Gemeenteblad van Gooise Meren

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Gooise MerenGemeenteblad 2018, 235698Overige besluiten van algemene strekking



Beleidsregels inkomstenvrijlating Participatiewet, IOAW en IOAZ, Gooise Meren 2018

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren,

overwegende dat het wenselijk is het beleid omtrent de inkomstenvrijlating vast te leggen in beleidsregels;

gelet op artikel 31, lid 2, onderdelen n, r en y en artikel 31, lid 5, van de Participatiewet (PW), artikel 8, lid 2, 5 en 7, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en artikel 8, lid 3, 9 en 11, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ);

besluit vast te stellen: ‘Beleidsregels inkomstenvrijlating Participatiewet, IOAW en IOAZ Gooise Meren 2018’.

Artikel 1. Begripsbepalingen

  • 1.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de PW, de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet.

  • 2.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      algemeen geaccepteerde arbeid: volgens de memorie van toelichting bij artikel 6 van de Wet werk en bijstand, die vooraf ging aan de PW (Kamerstukken II, 2002/03, 28 870, nr. 3, blz. 35) moet onder algemeen geaccepteerde arbeid worden verstaan arbeid die maatschappelijk aanvaard is. Werkzaamheden die niet algemeen geaccepteerd zijn, zoals prostitutie, worden hiermee uitgesloten. Ook worden werkzaamheden uitgesloten die ingaan tegen de integriteit van de persoon, zoals werkzaamheden die gewetensbezwaren oproepen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2588) ;

    • b.

      belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit omtrent het al of niet toepassen van een gedeeltelijke inkomstenvrijlating op grond van deze beleidsregels is betrokken;

    • c.

      college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren;

    • d.

      inkomsten uit arbeid: alle inkomsten uit (deeltijd) arbeid in loondienst;

    • e.

      inkomstenvrijlating regulier: de gedeeltelijke inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31, lid 2, onderdeel n, van de PW, artikel 8, lid 2, van de IOAW en artikel 8, lid 3, van de IOAZ;

    • f.

      inkomstenvrijlating aanvullend: de gedeeltelijke inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31, lid 2, onderdeel r, van de PW, artikel 8, lid 5, van de IOAW en artikel 8, lid 9, van de IOAZ;

    • g.

      inkomstenvrijlating medisch urenbeperkte persoon: de gedeeltelijke inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31, lid 2, onderdeel y, van de PW, artikel 8, lid 7, van de IOAW en artikel 8, lid 11, van de IOAZ;

    • h.

      marginale zelfstandige: iemand met een uitkering die door het college van tevoren schriftelijk of digitaal toestemming is verleend om met behoud van bijstand op bescheiden schaal onder een aantal voorwaarden bedrijfs- of beroepsmatige werkzaamheden te verrichten voor eigen rekening. In het besluit is vermeld voor welke periode deze toestemming en deze voorwaarden gelden. De werkzaamheden zijn niet gericht op het (op termijn) wel als zelfstandige kunnen voorzien in de kosten van het bestaan, zoals uit de rechtspraak blijkt (CRVB 18-09-2012, nr. 11/3764 WWB, CRvB 02-11-2015, nr. 13/3830 WWB). Het kenmerk van de activiteiten is dat deze niet zullen leiden tot voldoende inkomsten om zelfstandig in de kosten van levensonderhoud te kunnen voorzien;

    • i.

      uitkering: algemene bijstand op grond van de PW, een uitkering op grond van de lOAW of een uitkering op grond van de lOAZ;

    • j.

      uitkeringsperiode: een periode waarover algemene bijstand op grond van de PW wordt ontvangen of een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ;

    • k.

      UWV: het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen verricht voor het college de werkzaamheden ten behoeve van de vaststelling of een belanghebbende medisch urenbeperkt is en adviseert het college hierover;

    • l.

      wet(ten): de PW, IOAW en IOAZ.

Artikel 2. Toekenning

Het college kent een inkomstenvrijlating ambtshalve toe.

Artikel 3. Bijdragen aan arbeidsinschakeling

Bij het ontvangen van inkomsten uit (deeltijd) arbeid wordt er altijd van uitgegaan dat wordt voldaan aan de voorwaarde dat zowel de reguliere als aanvullende inkomstenvrijlating bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van belanghebbende.

Artikel 4. Inkomstenvrijlating regulier

  • 1.

    De belanghebbende die vanuit een uitkeringssituatie inkomsten uit deeltijd arbeid ontvangt, heeft gedurende ten hoogste zes maanden recht op de inkomstenvrijlating regulier. Het recht op de inkomstenvrijlating bestaat één keer per uitkeringsperiode.

  • 2.

    Als de uitkeringsperiode ten minste 30 dagen, overeenkomstig artikel 45, lid 3, van de PW wordt onderbroken, ontstaat er een nieuw recht op de inkomstenvrijlating.

  • 3.

    Lid 2 is niet van toepassing als de beëindiging van de uitkering het gevolg is van schending van de inlichtingenplicht en/of de medewerkingsplicht door een belanghebbende.

Artikel 5. Alleenstaande ouders

Alleenstaande ouders die de volledige zorg hebben voor één of meer kinderen tot twaalf jaar, maken na de inkomstenvrijlating regulier nog aanspraak op de inkomstenvrijlating aanvullend. Deze aanvullende gedeeltelijke vrijlating is geregeld in artikel 31, lid 2, onderdeel r, PW, artikel 8, lid 5, van de IOAW en artikel 8, lid 9, van de IOAZ. Het is belangrijk dat ook alleenstaande ouders gestimuleerd worden te gaan werken. Daarbij is rekening gehouden met het feit dat zij vanwege de combinatie van werk en zorgtaken vaak langer dan andere groepen belanghebbenden de tijd nodig hebben om hun arbeidsuren uit te breiden en zo uit te stromen uit de uitkering.

Artikel 6. Jongeren

Zowel de inkomstenvrijlating regulier als de inkomstenvrijlating aanvullend voor een alleenstaande ouder met de volledige zorg voor een tot zijn last komend kind jonger dan twaalf jaar, is niet van toepassing op personen jonger dan 27 jaar (artikel 31, lid 5, PW). Van jongeren wordt verwacht dat ze op eigen kracht uitstromen.

Artikel 7. Beide partners

De situatie kan zich voordoen dat beide partners die een gezamenlijke uitkering ontvangen tot de doelgroep behoren die recht heeft op inkomstenvrijlating en dat beide partners beperkte inkomsten uit arbeid hebben. Voor iedere partner afzonderlijk bestaat er recht op inkomstenvrijlating als bedoeld in deze beleidsregels.

Artikel 8. Personen met een medische urenbeperking

Een persoon die inkomsten uit arbeid ontvangt en medisch urenbeperkt is, heeft gedurende de periode dat hij medisch urenbeperkt is, recht op de inkomstenvrijlating medisch urenbeperkte persoon.

Artikel 9. Gelijkstelling met inkomsten uit arbeid

Naast inkomsten uit arbeid geldt de vrijlating ook voor de volgende inkomsten:

  • a.

    doorbetaling van loon tijdens ziekte, ongeacht wie dit betaalt;

  • b.

    een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling;

  • c.

    inkomsten uit (deeltijd) werkzaamheden als marginale zelfstandige.

Artikel 10. Voorwaarden voor de inkomstenvrijlating regulier

Om in aanmerking te kunnen komen voor de inkomstenvrijlating regulier dient aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan:

  • 1.

    betrokkene ontvangt een uitkering;

  • 2.

    de inkomsten uit arbeid zijn tijdig bekend bij het college;

  • 3.

    het betreft werkzaamheden gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 3 van deze beleidsregels;

  • 4.

    de inkomstenvrijlating is van toepassing op inkomsten uit (deeltijd) arbeid welke arbeid na de ingangsdatum van de uitkering is gestart;

  • 5.

    bij het ontvangen van inkomsten uit arbeid bij instroom in de uitkering geldt de inkomstenvrijlating vanaf het moment dat er sprake is van een urenuitbreiding van minimaal vijf uur per week die vaste vorm aanneemt.

Artikel 11. Geen recht op inkomstenvrijlating

  • 1.

    Geen recht op inkomstenvrijlating bestaat:

    • a.

      voor inkomsten die de uitkeringsgerechtigde bij aanvang van de uitkering al verwierf;

    • b.

      voor inkomsten die voortvloeien uit andere dan algemeen geaccepteerde arbeid;

    • c.

      in het geval de belanghebbende als gevolg van schending van de inlichtingen- en/of medewerkingsplicht ten onrechte of teveel uitkering is verleend;

    • d.

      op inkomsten die worden uitbetaald na het overlijden van de belanghebbende.

Artikel 12. Bijzondere en onvoorziene gevallen

Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien toepassing van deze beleidsregels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. In gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien, beslist het college.

Artikel 13. Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking op de dag na de bekendmaking in het Gemeenteblad.

Artikel 14. Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als ‘Beleidsregels inkomstenvrijlating Participatiewet, IOAW en IOAZ Gooise Meren 2018’.

Burgemeester en wethouders van Gooise Meren d.d. 16 oktober 2018

de secretaris

D.J. van Huizen

de burgemeester

drs. H.M.W. ter Heegde

Toelichting Beleidsregels inkomstenvrijlating Participatiewet, IOAW en IOAZ, Gooise Meren 2018

Algemeen

De PW heeft een aanvullend karakter: bijstand is namelijk altijd aanvullend op de eigen middelen tot het niveau van het sociaal minimum. Daarom tellen in beginsel alle middelen van de belanghebbende mee.

De PW kent hierop een aantal uitzonderingen: in die gevallen mag de belanghebbende tijdelijk een deel van zijn inkomsten uit arbeid houden bovenop de bijstandsuitkering. Het doel hiervan is om werken te bevorderen. Met deze beleidsregels geeft het college aan hoe dit vorm krijgt.

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit artikel is een aantal begrippen gedefinieerd. Voor de IOAW en IOAZ wordt aansluiting gezocht bij de begrippen in de PW. Wanneer een begrip niet is gedefinieerd geldt wat hieronder in de PW en de Algemene wet bestuursrecht wordt verstaan.

Artikel 2. Toekenning

Bij de aanwezigheid van inkomsten uit arbeid toetst het college automatisch of er recht bestaat op een inkomstenvrijlating. De belanghebbende hoeft hiervoor geen verzoek in te dienen.

Artikel 3. Bijdragen aan arbeidsinschakeling

Voor de inkomstenvrijlating regulier en de inkomstenvrijlating aanvullend geldt dat alleen aanspraak bestaat op een inkomstenvrijlating als naar het oordeel van het college het deeltijdwerk bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van de belanghebbende.

Met deeltijdarbeid doet een belanghebbende werkervaring en arbeidsritme op. Hij laat hiermee zien dat hij wil werken. Om de belanghebbende te belonen voor zijn werkzaamheden en om ongelijkheid bij het toekennen van een inkomstenvrijlating te voorkomen, is in dit artikel geregeld dat in alle gevallen het ontvangen van inkomsten uit arbeid bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van de belanghebbende.

Artikel 4. Inkomstenvrijlating regulier

De inkomstenvrijlating regulier geldt voor belanghebbenden die een uitkering ontvangen en daarnaast inkomsten uit deeltijdarbeid hebben gedurende minimaal een aaneengesloten periode van één maand. De vrijlating bedraagt 25 procent van de inkomsten uit arbeid met een maximum van € 203,- per maand (bedrag per 1 juli 2018; voor de IOAW/IOAZ gelden andere bedragen) gedurende een periode van ten hoogste zes maanden. Deze periode behoeft niet aaneengesloten te zijn. Als de belanghebbende geen aaneengesloten periode van zes maanden werkt, schuift zijn vrijlatingsperiode dus op.

De vrijlating is gekoppeld aan de inkomsten in een maand ongeacht het aantal uren dat wordt gewerkt. De bijstand wordt immers op maandbasis vastgesteld (artikel 45, lid 1, PW). Bij de IOAW/IOAZ wordt hierbij aangesloten. Indien een belanghebbende vanaf 15 april tot 1 juni werkt, heeft hij over twee maanden recht op de inkomstenvrijlating. Er bestaat dan nog recht op vier maanden vrijlating.

De vrijlating geldt slechts eenmaal per uitkeringsperiode. Als de uitkering wordt beëindigd of ingetrokken

en na een termijn van ten minste 30 dagen opnieuw wordt toegekend, kan opnieuw een periode van zes maanden vrijlating worden verleend. Dit is gekoppeld aan het bepaalde van artikel 45, lid 3, van de PW.

Dit laatste geldt niet als de eerdere beëindiging komt doordat de belanghebbende de inlichtingen- en of de medewerkingsplicht heeft geschonden en er daarom over de betreffende maand ten onrechte of teveel uitkering is verstrekt. Een eventuele vrijlatingsperiode begint dan niet opnieuw te tellen.

Artikel 5. Alleenstaande ouders

Ook voor deze inkomstenvrijlating geldt in de PW dat deze niet geldt voor personen die jonger zijn dan 27 jaar (artikel 31, lid 5, PW). De vrijlating bedraagt 12,5 procent van de inkomsten uit arbeid met een maximum van € 127 per maand (bedrag per 1 juli 2018; voor de IOAW/IOAZ gelden andere bedragen) gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 30 maanden.

De vrijlating is gekoppeld aan de inkomsten in een maand ongeacht het aantal uren dat wordt gewerkt. De uitkering wordt immers op maandbasis vastgesteld. Indien een belanghebbende vanaf 15 april 2017 werkt, heeft hij vanaf 1 april 2017 tot 1 oktober 2019 (= 30 maanden) recht op de inkomstenvrijlating. In tegenstelling tot de inkomstenvrijlating regulier, geldt voor de inkomstenvrijlating aanvullend een aaneengesloten periode van 30 maanden. Dat betekent dat bij werkonderbrekingen gedurende de vastgestelde 30 maanden, de vrijlatingsperiode niet opschuift.

Artikel 6. Jongeren

Dit artikel heeft geen toelichting nodig.

Artikel 7. Beide partners

Dit artikel heeft geen toelichting nodig.

Artikel 8. Personen met een medische urenbeperking

De inkomstenvrijlating medisch urenbeperkte persoon geldt voor de belanghebbenden die een uitkering ontvangen en daarnaast inkomsten uit deeltijdarbeid. Een belanghebbende is medisch urenbeperkt indien hij voor een minder aantal uren belastbaar is dan de normale arbeidsduur. Onder normale arbeidsduur wordt verstaan de werktijd waarbij men er van uitgaat dat die in vergelijkbare arbeidsverhoudingen een volledige dienstbetrekking vormt.

De medische urenbeperking moet daarnaast een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg zijn van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling (artikel 6b, lid 1, PW).

Het college kan ambtshalve vaststellen of een belanghebbende medisch urenbeperkt is (artikel 6b, lid 2, onderdeel a, PW). Ook is het mogelijk dat een belanghebbende een schriftelijke aanvraag indient om vast te stellen of hij medisch urenbeperkt is (artikel 6b, lid 2, onderdeel b, PW). Dit kan één keer per twaalf maanden (artikel 6b, lid 3, PW). Het UWV verricht voor het college de werkzaamheden ten behoeve van de vaststelling of een belanghebbende medisch urenbeperkt is en adviseert het college hierover (artikel 6b, lid 4, PW) via een zogenaamde doelgroepverklaring. Het kan ook gebeuren dat het college objectief kan vaststellen of er sprake is van een medisch urenbeperkte, door middel van een medisch advies in verband met het bepalen van de mate van arbeids(on)geschiktheid. Er zijn dus diverse mogelijkheden om vast te stellen of de belanghebbende medisch urenbeperkt is.

Als aanspraak bestaat op de inkomstenvrijlating regulier of de inkomstenvrijlating aanvullend, dan gaan deze in volgorde voor op de vrijlating medisch urenbeperkte persoon. Bij deze vrijlating geldt niet het leeftijdscriterium van 27 of ouder en ook niet de voorwaarde dat de werkzaamheden moeten bijdragen aan de arbeidsinschakeling van de belanghebbende. Er is ook geen tijdslimiet aan de vrijlating gebonden, anders dan de tijdelijkheid van de uitkering. Zolang de belanghebbende parttime inkomsten uit arbeid ontvangt en medisch urenbeperkt is, heeft hij recht op deze vrijlating.

De vrijlating bedraagt vijftien procent van de inkomsten uit arbeid met een maximum van € 128,81 per maand (bedrag per 1 juli 2018; voor de IOAW/IOAZ gelden andere bedragen).

Artikel 9: Gelijkstelling met inkomsten uit arbeid

Dit artikel heeft geen toelichting nodig.

Artikel 10. Voorwaarden voor inkomstenvrijlating

Een belanghebbende met een deeltijdbaan die afhankelijk wordt van een uitkering behoeft niet direct “beloond” te worden voor deze werkzaamheden. De belanghebbende heeft nog geen activiteiten vanuit de bijstand ontplooid om tot een hoger inkomen uit werk te komen. Daarom is in dit artikel bepaald dat de inkomstenvrijlating pas geldt als vanuit de bijstand werk wordt aanvaard. Echter, als de belanghebbende pas zeer kort geleden aan het werk is gegaan (circa maximaal een maand), kan in het individuele geval besloten worden toch direct een inkomstenvrijlating toe te kennen.

De inkomstenvrijlating geldt ook voor een belanghebbende die bij de aanvang van de bijstand al deeltijdwerk had en hij zijn werkzaamheden aantoonbaar en blijvend uitbreidt met minimaal vijf uur per week (dus een vaste uitbreiding van het arbeidscontract). De vrijlating geldt dan voor de volledige inkomsten uit arbeid vanaf het moment dat de urenuitbreiding plaatsvindt.

Artikel 11. Geen recht op inkomstenvrijlating

Bij schending van de inlichtingenplicht wordt bij de beoordeling van het begrip tijdigheid uitgegaan van het volgende. Er wordt tijdig voldaan aan de inlichtingenplicht als de vereiste inlichtingen verstrekt worden binnen uiterlijk twee weken gerekend vanaf het moment dat de inlichtingen bij belanghebbende bekend waren of redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn. Verder blijkt ook uit de rechtspraak dat er bij schending van de inlichtingenplicht geen gedeeltelijke inkomstenvrijlating hoeft te worden toegepast (zie bijvoorbeeld de uitspraak CRvB 18-12-2012, nrs. 11/3046 WWB e.a.).

Artikel 12: Bijzondere en onvoorziene gevallen

Dit artikel heeft geen toelichting nodig.

Artikel 13: Inwerkingtreding

Dit artikel heeft geen toelichting nodig.

Artikel 14: Citeertitel

Dit artikel heeft geen toelichting nodig.