Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2019

De raad van de gemeente De Bilt;

 

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 2 oktober 2018;

 

gelet op artikel 228a van de Gemeentewet;

besluit vast te stellen de navolgende

 

Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2019.

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder:

  • 1.

    perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan;

  • 2.

    gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;

  • 3.

    verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft;

  • 4.

    water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater.

Artikel 2 Aard van de belasting

Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

  • a.

    de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en

  • b.

    de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht

  • 1.

    De belasting wordt geheven van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd.

  • 2.

    Met betrekking tot de belasting wordt als gebruiker aangemerkt:

    • a.

      degene die naar de omstandigheden beoordeeld het perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt;

    • b.

      ingeval een gedeelte van een perceel – niet een gedeelte als bedoeld in artikel 4- voor gebruik is afgestaan: degene die dat gedeelte voor gebruik heeft afgestaan.

Artikel 4 Zelfstandige gedeelten

Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt de belasting geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als één geheel worden gebruikt, deze als één perceel worden aangemerkt.

Artikel 5 Maatstaf van de heffing

  • 1.

    De belasting wordt geheven naar het aantal kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd.

  • 2.

    Het aantal kubieke meters water wordt gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater en grondwater dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of opgepompt.

  • 3.

    Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode 365 dagen, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald.

  • 4.

    Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een:

    • a.

      watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of

    • b.

      bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen.

    De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling.

  • 5.

    De op de voet van het tweede lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die aantoonbaar niet is afgevoerd. Vermindering als gevolg van het besproeien van tuinen of landerijen, het vullen van vijvers of zwembaden of het schoonmaken van voertuigen vindt niet plaats.

Artikel 6 Belastingtarieven

De belasting bedraagt voor een hoeveelheid van kubieke meters water van:

1 tot en met 50

€ 188,40;

51 tot en met 150

€ 258,00;

151 tot en met 300

€ 360,00;

301 tot en met 500

€ 459,60;

501 tot en met 1.000

€ 919,20;

1.001 tot en met 5.000

€ 919,20 vermeerderd met € 459,60 per eenheid afgevoerd afvalwater van 500 m³ of een gedeelte hiervan boven de afgevoerde hoeveelheid afvalwater van 1.000 m³;

5.001 tot en met 10.000

€ 4.596,00 vermeerderd met € 919,20 per eenheid afgevoerd afvalwater van 1.000 m³ of een gedeelte hiervan boven de afgevoerde hoeveelheid afvalwater van 5.000 m³;

10.001 tot en met 20.000

€ 9.192,00 vermeerderd met € 2.298,00 per eenheid afgevoerd afvalwater van 2.500 m³ of een gedeelte hiervan boven de afgevoerde hoeveelheid afvalwater van 10.000 m³;

20.001 tot en met 40.000

€ 18.384,00 vermeerderd met € 4.596,00 per eenheid afgevoerd afvalwater van 5.000 m³ of een gedeelte hiervan boven de afgevoerde hoeveelheid afvalwater van 20.000 m³;

40.001 tot en met 80.000

€ 36.768,00 vermeerderd met € 9.192,00per eenheid afgevoerd afvalwater van 10.000 m³ of een gedeelte hiervan boven de afgevoerde hoeveelheid afvalwater van 40.000 m³;

80.001 en meer

€ 73.536,00 vermeerderd met € 18.384,00 per eenheid afgevoerd afvalwater van 20.000 m³ of een gedeelte hiervan boven de afgevoerde hoeveelheid afvalwater van 80.000 m³.

Artikel 7 Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 8 Wijze van heffing

De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

  • 1.

    De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

  • 2.

    Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 3.

    Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 4.

    Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in gebruik neemt.

Artikel 10 Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid moeten de aanslagen, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

  • 3.

    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 11 Nadere regels

Het bestuur van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de rioolheffing.

Artikel 12 Vangnetregeling

In afwijking van artikel 5 wordt bij een negatief waterverbruik of bij een niet meting, het waterverbruik berekend op basis van het aantal personen dat van het perceel gebruik maakt. Het waterverbruik per persoon op jaarbasis wordt gesteld op 45 m3.

Artikel 13 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    De “Verordening rioolheffing 2018” vastgesteld bij raadsbesluit van 9 november 2017 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijven op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van bekendmaking.

  • 3.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2019.

  • 4.

    Deze verordening wordt aangehaald als 'Verordening rioolheffing 2019'.

 

Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 29 november 2018.

de griffier,

drs. T.B.W.M. van der Torre

de voorzitter,

mr. S.C.C.M. Potters

Naar boven