Gemeenteblad van Utrecht

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
UtrechtGemeenteblad 2018, 253222Verordeningen



Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2019 gemeente Utrecht

(raadsbesluit van 8 november 2018)

 

De raad van de gemeente Utrecht;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 september 2018 met kenmerk 5260609 gelet op artikel 228a van de Gemeentewet;

gezien het advies van de commissie Mens en Samenleving van 17 oktober 2018;

besluit vast te stellen de Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2019 gemeente Utrecht

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder:

a. perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan;

b. gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;

c. verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft;

d. water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater of grondwater.

 

Artikel 2 Aard van de belasting

Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en

b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

 

Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht

1. De belasting wordt geheven:

a. van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, verder te noemen: eigenarendeel; en

b. van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd, verder te noemen: gebruikersdeel.

2. Met betrekking tot het eigenarendeel wordt, ingeval het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

3. Met betrekking tot het gebruikersdeel, wordt als gebruiker aangemerkt:

a. degene die naar de omstandigheden beoordeeld het perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt;

b. ingeval een gedeelte van een perceel –niet een gedeelte als bedoeld in artikel 4– voor gebruik is afgestaan: degene die dat gedeelte voor gebruik heeft afgestaan.

4. De belasting als bedoeld in het eerste lid, letter a, wordt indien het perceel een woonschip of -ark is, geheven van de gebruiker.

 

Artikel 4 Zelfstandige gedeelten

Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, worden de belastingen geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als één geheel worden gebruikt, deze als één perceel worden aangemerkt.

 

Artikel 5 Maatstaf van heffing

1. Het eigenarendeel, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, letter a wordt geheven naar een vast bedrag per perceel.

2. Het gebruikersdeel, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, letter b wordt geheven naar het aantal kubieke meters water voor zover dit uitgaat boven de 250 kubieke meters water dat in één jaar vanuit het perceel wordt afgevoerd. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van 365 dagen, wordt de drempelhoeveelheid van 250 kubieke meters door herleiding naar tijdsgelang bepaald.

3. Voor de toepassing van het tweede lid, eerste volzin wordt het aantal kubieke meters gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater en grondwater dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van 365 dagen, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald.

4. Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een:

a. watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of

b. bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen.

De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling.

5. De op de voet van het derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die aantoonbaar niet als afvalwater is afgevoerd.

 

Artikel 6 Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

 

 

Artikel 7 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

1. De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of voor het gebruikersdeel, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

2. Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

3. Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

 

Artikel 8 Belastingtarieven

1. Het eigenarendeel bedraagt per perceel 214,49 EUR per jaar.

2. Het gebruikersdeel bedraagt, na toepassing van artikel 5 tweede en derde lid, voor elke volle eenheid van één kubieke meter water:

a. 1,63 EUR per eenheid van 0 tot en met 50.000 kubieke meter water;

b. 1,57 EUR per eenheid van 50.001 tot en met 100.000 kubieke meter water;

c. 1,46 EUR per eenheid van 100.001 tot en met 150.000 kubieke meter water;

d. 1,31 EUR per eenheid boven de 150.000 kubieke meter water.

 

Artikel 9 Wijze van heffing

De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

 

Artikel 10 Termijnen van betaling

1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen betreffende de belastingen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, letter a en b, worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.

2. In afwijking van het eerste lid moeten de aanslagen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, letter a en b, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens één maand later.

3. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

 

Artikel 11 Nadere regels met betrekking tot heffing en invordering

Het bestuur van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de rioolheffing.

 

Artikel 12 Vangnetregeling

In afwijking van artikel 5, derde lid, wordt bij een negatief waterverbruik of bij een niet meting, het waterverbruik berekend op basis van het aantal werknemers van een bedrijf dat van het perceel gebruik maakt. Het waterverbruik per werknemer op jaarbasis wordt gesteld op 15 kubieke meter.

Artikel 13 Inwerkingtreding en citeertitel

1. De 'Verordening Rioolheffing 2018' vastgesteld bij raadsbesluit van 9 november 2017 (Gemeenteblad van Utrecht 2017, nr. 216322) wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

2. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2019.

3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2019.

4. Deze verordening wordt aangehaald als: 'Verordening Rioolheffing gemeente Utrecht 2019'.

 

 

 

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 8 november 2018.

De griffier,

mr. M. van Hall CMC

De burgemeester,

mr. J.H.C. van Zanen