Gemeenteblad van Winterswijk

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
WinterswijkGemeenteblad 2018, 16556Beleidsregels



Beleid toepassing Wet Bibob 2017

De burgemeester en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Winterswijk, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft;

 

Overwegende, dat de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob) hen beleidsruimte verschaft bij de besluitvorming omtrent het toepassen van hun uit deze wet voortvloeiende bevoegdheden;

 

Gelet op

BESLUITEN:

 

Vast te stellen de:

 

Beleidslijn voor de toepassing van de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur voor de gemeente Winterswijk 2017

 

Aanleiding nieuwe beleidslijn Wet Bibob

De Wet Bibob is op 1 juni 2003 in werking getreden. Per 1 juli 2013 is de Wet Bibob gewijzigd. De wijziging ziet toe op de verruiming van het toepassingsbereik van de Wet Bibob en daarnaast zijn enkele beleidsaanpassingen aangebracht.

 

De wijziging van de wet en toenemende aandacht voor ondermijnende criminaliteit vormen aanleiding om het Winterswijkse Bibob beleid te actualiseren en waar nodig uit te breiden. In deze inleiding op de beleidslijn worden de doelstelling en de uitgangspunten van de Wet Bibob beschreven. Dit is noodzakelijk omdat de gemeente een grote mate van beleidsvrijheid heeft bij de toepassing van de Wet Bibob. De beleidslijn biedt een kader waarbinnen de Wet Bibob wordt toegepast door de gemeente Winterswijk.

Doelstelling van de Wet Bibob

Het doel van de Wet Bibob is het beschermen van de integriteit van de overheid. De Wet Bibob heeft een preventief karakter en is bedoeld om te voorkomen dat de overheid ongewild criminele activiteiten faciliteert door bijvoorbeeld vergunningen of subsidies te verstrekken of vastgoedtransacties aan te gaan. Hiermee wordt tevens de concurrentiepositie van bonafide ondernemers beschermd.

Werking van de Wet Bibob

Op grond van de Wet Bibob is het mogelijk diepgaand onderzoek te doen naar de achtergrond van een persoon of onderneming middels eigen onderzoek en/of het vragen van een advies aan het Landelijk Bureau Bibob. Het Bibob-instrument is van toepassing op in de wet aangewezen vergunningen, subsidies, bepaalde categorieën overheidsopdrachten en vastgoedtransacties.

 

Tot op heden is de Wet Bibob vooral toegepast op een beperkt aantal vergunningen. Een vergunning kan worden geweigerd of ingetrokken indien er een ernstig gevaar bestaat dat deze wordt gebruikt om uit strafbare feiten verkregen vermogen te benutten (de zogenaamde a-grond) of om strafbare feiten te plegen (de zogenaamde b-grond). Dit is geregeld in artikel 3 van de Wet Bibob.

 

Bij beoordeling van de a-grond worden strafbare feiten betrokken waarmee geld kan worden verdiend zoals witwassen, drugshandel en (belasting)fraude. Er hoeft niet te worden aangetoond dat dit vermogen daadwerkelijk in de onderneming wordt geïnvesteerd. Voor het aannemen van een ernstig gevaar is het voldoende dat het aannemelijk is dat de feiten zijn gepleegd, het voordeel groot is en dat het voordeel niet is ontnomen.

 

Ten aanzien van de b-grond gaat de wet ervan uit dat als iemand in het (recente) verleden vaak genoeg strafbare feiten heeft gepleegd, hij dit in de toekomst opnieuw kan doen. Die strafbare feiten moeten wel zijn gepleegd bij activiteiten die samenhangen of overeenkomen met activiteiten van de vergunning.

Het Bibob onderzoek

Indien wordt overgegaan tot een toetsing op basis van de Wet Bibob kunnen twee fasen worden onderscheiden. De eerste fase van toetsing bestaat uit een onderzoek dat door de gemeente zelf wordt uitgevoerd. Dit gebeurt aan de hand van openbare bronnen en informatie die wordt verkregen uit het Bibob-vragenformulier. Dit formulier moet worden ingevuld door de partij die wordt beoordeeld. Daarnaast is met de uitbreiding van de Wet Bibob de informatiepositie van bestuursorganen verbeterd en kan de gemeente zelf gegevens opvragen bij politie, OM en de Belastingdienst.

 

In de tweede fase kan de gemeente advies vragen aan het Landelijk Bureau Bibob (het Bureau) dat onderdeel uitmaakt van het ministerie van Veiligheid en Justitie. Dit gebeurt als er na het eigen onderzoek nog vragen zijn, bijvoorbeeld over de financiering. Indien de gemeente een advies aanvraagt bij het Bureau, wordt de betrokkene hier schriftelijk over geïnformeerd. Het Bureau heeft toegang tot gesloten bronnen zoals politiegegevens, strafregisters en gegevens van het UWV en de Arbeidsinspectie, waardoor een bredere screening en diepgaander onderzoek mogelijk is. Het advies van het Bureau kan drie conclusies hebben: er is een ernstig gevaar, een mindere mate van gevaar of er is geen (gebleken) gevaar.

 

De mate van gevaar wordt vastgesteld op basis van antecedenten van de betrokkene en van bepaalde in de wet aangewezen derden (bijvoorbeeld financiers en bestuurders). Als er een relatie wordt vastgesteld tussen de betrokkene en de derde worden de antecedenten van die derde meegewogen bij het bepalen van het gevaar. Het doel hiervan is om stroman-constructies te voorkomen.

 

Een advies van het Bureau is niet bindend. Het is aan de gemeente om de afweging te maken of een door het Bureau vastgesteld gevaar zo zwaarwegend is dat bijvoorbeeld een verleende vergunning moet worden ingetrokken of een vastgoedtransactie niet moet worden aangegaan. Het is ook mogelijk om voorschriften te verbinden aan een beschikking of om extra voorwaarden op te nemen in een overeenkomst.

 

De gemeente kan ook op basis van eigen onderzoek en zonder een advies van het Bureau besluiten over te gaan tot weigering of intrekking op grond van de Wet Bibob of het niet aangaan of ontbinding van een overeenkomst.

Wijziging van de wet

De verruiming van de Wet Bibob heeft betrekking op de volgende sectoren:

  • Vastgoed- en grondtransacties waarbij de overheid is betrokken als civiele partij; dit is de belangrijkste uitbreiding in de nieuwe Wet Bibob. Het gaat om diverse transacties zoals koop/verkoop, huur/verhuur en gronduitgifte.

  • Bepaalde vergunningen op grond van de Huisvestingswet, onder andere voor splitsing of woningonttrekking, in het kader van de aanpak van huisjesmelkers.

  • Iedere gemeentelijke vergunning of ontheffing, mits dit bij verordening is geregeld en de vergunning betrekking heeft op de exploitatie en/of bedrijfsvoering van een bedrijf of inrichting. Voor de wijziging van de Wet Bibob werden in het Besluit Bibob specifiek activiteiten benoemd waarop de Wet Bibob van toepassing was. Dit is in de huidige Wet Bibob losgelaten.

  • Alle subsidies aan een rechtspersoon of een natuurlijk persoon. In de gewijzigde Wet Bibob is de verplichting losgelaten dat het toepassen van de Wet Bibob in de specifieke subsidieregeling/- verordening vastgelegd moet worden.

Uitgangspunten Wet Bibob algemeen

  • 1.

    Blijkens de Memorie van Toelichting van de Wet Bibob zijn de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit belangrijke uitgangspunten van de wet. Het Bibob instrumentarium moet worden gezien als een ultimum remedium. De toepassing van de Wet Bibob is een aanvullend middel op bestaande mogelijkheden om bijvoorbeeld een vergunning te weigeren of een subsidie in te trekken. De gemeente dient nadrukkelijk eerst de mogelijkheden te benutten die de reguliere wetgeving biedt.

  • 2.

    De reikwijdte van de Wet Bibob strekt zich uit tot de sectoren waarvan de dreiging van criminele activiteiten het grootst is. Meer specifiek worden deze genoemd in de Wet Bibob zelf en de sectoren die bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) zijn aangewezen.

Bibob beleid in Winterswijk

In de beleidslijn wordt een onderscheid gemaakt tussen beschikkingen (vergunningen en subsidies) en privaatrechtelijke transacties (aanbestedingen en vastgoedtransacties). Per type beschikking en privaatrechtelijke transactie wordt aangegeven hoe het Bibob instrumentarium wordt toegepast. De toepassing is standaard of signaal gestuurd van aard. Onder standaard wordt verstaan dat in alle gevallen, bijvoorbeeld bij iedere aanvraag van een vergunning in een bepaalde branche of een bepaald gebied, een Bibob-toets wordt gedaan. Indien de in de beleidslijn benoemde risicogebieden en branches moeten worden aangepast –bijvoorbeeld naar aanleiding van een gebiedsscan van de politie of een criminaliteitsbeeldanalyse van het RIEC- wordt hierover een besluit genomen door de burgemeester of het college.

 

Signaal gestuurd houdt in dat bij signalen van bijvoorbeeld OM, politie en belastingdienst of naar aanleiding van ambtelijke informatie een Bibob-toets wordt uitgevoerd. Hieronder volgt een nadere toelichting per toepassingsgebied.

Vergunningen

  • Vergunningen voor openbare inrichtingen

    Ten aanzien van de openbare inrichtingen (horeca-inrichtingen, prostitutiebedrijven, speelautomatenhallen en coffeeshops) wordt het beleid van de afgelopen jaren ten aanzien van het aanvragen van een vergunning op basis van de Drank- en Horecawet voortgezet. Daarnaast is het met de herziening van de Algemene Plaatselijke Verordening de exploitatievergunning opnieuw ingevoerd. Bij de vergunningverlening van openbare inrichtingen wordt de Wet Bibob standaard ingezet. Het Bibob-instrumentarium is in de afgelopen jaren in Winterswijk, en ook landelijk, alleen ingezet in deze branches.

  • Evenementenvergunningen

    Onder ‘overige vergunningen’ worden in deze beleidslijn de vergunningen verstaan voor evenementen. Voor vergunningaanvragen voor evenementen wordt de Wet Bibob signaal gestuurd toegepast.

  • Omgevingsvergunningen bouw

    Met betrekking tot de in de bijlage genoemde risicobranches en -gebieden wordt de Bibob-toets standaard toegepast. Dit geldt ook voor alle aanvragen van een omgevingsvergunning bouw met een bedrag vanaf € 500.000,–

  • Omgevingsvergunningen milieu

    In de beleidslijn zijn artikelen opgenomen die betrekking hebben op de aanvragen van een omgevingsvergunning inrichtingen Wet en Milieubeheer ten aanzien van specifieke branches en een omgevingsvergunning beperkte milieu-toets ten aanzien van specifieke activiteiten. Voor beide vergunningen geldt dat de Wet Bibob signaal gestuurd wordt toegepast.

Subsidies

Met de wijziging van de Wet Bibob kunnen alle subsidies worden getoetst. Alle subsidies kunnen signaal gestuurd worden getoetst en daarnaast bestaat er een mogelijkheid om bepaalde type subsidies aan te wijzen waarop de Wet Bibob standaard wordt toegepast. Dit geldt zowel voor aanvragen als voor reeds verleende subsidies.

Aanbestedingen

De toepasbaarheid van het Bibob-instrumentarium is door de wetgever bij aanbestedingen beperkt tot de sectoren milieu, ICT en bouw.

 

De Wet Bibob geeft geen extra weigeringsgrond bij aanbestedingen. De reden hiervoor is dat het binnen deze sector in beginsel gaat om een gesloten stelsel van selectie- en gunningscriteria. De uitkomst van een Bibob-toets kan dan ook slechts gelden als versterking van één van deze criteria.

 

In de beleidslijn is ervoor gekozen om de Wet Bibob signaal gestuurd toe te passen. De beleidslijn laat de mogelijkheid open om in iedere fase van een aanbesteding een Bibob-toets uit te voeren. Ook is het mogelijk om na gunning van een overheidsopdracht een Bibob-toets uit te voeren als hieromtrent in de betreffende aanbestede (concept)overeenkomst(en) een nadere bepaling is opgenomen.

Vastgoedtransacties

Waar bij vergunningen geldt dat deze in beginsel verleend moeten worden, tenzij er sprake is van een weigeringsgrond in een wettelijke regeling, staat bij vastgoedtransacties het uitgangspunt van contractsvrijheid voorop. Dat brengt met zich mee dat partijen vrij zijn om met elkaar in onderhandeling te treden en ook om die onderhandelingen weer af te breken. Die vrijheid is echter niet onbeperkt. Het afbreken van onderhandelingen kan bijvoorbeeld als onaanvaardbaar worden beschouwd indien de wederpartij het gerechtigde vertrouwen mocht hebben dat de overeenkomst tot stand zou komen. Bovendien moet een gemeente bij onderhandelingen over een overeenkomst de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen. In hoeverre onderhandelingen als gevolg van een Bibob-procedure kunnen worden afgebroken, hangt af van de concrete omstandigheden waarbij onder meer van belang is of de wederpartij ervan op de hoogte is gesteld dat de Wet Bibob zou worden toegepast. Gelet hierop dient uitdrukkelijk een voorbehoud gemaakt te worden door de gemeente indien er een intentie is om voorafgaand aan het sluiten van een overeenkomst een Bibob-toets uit te voeren.

 

De contractsvrijheid brengt anderzijds met zich mee dat onderhandelingen ook kunnen worden afgebroken indien geen sprake is van een ernstig gevaar maar er naar het oordeel van de gemeente wel sprake is van een integriteitsrisico.

 

Het is mogelijk om nadat een vastgoedtransactie is aangegaan een advies aan te vragen bij het Landelijk Bureau Bibob indien een clausule is opgenomen in de overeenkomst die bepaalt in welke gevallen deze kan worden ontbonden.

Anders dan het weigeren of intrekken van een subsidie of vergunning, is het niet aangaan of beëindigen van een vastgoedtransactie geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. De betrokkene kan daardoor geen bezwaar of beroep instellen maar zal zich tot de civiele rechter moeten wenden.

 

In de beleidslijn wordt een onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten vastgoedtransacties. Deze worden hieronder nader toegelicht:

 

  • Verhuur van onroerend goed en het verlenen van een gebruiksrecht

    Bij dit type vastgoedtransacties kan worden overgegaan tot een Bibob-toets indien sprake is van verhuur met betrekking tot dezelfde risicobranches en gebieden die zijn benoemd bij de omgevingsvergunning bouw. Daarnaast kan in huur- en verhuurcontracten een beëindigingsclausule worden opgenomen waardoor tijdens een lopend contract ook de mogelijkheid bestaat om een Bibob-toets uit te voeren indien daar aanleiding toe is.

  • Verkoop van onroerend goed

    Indien sprake is van verkoop van onroerend goed is een aantal indicatoren benoemd waarbij eerder wordt overgegaan tot een Bibob-toets. Een voorbeeld hiervan is dat de hoogte van de aankoopsom of bieding ongebruikelijk is vergeleken met de waardering van het vastgoedobject. Verder wordt de Wet Bibob signaal gestuurd toegepast.

  • Gronduitgifte

    Bij gronduitgifte is eveneens een aantal indicatoren benoemd waarbij eerder wordt overgegaan tot een Bibob-toets. Daarnaast is een aantal omstandigheden benoemd waarbij doorgaans niet wordt overgegaan tot een Bibob-toets. Dit betreft onder andere de uitgifte van grond aan particulieren ten behoeve van tuinuitbreidingen. Bovendien is een koppeling gemaakt met het artikel over omgevingsvergunning bouw aangezien de uitgifte van grond veelal wordt gevolgd door een omgevingsvergunning bouw.

Paragraaf 1: Algemeen

Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

  • 1.

    De definities in artikel 1.1 van de Wet Bibob zijn van overeenkomstige toepassing op deze beleidslijn, tenzij daarover in lid 2 anders is bepaald.

  • 2.

    In deze beleidslijn wordt verstaan onder:

    • a.

      De gemeente: de gemeente Winterswijk;

    • b.

      Bestuursorgaan: de burgemeester onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders alsmede degenen aan wie zij een mandaat hebben verleend tot besluitvorming bij beschikkingen van de gemeente Winterswijk;

    • c.
    • d.

      RIEC: het Regionale Informatie- en Expertisecentrum (RIEC) is een regionaal samenwerkingsverband die de samenwerkende partners (waaronder gemeenten) ondersteunt in hun strijd tegen georganiseerde criminaliteit.

    • e.

      Semioverheid: organisaties die ‘dicht tegen de overheid aan zitten’. Kenmerken van een semioverheidsorganisatie zijn: 1. wettelijke taken en/of het dienen van een uitgesproken publiek belang; 2. een publieke financiering.

    • f.

      Bibob-toets: de wijze van behandelen van een aanvraag waarbij met toepassing van de wet door het bestuursorgaan wordt beoordeeld of er redenen aanwezig zijn, ontleend aan de wet, om de aanvraag te weigeren, de overeenkomst niet aan te gaan, de beschikking in te trekken of daaraan voorschriften te verbinden;

    • g.

      LBB: Landelijk Bureau Bibob; Bureau Bibob: het Bureau Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet Bibob.

    • h.

      Eigen onderzoek: de wijze van behandelen van een aanvraag waarbij met toepassing van de wet door het bestuursorgaan wordt beoordeeld of er redenen aanwezig zijn om de aanvraag te weigeren, respectievelijk de beschikking in te trekken of te beëindigen, daaraan voorschriften te verbinden dan wel een advies bij het LBB aan te vragen.

Paragraaf 2: Publiekrechtelijke beschikkingen

Artikel 2 Toepassingsbereik bij nieuwe beschikkingen

De toepassing van de wet zal door het bestuursorgaan op de hieronder aangeduide beschikkingen op de volgende wijze plaatsvinden:

Artikel 2.1. Bibob-toets bij elke aanvraag

Uitvoering van de Bibob-toets kan in beginsel plaatsvinden bij elke aanvraag voor een beschikking als bedoeld in:

  • a.

    artikel 3 Drank- en Horecawet (Drank- en Horecavergunning);

    Indien sprake is van vestiging van een nieuw bedrijf, de overname van een bestaand bedrijf, de overname van (de meerderheid van) de aandelen van een bestaand bedrijf of wijziging van de rechtsvorm van de onderneming enkel indien deze wijziging samengaat met een wijziging van de van de persoon of de personen die zeggenschap over het bedrijf. Uitvoering vindt niet standaard plaats in het geval het een horecabedrijf betreft, als bedoeld in artikel 4 van de Drank- en horecawet (para-commerciële horeca inrichting).

  • b.

    artikel 2.17 van de Algemene Plaatselijke Verordening (exploitatievergunning openbare inrichtingen);

    Indien sprake is van vestiging van een nieuw bedrijf, de overname van een bestaand bedrijf, de overname van (de meerderheid van) de aandelen van een bestaand bedrijf of wijziging van de rechtsvorm van de onderneming enkel indien deze wijziging samengaat met een wijziging van de van de persoon of de personen die zeggenschap over het bedrijf (hieronder valt o.a. ook de coffeeshop).

  • c.

    artikel 30b van de Wet op kansspelen (exploitatievergunning speelhallen);

    Voor zover deze vergunning betrekking heeft op inrichtingen als bedoeld in artikel 30c lid 1, sub b van de Wet op de kansspelen. Indien sprake is van vestiging van een nieuw bedrijf, verlenging van een vergunning, de overname van een bestaand bedrijf, de overname van de aandelen van een bestaand bedrijf of wijziging van de rechtsvorm van de onderneming enkel indien deze wijziging samengaat met een wijziging van de van de persoon of de personen die zeggenschap over het bedrijf.

  • d.

    Artikel 2.25 van de Algemene Plaatselijke Verordening (exploitatievergunning speelgelegenheid)

    Indien sprake is van vestiging van een nieuw bedrijf, verlenging van een vergunning, de overname van een bestaand bedrijf, de overname van de aandelen van een bestaand bedrijf of wijziging van de rechtsvorm van de onderneming enkel indien deze wijziging samengaat met een wijziging van de van de persoon of de personen die zeggenschap over het bedrijf.

  • e.

    Artikel 2.53 lid 3 van de Algemene Plaatselijke Verordening (exploitatievergunning risicobranches)

    Indien sprake is van vestiging van een nieuw bedrijf, verlenging van een vergunning, de overname van een bestaand bedrijf, de overname van (de meerderheid van) de aandelen van een bestaand bedrijf of wijziging van de rechtsvorm van de onderneming enkel indien deze wijziging samengaat met een wijziging van de van de persoon of de personen die zeggenschap over het bedrijf heeft.

  • f.

    Artikel 3.3 van de Algemene Plaatselijke Verordening (seksbedrijf),

    Indien sprake is van vestiging van een nieuw bedrijf, verlenging van een vergunning, de overname van een bestaand bedrijf, de overname van (de meerderheid van) de aandelen van een bestaand bedrijf of wijziging van de rechtsvorm van de onderneming enkel indien deze wijziging samengaat met een wijziging van de van de persoon of de personen die zeggenschap over het bedrijf heeft.

Dit beleid is in beginsel niet van toepassing op inrichtingen die op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening zijn uitgezonderd van de exploitatievergunningplicht. Het gaat om de volgende inrichtingen:

  • een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;

  • een zorginstelling;

  • een museum;

  • een bedrijfskantine of bedrijfsrestaurant.

Artikel 2.2 Bibob-toets bij risico-indicatoren

Uitvoering van de Bibob-toets vindt bij onderstaande aanvragen voor een beschikking plaats als zij vallen onder de daartoe aangewezen branche en/ of gebied en de daarbij geldende risico-indicatoren.

Artikel 2.2.1 Omgevingsvergunning bouwactiviteiten

  • 1.

    De aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet Algemene bepalingen omgevingsrecht (omgevingsvergunning bouwactiviteit).

    De toepassing blijft beperkt tot de aanvragen met een bouwsom hoger dan € 500.000 (exclusief btw) of aanvragen die vallen onder de risicocategorieën (Zie bijlage 1 bij deze beleidslijn).

  • 2.

    De Bibob-toets zal niet worden toegepast, ingeval de aanvraag afkomstig is van:

    • Overheidsinstanties;

    • Semi- overheidsinstanties

    • Toegelaten woning(bouw)corporaties; (toegelaten door de Minister van Volkshuisvesting conform Woningbesluit 1932 middels daartoe verstrekte vergunning)

    • Door het College van B&W bij besluit aangewezen (specifieke) aanvragers.

Artikel 2.3 Bibob-toets naar aanleiding van informatie van partners.

De uitvoering van de Bibob-toets kan bij onderstaande aanvragen voor een beschikking plaatsvinden, indien er sprake is van ambtelijke informatie en/ of informatie van een of meerdere partners zoals toezichthouders, politie, Belastingdienst, het RIEC en het OM, die een aanleiding vormen om te vermoeden dat de beschikking zal worden gebruikt als bedoeld in artikel 3 van de wet Bibob:

  • a.

    De aanvraag als bedoeld in artikel 30a Drank- en Horecawet;

  • b.

    De aanvraag als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet, in het geval het een horecabedrijf betreft welke op grond van paragraaf 2.1 van deze beleidslijn niet standaard voor een Bibob toets in aanmerking komt.

  • c.

    De aanvraag als bedoeld in de gemeentelijke subsidieregeling;

  • d.

    De aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i van de Wet Algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover dat onderdeel betrekking heeft op een activiteit waarvoor bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 2.17 van die wet is bepaald, dat de beschikking in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 Wet Bibob kan worden geweigerd (omgevingsvergunning beperkte milieutoets).

  • e.

    De aanvraag om een evenementenvergunning als bedoeld in artikel 2.14 van de APV.

Artikel 2.5 Toepassingsbereik bij reeds verleende beschikkingen

Het bestuursorgaan kan de Wet Bibob in beginsel toepassen met betrekking tot reeds verleende beschikkingen indien:

  • 1.

    de verstrekte beschikking betrekking heeft op een locatie, die gelegen is in een concreet bepaald gebied, dat op basis van een daartoe genomen besluit van het bestuursorgaan na de verstrekking van de beschikking, is aangewezen als risicogebied;

  • 2.

    de verstrekte beschikking onderdeel uitmaakt van een branche of onderdeel in deze branche, die op basis van een door het bestuursorgaan genomen besluit na de verstrekking van de beschikking is aangewezen voor een generieke Bibob-toets;

  • 3.

    vanuit eigen informatie dan wel vanuit informatie van een of meerdere partners al dan niet binnen het samenwerkingsverband RIEC, er aanwijzingen zijn dat er sprake is van een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob;

  • 4.

    informatie als bedoeld in artikel 11 juncto 26 van de Wet Bibob verkregen, vanuit het OM, direct of als reactie op een door haar ontvangen signaal van het Landelijk Bureau Bibob, dat duidt op een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob;

  • 5.

    bekend wordt dat tegen betrokkene in een andere gemeente bij een Bibob-toets een ernstige mate van gevaar is geconstateerd en aan betrokkene hier een soortgelijke beschikking is verstrekt. In geval aan betrokkene in meerdere gemeenten binnen het samenwerkingsverband RIEC eerder al een soortgelijke beschikking is verleend, zal het bestuur het RIEC om coördinatie in de Bibob-toets verzoeken.

Artikel 2.6 Toepassingsbereik bij subsidies

In geval van een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in de Algemene Subsidieverordening Winterswijk 2017 of een reeds op grond van de Algemene Subsidieverordening Winterswijk 2017 verleende subsidie kan het bestuursorgaan uitvoering geven aan een Bibob-toets indien op grond van:

  • 1.

    eigen ambtelijke informatie en/of

  • 2.

    informatie verkregen van het Landelijk Bureau Bibob en/of

  • 3.

    informatie verkregen vanuit het OM conform artikel 26 van de Wet Bibob (OM-tip) en/of

  • 4.

    informatie verkregen van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC

blijkt dat er mogelijk sprake is van een gevaar als bedoeld in artikel 3 wet Bibob.

 

Paragraaf 3: Privaatrechtelijke transacties

Artikel 3.1 Toepassingsbereik bij vastgoedtransacties

De gemeente kan de Wet Bibob in beginsel toepassen met betrekking tot vastgoedtransacties zoals bedoeld in artikel 1 onder o van de Wet Bibob, waarbij de gemeente partij is. Bij de start van de onderhandelingen daartoe, zal de rechtspersoon met een overheidstaak de wederpartij ervan in kennis stellen dat een Bibob-onderzoek deel kan uitmaken van de procedure. In de overeenkomst wordt een integriteitsclausule opgenomen, op basis waarvan kan worden overgegaan tot ontbinding, opzegging, vernietiging of opschorting van de overeenkomst. De Bibob-toets wordt in beginsel beperkt tot de gevallen, die een of meerdere van onderstaande kenmerken hebben:

  • hoge mate van financiële complexiteit;

  • behorend tot een als zodanig in de bijlage benoemde risicobranche;

  • behorend tot een als zodanig in de bijlage benoemd risicogebied;

  • hoge mate van complexiteit met betrekking tot de bedrijfsstructuur;

  • exceptioneel financieel risico voor de gemeente.

 

De gemeente kan in ieder geval een Bibob-toets uitvoeren alvorens een beslissing wordt genomen over het aangaan van een vastgoedtransactie indien voorafgaand of tijdens de onderhandelingen met een wederpartij op grond van:

  • eigen ambtelijke informatie en/of

  • informatie verkregen van het Bureau en/of

  • informatie verkregen vanuit het OM conform artikel 26 van de wet (OM-tip) en/of

  • informatie van een of meerdere partners zoals toezichthouders, politie, Belastingdienst en het RIEC

blijkt dat er mogelijk sprake is van een gevaar als bedoeld in artikel 3 Wet Bibob.

 

Indien de Bibob-procedure niet is afgerond voor het sluiten van de overeenkomst, wordt hieromtrent een ontbindende voorwaarde opgenomen.

Artikel 3.2 Gronduitgifte

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 3.1, zal voorafgaand aan een vastgoedtransactie met als doel de uitgifte van grond door de gemeente, in ieder geval aanleiding kunnen bestaan voor het uitvoeren van een Bibob-toets indien vragen bestaan over onder meer:

    • a.

      de hoogte van de bieding in relatie tot de waardering van de grond en/of

    • b.

      de financiering van de vastgoedtransactie en/of de contractspartij.

  • 2.

    De omstandigheid dat een gronduitgifte betrekking heeft op een bedrijventerrein maakt dat de gemeente eerder zal besluiten een Bibob-toets uit te voeren.

  • 3.

    De omstandigheid dat een gronduitgifte veelal wordt gevolgd door een omgevingsvergunning bouw maakt dat de gemeente voorafgaand aan een vastgoedtransactie met als doel de uitgifte van grond, een Bibob-toets kan uitvoeren als voldoende aannemelijk is dat zich één van de situaties zoals genoemd in artikel 2.3 lid 1 voordoet of zal gaan voordoen.

  • 4.

    Omstandigheden die kunnen maken dat de gemeente afziet van het uitvoeren van een Bibob-toets zijn als de vastgoedtransactie betrekking heeft op de uitgifte van grond:

    • a.

      aan particulieren ten behoeve van tuinuitbreidingen;

    • b.

      aan verenigingen van eigenaren voor het gebruik als groenvoorzieningen;

    • c.

      ten behoeve van de aanleg van kabels en leidingen voor het transport van gas, (afval)-water, elektra en datacommunicatie;

    • d.

      ten behoeve van de realisatie van kleinschalige voorzieningen, zoals transformatorhuisjes en zendmasten.

Artikel 3.3 Toepassingsbereik bij aanbestedingen

De gemeente zal het Bibob-onderzoek ten aanzien van een gegadigde of onderaannemer in de zin van de Wet Bibob, in beginsel alleen uitvoeren bij overheidsopdrachten, die vallen binnen de sectoren milieu, informatie-communicatietechnologie (ICT) of bouw en die, conform de geldende richtlijnen van de gemeente, voor aanbesteden van werken respectievelijk van diensten en leveringen, openbaar moeten worden aanbesteed.

 

Een besluit tot uitvoering van een Bibob-onderzoek zal daarnaast ook plaatsvinden indien:

  • 1.

    op basis van eigen ambtelijke informatie en/of

  • 2.

    informatie verkregen van het LBB en/of

  • 3.

    informatie verkregen vanuit het Om conform artikel 26 van de Wet Bibob(OM-tip), duidelijke aanwijzingen zijn die het vermoeden rechtvaardigen, dat er sprake is van een ernstig risico als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob en/of

  • 4.

    informatie verkregen vanuit een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband zoals toezichthouders, politie, Belastingdienst of het RIEC.

blijkt dat er mogelijk sprake is van een gevaar als bedoeld in artikel 3 Wet Bibob.

 

Paragraaf 4: Uitvoering

Artikel 4.1 Onderzoek

Een toetsing aan de Wet Bibob geldt in beginsel als een uiterste middel om de integriteit van een betrokken (rechts)persoon te controleren. Hierbij moet de gemeente de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit in acht nemen. Deze eisen brengen mee dat het bevoegd gezag eerst gebruik moet maken van de eigen instrumenten.

 

Indien op grond van deze beleidslijn een Bibob-toets wordt uitgevoerd, zal betrokkene de Bibob-vragenformulieren dienen in te vullen en in te leveren bij de gemeente. Deze formulieren zijn op grond van artikel 30, lid 5 bij ministeriële regeling vastgesteld. Daarbij dienen ook de documenten te worden gevoegd, die in de vragenformulieren zijn vermeld en/of bij de uitreiking van de formulieren door of namens de gemeente zijn genoemd.

 

Het onderzoek naar het zich voordoen van een situatie als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob bestaat uit twee fases:

Fase 1: het eigen onderzoek

Het onderzoek behelst in ieder geval de controle en analyse van:

  • de door de aanvrager/houder van de vergunning aangereikte informatie/documenten bij de Bibob-vragenformulier(en) (inclusief bijlagen) en de door hem/haar daarbij aangeleverde documenten;

  • eventuele extra, op verzoek van het bevoegd gezag, door aanvrager/houder overlegde documenten of informatie;

  • open en gesloten bronnen onderzoek (zoals Kamer van Koophandel, Kadaster, justitiële en strafvorderlijke gegevens, politiegegevens etc).

Fase 2: een adviesaanvraag bij het Bureau

Aanvullend op de controle en analyse van de (extra) verstrekte informatie als hiervoor genoemd, kan een advies bij het Bureau worden gevraagd indien:

  • na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over omstandigheden in de persoon van de aanvrager, gegadigde of wederpartij en/of daarmee in verband te brengen derden als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob, of

  • na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over de bedrijfsstructuur van de aan de betreffende beschikking, overheidsopdracht of vastgoedtransactie te verbinden onderneming(en), of

  • na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over de financiering van de aan de betreffende beschikking, overheidsopdracht of vastgoedtransactie te verbinden activiteiten, of

  • de officier van justitie de gemeente de tip geeft of heeft gegeven om in een bepaalde zaak een Bibob-advies aan te vragen, of

  • het Bureau de gemeente desgevraagd bericht als bedoeld in artikel 11a van de Wet Bibob.

Artikel 4.2 Niet (volledig) invullen Bibob-vragenformulieren

De gemeente kan een aanvraag buiten behandeling stellen ingeval het Bibob-vragenformulier niet (volledig) is ingevuld, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad het Bibob-vragenformulier alsnog (volledig) in te vullen (artikel 4:5 van de Algemene Wet Bestuursrecht). Ook ingeval van een (voorgenomen) privaatrechtelijke transactie kan de gemeente onderhandelingen afbreken ingeval het Bibob-vragenformulier niet (volledig) is ingevuld mits de (beoogde) contractpartij de gelegenheid heeft gehad het Bibob-vragenformulier alsnog (volledig) in te vullen.

 

Indien sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 30, derde lid van de Wet Bibob kan de gemeente ingeval het Bibob-vragenformulier niet (volledig) is ingevuld, na mogelijkheid van herstel, een verleende beschikking intrekken, dan wel een privaatrechtelijke overeenkomst opschorten of ontbinden en/of een rechtshandeling inzake een vastgoedtransactie beëindigen (artikel 4 Wet Bibob).

Artikel 4.3 Informatieplicht

  • 1.

    De gemeente informeert betrokkene schriftelijk over een adviesaanvraag aan het Bureau. Betrokkene wordt daarbij gewezen op de opschorting van de beslistermijn als bedoeld in artikel 31 van de Wet Bibob. Een afschrift van deze brief wordt gevoegd bij het adviesverzoek aan het Bureau.

  • 2.

    In geval een van het Bureau ontvangen advies leidt tot het voornemen om een gevraagde beschikking te weigeren dan wel een eerder verleende beschikking in te trekken, een aanbesteding niet te gunnen dan wel de overeenkomst te ontbinden of geen vastgoedtransactie aan te gaan dan wel deze te beëindigen, wordt aan betrokkene een kopie van het adviesrapport verstrekt. Betrokkene wordt daarbij door de gemeente gewezen op zijn geheimhoudingsplicht als bedoeld in artikel 28 van de Wet Bibob.

Artikel 4.4 Adviestermijn bij een beschikking

  • 1.

    Indien de gemeente een advies aanvraagt bij het Bureau, wordt op grond van artikel 31 van de Wet Bibob, de wettelijke termijn waarbinnen de beschikking dient te worden gegeven, opgeschort voor de duur van de periode die begint met de dag waarop het advies door het Bureau in behandeling wordt genomen en eindigt met de dag waarop het advies is ontvangen, met dien verstande dat deze opschorting niet langer duurt dan de termijn, zoals genoemd in artikel 15 lid 1 van de Wet Bibob.

  • 2.

    Indien het Bureau het advies niet binnen de in lid 1 gestelde termijn kan geven, heeft het de mogelijkheid om op grond van artikel 15, derde lid van de Wet Bibob, de termijn te verlengen. Deze verlenging bedraagt niet meer dan de termijn, genoemd in artikel 15 lid 3 van de wet.

  • 3.

    De gemeente informeert betrokkene onverwijld over een verlenging als bedoeld in het vorige lid.

  • 4.

    De verlenging van de adviestermijn van het Bureau, alsmede eventuele tijdelijke opschorting van de advies-termijn van het Bureau in gevallen als bedoeld in artikel 15, tweede lid van de Wet Bibob kan leiden tot een verdere opschorting van de wettelijke beslistermijn op de beschikking.

Artikel 4.5 Gevolgen van een Bibob-toets

  • 1.

    De gemeente kan overgaan tot een negatief besluit op de aanvraag van een beschikking of de intrekking van een beschikking, dan wel het niet aangaan van een vastgoedtransactie of het beëindigen van een overeenkomst indien uit het eigen onderzoek en/of een eventueel daarop afgegeven advies van het Bureau blijkt, dat er sprake is van een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. Daarbij kan in geval van een inschrijving op een overheidsopdracht, het geconstateerde ernstig gevaar dienen als versterking van een of meerdere uitsluitingsgronden als genoemd in de Aanbestedingswet 2013.

  • 2.

    Indien de gemeente voornemens is negatief te beschikken op de aanvraag op de beschikking dan wel inschrijving op een overheidsopdracht of het aangaan van een vastgoedtransactie wordt betrokkene in de gelegenheid gesteld daartegen zienswijze in te brengen. Het voorgaande is ook van toepassing indien de gemeente voornemens is de beschikking in te trekken dan wel de overeenkomst te beëindigen.

  • 3.

    De gemeente kan bij een mindere mate van gevaar aan een beschikking voorschriften verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar. De gemeente kan bij een mindere mate van gevaar extra voorwaarden opnemen in de overeenkomst die zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar.

  • 4.

    De gemeente kan bij het ontvangen van een advies van het Bureau dit advies conform artikel 29 van de Wet Bibob gedurende twee jaren gebruiken in verband met een andere beslissing.

 

Paragraaf 5: Invoering

Artikel 5.1 Invoeringsdatum.

Deze beleidslijn is vastgesteld door de Burgemeester respectievelijk het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Winterswijk op 12 december 2017 en treedt in werking op 13 december 2017.

Artikel 5.2 Intrekking

De Bibob beleidslijn horeca en prostitutie van 2004 wordt ingetrokken.

Artikel 5.3 Citeertitel

De beleidsregel wordt aangehaald als ‘Beleidsregels Wet Bibob Winterswijk 2017’.

Bijlage 1  

Toepassingscriteria gelden voor de uitvoering van de Bibob-toets bij de aanvraag voor een beschikking als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) of voor de uitvoering van de Bibob-toets bij vastgoedtransacties.

 

Uitgaand van het doel van de Wet Bibob, het waarborgen van de integriteit van het bestuursorgaan en het voorkomen van ongewild faciliteren van criminele activiteiten en het daarmee het tegenhouden van vergunningen waarbij een bepaalde mate van criminele beïnvloedingen te verwachten valt, zal de uitvoering van de Bibob-toetsing plaatsvinden bij aanvragen die vallen onder een van de hierna genoemde gevallen:

A: Bouwsom

In geval van een vraag van omgevingsvergunning-bouwactiviteiten, waarbij sprake is van een bouwsom van meer dan € 500.000,- (exclusief btw). De bouwsom wordt door de gemeente berekend.

B. Risico categorieën

Indien de bouwsom meer bedraagt dan € 50.000,- (exclusief btw) en minder bedraagt dan of gelijk is aan € 500.000,- (exclusief btw) en waarbij sprake is van een of meerdere onderstaande risicocategorieën.

 

Risico categorieën:

  • Aanvraag omgevingsvergunning met als gebruiksfunctie wonen waarbij sprake is van kamerverhuur (kamerverhuurbedrijven).

    Kamerverhuur zorgt regelmatig voor overlast in de buurt en er is sprake van indicaties van verschillende activiteiten zoals illegale verhuur/bewoning. Ook is er regelmatig sprake van problemen op het gebied van brandveiligheid of het voldoen aan bouwvoorschriften.

  • Aanvraag omgevingsvergunning voor belwinkels of internetcafés.

    Er is sprake van een groot verloop onder deze bedrijven, soms onduidelijke activiteiten en relatief groot aantal problemen met strafrechtelijke handhaving.

  • Aanvraag omgevingsvergunning voor autohandelbedrijven, verkoop- en verhuurbedrijven voor campers.

    Er is sprake van ernstige twijfels in enkele concrete gevallen met betrekking tot wijze van financiering van deze bedrijven.

  • Aanvraag omgevingsvergunning voor woonwagenterreinen

    Er is op deze terreinen sprake van verhoogde kans op illegale activiteiten en milieuvervuiling.

 

De bovenstaande opsomming van risicocategorieën is niet limitatief. Deze categorieën kunnen, indien nieuwe ontwikkelen dit noodzakelijk maken, door het college van burgermeester en wethouders, of de burgemeester, worden aangepast.

C. Selectie op aanvrager

De gemeente Winterswijk wil de persoon van wie eerder een Bibob-advies is aangevraagd en/of - een Bibob-advies met enige mate van gevaar of ernstig gevaar is ontvangen, aan het eigen onderzoek, als bedoeld in artikel 1.1 lid 2 onder l, onderwerpen.

D. Risicogebieden

De burgemeester kan risicogebieden in de gemeente Winterswijk aanwijzen waarbinnen de Wet Bibob alle wettelijk toegestane sectoren wordt toegepast. Het gaat hierbij om gebieden die extra aandacht behoeven voor wat betreft leefbaarheid en veiligheid. Daarnaast gaat het zowel om aanvragers van nieuwe vergunningen, als houders van bestaande vergunningen. Voor aanvragers van een vergunning betrekking hebbende op of verband houdend met een risicogebied betekent dit dat zij altijd gescreend worden, mits de Wet Bibob deze screening toelaat.