Gemeenteblad van Rijssen-Holten

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Rijssen-HoltenGemeenteblad 2018, 251428Verordeningen



Verordening maatschappelijke ondersteuning Rijssen-Holten 2019

De raad van de gemeente Rijssen-Holten:

overwegingen:

  • gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 september 2018 met het kenmerk D2018070330);

  • gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, tweede, derde en zevende lid,[2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • overwegende dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven;

  • dat van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan;

  • dat burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen;

  • dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang, en dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving;

besluit:

De Verordening maatschappelijke ondersteuning Rijssen - Holten 2019 vast te stellen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening te leveren;

  • algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is, niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten en het aan te schaffen object voor een niet-gehandicapte in een financieel vergelijkbare positie tot het normale aanschaffingspatroon kan worden gerekend;

  • andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • begeleiding: activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven;

  • beleidsregels: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Rijssen-Holten 2019,

  • beschermd wonen: wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen,

  • bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving;

  • besluit: Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Rijssen-Holten 2019,

  • bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de wet;

  • Centrale Intake Maatschappelijke Opvang Twente: het loket waar cliënt gemeld kan worden voor maatschappelijke ondersteuning voor opvang en beschermd wonen en die deze melding verder in behandeling kan nemen.

  • cliënt: persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid;

  • cliёntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen;

  • Consultatie: Consultatie betreft het inschakelen van expertise van een aanbieder;

  • gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten;

  • gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

  • hulpmiddel: roerende zaak die bedoeld is om beperkingen in de zelfredzaamheid of de participatie te verminderen of weg te nemen hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

  • maatschappelijke ondersteuning:

    • 1.

      bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld;

    • 2.

      ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving;

    • 3.

      bieden van beschermd wonen en opvang; - maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen:

      • a.

        ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen;

      • b.

        ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen;

      • c.

        ten behoeve van beschermd wonen en opvang; - mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.

  • melding: melding aan het college van een hulpvraag als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

  • onderzoek: het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

  • pgb als bedoeld in artikel 2, tweede lid van deze verordening;

  • ondersteuningsbehoefte: ondersteuning die de inwoner nodig heeft, onderverdeeld in:

    • 1.

      ondersteuning bij het uitvoeren van dagelijkse handelingen en vaardigheden waarbij de inwoner in staat is om de regie over zijn algemene dagelijkse levensverrichtingen te voeren;

    • 2.

      ondersteuning bij het voeren van de regie over, en uitvoering van dagelijkse handelingen en vaardigheden;

  • opvang: onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico‟s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. - participatie: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer;

  • persoonlijk plan: een door de cliënt opgesteld plan gericht op het gewenst resultaat voor de hulpvraag;

  • pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet;

  • voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening waarmee aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen;

  • uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;

  • vertegenwoordiger: persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake;

  • voorziening: algemene voorziening of maatwerkvoorziening;

  • wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • woningaanpassing: bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte;

  • zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden.

Artikel 2. Melding hulpvraag

  • 1.

    Een hulpvraag kan door of namens een cliënt schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het college worden gemeld.

  • 2.

    Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk.

  • 3.

    In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.

Artikel 3. Cliëntondersteuning

  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is.

  • 2.

    Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

Artikel 4. Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan

  • 1.

    Het college verzamelt alle voor het onderzoek van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek.

  • 2.

    Voor het gesprek verschaft de cliënt het college alle gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.

  • 3.

    Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid.

  • 4.

    Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen.

Artikel 5. Onderzoek

  • 1.

    Het gesprek kan deel uit maken van het onderzoek. Het college voert het gesprek met de cliënt, dan wel diens vertegenwoordiger en voor zover mogelijk zijn mantelzorger en voor zover nodig zijn familie. Onderdeel van het onderzoek en basis voor het gesprek zijn in ieder geval :

    • a.

      de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt;

    • b.

      het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;

    • c.

      de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

    • d.

      de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

    • e.

      de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

    • f.

      de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

    • g.

      de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, , te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;

    • h.

      de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken;

    • i.

      welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn, en

    • j.

      de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.

  • 2.

    Indien uit het onderzoek blijkt, dat een maatwerkvoorziening voor hulp bij zelfredzaamheid en/of participatie noodzakelijk is, dan bepaalt het college een budget op basis van de voor de cliënt geldende ondersteuningsbehoefte, intensiteit en duur om het gewenste resultaat te behalen

  • 3.

    Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 4, vierde lid, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.

  • 4.

    Het college informeert de cliënt over de gang van zaken, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken.

Artikel 6. Weergave van de uitkomsten van het onderzoek

  • 1.

    Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek bedoeld in artikel 5.

  • 2.

    Het college verstrekt de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek:

    • a.

      in geval van een aanvraag als onderdeel van de beschikking op de aanvraag;

    • b.

      in overige gevallen in de vorm van een arrangement.

Artikel 7. Aanvraag

  • 1.

    Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening door de cliënt of diens vertegenwoordiger kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na de ontvangst van de melding.

  • 2.

    Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.

Artikel 8. Criteria voor een maatwerkvoorziening

  • 1.

    Het college neemt de uitkomsten van het onderzoek als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.

  • 2.

    Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:

    • a.

      ter compensatie van de beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen als gevolg waarvan cliënt niet voldoende in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen:

      • i.

        op eigen kracht,

      • ii.

        met gebruikelijke hulp,

      • iii.

        met mantelzorg,

      • iv.

        met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk,

      • v.

        met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen, of

      • vi.

        met gebruikmaking van algemene voorzieningen.

      • 3

        De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, en/of

        a. ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico's voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen:

        i. op eigen kracht,

        ii. met gebruikelijke hulp,

        iii. met mantelzorg,

        iv. met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, of

        v. met gebruikmaking van algemene voorzieningen.

  • 4.

    De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

  • 5.

    Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte maatwerkvoorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte maatwerkvoorziening technisch is afgeschreven:

    • a.

      tenzij de eerder verstrekte maatwerkvoorziening is verloren gegaan als gevolg van omstandigheden die aan de cliënt zijn toe te rekenen.

    • b.

      tenzij de cliënte geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten of

    • c.

      als de eerder verstrekte maatwerkvoorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.

  • 6.

    Recht op een maatwerkvoorziening bestaat slechts voor zover deze als de goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt.

Artikel 9. Voorwaarden en weigeringsgronden maatwerkvoorziening

  • 1.

    Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:

    • b.

      voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat;

    • c.

      voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen;

    • d.

      voor zover de cliënt met gebruikmaking van algemene voorzieningen de beperkingen kan wegnemen;

    • e.

      indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is;

    • f.

      indien het een voorziening betreft die de cliënt na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld;

    • g.

      voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die aan cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is:

      • i.

        tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;

      • ii.

        of tenzij cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten,

      • iii.

        of als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning;

    • a.

      voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht;

    • b.

      indien de cliënt tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft betoond.

  • 2.

    Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt:

    • a.

      als deze niet langdurig noodzakelijk is;

    • b.

      indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Rijssen – Holten;

    • c.

      de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs vermijdbaar was,

    • d.

      de voorziening voorzienbaar was en van de cliënt redelijkerwijs kon worden verwacht maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt.

  • 3.

    Geen woonvoorziening wordt verstrekt:

    • a.

      voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;

    • b.

      ten behoeve van hotels en/of pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie‐en recreatiewoningen, ADL‐clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting;

    • c.

      voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting;

    • d.

      indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is;

    • e.

      indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college.

      • 4.

        Voor vervoer is er naast eigen oplossingen en algemeen gebruikelijke voorzieningen zoals het openbaar vervoer een algemene voorziening. Indien deze algemene voorziening niet toereikend is wordt een maatwerkvoorziening verstrekt.

      • 5.

        Voor het verplaatsen in en om de woning wordt een maatwerkvoorziening verstrekt via een collectief systeem tenzij de beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen van de cliënt het gebruik van het collectief systeem onmogelijk maken, dan wel een collectief systeem niet aanwezig is.

Artikel 10. Advisering

  • 1.

    Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen als het dit van belang acht voor de beoordeling van de aanvraag om een maatwerkvoorziening.

  • 2.

    Het college kan een zorgaanbieder voor consultatie inschakelen ten behoeve van het onderzoek zoals bedoeld in artikel 5.

Artikel 11. Inhoud beschikking

  • 1.

    In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.

  • 2.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval:

    • a.

      het beoogde resultaat en hoe het resultaat bereikt wordt;

    • b.

      de ingangsdatum en duur van de verstrekking;

    • c.

      of een bijdrage in de kosten is verschuldigd;

    • d.

      hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing;

    • e.

      welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.

  • 3.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb vermeldt de beschikking in ieder geval:

    • a.

      aan welk resultaat het pgb moet worden besteed;

    • b.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    • c.

      wat de hoogte van het pgb is en hoe dit tot stand is gekomen;

    • d.

      wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld,

    • e.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb en

    • f.

      of een bijdrage in de kosten is verschuldigd en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening.

Artikel 12. Regels voor pgb bij een maatwerkvoorziening

  • 1.

    Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet.

  • 2.

    Het pgb wordt door het college vastgesteld op basis van de voor de cliënt geldende ondersteuningsbehoefte, intensiteit en duur om het gewenste resultaat te behalen.

  • 3.

    De cliënt dient een plan in waarin wordt beschreven hoe het resultaat wordt bereikt en besteding van het pgb dat door de cliënt of diens vertegenwoordiger is opgesteld;

  • 4.

    Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was.

  • 5.

    De hoogte van een pgb wordt bepaald aan de hand van een tot het maximum van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate voorziening in natura en is toereikend voor de aanschaf daarvan, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering.

  • 6.

    Het college kan afwijken van het uitgangspunt onder lid 5 indien de budgethouder overtuigend kan aantonen dat het pgb niet toereikend is om tot een met natura vergelijkbare compensatie te komen.

  • 7.

    De aanwending van een pgb dient door de cliënt binnen zes maanden na toekenning te worden aangevangen ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt.

  • 8.

    De tarieven voor het pgb worden afgeleid van de vastgestelde tarieven die gehanteerd worden voor zorg in natura (ZIN). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen professionele en niet-professionele ondersteuning (ondersteuning vanuit het sociaal netwerk). De volgende pgb-tarieven/bedragen zijn vastgesteld:

    • a.

      Voor een aanbieder die bedrijfsmatig ondersteuning verleent (professionele ondersteuning), bedraagt de vergoeding 85% van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura. Als het ondersteuning betreft die valt onder “wonen en verblijf’ is de vergoeding 100% van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura;

    • b.

      Voor een persoon uit het sociale netwerk bedraagt de vergoeding (maximaal) € 20,- per uur/dagdeel per persoon voor begeleiding en €65,- per etmaal per persoon voor waar het gaat om wonen en verblijf.

  • 9.

    Een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen onder de volgende voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk als:

    • a.

      deze persoon hiervoor een lager tarief krijgt betaald voor zijn diensten dan het vastgestelde tarief voor professionele ondersteuning

    • b.

      tussenpersonen of belangenbehartigers niet uit het pgb worden betaald.

  • 10.

    Het college bepaalt bij nadere regeling aan welke eisen de kwaliteit van de geleverde zorg, welke wordt ingekocht met het pgb, moet voldoen.

  • 11.

    Geen pgb wordt verstrekt:

    • a.

      wanneer uit het pgb-plan zoals bedoeld onder 2 blijkt, dat de kwaliteit van de hulp onvoldoende gewaarborgd is dan wel niet wordt voldaan aan de kwaliteitseisen zoals bedoeld in lid 10;

    • b.

      wanneer uit het pgb-plan onvoldoende blijkt, dat het vastgestelde resultaat wordt bereikt met het beschikbare budget;

    • c.

      als de cliënt het pgb niet zelf kan beheren en de beoogd pgb-beheerder dezelfde persoon/instelling is als de beoogd zorg-/hulpverlener.

 

Artikel 13. Regels voor bijdrage in de kosten van voorzieningen

  • 1.

    Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd:

    • a.

      voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde cliëntondersteuning;

    • b.

      voor een maatwerkvoorziening in natura dan wel pgb, zolang hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt, overeenkomstig het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015,

  • 2.

    De bijdrage in de kosten overstijgt niet de kostprijs van de voorziening.

  • 3.

    De bijdrage voor een maatwerkvoorziening in natura of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige is verschuldigd door:

    • a.

      de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen;

    • b.

      degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.

  • 4.

    In afwijking van het vorige lid is in ieder geval geen bijdrage verschuldigd indien de ouders van het gezag over de cliënt zijn ontheven of ontzet.

  • 5.

    Het college bepaalt bij nadere regeling:

    • a.

      op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura en pgb wordt bepaald, en

    • b.

      door welke andere instantie dan het CAK in de gevallen bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid van de wet, de bijdragen voor een maatwerkvoorziening in natura dan wel pgb worden vastgesteld en geïnd.

  • 6.

    In afwijking van het eerste onder b bedraagt de bijdrage voor de individuele begeleiding €17,50 per vier weken.

  • 7.

    Het college kan besluiten de eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening niet op te leggen, indien er zich een opeenstapeling van eigen bekostigingen / eigen bijdragen / kosten voor eigen rekening voordoet.

Artikel 14. Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen voor huishoudelijke ondersteuning

  • 1.

    De eigen bijdrage voor de algemene voorziening huishoudelijke ondersteuning is gelijk aan de kostprijs en bedraagt € 190,00 per 4 weken;

  • 2.

    Cliënten die tot de doelgroep behoren kunnen in aanmerking komen voor een korting op de bijdrage voor de algemene voorziening schoonmaakondersteuning;

  • 3.

    Een inwoner behoort tot de doelgroep wanneer:

    • a.

      De inwoner woonachtig is in de gemeente Rijssen-Holten;

    • b.

      De inwoner geen Wlz indicatie heeft;

    • c.

      De inwoner lichamelijke en/of psychische en/of psychosociale problemen heeft waardoor hij langdurig, in ieder geval langer dan 6 weken, (een deel van) het huishoudelijke klussen niet meer kan doen;

    • d.

      De inwoner geen huisgenoten heeft om het huishouden te doen / de inwoner heeft huisgenoten, maar zij zijn niet in staat zijn om het (volledige) huishouden te doen;

    • e.

      Door of namens de inwoner kan aan andere mensen worden uitgelegd welke huishoudelijke klussen moeten gebeuren (de inwoner of iemand in zijn directe omgeving kan regie houden).

  • 4.

    De hoogte van de korting voor inwoners die tot de doelgroep zoals bedoeld in lid 3 behoren bedraagt € 167,50 per 4 weken.

  • 5.

    Een cliënt die tot de doelgroep behoort zoals bedoeld in lid 3 is, gelet op lid 4, een bijdrage in de vorm van een vaste eigen bekostiging verschuldigd voor huishoudelijke ondersteuning van € 22,50 per 4 weken.

Artikel 15. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:

    • a.

      het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;

    • b.

      het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning, waaronder informele zorg;

    • c.

      erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard.

  • 2.

    Het college stelt regels over verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

  • 3.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

Artikel 16. Meldingsregeling calamiteiten en geweld

  • 1.

    Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.

  • 2.

    Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.

  • 3.

    De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

  • 4.

    Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.

 

Artikel 17. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

  • 1.

    Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.

  • 2.

    Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

    • a.

      de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • b.

      de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening is aangewezen;

    • c.

      de maatwerkvoorziening niet meer toereikend is te achten;

    • d.

      de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening verbonden voorwaarden, of

    • e.

      de cliënt de maatwerkvoorziening niet of voor een ander doel gebruikt.

    • f.

      de cliënt langer dan 4 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet;

  • 3.

    Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening in natura dan wel pgb.

  • 4.

    Een beslissing tot verlening van pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen 6 maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

  • 5.

    Bij invordering van een pgb zal zo mogelijk tot verrekening worden overgegaan.

  • 6.

    Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is ingetrokken, wordt deze voorziening teruggevorderd.

  • 7.

    Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte maatwerkvoorziening is ingetrokken, wordt deze maatwerkvoorziening teruggevorderd.

  • 8.

    Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb‟s.

Artikel 17a. Opschorting betaling uit het pgb

  • 1.

    Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet.

  • 2.

    Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 15, derde lid, onder d.

  • 3.

    Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste en tweede lid.]

Artikel 18. Jaarlijkse waardering mantelzorgers

Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat.

Artikel 19. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen

  • 1.

    Het college verstrekt in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie.

  • 2.

    Het college legt haar beleid ter zake vast in een beleidsregel.

Artikel 20. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden

  • 1.

    Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:

    • a.

      een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of

    • b.

      een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

      i. een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en

      • ii.

        de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

  • 2.

    Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

    • a.

      overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet,en;

    • b.

      rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

  • 3.

    Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen:

    • a.

      de kosten van de beroepskracht;

    • b.

      redelijke overheadkosten;

    • c.

      kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

    • d.

      reis en opleidingskosten;

    • e.

      indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;

    • f.

      overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

  • 4.

    Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.

  • 5.

    Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.

Artikel 21. Klachtregeling

  • 1.

    De afhandeling van klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening worden overeenkomstig de geldende klachtenregeling gemeente Rijssen-Holten afgehandeld.

  • 2.

    Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten.

  • 3.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 22. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn.

  • 2.

    De verplichting in lid 1 geldt niet voor;

    • a.

      aanbieders met minder dan tien personeelsleden die rechtstreeks zijn betrokken bij de levering van voorzieningen,

    • b.

      aanbieders van hulpmiddelen en woningaanpassingen.

  • 3.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 23. Betrekken van ingezetenen bij het beleid

  • 1.

    Het college betrekt de Adviesraad Sociaal Domein bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning.

  • 2.

    Het college stelt de Adviesraad Sociaal Domein vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 3.

    Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het tweede lid.

Artikel 24. Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen voor vervoer

  • 1.

    De eigen bijdrage voor de algemene voorziening vervoer is gelijk aan de kostprijs en bedraagt een jaarlijks vast te stellen bedrag per kilometer;

  • 2.

    Cliënten die tot de doelgroep behoren kunnen in aanmerking komen voor een korting op de bijdrage voor de algemene voorziening voor vervoer. Hierbij wordt een doelgroep onderscheiden die korting krijgt voor het gebruik van de algemene voorziening als geheel en een doelgroep die korting krijgt voor de algemene voorziening buiten de gemeentegrenzen.

  • 3.

    Iemand behoort tot de doelgroep voor een korting op de algemene voorziening als geheel wanneer deze:

    • a.

      Inwoner van Rijssen-Holten is of gezaghebbende ouders woonachtig in Rijssen-Holten heeft;

    • b.

      Geen 200 meter kan lopen naar de dichtstbijzijnde bushalte, of niet (zelfstandig) kan wachten op de bus bij de bushalte, of niet zelfstandig kan reizen en dit ook niet kan leren, omdat er sprake is van lichamelijke en/of psychische en/of psychosociale problemen en daarom dus geen gebruik maken van openbaar vervoer;

    • c.

      Geen huisgenoten dan wel sociaal netwerk heeft die in redelijkheid het vervoer kunnen organiseren dan wel uitvoeren.

  • 4.

    Iemand behoort tot de doelgroep voor een korting op de algemene voorziening buiten de gemeentegrenzen wanneer deze:

    • a.

      Inwoner van Rijssen-Holten is of gezaghebbende ouders woonachtig in Rijssen-Holten heeft;

    • b.

      Buiten de gemeentegrenzen niet met het Openbaar Vervoer kan reizen omdat dit niet afdoende aanwezig is om de bestemming te bereiken of de loopafstand tot de bestemming meer dan 800 meter bedraagt.

    • c.

      Geen huisgenoten dan wel sociaal netwerk heeft die in redelijkheid het vervoer kunnen organiseren dan wel uitvoeren.

  • 5.

    De hoogte van de korting voor inwoners die tot de doelgroep behoren zoals bedoeld in lid 3 bedraagt de volledige kosten voor zover die hoger zijn dan € 25,- per kalendermaand;

  • 6.

    De hoogte van de korting voor inwoners die tot de doelgroep behoren zoals bedoeld in lid 4 bedraagt de volledige kosten voor zover die hoger zijn dan €12,50,- per kalendermaand.

  • 7.

    Een cliënt die tot de doelgroep behoort zoals bedoeld in lid 3 en 4 is, gelet op lid 5, een bijdrage in de vorm van een vaste eigen bekostiging verschuldigd voor vervoer van € 25,00 per kalendermaand.

  • 8.

    Een cliënt die tot de doelgroep behoort zoals bedoeld in lid 4 is, gelet op lid 6, een bijdrage in de vorm van een vaste eigen bekostiging verschuldigd voor vervoer van € 12,50 per kalendermaand.

Artikel 25. Onvoorzien, nadere regels en hardheidsclausule

  • 1.

    In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college;

  • 2.

    Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van deze verordening;

  • 3.

    Het college kan in bijzondere gevallen in het voordeel van de belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 26. Indexering

Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening en het op deze verordening berustende gemeentelijk besluit maatschappelijk besluit ondersteuning gemeente Rijssen-Holten geldende bedragen verhogen of verlagen aan de hand van het prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie van het CBS. Betreffende de tarieven zoals genoemd in artikel 20 lid 4c tot en met lid 4f hanteert het college het NZA -indexpercentage zoals bekend is op 1 september van het lopende jaar, voor het eerst per 1 januari 2020.

Artikel 27. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1.

    De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Rijssen-Holten 2018 wordt ingetrokken;

  • 2.

    Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Rijssen-Holten 2018 tot 1 januari 2020 gebaseerd op deze verordening.

  • 3.

    Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Rijssen-Holten 2018 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening;

  • 4.

    Van het in lid 2 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken;

  • 5.

    Beslissing op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Rijssen-Holten 2018 geschiedt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Rijssen-Holten 2018 die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt;

  • 6.

    Van het in lid 4 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken;

Artikel 28. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking 1 januari 2019.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning Rijssen-Holten 2019.

 

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 18 oktober 2018

De griffier, de voorzitter

G.H. Veerman, A.C. Hofland