Gemeenteblad van Haarlemmermeer
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Haarlemmermeer | Gemeenteblad 2018, 282164 | Beleidsregels |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Haarlemmermeer | Gemeenteblad 2018, 282164 | Beleidsregels |
Beleidsregels terugvordering en Invordering gemeente Haarlemmermeer 2019
Deze beleidsregels zijn van toepassing op terugvorderingen ingevolge de wetten alsmede op
vorderingen ingevolge onverschuldigde betaling ex artikel 6: 203 e.v. BW, voor zover in de wetten en
Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om de uitkering bruto terug te vorderen in de gevallen
zoals in de wetten omschreven. Echter, indien er géén sprake is van enig verwijtbaar gedrag van de
zijde van de debiteur én de debiteur niet kan worden tegengeworpen dat de vordering niet in zijn
geheel binnen het kalenderjaar waarop de vordering betrekking heeft is voldaan, wordt van brutering
Artikel 6. Terugvorderingsbeschikking
Het college vermeldt in de terugvorderingsbeschikking, in aanvulling op hetgeen in artikel 4:86 Awb is
dat, bij gebreke van tijdige betaling of het tijdig indienen van een verzoek tot het treffen van een betalingsregeling, het college zal overgaan tot het instellen van rechtsmiddelen waarmee uiteindelijk tot (dwang)invordering kan worden overgegaan. Alle hieruit voortkomende invorderingskosten kunnen op de debiteur worden verhaald.
Artikel 8. Aflossingscapaciteit inwoners met een bijstandsuitkering
Indien de debiteur een inkomen heeft op bijstandsniveau, bedraagt de aflossingscapaciteit, met in achtneming van de beslagvrije voet:
maximaal 10% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand, inclusief de vakantietoeslag, indien de vordering het gevolg is van het niet, niet tijdig of niet volledig voldoen aan de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 lid 1 van de Participatiewet. Er wordt geen rekening gehouden met eventuele toeslagen op grond van artikel
Artikel 9. Tussentijdse beoordeling aflossingscapaciteit
Het college is bevoegd om tussentijds de hoogte van een eerder vastgestelde aflossingsverplichting
te verhogen dan wel te wijzigen in een aflossingsverplichting ineens indien de gewijzigde
omstandigheden van de debiteur daartoe aanleiding geven of indien de debiteur desgevraagd geen
Artikel 14. Kwijtschelding bij schuldregeling
Artikel 15. Afzien van (verdere) terugvordering
Indien belanghebbende naar het oordeel van het college de rente geheel of gedeeltelijk kan betalen, doch niet kan aflossen, wordt een betaling eerst tot ten hoogste het bedrag van de verschuldigde maandrente aangemerkt als aflossing en wordt de rente die daardoor niet wordt betaald bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening.
Artikel 18. Aflossing geldlening bij vererving en verkoop woning.
Bij verkoop van de woning kan het college wegens bijzondere omstandigheden van medische of sociale aard van belanghebbende, na toepassing van het eerste lid, besluiten tot het verlenen van een nieuwe geldlening eveneens onder verband van hypotheek of pandrecht voor de aankoop van een andere woning, woonwagen of woonschip, tot ten hoogste het bedrag van de ingevolge het eerste lid afgeloste geldlening, onder de voorwaarde dat belanghebbende het na aflossing vrijgekomen vermogen volledig inzet voor de aankoop van de andere woning, woonwagen of woonschip.
Artikel 19. Toepassing laatst gevestigde hypotheek c.q. laatst gevestigd pandrecht bij niet duurzame onderbreking uitkering
Indien binnen een periode van twee jaar na beëindiging van een inkomensvoorziening onder verband
van hypotheek of pandrecht wederom recht op uitkering bestaat, wordt deze/dit verleend met
toepassing van de laatst gevestigde hypotheek c.q. het laatst gevestigde pandrecht.
Artikel 20. Jaarlijkse opgave restantschuld en rentevorderingen
Aan belanghebbende wordt telkens na afloop van een kalenderjaar een opgave verstrekt van de stand
Artikel 21. Opschorting invordering
Het college schort de invordering, in het geval van een bezwaar- of beroepschrift, enkel op indien de
directe invordering onevenredig belastend is voor de debiteur of het niet opschorten van de
Deze beleidsregels treden in werking op de eerste dag na die van bekendmaking en werken terug tot en met 31 december 2018, behoudens in situaties waarbij sprake is van negatieve gevolgen voor de belanghebbende en vervangen daarmee de Beleidsregels Terugvordering en invordering gemeente Haarlemmermeer 2018.
Toelichting Beleidsregels terugvordering en invordering gemeente Haarlemmermeer 2019
De gemeente is verantwoordelijk voor de verlening van uitkeringen, voorzieningen en
vergoedingen op grond van een groot aantal wetten: de Participatiewet, de IOAW/IOAZ, het BBZ, de
WI, de Wmo 2015 en de Jeugdwet. In bepaalde situaties is er sprake van uitkeringen of vergoedingen
die belanghebbende later terug moet betalen aan de gemeente. Dit kan zijn omdat belanghebbende
onjuiste inlichtingen heeft verstrekt of niet aan de voorwaarde voor verlening heeft voldaan. Maar ook,
omdat achteraf blijkt dat andere middelen zijn verkregen of dat de uitkering als lening is bedoeld.
Voor al deze situaties zijn deze beleidsregels bedoeld. Met de vaststelling van deze beleidsregels is
invulling gegeven aan de beleidsruimte die bij terugvordering van gelden bestaat. Omdat niet alle
wetten dezelfde ruimte geven voor alle vorderingen waarover deze regels gaan, is nadrukkelijk
bepaald dat deze regels buiten werking blijven waar het wettelijk kader hiervoor de ruimte niet
Als uitgangspunten voor het terugvorderingsbeleid geldt:
• hoofdregel is dat een vordering volledig moet worden terugbetaald. Eigen verantwoordelijkheid
• in het opleggen van betalingsverplichtingen is de spontane nakoming van de betalingsverplichting
belangrijker dan een maximale betaling naar draagkracht. Dit betekent dat invordering minder
• voorkomen moet worden dat er enorm veel energie gestopt moet worden in het laten nakomen
van opgelegde betalingsverplichtingen. De mogelijkheid bestaat om hierop in het individuele geval
op ambtelijk niveau een afweging te maken. Fraude mag niet lonen. Terugvordering is het sluitstuk
van handhaving. Beleidsregels met betrekking tot fraudevorderingen zijn daarom strenger;
• bij terug- en invordering wordt rekening gehouden met de gevolgen voor uitstroom naar werk en
de schuldenpositie van belanghebbende;
• kortom: bij besluiten en handelingen met betrekking tot terug- en invordering speelt de integrale
benadering van belanghebbende een centrale rol.
In dit artikel zijn de begripsbepalingen opgenomen die noodzakelijk zijn voor het begrip van deze
regeling. Begrippen die reeds in de genoemde wetten en regelingen zijn gedefinieerd en niet nader
zijn gedefinieerd hebben in deze regels dezelfde betekenis.
Deze beleidsregels zijn in eerste instantie van toepassing op terugvordering en invordering ingevolge
de Participatiewet. Daarnaast zijn deze beleidsregels in principe ook van toepassing op vorderingen
ingevolge andere binnen het sociaal domein door de gemeente uit te voeren wetten en regelingen. De
beleidsvrijheid is in bepaalde wetten beperkter dan in de Participatiewet of wordt voor bepaalde
vorderingen ingeperkt. Nadrukkelijk is bepaald dat deze beleidsregels alleen van toepassing zijn voor
zover dit niet in strijd is met – hogere – wetten en regelingen.
Herziening en intrekking van het recht op een uitkering of voorziening vormen een belangrijke
grondslag voor de terugvordering. Evenals terugvordering is herziening en intrekking een
De gemeente maakt van deze bevoegdheden volledig gebruik in alle situaties en van alle personen
zoals in de wetten geformuleerd. Gezinsbijstand wordt dus van alle gezinsleden teruggevorderd. Dit
laat onverlet dat de gemeente ambtshalve gehouden is bij toepassing van de beleidsregels,
rekening te houden met de inherente afwijkingsbevoegdheid op grond van artikel 4:84 Awb en de
algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Het begrip dringende redenen is in deze beleidsregels niet gedefinieerd. De gemeente sluit zich
aan bij de criteria zoals die zijn ontwikkeld binnen de jurisprudentie. Hieruit blijkt dat dringende
redenen niet snel aanwezig worden geacht, maar dat alle omstandigheden in het individuele geval
moeten worden beoordeeld. Dit vraagt een duidelijk gemotiveerde afweging. De financiële situatie
van de debiteur kan daarbij betrokken worden, maar mag nooit als enige omstandigheid worden
opgevoerd. Ook de aanwezigheid van (minderjarige) kinderen in het gezin van de debiteur, is
onvoldoende. De gemeente gaat uit van de eigen verantwoordelijkheid van de debiteur. Dit
betekent dat de debiteur ook verantwoordelijk is voor de gevolgen van zijn handelen voor zichzelf
Overigens hoeft de gemeente de debiteur in beginsel niet op de hoogte te stellen van het besluit tot
afzien. Dit is uiteraard anders indien de debiteur hier zelf om heeft verzocht.
Wanneer reeds tot terug- en invordering is overgegaan, kan – indien de omstandigheden daar later
aanleiding toe geven – alsnog van verdere invordering worden afgezien.
De gemeente vordert in principe de bruto uitkering terug. In de gevallen dat de loonbelasting en
premies niet afgedragen zijn aan de belastingdienst of het UWV, betreft de vordering een netto
bedrag. Dit is aan de orde indien de vordering betrekking heeft op het lopende boekjaar. Op grond
van lokale afspraken met de belastingdienst, mogen dan de af te dragen loonbelasting, premies en
vergoeding direct verrekend worden, ongeacht of de debiteur de vordering voldoet vóór het einde van
Indien sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van de debiteur, en deze debiteur
niet kan worden verweten dat de betaling van de schuld niet reeds in het kalenderjaar plaatsvindt
waarop deze betrekking heeft, is deze vordering op grond van jurisprudentie ook netto.
Artikel 6. Terugvorderingsbeschikking
Op grond van artikel 4:86 Awb vermeldt een beschikking tot terugvordering van een bestuurlijke
geldvordering in ieder geval de te betalen geldsom en de termijn waarbinnen de betaling moet
plaatsvinden. Ook de bezwaarclausule maakt op grond van de Awb-bepalingen deel uit van de
In de beleidsregels wordt dit aangevuld met de mogelijkheid een (alternatieve) betalingsregeling
voor te stellen en welke gevolgen verbonden zijn aan het niet tijdig betalen.
Artikel 7. Betalingsverplichting inwoners zonder uitkering
De Awb gaat ervan uit dat bestuursrechtelijke geldvorderingen in één keer volledig worden
terugbetaald. In de praktijk blijkt dat het opleggen van een betalingsverplichting in termijnen eerder
geaccepteerd wordt door de debiteur en daardoor eerder tot minnelijke terugbetaling van de vordering
Wordt niet betaald en dus de voorwaarde niet nagekomen dan vervalt het verleende uitstel van
betaling van de hoofdsom ineens en is de volledige hoofdsom direct opeisbaar. Was de
betalingsverplichting anders vormgegeven, dan was alleen de niet betaalde maandtermijn opeisbaar
geworden en had – om de volledige vordering executoriaal in te vorderen – een gewijzigd
invorderingsbesluit genomen moeten worden. Dit kost meer tijd en komt het incassoresultaat niet ten
Wij houden voor wat betreft de volgordelijkheid van aflossing op vorderingen de volgende preferentie
1. vorderingen als gevolg van een boete;
2. bedrijfskapitaal ingevolge het Bbz;
3. vorderingen zonder executoriale titel gaan voor op dwangbevel;
4. fraudevorderingen gaan altijd voor op niet-fraudevorderingen;
5. de oudste vordering wordt het eerste afgelost.
Als er reeds op een vordering wordt afgelost en er ontstaat later een vordering met een hogere
preferentie, dan dient de nieuwe volgorde in de clustervordering in het registratiesysteem te worden
Artikel 8. Aflossingscapaciteit voor mensen met een bijstandsuitkering
Deze regels zijn bedoeld als richtlijnen en hiervan kan, zoals in het vorige artikel is vastgelegd, worden
In lid 3 is opgenomen dat voor jongeren die een lagere norm ontvangen vanwege hun leeftijd en een
toeslag ontvangen op grond van de bijzondere bijstand waardoor het totaal te ontvangen bedrag gelijk
is aan de norm van iemand van 21 jaar of ouder, de draagkracht alleen wordt berekend over de lagere
norm als bedoeld in artikel 20 van de Participatiewet.
In lid 4 is de bevoegdheid opgenomen om de aflossingscapaciteit te maximaliseren, in geval er
sprake is van beslaglegging door een derde. Het is in het belang van de gemeente om zoveel
mogelijk van de beslagruimte, zoals aangegeven in artikel 475d leden 1 en 2 van het wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering te claimen.
Artikel 9. Tussentijdse beoordeling aflossingscapaciteit
Met deze bepaling wordt de mogelijkheid van een tussentijds heronderzoek opgenomen. Met het
uitgangspunt dat spontane nakoming van betalingen belangrijker is dan betaling naar draagkracht,
zal hier in de praktijk slechts sporadisch gebruik van gemaakt worden. Toch is deze mogelijkheid in
de beleidsregels opgenomen, omdat het denkbaar is dat de debiteur tussentijds over middelen gaat
beschikken, die aangewend moeten worden voor de aflossing.
Artikel 10. Verzoek tot wijziging van de aflossingsverplichting
De debiteur kan altijd een verzoek indienen tot een wijziging van de vastgestelde
aflossingsverplichting. De debiteur moet zijn verzoek desgevraagd onderbouwen door overlegging
van financiële en overige relevante stukken, zodat het college de persoonlijke en financiële situatie
van de debiteur kan (her)beoordelen.
Artikel 11. Verrekening en beslaglegging
Wanneer een minnelijke betalingsregeling niet tot stand komt of niet (voldoende) wordt nagekomen,
volgt invordering door middel van verrekening met een uitkering verstrekt door een andere
uitkeringsinstantie. In de Participatiewet is deze mogelijkheid wettelijk geregeld, zodat wanneer de
debiteur elders een uitkering ingevolge de Participatiewet, IOAW, IOAZ, Bbz, WW, WAO, Wajong etc.
ontvangt de vordering eenvoudig verrekend kan worden. Een machtiging van de debiteur is hiervoor
niet nodig. Indien deze verrekening niet mogelijk is, zal tot executoriale invordering worden
overgegaan. Hiervoor is een dwangbevel nodig, waarna vervolgens tot beslaglegging op inkomen of
vermogen kan worden overgegaan.
Het college kan voor de executoriale invordering gebruik maken van de diensten van een derde.
Nadrukkelijk is opgenomen dat de te maken kosten voor deze invordering ten laste komen van de
debiteur. De debiteur is hierop bij de terug- en invorderingsbeschikking al gewezen. De debiteur heeft
er dus belang bij om een minnelijke regeling te treffen en wordt op deze wijze geprikkeld om deze
In de praktijk kan het voorkomen dat de gemeente een zaak uit handen geeft aan een deurwaarder
en die blijkt de vordering niet te kunnen incasseren. Deze kosten worden dan niet doorberekend aan
de debiteur. De gemeente betaalt dan de kosten van de deurwaarder.
Artikel 12. Uitstel van betaling
In gevallen dat de financiële of persoonlijke situatie geen enkele mogelijkheid tot betaling biedt, kan er
uitstel van betaling worden verleend. Dit is altijd tijdelijk. Aan het uitstel kunnen voorwaarden worden
verbonden. Deze voorwaarden zullen gericht zijn op het verbeteren van de draagkracht, zodat wel tot
terugbetaling kan worden overgegaan. Een bijzondere situatie doet zich voor indien inmiddels beslag
is gelegd. Bij een nadere betalingsregeling zal een overeengekomen termijn onder handhaving van
het beslag moeten worden ingehouden door degene waaronder beslag is gelegd: de
Opheffing van beslag vindt alleen plaats zodra er op een andere wijze voldoende zekerheid tot
volledige betaling is verkregen. Dit om te voorkomen dat de beslagpositie ten opzichte van andere
Artikel 13. Afkoop van de restantvordering
Ingevolge dit artikel kan een debiteur voor kwijtschelding van de restantvordering in aanmerking
komen indien hij een deel van de restschuld ineens voldoet.
Dit geldt niet in de twee volgende situaties. Ten eerste voor een vordering waarvoor een zekerheid in
de vorm van een pand- of hypotheekrecht is gevestigd. Deze zekerheid wordt gevestigd op grond van
wettelijke bepalingen bijvoorbeeld in het geval van een zelf bewoonde eigen woning. Deze zekerheid
moet eerst worden uitgewonnen. Het na uitwinning resterende bedrag komt wel voor afkoop in
Ten tweede voor vorderingen die het gevolg zijn van het schenden van de inlichtingenplicht. Voor
deze vorderingen heeft de wetgever vastgesteld dat ten minste 50% van de restschuld ineens betaald
Artikel 14. Kwijtschelding bij schuldregeling
Deze bepaling regelt de kwijtschelding van vorderingen om een schuldregeling mogelijk te maken.
Deze beleidsregel is gebaseerd op een eerder in de wet opgenomen bepaling en maakt het voor de
meeste vorderingen mogelijk onder voorwaarden aan schuldregelingen mee te werken.
Dit uiteraard voor zover de wetgever hier geen beperking aan geeft – lid 2 onderdelen a en b – of
indien er een zekerheid is gevestigd, welke nog niet te gelde is gemaakt. Het besluit tot het
gedeeltelijk afzien van invordering treedt niet in werking voordat een schuldregeling tot stand is
Artikel 15. Afzien van (verdere) terugvordering
Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.
In lid 3 is opgenomen wanneer een fraudevordering kan worden kwijtgescholden.
Artikelen 16 - 19. Terugbetaling krediethypotheek en pandrecht
Aanvragen om bijstand waarbij sprake is van een eigen woning moeten getoetst worden aan de
artikelen 34 en 50 van de Participatiewet. Als de waarde van de woning minus de op de woning
rustende schulden meer bedraagt dan het vrij te laten bedrag in artikel 34 lid 2 onder d van de
Participatiewet, dan kan er een krediethypotheek worden gevestigd. De gemeente bepaalt of bijstand
wordt gezekerd door middel van een krediethypotheek of pandovereenkomst.
In deze artikelen is bepaald hoe met terugvordering moet worden omgegaan als er sprake is van een
krediethypotheek of pandrecht. De aflossingsduur is vastgelegd en de hoogte van de aflossingsduur is
1. Aflossing van de geldlening vindt plaats gedurende ten hoogste tien jaar.
2. De eerstvolgende maand na de beëindigingsbeschikking, moet belanghebbende starten met de
3. Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van een jaar vastgesteld, tenzij
op het moment van de vaststelling duidelijk is dat het inkomen niet zal wijzigen;
4. Bij een inkomen als bedoeld in artikel 20 en 21 van de Participatiewet dat niet uitgaat boven de van
toepassing zijnde bijstandsnorm, wordt conform het gemeentelijk beleid een aflossing gevraagd
van maximaal 6% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand, inclusief
vakantietoeslag zoals dat geldt voor een aflossing leenbijstand als bedoeld in artikel 51 van de
Participatiewet. Er dient rekening te worden gehouden met de beslagvrije voet.
5. Bij een inkomen boven bijstandsniveau, wordt de aflossingscapaciteit indien het inkomen meer
bedraagt dan 120% van het van toepassing zijnde normbedrag verhoogd met 35% van dit
6. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven stellen burgemeester en wethouders, zo
nodig tussentijds, het maandbedrag van de aflossing op een lager dan wel hoger bedrag vast.
7. Bij de beoordeling van de omstandigheden als bedoeld in het vijfde lid wordt rekening gehouden
met noodzakelijke, voor eigen rekening van belanghebbende komende, bijzondere
bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen.
8. Indien belanghebbende tijdens de aflossingsperiode verwijtbaar nalatig is in het voldoen van de
vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening ter stond opeisbaar en is
daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd.
Artikel 20. Opschorting invordering
In beginsel kan direct tot invordering worden overgegaan zodra het betreffende besluit tot
terugvordering is genomen en er dus wordt beschikt over een executoriale titel. Dit is niet van
toepassing voor alle terugvorderingen op grond van de Wmo 2015 en de Jeugdwet. Een eventueel
bezwaar- of beroepschrift van de debiteur tegen dit besluit, heeft geen schorsende werking. Wel kan
de debiteur de voorzieningenrechter van de rechtbank (of van de Centrale Raad van Beroep)
hangende een bezwaar- of beroepsprocedure verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen,
waaronder begrepen een schorsing.
Zolang het besluit niet onherroepelijk is, bestaat het risico dat de gemeente, indien achteraf blijkt
dat het besluit ten onrechte genomen is, geconfronteerd wordt met een schadevergoedingsactie van
de debiteur. Een besluit is onherroepelijk wanneer er voor debiteur geen mogelijkheden van bezwaar
of beroep meer open staan. Dit is zes weken na het besluit of na de rechterlijke uitspraak. De
gemeente zal, zolang het besluit niet onherroepelijk is, niet alleen moeten kijken naar haar eigen
belangen maar ook naar de belangen van de (vermeende) schuldenaar. Indien het treffen van
executiemaatregelen hangende bezwaar/beroep onevenredig belastend is voor de debiteur, is de
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2018-282164.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.