Regeling welzijnsactiviteiten Geldrop-Mierlo 2018

Artikel 1. Begripsbepalingen

Alle begrippen die in deze Uitvoeringsregel worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 ( Wmo 2015) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

 

Artikel 2. Compensatie welzijnsactiviteiten

  • 1.

    Het college verstrekt ter compensatie van een financiële beperking bij deelname aan welzijnsactiviteiten een voorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming.

  • 2.

    Onder welzijnsactiviteiten verstaan wij sociaal culturele of verenigingsactiviteiten.

  • 3.

    De voorziening geldt voor personen, die ouder zijn dan 18 jaar.

 

Artikel 3. Inkomensgrens

  • 1.

    Een persoon met de beperking, genoemd in artikel 2, komt in aanmerking voor een voorziening wanneer zijn inkomen niet hoger is dan 120 % van de toepasselijke bijstandsnorm.

  • 2.

    De toepasselijke bijstandsnorm bedraagt voor toepassing van lid 1;

    • a.

      voor gehuwden de norm genoemd in artikel 21 onder b van de Participatiewet (exclusief de vakantietoeslag);

    • b.

      voor een alleenstaande ouder 90% van de norm genoemd in artikel 21 onder b van de Participatiewet (exclusief de vakantietoeslag);

  • 3.

    voor alleenstaande 70% van de norm genoemd in artikel 21 onder b van de artikel 21 onder b van de Participatiewet (exclusief de vakantietoeslag).

 

Artikel 4. Vermogensgrens

Een persoon met de beperking, genoemd in artikel 2, komt in aanmerking voor een voorziening indien zijn vermogen de vermogensgrens, genoemd in artikel 34 van de Participatiewet, niet te boven gaat.

 

Artikel 5. Studenten op grond van de Wet Studiefinanciering 2000 (WSF)

In afwijking van het bepaalde in artikel 2 wordt geen bijdrage toegekend aan personen die

studeren en aanspraak kunnen maken op studiefinanciering op grond van de WSF.

 

Artikel 6. Hoogte tegemoetkoming

De tegemoetkoming bedraagt maximaal € 200,- per persoon per kalenderjaar.

 

Artikel 7. Tijdstip van aanvraag

  • 1.

    De bijdrage van de in de artikel 2 genoemde kosten worden verstrekt voor zover zij zijn gemaakt in het kalenderjaar waarin de aanvraag voor een bijdrage wordt ingediend én uitsluitend op vertoon van betalingsbewijzen van de gemaakte kosten.

  • 2.

    De declaratie van de bijdrage moet, in afwijking van het eerste lid, worden ingediend uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de bijdrage betrekking heeft.

 

Artikel 8. Onvoorziene situaties

In gevallen, de uitvoering van deze nadere regel betreffende, waarin deze niet voorziet, beslissen burgemeester en wethouders.

 

Artikel 9. Bekendmaking

 

 

 

 

Deze regeling treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking.

Vastgesteld in de vergadering van 19 december 2017.

burgemeester en wethouders,

N.J.H. Scheltens B.H.M. Link

secretaris burgemeester

Bijlage: Regeling welzijnsactiviteiten Geldrop-Mierlo 2018

 

Toelichting

In haar vergadering van 10 juli 2017 het de raad aangegeven dat wij de bijdrage binnen onze regeling welzijnsactiviteiten moeten verhogen naar €200,-. Via deze regeling verlenen wij een extra financiële bijdrage ten behoeve van het bevorderen van maatschappelijke participatie. Hierbij staat het deelnemen aan sociaal-culturele en sportactiviteiten voorop.

 

Deze regeling is in 2015 vastgesteld als “Tijdelijke Regeling Welzijnsactiviteiten 2015”. Inmiddels zijn wij twee jaar verder en kan deze regeling niet meer als tijdelijk worden gezien. Daarom hebben wij de naam van deze regeling aangepast. De naam is nu: ”Regeling Welzijnsactiviteiten 2018”.

 

Onze regeling is gebaseerd op de WMO 2015. Juridisch gezien is echter de vraag in hoeverre onze regeling kan worden gezien als maatwerkvoorziening binnen de WMO 2015. Artikel 2.1.7 Wmo 2015 strekt namelijk in beginsel niet tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening. De tegemoetkoming in de meerkosten wordt binnen de WMO 2015 geplaatst ‘naast en in samenhang met het al bestaande gemeentelijk instrumentarium voor ondersteuning’, waaronder dus ook de maatwerkvoorzieningen. Deze regeling valt daarmee in een grijs juridisch gebied. Wij kiezen er binnen de gemeente Geldrop-Mierlo voor, ondanks dit juridisch grijze gebied, om onze minima deze voorziening wel te kunnen aanbieden.

 

Artikel 1. Begripsbepalingen

Bij de uitvoering van de regeling welzijnsactiviteiten sluiten wij aan bij de begrippen zoals die in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht en de WMO 2015 gehanteerd worden.

 

Artikel 2. Compensatie welzijnsactiviteiten

In artikel 2.1.7. van de WMO 2015 is opgenomen dat bij verordening kan worden bepaald dat door het college aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. Wij zien het hebben van een laag inkomen als een dergelijke beperking. Wij vinden het belangrijk dat juist onze minima in de gelegenheid zijn om deel te nemen aan de maatschappelijke activiteiten. Deze doelgroep kan goed participeren in de maatschappij door deel te nemen aan sociaal culturele of verenigingsactiviteiten. Hierbij kan gedacht worden aan de volgende activiteiten.

• lidmaatschap muziek-, toneel- en sportvereniging (ook sportschool);

• benodigdheden direct verband houdend met lidmaatschap vereniging;

• zwemabonnement;

• theaterbezoek;

• kiezers- of vakvereniging;

• ouderenvereniging;

• cursuskosten voor niet-beroepsgerichte vaardigheden (geen schriftelijke cursussen);

• bezoek pretpark

 

Hierbij staat voorop dat de activiteiten erop gericht zijn om actief deel te nemen aan de maatschappij en onder de mensen te komen. In het verleden werden deze middelen regelmatig gebruikt voor het betalen van een krantenabonnement of een internetabonnement. Op dit punt willen wij de regeling beperken. Gezien de terugloop van het gebruik van kranten en het dagelijks gratis beschikbare aanbod daarvan stellen wij voor om deze niet meer op te nemen. Voor internetabonnementen geldt dat deze inmiddels als normaal gangbaar aanwezig kunnen worden beschouwd. Daarmee passen die niet meer in ons beleid op het punt van welzijnsactiviteiten.

Aan de groep minima tot 120% van de bijstandsnorm geven wij een compensatie in de vorm van een financiële tegemoetkoming. Deze voorziening geldt voor personen, die ouder zijn dan 18 jaar. Voor jongeren onder de 18 jaar worden aparte regelingen op dit punt vastgesteld.

Bij de toepassing van deze regeling hanteren wij een peildatum van 1 januari. Personen die op 1 januari van het kalenderjaar waarin de aanvraag wordt ingediend de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt komen in aanmerking voor deze regeling.

 

Artikel 3. Inkomensgrens

Wij gaan uit van een inkomensgrens die is afgeleid van de bijstandsnorm voor gezinnen, die is opgenomen in artikel 21 onder b van de Participatiewet. Van dit bedrag nemen wij 120%als inkomensgrens voor gezinnen. De afgeleide normen voor alleenstaanden en alleenstaande ouders zijn 70% en 90% van de inkomensgrens voor gezinnen. Dit systeem hanteren wij ook bij de overige minimaregelingen.

 

Artikel 4. Vermogensgrens

Wij hanteren de vermogensgrens die genoemd wordt in de Participatiewet.

 

Artikel 5. Studenten op grond van de Wet Studiefinanciering 2000 (WSF)

Studenten worden uitgesloten van deze regeling. Dit sluit aan bij de gedachte dat studenten een groep zijn die gedurende het onderwijstraject tijdelijk een laag inkomen hebben. Na hun studie zullen zij normaalgesproken in staat zijn om een hoger inkomen te verwerven.

 

Artikel 6. Hoogte tegemoetkoming

Het maximumbedrag van de vergoeding bedraagt € 200,- per persoon per jaar. De aanvrager zal bij de aanvraag bonnen moeten indienen. Hij kan gedurende het kalenderjaar meerdere aanvragen indienen totdat het maximumbedrag van € 200,- bereikt is.

 

Artikel 7. Tijdstip van aanvraag

De bijdrage kan worden verstrekt als de kosten zijn gemaakt in het kalenderjaar waarin de aanvraag wordt ingediend. Dit moet via het overleggen van bonnen en betalingsbewijzen worden aangetoond. De declaratie van de bijdrage moet worden ingediend uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de bijdrage betrekking heeft. In de praktijk betekent dit dat de bonnen voor 1 april van het jaar erop moeten worden ingediend.

De controle op deze regeling zal achteraf via steekproeven worden uitgevoerd.

 

Artikel 8. Onvoorziene situaties

Dit artikel ziet toe op onvoorziene situaties. Wanneer er sprake is van bijzondere omstandigheden kan het college afwijken van de beleidsregels.

 

Naar boven