarschijnlijk ook in de toekomst niet nodig omdat er minder vergunningen zijn verleend dan de beschikbare standplaatsruimte.
Alle standplaatsen kunnen (net als voorheen) gedurende alle dagen van de week tijdens de toegestane verkoopuren worden gebruikt.
Een verkoopwagen moet voldoen aan de maximale afmetingen van wagens zoals bepaald in de Regeling voertuigen (artikel 5.3.6). Dit betekent onder meer dat de wagen maximaal 2.55 meter breed, 12 meter lang en 4 meter hoog mag zijn. De maximale oppervlakte van een verkoopwagen is derhalve 30,6 m2. Uiteraard is de beschikbare ruimte van de standplaats op de locatie leidend.
In het belang van de openbare orde kan per branche een maximaal aantal vergunningen worden verleend. Een dergelijke brancheverdeling heeft echter alleen zin wanneer het aantal aanvragen per branche het totaal aantal af te geven vergunningen overtreft. In Diemen zijn onvoldoende vergunningen verleend. Het in het leven roepen van een maximumstelsel ten aanzien van de branches is daarom op dit moment niet mogelijk. Mocht dit in de toekomst wel gebeuren, dan zal alsnog een maximumstelsel in het leven kunnen worden geroepen.
In geval van wijziging van de bestemming dan wel herinrichting van het betreffende gedeelte van de openbare weg is het college bevoegd een vervangende standplaats aan te wijzen. Indien een vervangende standplaats niet voorhanden is, kan intrekking van de vergunning volgen. Een vervangende locatie geldt alleen voor de vergunninghouder waarvan de oorspronkelijke locatie is komen te vervallen. Het geeft geen rechten aan een eventuele nieuwe aanvrager.
4. 6 Aanvullende regels voor tijdelijke standplaatsen
Voor tijdelijke standplaatsen gelden onderstaande aanvullende regels. Er geldt onder meer een andere indieningtermijn voor de aanvraag dan bij een vaste standplaats.
|
Per locatie wordt één tijdelijke standplaats tegelijkertijd toegestaan. |
Vergunning wordt verleend, op basis van selectie, voor vijf keer hetzelfde seizoen. |
|||
Voor de noten wordt verwezen naar de toelichting.
De tijdelijke vergunning voor twee maanden voor de verkoop van seizoensgebonden producten komt ongeveer overeen met een jaar verkoop gedurende een dag per week.
Voor zover niet feitelijk onmogelijk zijn de in deze nota genoemde regels en voorschriften voor standplaatsen van overeenkomstige toepassing op het verlenen van een tijdelijke standplaatsvergunning.
5. Vergunning voor standplaatshouders
De nieuwe uitgangspunten kunnen ingaan vanaf 1 juni 2018. Voordien moeten de legesverordening, aanvraagformulieren en vergunningen worden aangepast. Gelet op de invoering van het huurstelsel per 1 januari 2019 moeten de aanpassing van de precarioverordening en de huurovereenkomsten voordien worden opgesteld. De aanvraagformulieren worden door het Team Vergunningen opgesteld voor de inwerkingtreding van het nieuwe beleid.
5.1 Aanvraagprocedure en advisering
Voor toewijzing van een standplaats komt uitsluitend in aanmerking een handelingsbekwaam natuurlijk persoon die gerechtigd is in Nederland arbeid te verrichten.
Het college maakt aan kooplieden bekend dat voor een bepaalde datum door middel van een formulier een aanmelding voor een vaste standplaatsvergunning of tijdelijke vergunning voor twee maanden voor de verkoop van seizoensgebonden producten kan worden ingediend. Het formulier wordt tezamen met de vereiste bijlagen bij de gemeente ingediend.
De na het doorlopen van de selectieprocedure te honoreren aanmelding wordt beschouwd als aanvraag om een vergunning (alleen de te honoreren aanvraag is legesplichtig).
De aanvraag om een tijdelijke standplaatsvergunning wordt gedaan op een door een college vastgesteld aanvraagformulier. Dat wordt tezamen met de vereiste bijlagen bij de gemeente ingediend. Dit moet gebeuren met in achtneming van een termijn voor de start van de verkoopactiviteiten:
Indien hieraan niet wordt voldaan kan het college besluiten de vergunning te weigeren.
Op het formulier moet ondermeer de volgende informatie worden versterkt:
Binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag wordt door de vergunningverlener in ieder geval advies ingewonnen bij:
Indien relevant vraagt de vergunningverlener ook advies aan:
Zij adviseren binnen twee weken na ontvangst van de adviesaanvraag of de aanvraag naar hun mening kan worden gehonoreerd.
5.2 Besluitvorming en mogelijkheid van bezwaar
Het vergunningenstelsel heeft tot doel de standplaatsenhandel te reguleren met het oog op verschillende belangen. Wanneer één van deze belangen in het geding is en het verbinden van voorschriften aan de vergunning geen soelaas biedt, kan een vergunning worden geweigerd.
Het college beslist op een aanmelding om een vergunning voor een vaste standplaats of seizoensplaats binnen acht weken na sluitingsdatum voor het indienen van een aanmelding.
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.
Indien er voor een vaste standplaats of seizoensplaats meerdere gegadigden zijn waarvan de aanmelding kan worden gehonoreerd, vindt de vergunningverlening door middel van selectie plaats.
Bij de beoordeling van de aanmeldingen voor een vaste standplaats kent het college punten toe aan de hand van de volgende aspecten en tot het daarbij vermelde maximum aantal:
Gegadigden komen in aanmerking voor een vergunning in de volgorde van het aantal toegekende punten.
Het college legt de aanmeldingen om advies voor aan een door haar te benoemen selectiecommissie. De betreffende winkeliersverenigingen (indien de aanvraag een vaste standplaats bij een winkelcentrum betreft) en de Centrale Vereniging voor de Ambulante Handel worden uitgenodigd een afgevaardigde voor de commissie aan te wijzen.
Aanvragen om een vergunning voor een vaste standplaats of seizoensplaats die na voornoemde sluitingsdatum zijn ingekomen worden aangehouden totdat een besluit is genomen over de aanmeldingen, al dan niet met toepassing van de selectieprocedure. De aangehouden aanvragen en aanvragen die in de loop der jaren worden ingediend kunnen daarna worden gehonoreerd als er nog plaatsen beschikbaar zijn. De vergunning wordt dan verleend tot het einde van de termijn (maximaal vijf jaren) die geldt voor gehonoreerde aanmeldingen. Kortom er wordt gewerkt met vaste momenten waarop vergunningverleningsprocedures in gang worden gezet. Indien er sprake is van tussentijdse verlening van een vergunning wordt, indien er sprake is van meer gegadigden waarvan de aanmelding kan worden gehonoreerd, hetzelfde puntensysteem gevolgd.
Indien twee gegadigden met hetzelfde puntenaantal eindigen wordt door middel van loting uitgevoerd door het Team Vergunningen bepaald wie de vergunning krijgt.
Indien er meer aanvragen dan beschikbare plekken zijn voor een tijdelijke standplaats beslist het college op basis van de datum van ontvangst van de aanvraag.
De samenstelling van de selectiecommissie is als volgt:
De selectiecommissie mag alleen vergaderen indien alle drie hiervoor genoemde leden
aanwezig zijn, voor zover het betreft een aanvraag om een vaste standplaats bij een
winkelcentrum. Indien het een aanvraag betreft om een vaste standplaats op een plek niet bij
een winkelcentrum, kan volstaan worden met de leden genoemd onder punt 2 en 3.
De ambtenaar genoemd onder punt 3 roept de selectiecommissie bijeen en stelt een proces
verbaal op van de aan de aanmelders voor een vaste standplaats toegekende punten en het
De commissie moet een eensluidend advies uitbrengen op basis van een toegekend aantal
punten per aanmelder. Bij staken van stemmen over het aantal toe te kennen punten geeft de
stem van het lid genoemd onder 2, de doorslag.
Een vergunning voor een vaste standplaats of seizoensplaats wordt in ieder geval geweigerd indien:
Als een vergunning voor een standplaats wordt verleend of geweigerd, wordt dit op de gebruikelijke wijze bekend gemaakt. Op dit moment worden gemeentelijke bekendmakingen geplaatst op de gemeentepagina in het Diemer Nieuws. De vergunning is in het gemeentehuis in te zien. De vergunningverlener stuurt een kopie van het besluit naar de indieners van zienswijzen en de adviserende diensten.
Voordat tot weigering van een standplaatsvergunning kan worden besloten, wordt de
aanvrager eerst in de gelegenheid gesteld om een zienswijze, schriftelijk of mondeling, naar voren te brengen (artikel 4:7 Algemene wet bestuursrecht).
Dit gebeurt als de afwijzing gebaseerd is op gegevens over feiten en belangen, die de aanvrager betreffen en als deze afwijken van gegevens, die de aanvrager heeft verstrekt. Bij het uiteindelijke besluit wordt de zienswijze meegewogen.
Met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, kunnen belanghebbenden hiertegen bezwaar maken bij het college van Burgemeester en Wethouders. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. Wanneer het besluit tot één of meer belanghebbenden is gericht, dan gaat de zes-wekentermijn in op de dag na bekendmaking (= verzending) van het besluit aan die belanghebbende(n). Het bezwaar kan naar keuze schriftelijk of elektronisch worden ingediend. Wanneer schriftelijk bezwaar wordt gemaakt, dan dient het bezwaarschrift gestuurd te worden naar postadres: Postbus 191, 1110 AD Diemen. Verder dient het te zijn ondertekend en tenminste te bevatten:
Zo mogelijk wordt een afschrift van het bestreden besluit meegezonden.
Bij elektronische indiening van het bezwaar is gebruikmaking van het via de gemeentelijke website (www.diemen.nl) beschikbaar gestelde elektronische formulier verplicht, evenals identificatie van de indiener met DigiD.
De belanghebbende die bezwaar maakt en meent een spoedeisend belang te hebben, kan de voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam verzoeken de werking van het besluit te schorsen door het treffen van een voorlopige voorziening. Een verzoek om voorlopige voorziening dient gericht te worden aan de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam, Sector Bestuursrecht, postbus 75850, 1070 AW Amsterdam. Voor de behandeling van een verzoek om voorlopige voorziening wordt griffierecht geheven.
Een vaste standplaatsvergunning geldt voor vijf jaar. Het college verbindt aan een vaste standplaatsvergunning een proefperiode van drie maanden.
Een tijdelijke vergunning voor de verkoop van seizoensgebonden producten geldt voor vijf dezelfde seizoenen in opvolgende jaren. Hier geldt een proefperiode van twee weken.
Het college kan in bijzondere omstandigheden een andere standplaats aanwijzen.
Tot op heden is, op grond van de precarioverordening van de gemeente, voor het innemen van een standplaats belasting geheven. De precario belasting is een bedrag per m2 per locatie voor een dag of een andere tijdseenheid. Bij precario is het ‘innemen van de standplaats’ het belastbaar feit. Het feitelijk gebruik van de standplaats kan achteraf soms tot discussie leiden. Dit vraagt ook om extra toezicht, wat weer kosten met zich meebrengt.
Bij een huurovereenkomst stemt de standplaatshouder vooraf in met de huurprijs waardoor het feitelijk gebruik achteraf geen relevant punt van discussie is. In de huurovereenkomst kunnen tevens andere privaatrechtelijke zaken zoals het gebruik van elektriciteit worden geregeld.
In het algemeen bestaat de voorkeur voor het verhuren (privaatrechtelijk) van een standplaats, boven het huidige stelsel van het in rekening brengen van een precariovergoeding. In de huurovereenkomst moet rekening worden gehouden met de doorkruisingleer. Zo mogen er bijvoorbeeld geen voorwaarden in de overeenkomst worden opgenomen ten aanzien van onderwerpen die in het publiekrecht (vergunning en precario) niet kunnen worden geregeld.
Uitgangspunt is dat een “gelijkwaardiger speelveld” ontstaat in de concurrentieverhouding tussen winkeliers en standplaatshouders. Dat betekent dat de vergoeding voor een standplaats hoger mag zijn (de vergoeding is thans vrij laag), maar niet zo hoog als de huurprijs van een winkel. Een winkel biedt namelijk voordelen ten opzichte van een standplaats. De voorkeur bestaat voor een gedifferentieerd tarief. Het tarief mag hoger zijn naarmate een standplaats meer opbrengstpotentie heeft.
Ten opzichte van omliggende gemeenten is het tarief in Diemen zeer laag. Zie bijlage 1 van het adviesrapport Standplaatsenbeleid van BMC Implementatie B.V.. Allereerst is gekeken of het tarief kan worden verhoogd naar bijvoorbeeld het gemiddelde in de regio. Dit heeft tot gevolg dat standplaatsen veel duurder worden dan de huurprijzen van winkels. Deze variant is daarom afgevallen. Zie de berekening in onderstaand kader.
Vergelijking met tarieven in de regio
Het tarief in Diemen bedraagt in 2017 voor een standplaats van 10 m2 gedurende één dag per week € 296,10 : 52 (weken) = € 5,69 per dag. Wie meer dan één dag verkoopt is per dag veel goedkoper uit: € 4,27 bij twee dagen; € 2,85 bij drie dagen; € 3,60 bij vier dagen, € 2,88 bij vijf dagen, € 2,40 bij zes dagen en € 2,06 bij zeven dagen.
Voor seizoensplaatsen geldt in Diemen een tarief van € 101,00 per maand per 10 m2.
Bij de precariobelasting wordt uitgegaan van veelvouden van 10 m2. Wie bijvoorbeeld 21 m2 in gebruik heeft betaalt voor 30 m2.
In 2017 kost een standplaats van 10 m2 gedurende één dag per week gemiddeld in de regio € 1.049 (Diemen € 296, Amstelveen € 345, Ouder-Amstel € 508, Weesp € 905, Haarlemmermeer € 1.422, en Aalsmeer € 2.820). Haarlemmermeer en Amstelveen hanteren minimum en maximum tarieven afhankelijk van de locatie; bovenstaand is uitgegaan van het gemiddelde daarvan.
Het gemiddelde tarief in de regio bedraagt € 1.049 : 52 (weken) = € 20,17 per dag per 10 m2.
Gelet op voornoemde uitgangspunten wordt voorgesteld om vanaf 1 januari 2019:
De huurprijzen in winkelcentrum Diemerplein variëren van € 250 tot € 350 per m2 per jaar, afhankelijk van ligging, oppervlakte en oude of nieuwe huurder. Uitgaande van gemiddeld
€ 300 bedraagt het dagtarief dan: € 300 x 10 m2 = € 3.000 : 365 dagen = € 8,22.
Voorgesteld wordt om voor standplaatsen op het Diemerplein uit te gaan van de gemiddelde huurprijs voor de winkels op het Diemerplein: € 8,22 per 10 m2.
De winkeliersverenigingen Diemen Noord en Kruidenhof hebben geen informatie verstrekt over de huurprijzen. Uit het rapport winkelhuren Amsterdam 2015 van DTZ Zadelhoff blijkt dat de gemiddelde huurprijs in een buurtcentrum of klein wijkcentrum zo’n € 150 per m2 per jaar bedraagt (de helft van het Diemerplein).
Daarom wordt voorgesteld voor standplaatsen op andere locaties dan het Diemerplein ook uit te gaan van de helft. De huurprijs wordt dan € 8,22 x 50% = € 4,11 per dag per 10 m2.
De huurprijs van € 4,11 per dag per 10 m2 geldt ook voor de woensdag op het Diemerplein. De reden hiervan is dat op die dag slechts een halve dag een standplaats ingenomen kan worden vanwege de weekmarkt.
Dit betekent dat gemiddeld gesproken de huurkosten van een standplaats theoretisch gelijk worden aan de huurkosten van een winkel. Omdat veel winkels maar één koopzondag per maand hebben (€ 300 x 10 m2 = € 3.000 : 325 dagen = € 9,23) is in de praktijk sprake van gemiddeld zo’n 10% lager bedrag voor de standplaatsen.
De gemeente brengt alleen huur in rekening als de standplaats op gemeentegrond staat.
De tariefsverhoging voor bestaande vaste standplaatsvergunningen vindt gefaseerd over vier jaar plaats en moet per vergunning op basis van het aantal verkoopdagen worden berekend.
Vanaf 1 januari 2023 kan het tarief (eventueel met terugwerkende kracht tot 2019) aan de inflatie worden aangepast.
Op de weekmarkt is sprake van een tarief per jaar van € 195,50 : 52 weken = € 3,76 per strekkende meter x 2,5 (circa 4 meter diep) = circa € 9,40 per 10 m2. Dus ruim 14% hoger dan het voorgestelde nieuwe tarief voor standplaatsen op het Diemerplein buiten de weekmarkt.
In onderstaande tabel staan per vaste standplaats de verschillen tussen de precariobelasting per 1 januari 2017 en de voorgestelde huurtarieven per 1 januari 2023.
Bij de precario wordt uitgegaan van de oppervlakte in de vergunning (vg) afgerond naar boven in veelvouden van 10 m2. Bij de huurprijs gaat het om het daadwerkelijk (dw) aantal m2 verkoopruimte.
De kolommen onder tarief hebben de volgende betekenis:
Bij de seizoensplaatsen (oliebol) is voor het nieuwe tarief gerekend met negen weken (komt ongeveer overeen met twee maanden).De vergunning voor bloemen op het Diemerplein (zaterdag) is recentelijk verhoogd naar 48 m2 met als nieuw bedrag € 2.051,71.
Op grond van artikel 1.22.1.1.1 van de Legesverordening zijn voor het indienen van een aanvraag tot het verkrijgen van een standplaatsvergunning legeskosten verbonden. Het tarief is afhankelijk van de vergunning: € 40 voor één dag, € 80 voor een periode korter dan een jaar, € 165 voor een jaar en € 400 voor een vergunning voor onbepaalde tijd. Uitgaande van dit stramien kan voor de vergunning voor vijf jaar worden gedacht aan € 300.
Ter vergelijking, voor de weekmarkt geldt € 81,50 (vergunning voor onbepaalde tijd).
Vergoeding gebruik elektriciteit
De standplaatshouder dient zelf voor de stroomvoorziening te zorgen. Indien gebruik wordt gemaakt van een gemeentelijke elektriciteitskast worden de kosten daarvan in rekening gebracht. Op grond van artikel 1.22.1.2 van de legesverordening bedragen de kosten voor gewone elektriciteit afhankelijk van het verbruik € 35 tot € 140 per jaar en op grond van artikel 1.22.1.3 voor krachtstroom circa € 115 tot € 220 per jaar.
5.4 Voorschriften te verbinden aan de vergunning
De van toepassing zijnde voorschriften uit de marktregelgeving (Marktreglement Diemen) worden zoveel mogelijk overgenomen in dit standplaatsenbeleid.
De algemene opvatting is dat de uitstraling van de uitstallingen op standplaatsen een betere kwaliteit mag hebben, waarbij de locatie wel relevant is. Aan een uitstalling op het Diemerplein mogen hogere eisen worden gesteld dan een uitstalling op het bedrijventerrein. In algemene zin geldt: wel kwaliteitseisen stellen, maar niet zodanig hoog dat daardoor van een standplaats geen gebruik meer wordt gemaakt.
Er is aandacht voor onderhoud en schoonmaken van (en rond) de standplaats en de bestrating hiervan (met name bij uitstallingen die aan het eind van de dag worden weggehaald).
In de vergunning worden daarom ondermeer onderstaande voorschriften opgenomen:
Door bij de aanvraag om een vergunning foto’s te verlangen van verkoopmaterialen en uitstallingen en deze foto’s onderdeel te laten zijn van de vergunningvoorschriften wordt tegemoet gekomen aan de gewenste kwaliteit.
De voorschriften (zie ook bijlage 1) hebben verder onder meer betrekking op:
Toezicht en handhaving vindt plaats conform het protocol standplaatsen en terrassen.
De inzet van de Buitengewoon opsporingsambtenaren (BOA’s) is gericht op het controleren of de locatie en de afmetingen van standplaatsen voldoen aan de verleende vergunningen. Ook is het protocol gericht op het tegengaan van gevaarlijke situaties. Uitgangspunt bij overtredingen is dat bestuursrechtelijk wordt opgetreden. In de regel wordt gebruik gemaakt van de last onder dwangsom, tenzij zonder vergunning een standplaats wordt ingenomen. In dat geval wordt gekozen voor het mondeling opleggen van een last onder bestuursdwang, hetgeen inhoudt dat men de standplaats direct moet opheffen (of in ieder geval binnen een uur).
Bij een door de BOA geconstateerde overtreding wordt een controlerapport via Op Orde opgesteld.
Standplaatsen worden in projectvorm gecontroleerd. Bij een standplaatsvergunning wordt gekeken of er een vergunning is en of wordt voldaan aan de voorwaarden van de vergunning.
Stappenplan voor het zonder vergunning innemen van een standplaats
Stappenplan voor het niet voldoen aan de voorwaarden
5. 6 Intrekking of wijziging van de vergunning
Op grond van artikel 1:6 van de APV kan een standplaatsvergunning worden ingetrokken of gewijzigd indien:
Het college trekt een vaste standplaatsvergunning ook in bij overlijden of onder curatele
stelling van de vergunninghouder, tenzij de vergunning wordt overgeschreven.
%1.1Persoonlijk innemen standplaats, vervanging en afwezigheid
Een standplaatsvergunning is een persoonsgebonden vergunning in de zin van artikel 1:5 van de APV. De vergunning is derhalve niet overdraagbaar. De vergunninghouder neemt de toegewezen (vaste) standplaats persoonlijk in. Er zijn echter een aantal situaties waarbij de vergunninghouder zich mag laten vervangen of zich afwezig kan melden. Vakantie, sterfgevallen en ziekte zijn (in ieder geval) legitieme redenen om afwezig te zijn dan wel zich te laten vervangen.
Ten aanzien van bovenstaande gelden de volgende regels:
afgegeven, gebruik worden gemaakt. De melding moet zo vroeg mogelijk worden gedaan. In geval van spoed, kan achteraf de mededeling worden gedaan dat men afwezig is geweest, eveneens onder opgaaf van redenen.
Ten aanzien van bestaande vergunninghouders van vaste en tijdelijke (seizoensgebonden) vergunninghouders gelden de volgende overgangsbepalingen:
Bestaande vergunninghouders krijgen met ingang van het nieuwe beleid eenmaal een vergunning met een duur van 10 jaar. Ratio hiervan is dat, anders dan nieuwe aanvragers om een standplaatsvergunning, deze vergunninghouders in de omstandigheid geleefd hebben dat hun vergunning voor onbepaalde tijd geldig zou zijn. Een ruimere overgangstermijn is gelet daarop redelijk. De nieuwe vergunningen zullen ambtshalve verstrekt worden. Behoudens de wijziging van de vergunningstermijn en eventuele aanpassing van de gebruikte vierkante meters zullen de nieuwe vergunningen geen inhoudelijke wijzigingen bevatten ten opzichte van de bestaande vergunningen.
Zoals al eerder beschreven zal de tariefsverhoging voor bestaande vaste standplaatsvergunningen gefaseerd plaatsvinden over vier jaar en moet per vergunning op basis van het aantal verkoopdagen worden berekend.
Vanaf 1 januari 2023 kan het tarief (eventueel met terugwerkende kracht tot 2019) aan de inflatie worden aangepast.
Bijlage 1: Aan de vergunning te verbinden v oo rschriften
In de vergunning worden ondermeer onderstaande voorschriften opgenomen:
Hiernaast kan gebruik worden gemaakt van de onderstaande voorschriften uit het Marktreglement 2015 indien deze gelet op het voorgenomen gebruik van toepassing zijn. Van deze voorschriften kan gebruik worden gemaakt nu deze overeenkomen met de doelstellingen en belangen die gepaard gaan met de vergunningverlening van een standplaats. De te gebruiken voorschriften zijn gedeeltelijk aangepast ten behoeve van standplaatsen. Inhoudelijk zijn de bepaling(en) omtrent ‘Preventieve maatregelen bereiden eetwaren en ‘Gebruik van propaan, butaan en LPG’ gewijzigd ten opzichte van het Marktreglement, dit naar aanleiding van het brandweeradvies (het gebruik van LPG is anders dan in het Marktreglement vermeld mits voldaan wordt aan bepaalde eisen toegestaan voor bakinstallaties).
Hoofdstuk 2. Bepalingen over brandveiligheid
Artikel 4. Bereikbaarheid voor hulpdiensten
Artikel 5. Plaatsen van objecten
Bij het plaatsen van standplaatsen, voertuigen en andere objecten moet rekening worden gehouden met het kunnen passeren van brandweermaterieel (minimale doorrijdbreedte van 3,5 meter, hoogte van 4,2 meter, bochtstraal R7 en hellingbaan maximaal 7%). Op de fietspaden geldt een minimale doorloopbreedte van 2 meter.
Artikel 6. Kabels en leidingen
Artikel 7. Preventieve maatregelen bereiden eetwaren
(of een blusdeken die voldoet aan NEN-EN 1869:1997) aanwezig waarmee de
bakken ingeval van brand worden afgedekt.
inhoud blusmiddel) aanwezig zijn. Het blustoestel moet op een direct bereikbare
plaats zijn opgehangen en voor onmiddellijk gebruik gereed zijn. Het blustoestel moet
ten minste één keer per twee jaar door een deskundige op de goede werking worden
gecontroleerd. NB: Pas op met het gebruik van brandblussers bij het braden en bakken. Alleen een type F blusser is geschikt voor het blussen van vetbranden. Het gebruik van deze blusser vereist kennis en oefening. Plaats en gebruik geen schuimblusser in de
Artikel 8. Gebruik van butaan, propaan en LPG (Gasinstallatie)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2018-28615.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.