Gemeenteblad van Leiderdorp

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
LeiderdorpGemeenteblad 2018, 28479Beleidsregels



Beleidsregels bijzondere bijstand en minimaregelingen 2018 gemeente Leiderdorp

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      de wet: de Participatiewet;

    • b.

      inkomen: het totale netto inkomen van de alleenstaande, de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin als bedoeld in de artikel 31 en de artikelen 32 en 33 van de wet; voor zelfstandig ondernemers geldt voor het inkomen uit onderneming het inkomen als bedoeld in artikel 6 van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004.

    • c.

      vermogen: het vermogen als bedoeld in artikel 34 van de wet.

      Een eigen woning die door de aanvrager en zijn gezin zelf wordt bewoond, wordt niet tot het vermogen gerekend voor zover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd;

    • d.

      bijstandsnorm: de bijstandsnorm als bedoeld in de artikelen 20 tot en met 24 van de wet, inclusief de verlaging van de norm op grond van artikel 27 of 28 van de wet.

      Voor de toepassing van deze beleidsregels wordt artikel 22a. van de wet (kostendelersnorm) buiten beschouwing gelaten. In het geval dat op de aanvrager de kostendelersnorm (artikel 22a van de wet) van toepassing is of zou zijn, wordt bij de bepaling van de draagkracht de bijstandsnorm gehanteerd die van toepassing zou zijn als er geen sprake was van een kostendelersnorm.

      Uitsluitend voor de toepassing van deze beleidsregels wordt de bijstandsnorm van een alleenstaande ouder gesteld op 90% van de bijstandsnorm voor een gezin.

    • e.

      maatschappelijke participatie: het deelnemen aan sportieve, sociaal-culturele en/of educatieve activiteiten, bij voorkeur in verenigings- of groepsverband.

    • f.

      het gezin: het gezin als omschreven in artikel 4 eerste lid sub c van de wet.

  • 2.

    De begripsbepalingen van de wet en de overige in de wet opgenomen en daaruit voortvloeiende bepalingen zijn van toepassing.

Artikel 2 Vormen van bijstand

  • 1.

    Tenzij de beleidsregels anders bepalen, wordt de bijzondere bijstand verstrekt als een uitkering zonder terugbetaalverplichting.

  • 2.

    Bijzondere bijstand kan in de vorm van een geldlening worden verstrekt in gevallen die worden genoemd in artikel 48, tweede lid van de wet. Bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen kan in de vorm van een geldlening worden verstrekt op grond van artikel 51 van de wet.

Hoofdstuk 2 Toeslagen (Periodieke bijzondere bijstand)

Artikel 3 Algemene bepaling toeslagen

  • 1.

    De in dit hoofdstuk omschreven toeslagen worden verstrekt als een periodieke uitkering in aanvulling op de voor de alleenstaande of het gezin geldende bijstandsnorm.

  • 2.

    Voor toepassing van dit hoofdstuk worden het inkomen en het vermogen, volledig in aanmerking genomen.

  • 3.

    Bij de vaststelling van het recht op toeslagen wordt de eigen bijdrage voor de kosten van formele kinderopvang op het inkomen in mindering gebracht.

  • 4.

    De individuele inkomenstoeslag, als bedoeld in artikel 36 van de wet, wordt vrijgelaten.

Artikel 4 Toeslag voor zelfstandig wonende jongeren jonger dan 21 jaar

  • 1.

    Aan de zelfstandig wonende alleenstaande, jonger dan 21 jaar, of aan de zelfstandig wonende alleenstaande ouder jonger dan 21 jaar met zijn ten laste komende kinderen, of aan het gezin, waarvan beide partners jonger zijn dan 21 jaar of waarvan één van de partners jonger is dan 21 jaar, wordt op grond van artikel 12 van de wet een toeslag verstrekt voor de noodzakelijke extra kosten van het zelfstandig wonen tot het niveau van de van toepassing zijnde bijstandsnorm voor een 21-jarige.

  • 2.

    De noodzaak van het zelfstandig wonen en het niet te gelde maken van het onderhoudsrecht, zoals bedoeld in artikel 12 van de wet, wordt aangenomen indien:

    • a.

      de belanghebbende gedurende een periode langer dan 12 maanden voorafgaande aan de aanvraag niet in gezinsverband met zijn ouders heeft gewoond;

    • b.

      de belanghebbende met een partner en/of kind een gezin vormt;

    • c.

      er sprake is van een ernstig verstoorde relatie tussen de belanghebbende en zijn ouders;

    • d.

      beide ouders zijn overleden of in het buitenland wonen;

    • e.

      één van de ouders is overleden en de andere ouder in het buitenland woont.

  • 3.

    De bijzondere bijstand als bedoeld in het eerste lid wordt waar mogelijk, op grond van paragraaf 6.5 van de wet verhaald.

Artikel 5 Woonkostentoeslag

  • 1.

    Onder woonkosten wordt in dit artikel verstaan:

    • a.

      indien een woning in huur wordt bewoond: de per maand geldende rekenhuur als omschreven in artikel 5 van de Wet op de huurtoeslag;

    • b.

      indien een eigen woning wordt bewoond: de tot een bedrag per maand omgerekende som van de hypotheekrente, de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud.

  • 2.

    Woonkostentoeslag voor een huurwoning of gehuurde woonwagen

    • a.

      Indien belanghebbende een woning bewoont, waarvan de hoogte van de woonkosten gelet op artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag geen belemmering vormt voor toekenning van de huurtoeslag, maar de belanghebbende door omstandigheden buiten zijn schuld nog geen aanspraak kan maken op deze toeslag, wordt een woonkostentoeslag verstrekt tot de datum waarop de betrokkene wel in aanmerking komt voor huurtoeslag.

    • b.

      De woonkostentoeslag is gelijk aan het bedrag van de huurtoeslag die belanghebbende gelet op zijn financiële situatie op grond van de Wet op de huurtoeslag voor de woonkosten per maand zou ontvangen.

  • 3.

    Woonkostentoeslag bij een woning in eigendom waarvan de woonkosten niet hoger zijn dan de maximale huurprijs, waarvoor men nog in aanmerking komt voor huurtoeslag zoals omschreven in artikel 13, eerste lid sub a van de Wet op de huurtoeslag.

    • a.

      Indien belanghebbende een woning bezit, waar hij tevens woont, waarvan de hoogte van de woonkosten (indien hij een huurwoning zou bewonen) gelet op artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag geen belemmering zou vormen voor toekenning van huurtoeslag wordt een toeslag verstrekt.

    • b.

      De toeslag is gelijk aan het bedrag van de huurtoeslag die belanghebbende op grond van de Wet op de huurtoeslag (indien hij een huurwoning zou bewonen) gelet op zijn financiële situatie voor de woonkosten per maand zou ontvangen.

  • 4.

    Woonkostentoeslag voor woonkosten boven de maximale huurprijs, waarvoor men nog in aanmerking komt voor huurtoeslag zoals omschreven in artikel 13, eerste lid sub a van de Wet op de huurtoeslag.

    • a.

      Indien belanghebbende een woning in huur of eigendom bewoont, waarvan de hoogte van de woonkosten op grond van artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag een belemmering vormt voor toekenning van huurtoeslag verstrekt de gemeente Leiderdorp voor de woonkosten tot de maximale huurprijs een toeslag gelijk aan de maximale huurtoeslag en voor de kosten boven de maximale huurprijs een toeslag van 50% van het bedrag waarmee de woonkosten de maximale huurprijs overstijgen.

    • b.

      De woonkostentoeslag voor de kosten van de huur wordt verstrekt voor een periode van maximaal 6 maanden. Woonkostentoeslag die wordt verstrekt voor de kosten van een woning in eigendom heeft de maximale duur van 12 maanden. Deze periode kan worden verlengd indien – en voor zover - bijzondere individuele omstandigheden daartoe noodzaken.

    • c.

      Aan de woonkostentoeslag genoemd onder a is de voorwaarde verbonden dat de belanghebbende naar vermogen tracht goedkopere woonruimte te verwerven.

  • 5.

    Bij toekenning van bijzondere bijstand in de woonkosten hebben de belanghebbenden, die een netto inkomen hebben tot 100% van de voor hen van toepassing zijnde bijstandsnorm geen draagkracht.

Hoofdstuk 3 Individuele bijzondere bijstand

Artikel 6 Draagkracht

  • 1.

    Geen draagkracht hebben de personen, die een inkomen (exclusief vakantietoeslag) hebben tot 110% van de voor hen van toepassing zijnde bijstandsnorm (exclusief vakantietoeslag) en die geen vermogen hebben boven de voor hen in artikel 34, derde lid, van de wet genoemde vermogensgrens.

  • 2.

    Indien belanghebbende een hoger inkomen heeft dan 110% van de bijstandsnorm wordt de draagkracht vastgesteld op 20% van het meerinkomen tot 130% van de bijstandsnorm, 50% van het meerinkomen tussen 130% en 150% van de bijstandsnorm en 100% van het meerinkomen voor zover dat meer bedraagt dan 150% van de bijstandsnorm.

  • 3.

    Bij de vaststelling van de draagkracht wordt de eigen bijdrage in de kosten van formele kinderopvang, op het inkomen in mindering gebracht.

  • 4.

    Bij de vaststelling van de draagkracht wordt de individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de wet buiten beschouwing gelaten.

Artikel 7 Kosten in verband met bijzondere sociale omstandigheden

Voor bijzondere bijstandsverlening komen in ieder geval de volgende kosten in aanmerking, indien zij noodzakelijk zijn op grond van bijzondere omstandigheden en er geen sprake is van een voorliggende voorziening:

  • a.

    de kosten van een babypakket voor wie aantoonbaar langer dan 28 weken in verwachting is, indien het een eerste kind betreft; indien het niet een eerste kind betreft kan alleen op grond van de aanwezigheid van zeer bijzondere individuele omstandigheden bijzondere bijstand in de kosten van een babypakket worden verleend;

  • b.

    het aandeel in de uitvaartkosten dat voor rekening van de belanghebbende komen, tot maximaal 80% van het bedrag dat genoemd wordt in de richtlijnen van het Nibud (Nationaal Instituut voor budgetvoorlichting) voor de kosten van een crematie.

  • c.

    de kosten van verhuizing, inclusief de ten gevolge van een noodzakelijke verhuizing ontstane dubbele woonkosten;

  • d.

    reiskosten binnen Nederland naar een plaats buiten de gemeente Leiderdorp in verband met opname van een familielid tot en met de tweede graad in een inrichting of detentie.

  • e.

    de eigen bijdrage in de kosten van kinderopvang op grond van een sociaal medische indicatie (SMI).

  • f.

    de eigen bijdrage in de kosten van formele kinderopvang, wanneer deze kosten noodzakelijk zijn voor werk, scholing of deelname aan een participatietraject.

  • g.

    de eigen bijdrage rechtsbijstand en/of griffierechten voor zover eerst een diagnosedocument is aangevraagd bij het Juridisch Loket. Zonder dit diagnosedocument komen de eigen bijdrage rechtsbijstand en/of de griffiekosten in principe niet in aanmerking voor vergoeding om niet, tenzij het overslaan van de gang naar het Juridisch Loket betrokkene in het geheel niet kon worden verweten.

  • h.

    in afwijking van onderdeel g kan bijzondere bijstand voor rechtsbijstand en/of griffierechten worden verstrekt in de vorm van een geldlening, indien de noodzaak van de kosten is gebleken en de gang naar het Juridisch Loket voor betrokkene mogelijk was. Bij de terugbetaling wordt ongeacht de hoogte van het termijnbedrag een terugbetalingsperiode van maximaal 36 maanden gehanteerd. De aflossingscapaciteit wordt vastgesteld op 7,5% van de bijstandsnorm exclusief vakantietoeslag. Nadat 36 maanden zijn voldaan wordt een eventueel resterende schuld kwijtgescholden.

  • i.

    in beginsel wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor (para)medische kosten waarvoor via de gemeentelijke collectieve, aanvullende ziektekostenverzekering, de AV-gemeente, een tegemoetkoming kan worden verkregen.

Artikel 7a Kosten die samenhangen met een langdurige zorgvraag, chronische ziekte of handicap

Kosten die samenhangen met een langdurige zorgvraag, chronische ziekte of handicap, waarvoor geen voorliggende voorziening beschikbaar is of waarvan de maximale vergoeding op grond van de voorliggende voorziening bereikt is, worden als noodzakelijke kosten aangemerkt.

Artikel 8 Duurzame gebruiksgoederen

  • 1.

    Voor verstrekking van bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen komen in ieder geval die goederen in aanmerking, die zijn opgenomen in de NIBUD-lijst. In de kosten van in de inventarislijst niet genoemde duurzame gebruiksgoederen kan op grond van zeer bijzondere individuele omstandigheden bijzondere bijstand worden verleend.

  • 2.

    De in de inventarislijst genoemde duurzame gebruiksgoederen worden geacht een gebruiksduur te hebben van minstens 10 jaar. Binnen deze termijn wordt, behoudens bijzondere individuele omstandigheden niet voor een tweede maal bijstand verleend voor dezelfde kosten.

  • 3.

    Bij de verlening van bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen wordt de belanghebbende geacht zelf in de kosten van duurzame gebruiksgoederen te kunnen voorzien, indien het vermogen hoger is dan tweemaal het voor het huishouden geldend sociaal minimum per maand, naar boven afgerond tot een veelvoud van € 250,00.

  • 4.

    Indien de belanghebbende niet zelf in de kosten kan voorzien door omstandigheden die de belanghebbende niet kunnen worden verweten, kan bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening worden verleend tot het bedrag van de noodzakelijke kosten.

  • 5.

    Bij het terugbetalen van bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening zoals bedoeld in het vierde lid van dit artikel, wordt ongeacht de hoogte van het termijnbedrag een terugbetalingsperiode van 36 maanden gehanteerd. De aflossingscapaciteit wordt vastgesteld op 6% van de bijstandsnorm exclusief vakantietoeslag. Nadat 36 maanden zijn voldaan wordt een eventuele restschuld kwijtgescholden.

  • 6.

    In afwijking van hetgeen in het vierde lid van dit artikel staat vermeld, kunnen de kosten van duurzame gebruiksgoederen direct zonder verwijzing naar de Stadsbank en om niet worden verstrekt indien de financiële omstandigheden van de belanghebbende zodanig zijn dat een lening naar verwachting geen oplossing biedt of indien er andere dringende redenen zijn om de bijstand om niet te verstrekken.

  • 7.

    Bijzondere bijstand in de kosten van huishoudelijke apparatuur als genoemd in de inventarislijst wordt direct en om niet verstrekt indien de belanghebbende in de drie jaar voorafgaande aan de aanvraagdatum een inkomen heeft gehad tot 110% van de voor hem geldende bijstandsnorm en de noodzaak tot bijstandsverlening niet het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de belanghebbende.

Artikel 9 Moment van aanvraag

  • 1.

    Kosten die zijn gemaakt voordat de aanvraag is ingediend, komen niet voor individuele bijzondere bijstand in aanmerking.

  • 2.

    Van het bepaalde in het eerste lid kan worden afgeweken indien de belanghebbende redelijkerwijs de aanvraag niet vooraf heeft kunnen indienen of indien er andere bijzondere omstandigheden zijn die aanleiding geven om voor de reeds gemaakte kosten bijstand te verstrekken.

  • 3.

    Er wordt in geen geval bijstand verstrekt voor kosten die langer dan één jaar voor de bijstandsaanvraag zijn gemaakt.

Hoofdstuk 4 Minimaregelingen

Artikel 11 Algemene bepalingen Minimaregelingen

  • 1.

    Recht op een tegemoetkoming op grond van dit hoofdstuk bestaat voor de alleenstaande, alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin:

    • a.

      met een inkomen tot maximaal 120% van de toepasselijke bijstandsnorm, en;

    • b.

      zonder vermogen als bedoeld in artikel 1c van deze beleidsregels.

  • 2.

    Bij de vaststelling van het in het eerste lid onder a bedoelde inkomen wordt de eigen bijdrage voor de kosten van formele kinderopvang, op het inkomen in mindering gebracht.

  • 3.

    Bij de vaststelling van het recht op minimaregelingen wordt de individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de wet buiten beschouwing gelaten.

Artikel 12 Collectieve zorgverzekering voor Minima

  • 1.

    Aan een belanghebbende kan door het college periodieke bijzondere bijstand worden verstrekt voor de kosten van een collectieve aanvullende zorgverzekering, waarvoor het college een overeenkomst gesloten heeft met een zorgverzekeraar.

  • 2.

    Het college stelt per kalenderjaar de hoogte van de bijzondere bijstand als bedoeld in het eerste lid vast.

Artikel 13 Declaratieregeling maatschappelijke participatie

  • 1.

    Aan een belanghebbende kan door het college een tegemoetkoming worden verstrekt voor de kosten van:

    • a.

      sport

    • b.

      cultuur

    • c.

      educatie

    • d.

      andere vormen van maatschappelijke participatie

  • 2.

    De tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid bedraagt per belanghebbende of gezinslid per kalenderjaar maximaal € 210.

  • 3.

    De tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid wordt toegerekend aan het kalenderjaar, waarin de aanvraag is ingediend.

  • 4.

    De kosten als bedoeld in het eerste lid moeten desgevraagd worden aangetoond. Degene die kosten declareert en na een daartoe strekkend verzoek van het college geen bewijs toont dat de kosten gemaakt, heeft voor de duur van het kalenderjaar waarin de declaratie is ingediend geen recht op de tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid.

  • 5.

    Het is niet mogelijk om de tegemoetkomingen op grond van de declaratieregeling van verschillende leden van één gezin te bundelen.

Artikel 14 Kindpakket

  • 1.

    Er is een kindpakket, bestaande uit de volgende onderdelen:

    • a)

      De declaratieregeling maatschappelijke participatie (zie artikel 13) waarbij eveneens geldt dat de kosten desgevraagd moeten worden aangetoond. Degene die kosten declareert en na een daartoe strekkend verzoek van het college geen bewijs toont dat de kosten gemaakt zijn, heeft geen recht op de tegemoetkoming. In afwijking van artikel 13, vierde lid is er voor de duur van het kalenderjaar waarin de declaratie is ingediend alleen recht op een tegemoetkoming wanneer bij de declaratie een bewijsstuk wordt overgelegd.

    • b)

      Regeling bijkomende schoolkosten

      • i.

        Aan de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin kan door het college een tegemoetkoming worden verstrekt voor bijkomende schoolkosten.

      • ii.

        De tegemoetkoming bedraagt maximaal € 200 per jaar per kind in de leeftijd van 4 tot 12 jaar en maximaal € 300 per jaar per kind in de leeftijd van 12 tot 18 jaar.

      • iii.

        De tegemoetkoming wordt toegerekend aan het kalenderjaar, waarin de aanvraag is ingediend.

    • c)

      Leermiddelenregeling

      • i.

        Aan een alleenstaande ouder of het gezin met één of meer kinderen in de leeftijd van 8 tot 18 jaar, kan door het college een tegemoetkoming worden verstrekt voor de aanschaf van een computer en printer.

      • ii.

        De tegemoetkoming wordt alleen verstrekt indien de alleenstaande ouder of het gezin met één of meer kinderen in de leeftijd van 8 tot 18 jaar, in de 12 maanden voorafgaande aan de aanvraagdatum een inkomen heeft gehad tot 120% van de voor hem geldende bijstandsnorm.

      • iii.

        De tegemoetkoming wordt per kind maximaal één keer in de vier jaar uitgekeerd.

      • iv.

        De hoogte van de tegemoetkoming is maximaal € 409.

      • v.

        De tegemoetkoming wordt toegerekend aan het kalenderjaar waarin de aanvraag is ingediend.

    • d)

      Regeling bijdrage zwemabonnement (zie artikel 15)

    • e)

      Jeugdsportfonds en Jeugdcultuurfonds

      • i.

        kinderen in de leeftijd van 4 tot 18 jaar kunnen via het Jeugdcultuurfonds en Jeugdsportfonds lessen op kunst en cultuurgebied volgen of sporten.

      • ii.

        De hoogte van de tegemoetkoming voor lessen op kunst en cultuurgebied is maximaal € 450,- per jaar. De hoogte van de tegemoetkoming voor sporten is maximaal € 225,- per jaar.

      • iii.

        Kinderen kunnen in hetzelfde jaar zowel gebruik maken van het Jeugdcultuurfonds als van het Jeugdsportfonds.

    • f)

      Verjaardagsregeling

      • i.

        Aan een alleenstaande ouder of het gezin met één of meer kinderen in de leeftijd van 4 tot 12 jaar, kan via stichting Jarige Job, een verjaardagsbox ter waarde van € 35,- worden verstrekt.

      • ii.

        De verjaardagsbox wordt per kind maximaal één keer per jaar verstrekt.

  • 2.

    Ouders in een schuldsaneringsregeling bij de Stadsbank of ouders die zijn toegelaten tot de Wet schuldsanering natuurlijke personen maken ongeacht de hoogte van hun inkomsten uit arbeid of uitkering aanspraak op de tegemoetkomingen van het kindpakket ten behoeve van tot hun laste komende kinderen.

Artikel 15 Regeling bijdrage zwemabonnement

  • 1.

    Aan een belanghebbende kunnen de kosten van een seizoenabonnement voor zwembad De Vliet of recreatiezwembad De Zijl te Leiden worden vergoed.

  • 2.

    De tegemoetkoming is gelijk aan de prijs van het betreffende abonnement onder aftrek van een eigen bijdrage van € 15 per gezin.

Artikel 16 Uitsluiting recht tegemoetkoming

  • 1.

    Geen recht op de tegemoetkomingen in dit hoofdstuk hebben belanghebbenden die aanspraak maken op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000, dan wel studiefinanciering ontvangen op grond van de genoemde wet en belanghebbenden die een tegemoetkoming ontvangen op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op artikel 14 (Kindpakket)

Artikel 17 Aanvraag, toekenning, betaling, onderzoek en gegevensverstrekking

Voor de uitvoering van dit hoofdstuk zijn de paragrafen 5.1 en 5.2 en artikel 53a van de Wet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 18 Inlichtingen-, medewerkings- en identificatieverplichting

  • 1.

    De belanghebbende doet aan het college uit eigen beweging of op verzoek direct mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op een tegemoetkoming

  • 2.

    De belanghebbende is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.

  • 3.

    De belanghebbende is verplicht aan het college desgevraagd een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht direct ter inzage te verstrekken, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.

Artikel 19 Herziening, intrekking en terugvordering

  • 1.

    Het college kan de tegemoetkoming herzien of intrekken indien;

    • a.

      het niet of onvoldoende nakomen van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 18 eerste lid geleid heeft tot een ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekte tegemoetkoming;

    • b.

      anderszins een tegemoetkoming ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verstrekt, voor zover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen weten of begrijpen.

  • 2.

    In geval van herziening of intrekking als bedoeld in het eerste lid, kan het college de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekte tegemoetkoming terugvorderen.

  • 3.

    Voor de uitvoering van het tweede lid is titel 4.4 van de Algemene wet bestuursrecht, met uitzondering van paragraaf 4.4.4.2, van toepassing.

Hoofdstuk 5 Slotbepalingen

Artikel 20 Afwijkingsbevoegdheid

Het college kan ten gunste van de belanghebbende op basis van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht afwijken van de bepalingen van deze beleidsregels, als de toepassing hiervan leidt tot bijzonder onredelijke gevolgen.

Artikel 21 Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als Beleidsregels bijzondere bijstand en minimaregelingen 2018.

Artikel 22 Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking op de dag van vaststelling in het college en werken terug tot 1 januari 2018. De Beleidsregels bijzondere bijstand en minimaregelingen 2017 worden ingetrokken.

Toelichting beleidsregels bijzondere bijstand en minimaregelingen 2017  

Algemeen

De verlening van bijzondere bijstand is geregeld in hoofdstuk 4 van de Participatiewet. In artikel 35 is bepaald dat bijzondere bijstand wordt verstrekt voor de noodzakelijke kosten van bestaan die als gevolg van bijzondere individuele omstandigheden niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Niet de aard van de kosten is bepalend, maar de omstandigheden van de belanghebbende. De beoordeling van deze bijzondere individuele omstandigheden is aan het college van burgemeester en wethouders. De landelijk geregelde bijstandsnorm en de eventueel daarop verleende toeslag zal in de regel toereikend zijn voor de noodzakelijke bestaanskosten. De landelijk geldende voorschriften beperken zich tot de hoofdzaken en geven gemeenten veel ruimte voor eigen beleid.

Daarnaast kent de gemeente Leiderdorp een aantal eigen minimaregelingen. De wettelijke basis voor deze regelingen is artikel 108 van de Gemeentewet.

 

Artikelsgewijs toelichting

Daar waar geen toelichting is gegeven wordt het artikel en/of lid voldoende duidelijk geacht.

 

Artikel 1

Begrippen hebben dezelfde betekenis als in de Wet. Als begripsomschrijvingen in de beleidsregels worden herhaald gebeurt dat omdat de Participatiewet niet altijd van toepassing is op de minimaregelingen. Dit is ook de reden dat hier bij de omschrijving van ‘vermogen’ is aangegeven dat het door de belanghebbende zelf bewoonde eigen huis niet wordt meegerekend. Voor de bijzondere bijstand geldt dat al op grond van artikel 50, tweede lid van de Wet, waaronder het begrip ‘bijstandsnorm’. Hieronder wordt verstaan de bijstandsnorm als bedoeld in de artikelen 20 tot en met 24 van de Wet inclusief de eventuele verlaging op grond van artikel 27 of 28 van de Wet en inclusief de vakantietoeslag. De kostendelersnorm wordt voor de berekening van het inkomen in het kader van deze beleidsregels buiten beschouwing gelaten (zie de toelichting hiervoor op de wijzigingen met ingang van 1 januari 2016).

 

Artikel 2

In dit artikel is de vorm van de bijstand geregeld, en ook de mogelijkheid om bij tekortschietend besef van verantwoordelijkheid af te wijken van de hoofdregel dat de bijstand om niet wordt verstrekt. Hierbij moet worden gedacht aan situaties waarin de belanghebbende door eigen toedoen (eerder) een beroep op de bijstand moet doen, bijvoorbeeld door het te snel interen op een vermogensoverschot. De bijstand kan dan met toepassing van artikel 48, tweede lid onder b van de Wet in de vorm van een geldlening worden verstrekt.

 

Artikel 3

In het eerste lid is bepaald dat voor het bepalen van het recht op toeslagen de eigen bijdrage in de kosten van kinderopvang van het inkomen wordt afgetrokken. Onder eigen bijdrage verstaan we hier de werkelijk gemaakte kosten voor formele kinderopvang minus de ontvangen tegemoetkomingen voor de kosten van kinderopvang (kinderopvangtoeslag, werkgeversbijdrage en/of gemeentelijke tegemoetkoming op grond van de verordening tegemoetkoming kosten kinderopvang Leiderdorp 2012 en/of individuele bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage in de kosten voor kinderopvang).

 

Artikel 4

Aan zelfstandig wonende alleenstaanden jonger dan 21 jaar wordt bijzondere bijstand verstrekt tot het niveau van de van toepassing zijnde bijstandsnorm voor een 21 jarige.

De bijzondere bijstand wordt waar mogelijk, op grond van paragraaf 6.5 van de Wet verhaald. Daarmee wordt voorkomen dat de beslissing tot bijstandsverlening afbreuk doet aan de ouderlijke onderhoudsplicht.

 

Artikel 5

Aan de woonkostentoeslag zoals bedoeld in het vierde lid onder a is de voorwaarde verbonden dat de belanghebbende probeert om zo spoedig mogelijk goedkopere woonruimte te verwerven dan wel, indien de woning een eigen woning betreft, de woning zo spoedig mogelijk te koop aanbiedt tenzij er zwaarwegende argumenten zijn om dit niet te doen. Dit moet individueel worden afgewogen.

Ook aan eigenaren kan dus een verhuisplicht worden opgelegd. Het opleggen van de verhuisplicht dient met toepassing van artikel 55 van de Wet expliciet te gebeuren in de beschikking waarin de woonkostentoeslag wordt toegekend. Door economische omstandigheden kan de verkoop van een woning worden vertraagd.

 

Artikel 6

Om de armoedeval voor alleenstaande ouders met een relatief laag inkomen te verminderen, wordt bij de draagkrachtberekening rekening gehouden met de kosten van formele kinderopvang (derde lid). Dit betekent dat de eigen bijdrage in de kosten van kinderopvang van het inkomen mag worden afgetrokken. Onder eigen bijdrage verstaan we hier de werkelijk gemaakte kosten voor formele kinderopvang minus de ontvangen tegemoetkomingen voor de kosten van kinderopvang (kinderopvang-toeslag, werkgeversbijdrage of de Verordening tegemoetkoming kosten kinderopvang Leiderdorp 2012 en/of individuele bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage in de kosten voor kinderopvang).

 

Artikel 7

In dit artikel worden de kosten benoemd die in ieder geval voor bijzondere bijstandsverlening in aanmerking komen, indien zij noodzakelijk zijn en er geen sprake is van een voorliggende voorziening.

Onder zeer bijzondere individuele omstandigheden zoals bedoeld in het eerste lid sub a, wordt in ieder geval verstaan een periode van vijf jaar tussen de geboorte van het eerste en een volgend kind.

Uitvaartkosten dienen in beginsel betaald te worden uit de nalatenschap van de overledene.

Er bestaat geen recht op bijstand als een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening (art. 15  Participatiewet). Denk hierbij bijvoorbeeld aan:

  • Uitvaart-, levens- of ongevallenverzekeringen

  • Erfenis of nalatenschap.

 

Bijzondere bijstand ten behoeve van uitvaartkosten kan verleend worden aan erfgenamen en bloed- en aanverwanten die op grond van artikel 392-396 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek tot onderhoud van de overledene verplicht kunnen worden, de middelen uit de nalatenschap of de verzekeringen niet toereikend zijn en de aanvrager niet beschikt over toereikende middelen om de kosten van de uitvaart te voldoen.

 

De aanvrager is vrij in zijn keuze om de overledene te laten begraven of te laten cremeren. De vergoeding vanuit de bijzondere bijstand bedraagt echter maximaal 80% van de richtprijs van een crematie zoals vermeld in de meest actuele Nibud prijzengids

 

Bij de berekening van de bijzondere bijstand worden de volgende kosten meegenomen:

  • Akte van overlijden

  • Basistarief uitvaartverzorger

  • Overbrengen van de overledene naar het rouwcentrum

  • Verzorgen van de overledene

  • Rouwkaarten

  • Eenvoudige kist

  • Rouwauto

  • 1 volgauto (bedrag Nibud delen door 2)

  • Opbaren rouwcentrum

  • Kosten crematorium

  • As verstrooien bij crematorium

 

Voor de berekening van de totale vergoeding van een uitvaart wordt gebruik gemaakt van de normbedragen van het NIBUD. Tachtig procent van de algemene kosten en de crematiekosten komt voor vergoeding in aanmerking. Dit is het gemaximeerde bedrag per uitvaart. Wanneer er meerdere erfgenamen zijn, dient een ieder naar rato zijn deel in de uitvaartkosten te betalen. Aan de aanvrager wordt dan ook naar rato bijzondere bijstand toegekend.

 

Als niet noodzakelijke kosten worden in elk geval beschouwd:

  • Kosten die voortvloeien uit religieuze of culturele achtergrond,

  • Bloemstuk

  • Koffietafel

 

Aan ouders met een inkomen tot 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, wordt de eigen bijdrage in de kosten voor kinderopvang op grond van SMI volledig vergoed. Onder eigen bijdrage verstaan we hier de werkelijk gemaakte kosten voor formele kinderopvang minus de ontvangen tegemoetkoming voor de kosten van kinderopvang op grond van de Beleidsregels inzake tegemoetkoming kosten kinderopvang op grond van sociaal-medische indicatie 2013. Als ouders een participatie- of re-integratietraject volgen (inclusief werk en scholing) wordt de eigen bijdrage voor kinderopvang eveneens volledig vergoed.

 

Voor de eigen bijdrage rechtsbijstand en/of griffiekosten kan bijzondere bijstand worden verstrekt, op voorwaarde dat belanghebbende een diagnosedocument van het Juridisch Loket kan overleggen. Het Juridisch Loket geeft gratis juridisch advies en verwijst mensen indien nodig middels een diagnosedocument door naar een mediator of een advocaat. Het diagnosedocument is een indicatie van de noodzaak om een advocaat in te schakelen. Het college wil het gebruik van het Juridisch Loket stimuleren om ervoor te zorgen dat belanghebbenden alleen een advocaat inschakelen als dit echt noodzakelijk is. Het diagnosedocument van het Juridisch Loket geldt hierbij als bewijs van een noodzakelijke doorverwijzing naar een advocaat. Wanneer bij de aanvraag van bijzondere bijstand een diagnosedocument ontbreekt, geldt dit als een bewijs van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid en kan geen bijzondere bijstand om niet worden verstrekt. Het is wel mogelijk om dit te doen in de vorm van een geldlening. In artikel 7 onder h staat beschreven hoe de terugvordering dient te geschieden.

Wanneer belanghebbende volstrekt niet verweten kan worden dat deze niet langs het Juridisch Loket is geweest, kan geen sprake zijn van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid en kan de bijzondere bijstand alsnog om niet worden verstrekt.

  

Artikel 7A

 

De invoering van artikel 7a. per 1 januari 2015 is het directe gevolg van de intrekking van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) en de Compensatieregeling eigen risico (CER) in 2014. Een deel van het vrijgevallen budget is overgeheveld van het Rijk naar de gemeenten. Gemeenten hebben de verantwoordelijkheid gekregen om een maatwerkvoorziening te treffen voor inwoners met een chronische ziekte en/of beperking en/of een chronisch psychisch of psychosociaal probleem met daarmee verband houdende meerkosten. In Leiderdorp is ervoor gekozen om het wegvallen van de Wtcg en de CER alleen voor de lage inkomens te compenseren. Met de aanbieder van de Collectieve Ziektekostenverzekering, Zorg & Zekerheid is een uitbreiding van het vergoedingenpakket van de AV-Top overeengekomen. De daarbij horende premieverhoging wordt voor de doelgroep met een inkomen tot 120% van de bijstandsnorm vergoed. Bij de samenstelling van het pakket is rekening gehouden met de meerkosten die chronisch zieken (mensen met een langdurige hoge zorgvraag) hebben. Uit onderzoek is gebleken dat het vooral gaat om de volgende kosten:

 

  • Mondzorg

  • Fysio/oefentherapie

  • Brillen/lenzen, hoortoestellen

  • Geneesmiddelen, eigen bijdrage of niet vergoed (zelfhulpmedicijnen)

  • Alternatieve Geneeswijzen/middelen

  • Eigen bijdragen AWBZ/Wmo/Vervoer

  • Beweegprogramma’s en cursussen

  • Podotherapie en pedicure

  • Kosten patiëntenverenigingen

 

Veel van deze kosten werden al vergoed op grond van de aanvullende verzekering. De uitbreiding betekent in die gevallen een verhoging van de maximale vergoeding per jaar.

 

Naast deze kosten zijn er ook onverzekerbare kosten en ‘verborgen’ kosten zoals dieetkosten, bezorgkosten van boodschappen, waskosten, kosten van extra beddengoed, reiskosten, parkeerkosten (of parkeervergunning) voor de mantelzorger, extra energiekosten etc. Voor zover dergelijke kosten voortkomen uit een langdurige hoge zorgvraag kan daarvoor individuele bijzondere bijstand worden verstrekt.

 

De verwachting is dat het beroep op de bijzondere bijstand vanuit de doelgroep ten gevolge van het wegvallen van de Wtcg en de CER zal toenemen. Het budget is daarom verhoogd. Bij twijfel over de noodzaak van de kosten kan advies worden gevraagd bij de keuringsarts van de GGD.

  

Artikel 8, zevende lid

Bijzondere bijstand in de kosten van huishoudelijke apparatuur wordt niet om niet verstrekt wanneer iemand een fraudeschuld heeft en ten gevolge van de fraude een tijdlang een hoger inkomen genoten heeft dan het bijstandsniveau.

 

Artikel 11

De inkomensgrens voor minimaregelingen is 120% van de geldende bijstandsnorm. Bij vaststelling van het inkomen worden de kosten die iemand heeft voor formele kinderopvang op het inkomen in mindering gebracht. Het betreft hier de eigen bijdrage, na aftrek van de kinderopvangtoeslag.

 

Artikel 12

De wet staat gemeenten toe om categoriale bijzondere bijstand voor een Collectieve Zorgverzekering voor minima (CZM) te verstrekken. Het gaat hier altijd om een aanvullende verzekering. Door het afsluiten van een CZM kunnen de gemeenten de toegankelijkheid van de verzekering voor minima vergroten en de tegemoetkoming in medische kosten verbeteren. Een CZM leidt tot terugdringing van het aantal aanvragen voor bijzondere bijstand en daarmee tot verlaging van de uitvoeringskosten. Wanneer het inkomen van deelnemers aan de CZM lopende het kalenderjaar boven de 120%-norm uitstijgt, maar niet hoger is dan 130% van de bijstandsnorm, kunnen deze nog vier jaar blijven deelnemen aan de collectiviteit maar ontvangen zij hiervoor geen bijzondere bijstand meer.

 

Artikel 13

Deze regeling is bedoeld om de maatschappelijke participatie van inwoners met een inkomen tot 120% van het sociaal minimum te bevorderen. De declaratieregeling is een belangrijk middel om sociale uitsluiting te voorkomen Uitgangspunt is dat de declaratie betrekking heeft op kosten voor deelname aan sportieve, sociaal-culturele en educatieve activiteiten, bij voorkeur in groeps- of verenigingsverband, waaronder het volgende wordt verstaan:

 

sport: lidmaatschap van een sportclub gericht op actieve sportbeoefening en indien van toepassing, de aanschaf van verplichte teamkleding, noodzakelijke sportattributen of voor de uitoefening van bestuurlijke functies in de sportvereniging noodzakelijke voorzieningen.

 

cultuur: (periodieke) kosten, lidmaatschap, abonnement of kortingspas ten behoeve van het bezoeken van of deelnemen aan sociale of culturele activiteiten en indien van toepassing, de aanschaf of huur van verplichte kleding, noodzakelijke muziekinstrumenten of voor de uitoefening van bestuurlijke functies in de vereniging noodzakelijke voorzieningen.

 

educatie: inschrijfkosten en lesgeld voor een niet voor de arbeidsinschakeling noodzakelijke cursus of opleiding, niet behorend tot het beroepsonderwijs of wetenschappelijk onderwijs.

 

Onder kosten van maatschappelijke participatie wordt tevens verstaan de aanschaf van een fiets, computer en/of printer, software, internetaansluiting,een NS-kortingskaart en een abonnement op een krant of tijdschrift.

Kosten van maatschappelijk niet algemeen geaccepteerde activiteiten worden niet vergoed.

 

Kosten die in ieder geval voor declaratie in aanmerking komen:

 

 

Participatie

 

 

  • fiets

  • computer/printer/tablet

  • internet

  • oftware (alleen kantoorapplicaties zoals Office, anti-virus, software voor school, geen spelletjes)OV (NS)-kortingskaart

  • abonnement, krant of tijdschrift

  • dagje uit / busreisje

Sportief

 

 

  • danslessen

  • lidmaatschap/periodieke kosten sportvereniging/sportschool

  • sportkleding, sportattributen of voorzieningen (tennisracket, hockeystick etc.)

 

 

Sociaal-cultureel

 

 

  • lidmaatschap bibliotheek

  • lidmaatschap amateurkunst- of culturele vereniging

  • lidmaatschap scouting (inclusief verplichte kleding)

  • lidmaatschap hobbyclub

  • cursuskosten muzieklessen (inclusief aanschaf of huur van instrument)

  • theaterabonnement of losse kaartjes

  • bioscoopkaartje

  • museumkaart

  • Cultureel Jongeren Paspoort

  • bezoek pretpark of dierentuin (exclusief reiskosten)

 

 

Educatief

 

 

inschrijfkosten en lesgeld cursussen (denk aan BplusC, Volkshuis, buurthuis.)

 

 

Een tegemoetkoming op grond van deze regeling wordt verstrekt op declaratiebasis. De aanvrager is verplicht om betaalbewijzen te tonen als de gemeente daarom vraagt.

 

Artikel 14

Ouders/verzorgers met een laag inkomen hebben vaak moeite met het betalen van de kosten van deelname aan sport en cultuur en de indirecte schoolkosten van hun schoolgaande kinderen. Het kindpakket bevat in de eerste plaats de declaratieregeling maatschappelijke participatie (zie ook artikel 13). Ook is geregeld dat deze ouders/verzorgers met een inkomen tot 120% van de bijstandsnorm een tegemoetkoming kunnen ontvangen voor bijkomende schoolkosten, zoals kosten voor de aanschaf van een schooltas, gymkleding, de vrijwillige ouderbijdrage, excursies, schoolreisjes, overblijfkosten e.d.

Daarnaast kan aan huishoudens met schoolgaande kinderen een tegemoetkoming worden verstrekt voor de aanschaf van een computer en een printer. Met deze leermiddelenregeling beoogt de gemeente leerachterstanden te voorkomen bij kinderen uit gezinnen met lage inkomens Voorwaarde is dat het huishouden in de 12 maanden voorafgaand aan de aanvraagdatum een inkomen heeft gehad tot 120% van de toepasselijke bijstandsnorm.

Verder kunnen kinderen in de leeftijd van 4 tot 18 jaar via het Jeugdcultuurfonds en Jeugdsportfonds lessen op kunst en cultuurgebied volgen of sporten.

Daarnaast kan jaarlijks voor elk kind van 4 tot 12 jaar een verjaardagsbox worden aangevraagd om zijn/haar verjaardag te vieren t.w.v. € 35,- met o.a. versiering, traktaties, wat lekkers voor thuis en cadeautjes.

 

Tot slot is expliciet opgenomen dat de Regeling bijdrage zwemabonnement (zie artikel 15) onderdeel is van het kindpakket. Het kindpakket is ook beschikbaar voor kinderen van wie de ouders in de schuldsanering zitten en voor kinderen van studenten.

 

 

Artikel 15

Inwone

rs, die behoren tot de doelgroep, kunnen in het zomerseizoen korting krijgen op een zwemabonnement. Het gaat om het buitenbad van zwembad De Vliet en het buitenbad van recreatiebad De Zijl. Zij betalen slechts een eigen bijdrage van € 15 per gezin.

 

Artikel 16

De uitzondering van studenten van het minimabeleid is gebaseerd op de gedachte dat het minimabeleid ter voorkoming van een sociaal isolement voorziet in kosten van maatschappelijke participatie. Gezien de positie die studenten in de samenleving innemen en hun toekomstperspectief kan niet gesteld worden dat zij in een isolement verkeren of daarin dreigen te geraken. Er zijn voor hen voldoende mogelijkheden om met een kleine eigen bijdrage deel te nemen aan sport en cultuur. Enkele verzekeringsmaatschappijen bieden buiten de gemeente om aan studenten een collectieve ziektekostenverzekering aan. De andere voorzieningen van het minimabeleid sluiten in het algemeen niet aan op de behoeften van studenten. Om deze redenen worden studenten geheel uitgesloten van het recht op minimabeleid. Een uitzondering op deze uitzondering is gemaakt voor de voorzieningen van het kindpakket (zie artikel 14).

 

 

Artikel 17 en 18

In tegenstelling tot die voor de bijzondere bijstand in hoofdstuk 2, 3 en 4 bestaan er geen wettelijke grondslagen inzake het indienen van een aanvraag, de toekenning, de betaling, het verrichten van onderzoek en verstrekken van gegevens door de ingezetene en het huishouden voor verstrekking van een tegemoetkoming voor de minimaregelingen als bedoeld in artikelen 13 tot en met 16. Om daartoe toch algemene voorschriften in het leven te roepen is in deze beleidsregels bepaald dat bepalingen in de wet die van toepassing zijn op de bijzondere bijstand, overeenkomstige toepassing hebben op het aanvullende gemeentelijke minimabeleid. De concrete invulling en uitvoering van die voorschriften zijn gemandateerd aan het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Leiderdorp, dat het weer (sub)gemandateerd heeft aan het team Werk en Inkomen.

 

Hetgeen hierboven aangegeven is over ontbreken van een wettelijke grondslag en de noodzaak algemene voorschriften te hebben, geldt tevens voor de op grond van artikel 23 aan de ingezetene en het huishouden opgelegde inlichtingen-, medewerkings- en identificatieplicht.

 

 

Artikel 19

Evenals hetgeen in de toelichting van artikel 18 en 19 over de aldaar besproken bepalingen aangegeven is, is er geen wettelijke grondslag voor herziening en intrekking van het recht op een tegemoetkoming alsmede voor terugvordering van een ten onrechte of tot een te hoog verstrekte tegemoetkoming. Om in specifieke gevallen van doelbewust misbruik dan wel andere handelingen met een verwijtbaar karakter toch een instrument te hebben om een ten onrechte of teveel verstrekte tegemoetkoming te kunnen terughalen - en indien nodig een signaal aan de ingezetene, huishouden en eventueel diens omgeving af te geven - is met onderhavig artikel de mogelijkheid tot herziening en intrekking alsmede terugvordering daarvan geschapen. Echter om tot terugvordering te kunnen overgaan is allereerst herziening of intrekking van het toegekende recht op een tegemoetkoming noodzakelijk (eerste lid). Met een dergelijke - voor bezwaar en beroep vatbare - herzienings- of intrekkingsbeschikking ontstaat er een zogenaamde onverschuldigde betaling. Met deze onverschuldigde betaling is er een basis om een besluit tot terugvordering van de ten onrechte of tot een hoog bedrag verstrekte tegemoetkoming te nemen. Met een - eveneens voor bezwaar en beroep vatbare - beschikking tot terugvordering ontstaat er een (bestuursrechtelijke) geldschuld, waarvoor de bepalingen voor de afwikkeling van de verplichtingen tot de betaling van deze schuld en die voor de invordering van titel 4.4, bestuursrechtelijke geldschulden, van de Algemene wet bestuursrecht in acht genomen moeten worden. Indien de ingezetene of het huishouden weigerachtig blijft terug te betalen is echter geen invordering bij dwangbevel (par.4.4.4.2) - die een directe executoriale titel verschaft - mogelijk, daar er geen (verplicht) wettelijk voorschrift voor invordering bij dwangbevel voor een tegemoetkoming op grond van de gemeentelijke minimaregelingen bestaat. In dat geval resteert niet anders dan op grond van art. 6:203 van het Burgerlijk Wetboek via de civiele rechter een executoriale titel voor (dwang)invordering te verkrijgen. Dit is echter een arbeidsintensieve en - afhankelijk van het terug te vorderen bedrag - kostbare procedure.

 

Uit de term ‘kan’ in de leden 2 en 3 blijkt dat het een bevoegdheid van het college betreft. Het college kan derhalve per individuele situatie, gelet op de mate van verwijtbaarheid en omstandigheden van de ingezetene of het huishouden, besluiten al dan niet tot intrekking of herziening resp. terugvordering over te gaan. Dit vereist echter een zorgvuldig onderzoek, rapportage en afweging van alle belangen, relevante feiten en omstandigheden alsmede een beschikking die specifiek gemotiveerd is. Ook kan daarbij een kosten-batenanalyse aan de orde zijn ten aanzien van het verwachte tijds- en middelenbeslag in relatie tot het in te vorderen bedrag. Leiderdorp