Beleidsregels Wet taaleis gemeente Haarlemmermeer 2019

Burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer;

gelet op artikel 63 van de Verordening sociaal domein gemeente Haarlemmermeer 2019;

gelezen het voorstel d.d. 9 oktober 2018;

besluit vast te stellen:

 

Artikel 1. Begripsbepalingen

  • 1.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet.

  • 2.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      Besluit taaltoets: het Besluit taaltoets Participatiewet;

    • b.

      college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer;

    • c.

      de wet: de Participatiewet;

    • d.

      referentieniveau: het fundamentele niveau (F-niveau) taal en rekenen volgens de richtlijnen van de Rijksoverheid;

    • e.

      taaleis: beheersing van de Nederlandse taal op referentieniveau 1F;

    • f.

      uitkering: de door het college verleende bijstand in het kader van de Participatiewet en de uitkering in het kader van de IOAW en IOAZ;

    • g.

      Wet taaleis: de wet tot wijziging van de Participatiewet teneinde de eis tot beheersing van de Nederlandse taal toe te voegen aan die wet (Wet taaleis WWB);

    • h.

      belanghebbende: de persoon die een uitkering aanvraagt op grond van de Participatiewet of een bijstandsuitkering ontvangt op grond van de Participatiewet

    • i.

      afsprakenplan: een plan met de gemaakte afspraken tussen de belanghebbende en de gemeente over de wijze waarop de belanghebbende zich gaat inspannen om zijn vaardigheden in de Nederlandse taal te verbeteren;

    • j.

      eigen beperking(en): beperkingen waardoor de belanghebbende niet in staat is te werken aan de verbetering van zijn vaardigheden in de Nederlandse taal.

 

Artikel 2. Aantonen kennis Nederlandse taal

  • 1.

    Wanneer belanghebbende in de leerplichtige leeftijd vanaf vijfjarige leeftijd tot en met het schooljaar waarin ze 16 jaar oud worden, tenminste acht jaren in Nederland heeft gewoond wordt ervan uitgegaan dat belanghebbende gedurende acht jaar Nederlandstalig onderwijs heeft gevolgd.

  • 2.

    Met rapporten of diploma’s van erkende Nederlandse onderwijsinstellingen toont belanghebbende het volgen van Nederlandstalig onderwijs aan (zowel basis- als voortgezet- of beroepsonderwijs). Dat kan ook particulier of Nederlandstalig onderwijs in het buitenland zijn.

  • 3.

    Een diploma inburgering of een gelijkwaardig document geldt als bewijs dat belanghebbende de Nederlandse taal beheerst en aan de taaleis voldoet.

 

Artikel 3. Geen taaltoets

Een taaltoets blijft achterwege als:

  • a.

    het college vaststelt dat elke vorm van verwijtbaarheid om niet aan de taaleis te voldoen ontbreekt. Elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt als aan één van de punten in artikel 7 wordt voldaan;

  • b.

    belanghebbende inburgeringsplichtig is en nog moet starten met het Inburgeringstraject;

  • c.

    tijdens een vorige uitkeringsperiode al een taaltoets is afgenomen en is vastgesteld dat belanghebbende de Nederlandse taal beheerst;

  • d.

    tijdens een vorige uitkeringsperiode al een taaltoets is afgenomen en is vastgesteld dat belanghebbende de Nederlandse taal onvoldoende beheerst, en daarbij is vastgesteld dat door in de persoon gelegen factoren belanghebbende niet is staat is om de Nederlandse taal op referentieniveau 1F machtig te worden;

  • e.

    belanghebbende die een uitkering ontving in een andere gemeente in die gemeente al een taaltoets heeft afgelegd. De toetsresultaten kunnen worden overgenomen, als deze voldoende zekerheid bieden over de actuele taalvaardigheid; of

  • f.

    uit zijn aard kortdurende bijstand wordt verleend. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen bij op handen zijnde emigratie of bij een ongeneeslijke terminale ziekte van belanghebbende.

 

Artikel 4. Taaltoets

  • 1.

    Het college kan een taaltoets af laten nemen:

    • a.

      binnen 8 weken na een nieuwe bijstandsaanvraag;

    • b.

      op een nader te bepalen moment voor de belanghebbende die op 31 december 2015 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet ontvangt.

  • 2.

    De taaltoets wordt uitgevoerd door het ROC Amsterdam en het Taalhuis Haarlemmermeer die de trajecten voor formele educatie in de arbeidsmarktregio Groot-Amsterdam aanbiedt op grond van de Wet educatie en voldoet aan het Besluit Taaltoets Participatiewet.

 

Artikel 5. Kennisgeving en (geen) bereidverklaring

Is de uitkomst van de taaltoets dat belanghebbende niet aan de taaleis voldoet, dan wordt de

volgende procedure gevolgd:

  • a.

    belanghebbende krijgt een gesprek waarbij hij de uitslag van de taaltoets verneemt en een taaltraject op maat krijgt aangeboden;

  • b.

    wanneer belanghebbende akkoord gaat met het taaltraject tekent hij de trajectovereenkomst. Dit is de bereidverklaring om te starten met het leertraject dat leidt tot kennis van de Nederlandse taal op referentieniveau1F;

  • c.

    wanneer belanghebbende niet akkoord gaat met het taaltraject wordt het recht op bijstand beoordeeld volgens de regels in artikel 18b van de Participatiewet;

  • d.

    belanghebbende ontvangt binnen acht weken na het afleggen van de taaltoets de kennisgeving met de uitslag van de taaltoets.

 

Artikel 6. Aanbod taaltraject

  • 1.

    Het door het college aan belanghebbende aangeboden taaltraject wordt uitgevoerd door de onderwijsinstelling genoemd in artikel 4, tweede lid.

  • 2.

    Wanneer belanghebbende tijdens het taaltraject onvoldoende inspanning heeft geleverd en niet het noodzakelijke niveau heeft bereikt, wordt het recht op bijstand beoordeeld volgens de regels in artikel 18b van de Participatiewet. Het college maakt hierbij gebruik van de monitoring door de onderwijsinstelling ten aanzien van:

    • a.

      ongeoorloofd verzuim van belanghebbende;

    • b.

      de rapportage over de resultaten van belanghebbende na afloop van de lesperiode van 20 weken;

    • c.

      de uitslag van het examen of de taaltoets.

 

Artikel 7. Het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid

Elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt in ieder geval als belanghebbende:

  • a.

    een ontheffing heeft in het kader van de Wet inburgering;

  • b.

    een gediagnosticeerd leerprobleem heeft;

  • c.

    een ontheffing van de arbeidsplicht heeft; of

  • d.

    een algemene ontheffing op grond van psychische, fysieke of sociale problematiek.

 

Artikel 8. Relatie met Wet inburgering

  • 1.

    Wanneer belanghebbende begonnen is met een traject in het kader van de Wet inburgering, kan dit worden aangemerkt als een bereidverklaring als bedoeld in artikel 18b, lid 6, onder a van de Participatiewet.

  • 2.

    De voortgang die van belanghebbende verwacht mag worden bij het verwerven van vaardigheden in de Nederlandse taal gedurende het inburgeringstraject wordt tenminste iedere 6 maanden bewaakt door de casemanager Participatie & Werk.

 

Artikel 9. Slotbepaling

  • 1.

    Het college kan ter nadere uitvoering van deze beleidsregels uitvoeringsregels opstellen.

  • 2.

    In alle gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien of toepassing daarvan niet overeenkomt met de bedoeling van deze regels, beslist het college.

  • 3.

    Deze beleidsregels treden in werking op de eerste dag na die van bekendmaking en werken terug tot en met 31 december 2018, behoudens in situaties waarbij sprake is van negatieve gevolgen voor de belanghebbende en vervangen artikel 71a van de verordening sociaal domein Haarlemmermeer 2016.

  • 4.

    Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels Wet taaleis gemeente Haarlemmermeer 2019.

 

Toelichting op de Beleidsregels Wet taaleis gemeente Haarlemmermeer 2019

Op 1 januari 2016 is artikel 18b van de Participatiewet in werking getreden. Dit is de uitwerking van

de wet tot wijziging van de Wet werk en bijstand teneinde de eis tot beheersing van de Nederlandse

taal toe te voegen aan die wet (Wet taaleis). Het niet voldoende beheersen van de Nederlandse taal

is nadrukkelijk géén uitsluitingsgrond of toegangsvoorwaarde voor bijstand. De Wet taaleis is alleen

van toepassing, als er recht op bijstand bestaat en heeft betrekking op alle bijstandsgerechtigden. De

taaleis legt een inspanningsverplichting op aan belanghebbende. Voldoende is, dat de

belanghebbende zich inspant om de Nederlandse taal voldoende machtig te worden. Doel van die

inspanningsverplichting is om de volgende vaardigheden in de Nederlandse taal op referentieniveau

1F te verwerven:

• Spreekvaardigheid;

• Luistervaardigheid;

• Gespreksvaardigheid;

• Schrijfvaardigheid;

• Leesvaardigheid.

Het referentie niveau 1 F is vergelijkbaar met het niveau dat leerlingen eind groep 8 hebben om de

overstap naar het voortgezet onderwijs goed te kunnen maken.

Met de Wet taaleis krijgt de gemeente de verplichting om van bijstandsgerechtigden te verlangen dat

zij actief werken aan hun taalvaardigheid. Zonder Nederlands te begrijpen en te spreken is het

immers veel moeilijker om aan het werk te komen en daarmee uit de bijstand te komen. Bovendien

draagt kennis van de taal bij aan maatschappelijke participatie.

De Participatiewet kent een brede arbeids- en re-integratieverplichting. Gezien het belang van de

beheersing van de Nederlandse taal voor arbeidsinschakeling is ervoor gekozen om de

Participatiewet uit te breiden met een taaleis. In artikel 18b van de Participatiewet is de

inlichtingenplicht uitgebreid met de verplichting om aan te tonen dat de aanvrager de Nederlandse

taal beheerst.

 

Artikel 1. Begripsbepalingen

Dit artikel bevat de begripsbepalingen die in deze beleidsregels van toepassing zijn.

 

Artikel 2. Aantonen kennis Nederlandse taal

De belanghebbende moet over een document beschikken waaruit blijkt dat belanghebbende de

Nederlandse taal voldoende beheerst. Deze plicht geldt voor iedere belanghebbende. De bewijslast

rust op de belanghebbende.

 

Lid 1.

Wanneer betrokkene in de leerplichtige leeftijd (tussen 5 en 16 jaar) tenminste acht jaren in

Nederland heeft gewoond kan ervan uitgegaan worden dan betrokkene gedurende acht jaar

Nederlandstalig onderwijs heeft gevolgd. Dit hoeft niet verder bewezen te worden, omdat dat duidelijk

is vanuit basisregistratie personen. De leerplichtwet was op dat moment van toepassing.

Lid 2.

Voorbeelden van particulier of Nederlandstalig onderwijs in het buitenland zijn:

• een Belgisch diploma met een voldoende voor het vak Nederlands + cijferlijst (beide documenten

voorzien van apostille);

• een Surinaams diploma met voldoende voor het vak Nederlands + cijferlijst (beide documenten

voorzien van apostille);

• een diploma van het Europees baccalaureaat van de Europese school, met Nederlands als 1e of

2e taal en een voldoende voor het vak Nederlands;

• een getuigschrift International baccalaureaat Middle Years Certificate, International General

Certificate of Secondary Education of International Baccalaureaat met een voldoende voor het vak

Nederlands.

• Een diploma, een rapport of een verklaring van een in Nederland erkende onderwijsinstelling dat de

uitkeringsgerechtigde tenminste 8 jaar Nederlandstaling onderwijs heeft gevolgd. Concreet betekent

dit: elk diploma of eindrapport van de basisschool (tot en met klas 6/groep 8) of hoger.

Uitkeringsgerechtigden kunnen voor een deel van de bestaande diploma’s een uittreksel opvragen

uit het diplomaregister van Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Dit uittreksel is een voldoende

onderbouwing;

• Een diploma inburgering;

• Een ander document waaruit de Nederlandse taalvaardigheid op niveau 1 F blijkt op de 5

deelgebieden: spreekvaardigheid, luistervaardigheid, gespreksvaardigheid, schrijfvaardigheid en

leesvaardigheid. Dit kan bijvoorbeeld een certificaat zijn van een taalcursus indien niveau 1 F daaruit

blijkt. Wij bepalen per geval of een document voldoet voor de bepaling van voldoende Nederlandse

taalvaardigheid. Wij kunnen nader onderzoek (laten) verrichten naar de waarde van het document.

Lid 3.

De volgende documenten zijn gelijkwaardig aan het diploma inburgering:

• een diploma Staatsexamen Nederlands als tweede taal (NT-2), programma I of II;

• een WIN-Certificaat, met bijbehorende verklaring van de school, met voldoende niveau voor

onderdeel Maatschappij Oriëntatie (t/m 31 augustus 2001 85% of hoger, vanaf 1 september 2001

80% of hoger) en voldoende taalniveau op alle onderdelen (niveau A2);

• een Certificaat Inburgering Oudkomers met op alle taalonderdelen niveau A2;

• een document waaruit blijkt dat de Verkorte Vrijstellingstoets is afgelegd en behaald;

• een certificaat Naturalisatietoets (zoals dit luidde voor 1 april 2007). Hieruit moet blijken dat

belanghebbende geslaagd is voor de volgende vijf onderdelen: kennis van staatsinrichting en

maatschappij; spreek-, luister-, schrijf- en leesvaardigheid.

Een ander gelijkwaardig document kan bijvoorbeeld zijn een (deel)certificaat waaruit blijkt dat men de

Nederlandse taal op refentieniveau 1F beheerst (taalcursussen).

 

Artikel 3. Geen taaltoets

Bij de keuze om geen taaltoets af te nemen is sprake van maatwerk. De omstandigheden van

belanghebbende en in de persoon gelegen factoren moeten worden meegewogen in dit besluit.

 

Artikel 4. Taaltoets

Dit artikel bepaalt welke instelling de taaltoets uitvoert. Dit is belegd bij het ROC Amsterdam en het

Taalhuis Haarlemmermeer die ook de uitvoering van formele educatieve taaltrajecten op grond van

de Wet Educatie uitvoert.

 

Artikel 5. Uitslag taaltoets en (geen) bereidverklaring

Nadere uitwerking van deze procedure is te vinden in de werkinstructie.

 

Artikel 6. Aanbod taaltraject

Een taaltraject wordt uitgevoerd door het ROC Amsterdam en Taalhuis Haarlemmermeer.

 

Artikel 7. Het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid

Het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid kan op meerdere plaatsen in het werkproces van

toepassing zijn. Voorbeelden hiervan zijn bij het beoordelen van de vraag wel of geen taaltoets en

gedurende het taaltraject. De genoemde vormen zijn niet limitatief.

 

Onder a.

In het kader van de Wet inburgering kan DUO ontheffing geven van de inburgeringsplicht.

Deze ontheffing kan op grond van onderstaande gronden gegeven worden indien:

• belanghebbende minimaal 600 uur een inburgerings- of alfabetiseringscursus heeft gevolgd bij

een school met het ‘Blik op Werk’ keurmerk; en

• belanghebbende maximaal 3x examen heeft gedaan en niet is geslaagd; of

• via een toets bij DUO is vastgesteld dat het Nederlands lezen en schrijven onvoldoende is om te

kunnen inburgeren;

• belanghebbende aantoonbaar voldoende ingeburgerd is;

• een ontheffing is verleend om medische redenen. Dit is vastgesteld door een arts van Argonaut.

 

Onder b.

Een leerprobleem dat vastgesteld is door een officiële verklaring van een deskundige, zoals een

dyslexie-verklaring.

 

Onder c.

Belanghebbende die in het verleden diverse malen een taalcursus heeft gevolgd, zonder direct

aantoonbaar resultaat, kan bij de onderwijsinstelling een leerbaarheidstest doen. Als daaruit blijkt dat

belanghebbende niet (meer) leerbaar is, is het redelijk om dit te zien als het ontbreken van elke vorm

van verwijtbaarheid.

 

Onder d.

Verder ontbreekt bij belanghebbende waarvan, door een medisch of psychologisch advies, is

vastgesteld dat zij niet deel kunnen nemen aan activiteiten (ontheffing van de arbeidsplicht, algemene

ontheffing) elke vorm van verwijtbaarheid.

 

Artikel 8. Relatie met Wet inburgering

Voor inburgeringsplichtigen op grond van de Wet inburgering geldt dat zij al een verplichting hebben

om de Nederlandse taal machtig te worden. Op grond van de Wet inburgering heeft een inburgeraar 3

of 5 jaar de tijd om te voldoen aan het in die wet vereiste taalniveau (A2). Wanneer een

belanghebbende begonnen is met een leertraject in het kader van de Wet inburgering, kan dit worden

aangemerkt als bereidverklaring van de kant van de belanghebbende, zoals bedoeld is in de Wet

taaleis. De belanghebbende krijgt dus niet met twee verschillende trajecten te maken. Wel dient de

gemeente te monitoren in welke mate voortgang wordt gemaakt met het inburgeringstraject.

Desgevraagd moet de aanvrager het volgen van een dergelijk traject aantonen aan de hand van

documenten. Dat geldt ook voor het meten van de voortgang. Laat de aanvrager na de betreffende

documenten te overleggen, dan heeft dit nog geen gevolgen voor de bijstand. Gevolg is wel, dat bij

het niet verstrekken van een bewijs dat men een inburgeringstraject volgt of voortgang maakt, er een

verplichting ontstaat om een toets af te leggen in het kader van de Wet taaleis

 

Naar boven