Gemeenteblad van Amsterdam

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
AmsterdamGemeenteblad 2018, 159245Verordeningen



Vaststellen subsidieregeling Amsterdam aardgasvrij

Burgemeester en wethouders van Amsterdam

 

Brengen ter algemene kennis dat zij in hun vergadering van 17 juli 2018 hebben besloten:

 

  • 1.

    Vast te stellen de Regeling tot wijziging van de Subsidieregeling Aardgasloos als bedoeld in bijlage 1. De belangrijkste wijzigingen zijn:

    • a.

      Het doel van de regeling wordt uitgebreid tot het terugdringen van de aansluitingen aan het aardgasnet van de bestaande woningvoorraad, het maatschappelijk vastgoed en woningen binnen kleinschalige transformatie, ter stimulering van de transitie naar een aardgasvrij Amsterdam, waaronder begrepen het stimuleren van de transitie van de bestaande woningvoorraad naar NOM-woningen.

    • b.

      De doelgroep van de regeling wordt uitgebreid, zodat iedereen de subsidie kan aanvragen.

    • c.

      Er is subsidie voor het volledig energieneutraal en aardgasvrij maken van woningen via Nul-op-de-meter, voor het voorzien van woningen of maatschappelijk vastgoed van een alternatief voor aardgasverwarming inclusief aardgasvrij koken en voor het door de netbeheerder laten verwijderen van de aardgasaansluiting.

  • 2.

    In te stemmen met een wijziging van de naam van de regeling naar ‘Subsidieregeling Amsterdam aardgasvrij’ van ‘Subsidieregeling Amsterdam aardgasloos’.

 

Bijlage 1 – Regeling tot wijziging van de Subsidieregeling Aardgasloos

Artikel I.  

Artikel 1 van de Subsidieregeling Aardgasloos wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden:

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In deze subsidieregeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Aardgasvrije woning: een bestaande woning waar de aardgasaansluiting verwijderd is en waarin op elektra gekookt wordt;

  • b.

    Afsluiting: het door de netbeheerder (laten) verwijderen of afsluiten van de aardgasaansluiting waardoor de woning, complex van woningen of het maatschappelijk vastgoed geen gebruik meer kan maken van aardgas;

  • c.

    ASA: Algemene subsidieverordening van de gemeente Amsterdam van 2013;

  • d.

    College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam;

  • e.

    Complex: meerdere woningen in hetzelfde gebouw, die aangesloten zijn op een gezamenlijk netwerk waarmee de woningen worden voorzien van aardgas;

  • f.

    Coöperatieve flatvereniging: een coöperatie, die als rechtspersoon eigenaar is van een flatgebouw, waarbij de bewoners de leden zijn van de coöperatie en ieder afzonderlijk bij de coöperatie een lidmaatschapsrecht gekocht hebben om een woning in de flat te kunnen bewonen;

  • g.

    DAEB-vrijstellingsbesluit: het Besluit van de Europese Commissie van 20 december 2011, betreffende de toepassing van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor openbare dienst, verleend aan bepaalde, met beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen (PbEU C9380)), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving;

  • h.

    De-minimisverordening: Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PB EU L 352 van 24.12. 2013), met inbegrip van eventueel in de toekomst vast te stellen wijzigingen;

  • i.

    Gebouwgebonden maatregelen: maatregelen die in het kader van deze subsidieregeling op, in of aan de woning en/of complex worden uitgevoerd;

  • j.

    Kleinschalige transformatie: het realiseren van maximaal 25 woningen in bestaand vastgoed dat eerst geen woning was;

  • k.

    Maatschappelijk vastgoed: een gebouw met een publieke functie op het gebied van onderwijs, sport, cultuur, welzijn, maatschappelijke opvang of zorg;

  • l.

    Meerkosten: extra kosten die gemaakt worden om een aardgasvrije situatie te creëren, met als referentie doorexploiteren of opnieuw investeren in een situatie mét aardgas. Uitgangspunt zijn wettelijke kwaliteitseisen of het gangbare minimum. Meerkosten zijn de kosten daar bovenop;

  • m.

    NOM-woning: een nul-op-de-meter-woning is een woning waarin minimaal net zoveel energie wordt opgewekt (door zon, wind of warmtepompen) als verbruikt, gemiddeld genomen over een jaar tijd;

  • n.

    Onderneming: Onderneming als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de de-minimisverordening, uitgezonderd woningcorporaties;

  • o.

    Organisatie met publieke functie: een rechtspersoon zonder winstoogmerk, statutair gericht op een maatschappelijk belang met een publieke functie op het gebied van onderwijs, sport, cultuur, welzijn, maatschappelijke opvang of zorg;

  • p.

    Woning: een gebouw dat voor bewoning is bestemd met de daarbij horende grond of een afzonderlijk gedeelte van een gebouw, welk gedeelte tot bewoning is bestemd, dat als een zelfstandige woning zoals bedoeld in artikel 7:234 BW wordt aangemerkt, of een woonboot;

  • q.

    Woonboot: een woonboot met een ligplaatsvergunning, zoals bedoeld in Hoofdstuk 2, Paragraaf 3, van de Verordening op het binnenwater 2010;

  • r.

    Woningcorporaties: Toegelaten instellingen zoals bedoeld in artikel 19 van de Woningwet en het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015.

Artikel II.  

Artikel 2a wordt vernummerd naar artikel 3

Artikel III.  

Artikel 3 wordt vernummerd naar artikel 4 dat als volgt komt te luiden:

Artikel 4. Doel subsidieregeling

Deze subsidie heeft tot doel het terugdringen van de aansluitingen aan het aardgasnet van de bestaande woningvoorraad, het maatschappelijk vastgoed en woningen binnen kleinschalige transformatie(s) ter stimulering van de transitie naar een aardgasvrij Amsterdam, waaronder begrepen het stimuleren van de transitie van de bestaande woningvoorraad naar NOM-woningen.

Artikel IV.  

Artikel 4 wordt vernummerd naar artikel 5 dat als volgt komt te luiden:

Artikel 5. Subsidiabele activiteiten

Het college kan een eenmalige subsidie verlenen voor het treffen van fysieke gebouwgebonden maatregelen aan een bestaande woning, complex van woningen, woningen binnen een kleinschalige transformatie of aan maatschappelijk vastgoed in de gemeente Amsterdam voor:

  • a.

    de verbouw naar NOM;

  • b.

    de verbouw naar aardgasvrij;

  • c.

    het (laten) afsluiten van het aardgasnet door de netbeheerder, eventueel in combinatie met een activiteit zoals genoemd onder a of b.

Artikel V.  

Artikel 5 wordt vernummerd naar artikel 6 dat als volgt komt te luiden:

Artikel 6. Subsidiabele kosten

  • 1.

    Voor zover noodzakelijk in relatie tot het doel van de subsidie zoals bedoeld in artikel 4, komen de volgende daadwerkelijk gemaakte kosten in aanmerking voor subsidie:

    • a.

      de meerkosten voor de uitvoering van de activiteit zoals bedoeld in artikel 5, onder a en b;

    • b.

      de kosten voor het afsluiten van het aardgasnet zoals bedoeld in artikel 5, onder c;

  • 2.

    De volgende kosten komen niet in aanmerking voor subsidie op grond van het eerste lid:

    • a.

      de kosten voor zelf verrichte arbeid, indien de maatregelen door de aanvrager zelf worden uitgevoerd;

    • b.

      de kosten voor installatie van biomassaketels, hout- of pelletkachels;

    • c.

      de kosten voor installaties of fornuizen op fossiele brandstoffen als kolen, olie of butaangas;

    • d.

      de kosten voor maatregelen die gericht zijn op het voldoen aan wettelijke verplichtingen of gangbare minimum kwaliteitseisen.

Artikel VI.  

Artikel 6 wordt vernummerd naar artikel 7 dat als volgt komt te luiden:

Artikel 7. Hoogte van de subsidie

  • 1.

    Voor activiteiten zoals bedoeld in artikel 5, onder a, ten behoeve van een woning, complex van woningen of kleinschalige transformatie, bedraagt de subsidie 100% van de werkelijke meerkosten, tot een maximum van € 8.000.- per woning;

  • 2.

    Voor activiteiten zoals bedoeld in artikel 5, onder b, ten behoeve van een woning, complex van woningen of kleinschalige transformatie, bedraagt de subsidie 100% van de werkelijke meerkosten, tot een maximum van € 5.000.- per woning;

  • 3.

    Voor de activiteit zoals bedoeld in artikel 5, onder a en b, ten behoeve van maatschappelijk vastgoed, bedraagt de subsidie 100% van de werkelijke meerkosten, tot een maximum van €5000.‐ per 35GJ aan aardgas dat per jaar bespaard wordt, met een maximum van €125.000.- per maatschappelijk vastgoed;

  • 4.

    Voor activiteiten zoals bedoeld in artikel 5, onder c, ten behoeve van een woning, complex van woningen, kleinschalige transformatie of ten behoeve van maatschappelijk vastgoed, bedraagt de subsidie 100% van de werkelijke kosten, tot een maximum van het op de datum van subsidieaanvraag geldende tarief voor het verwijderen van een aansluiting per woning of per maatschappelijk vastgoed, zoals die is vastgesteld door de in de gemeente Amsterdam van toepassing zijnde netbeheerder;

  • 5.

    Indien de aanvrager voor dezelfde activiteit ook andere subsidies ontvangt, wordt de hoogte van de subsidie zodanig berekend dat de totale subsidie niet meer bedraagt dan 100% van de werkelijke (meer)kosten;

  • 6.

    Voor ondernemingen, niet zijnde woningcorporaties, kan de totale hoogte per subsidieaanvrager de in de de-minimisverordening genoemde grens van € 200.000 per drie belastingjaren niet overschrijden.

Artikel VII.  

Artikel 7 wordt vernummerd naar artikel 8 dat als volgt komt te luiden:

Artikel 8. Subsidieplafond

  • 1.

    Het subsidieplafond voor de in artikel 5 genoemde activiteiten, ten behoeve van een woning of complex van woningen, bedraagt € 5.000.000.‐ .

  • 2.

    Het subsidieplafond voor de in artikel 5 genoemde activiteiten, ten behoeve van maatschappelijk vastgoed, bedraagt € 500.000.‐.

Artikel VIII.  

Artikel 9 komt te vervallen.

Artikel IX.  

Artikel 8 wordt vernummerd naar artikel 9 dat als volgt komt te luiden:

Artikel 9. De aanvrager

  • 1.

    Een ieder kan subsidie aanvragen, waarbij geldt dat indien de aanvrager een Vereniging van Eigenaren, een coöperatieve flatvereniging of enig ander rechtspersoon met leden waarbij de leden binnen een gebouw van die rechtspersoon wonen in een woning, de subsidie door zowel de rechtspersoon als de leden van die rechtspersoon kan worden aangevraagd.

  • 2.

    Subsidie voor de activiteit als genoemd in artikel 5 ten behoeve van maatschappelijk vastgoed, kan uitsluitend worden aangevraagd door een organisatie met een publieke functie.

Artikel X.  

Artikel 10 wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden:

Artikel 10. Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens

  • 1.

    In aanvulling op artikel 5, tweede lid, van de ASA 2013 worden bij de subsidieaanvraag, voor de activiteiten zoals genoemd in artikel 5 de volgende gegevens en stukken overgelegd:

    • a.

      overzicht van de te nemen maatregelen;

    • b.

      kostenraming en financieringsplan;

    • c.

      voor de ondernemer, niet zijnde de woningcorporatie, een volledig ingevulde verklaring De-minimissteun, waaruit volgt dat het drempelbedrag van de-minimissteun van € 200.000 niet wordt overschreden;

    • d.

      bewijs dat er voldaan is aan geldende goedkeuringsverplichtingen;

    • e.

      een overzicht van eventuele andere aangevraagde of verleende subsidies voor dezelfde subsidiabele activiteiten;

    • f.

      bij NOM-renovatie door woningcorporatie: een kopie van getekend energieprestatiecontract;

    • g.

      een offerte van de uitvoering van (een deel van) de subsidiabele activiteiten;

    • h.

      een bewijs dat het bankrekeningnummer waarop de aangevraagde subsidie ontvangen wenst te worden, op naam staat van de aanvrager;

    • i.

      bij een aanvraag ten behoeve van maatschappelijk vastgoed, de energierekening van het afgelopen jaar, voor een periode van maximaal één jaar.

  • 2.

    Indien de aanvrager niet de eigenaar is van de woning, complex van woningen, maatschappelijk vastgoed of het vastgoed bij kleinschalige transformatie, bevat het aanvraagformulier naast de genoemde eisen uit het eerste lid van dit artikel:

    • a.

       een ondertekende toestemmingsverklaring van de eigenaar dat de bedoelde aanvrager één of meer activiteiten zoals genoemd in artikel 5 in het betreffende gebouw mag gaan uitvoeren, waarbij de eigenaar tevens verklaart dat hij:

      • 1°.

        de verwijdering van de gasaansluiting niet ongedaan zal maken;

      • 2°.

        in het huurcontract op zal nemen dat het in de toekomst niet mogelijk is om de woning of het maatschappelijk vastgoed van aardgas te voorzien;

      • 3°.

        een door de gemeente aangestelde inspecteur op verzoek in de gelegenheid stelt om de uitgevoerde werkzaamheden ter plaatse te inspecteren;

      • 4°.

        op verzoek van de gemeente Amsterdam medewerking zal verlenen aan publicitaire acties;

      • 5°.

        in communicatie‐uitingen expliciet duidelijk zal maken dat het project (mede) tot stand gekomen is door ondersteuning van de gemeente Amsterdam.

    • b.

      de geldende huur- of gebruikovereenkomst voor de woning of het maatschappelijk vastgoed waar de subsidiabele activiteit plaatsvindt

Artikel XI.  

Artikel 11 wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden:

Artikel 11. Weigeringsgronden

  • 1.

    In aanvulling op artikel 9, eerste lid, van de ASA 2013 weigert het college een subsidie te verlenen voor de activiteit zoals genoemd in artikel 5 als:

    • a.

      reeds begonnen is met het treffen van maatregelen voordat een aanvraag voor subsidieverlening is ingediend;

    • b.

      de ondernemer, niet zijnde de woningcorporatie, niet aan de vrijstellingsvoorwaarden van de de-minimisverordening voldoet.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 9, tweede lid, van de ASA 2013 kan het college geheel of gedeeltelijk weigeren een subsidie te verlenen voor de activiteit zoals genoemd in artikel 5 als:

    • a.

      de kosten voor de uitvoering van de maatregelen waarvoor een subsidieaanvraag wordt gedaan naar het oordeel van het college niet in redelijke verhouding staan tot het beoogde resultaat;

    • b.

      de subsidieaanvraag de maximale subsidiehoogte overschrijdt.

Artikel XII.  

Artikel 12 wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden:

Artikel 12. Aanvullende verplichtingen

  • 1.

    Naast de verplichtingen op grond van artikel 10 en 11 van de ASA 2013, zijn aan de subsidie de volgende verplichtingen verbonden:

    • a.

      De maatregelen dienen binnen één jaar na verleningsbeschikking volledig te zijn uitgevoerd.

    • b.

      De woningcorporatie administreert de netto kosten, bedoeld in artikel 5 van het DAEB-vrijstellingsbesluit, die zijn verbonden met de activiteiten bedoeld in artikel 5, op een zodanige wijze dat inzicht kan worden verkregen in de hoogte van deze kosten, zulks afgescheiden van de reguliere bedrijfsvoering, in relatie tot de voor deze activiteiten verstrekte subsidie.

    • c.

      De subsidieontvanger zal de afsluiting van de gasaansluiting niet ongedaan maken;

    • d.

      In geval van huurwoningen of gehuurd maatschappelijk vastgoed, dient in het lopende huurcontract te worden opgenomen dat het niet mogelijk is om de woning in de toekomst van aardgas te voorzien;

    • e.

      Een door de gemeente aangestelde inspecteur wordt op zijn verzoek in de gelegenheid gesteld de uitgevoerde werkzaamheden ter plaatse te inspecteren;

    • f.

      Op verzoek van de gemeente Amsterdam wordt medewerking verleend aan publicitaire acties.

    • g.

      voor zover vereist, het verkrijgen van de vergunningen voor de activiteiten zoals genoemd in artikel 5;

    • h.

      In communicatie-uitingen wordt expliciet duidelijk gemaakt dat het project (mede) tot stand gekomen is door ondersteuning van de gemeente Amsterdam.

  • 2.

    De termijn zoals genoemd in het eerste lid, onder a, kan door het college op verzoek worden verlengd indien het college dit uitstelverzoek binnen de genoemde termijn ontvangt.

Artikel XIII.  

Artikel 13 wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden:

Artikel 13. Verantwoording en vaststelling van de subsidie

In aanvulling op artikel 14, tweede lid, van de ASA bevat de aanvraag tot subsidievaststelling:

  • a.

    de betaalde facturen voor de maatregelen inclusief betaalbewijzen;

  • b.

    een schriftelijk bewijs van de netbeheerder dat de woning van het aardgas is afgesloten;

  • c.

    indien de woning of maatschappelijk vastgoed verhuurd wordt, de gewijzigde huurovereenkomst.

Artikel XIV.  

Artikel 14 komt te vervallen.

Artikel XV.  

Artikel 15 wordt vernummerd naar artikel 14 dat als volgt komt te luiden:

Artikel 14. Inwerkingtreding en einddatum

  • 1.

    Deze subsidieregeling treedt in werking een dag na publicatie in het Gemeenteblad en vervalt van rechtswege op 31 december 2020.

  • 2.

    De artikelen in deze subsidieregeling die zien op het aanvragen van een eenmalige subsidie voor de activiteit ten behoeve van maatschappelijk vastgoed, zoals genoemd in artikel 5 vervallen van rechtswege op 31 december 2018.

Artikel XVI.  

Artikel 16 wordt vernummerd naar artikel 15 dat als volgt komt te luiden:

Artikel 15. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling Amsterdam Aardgasvrij.

Artikel XVII.  

De toelichting bij de regeling wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden:

 

Toelichting bij Subsidieregeling Amsterdam Aardgasvrij

 

Inleiding

De gemeente Amsterdam wil de verduurzaming van de stad versnellen. Hiervoor is de Agenda Duurzaamheid opgesteld. Het doel is onder andere dat in 2020 per inwoner 20% meer duurzame energie wordt opgewekt en 20% minder energie verbruikt wordt ten opzichte van 2013. Om dit doel te behalen zijn in de Agenda Duurzaamheid verschillende acties opgenomen. In de uitvoering van plannen wil de gemeente zich vooral richten op initiatieven en projecten die snel kunnen worden opgeschaald.

 

Met de strategie ‘Naar een stad zonder aardgas' wordt hieraan invulling gegeven. Insteek: met het terugdringen van het aardgasverbruik neemt de CO2‐uitstoot in de stad flink af. Samen met partners in de stad en samen met bewoners is de gemeente op zoek naar duurzame alternatieven. Stip op de horizon is een stad zonder aardgas in 2050. Met deze subsidieregeling wordt het voor een eigenaar of gebruiker van woningen, maatschappelijk vastgoed of binnen kleinschalige transformatie mogelijk een belangrijke bijdrage te leveren aan die nieuwe, toekomstbestendige schone stad. Uitdaging is daarnaast om de benodigde elektriciteit duurzaam op te wekken.

 

Er zijn twee varianten van ingrepen die subsidiabel zijn, die moeten leiden tot een woning zonder aardgas. De aanvrager dient één van beide categorieën te kiezen. Het gaat om de Nul-op-de meterrenovatie en om de aardgasloze oplossing. In ieder geval is de woning na de maatregelen afgesloten van het aardgas.

 

Op 12 juni 2018 is een groot deel van de oorspronkelijke Subsidieregeling Amsterdam aardgasloos herzien naar de onderhavige Subsidieregeling Amsterdam Aardgasvrij. Aanleiding voor deze herziening is geweest de aangenomen motie van december 2017 van de gemeenteraad van Amsterdam en de vaststelling van het Versnellingspakket 4 Versnellingsmiddelen Duurzaamheid (besluitnummer ZD2017-007731) op 19 december 2017. De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de regeling vóór herziening is dat de groep van aanvragers is uitgebreid met:

  • -

    huurders die op gelijke voet met eigenaren aanspraak kunnen maken op subsidie;

  • -

    maatschappelijk vastgoed;

  • -

    kleinschalige transformatie van vastgoed naar woningen en

  • -

    legaal afgemeerde woonboten

Tevens zijn er een aantal andere inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd, alsook redactionele wijzigingen.

 

De-minimissteun

In het kader van staatssteun is ervoor gekozen om voor deze subsidieregeling aan te sluiten bij de vrijstellingsvereisten zoals geformuleerd in de de-minimisverordening. Dit betekent dat aan de onderneming van de subsidieaanvrager binnen drie belastingjaren niet meer de-minimissteun mag zijn verstrekt, vermeerderd met de aangevraagde subsidies voor dit project, dan het drempelbedrag van € 200.000. De subsidieaanvrager dient hier zelf op toe te zien en daartoe een “Verklaring de-minimissteun” te overleggen. De definitie van onderneming is in artikel 2, tweede lid van de de-minimisverordening gegeven. Een subsidie aan een onderneming, niet zijnde woningcorporatie, kan dus nimmer hoger zijn dan € 200.000,-.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In dit artikel zijn definities opgenomen van begrippen die in de regeling gebruikt worden. Een aantal begrippen dient nader te worden toegelicht.

 

Afsluiting: het verwijderen van de aardgasaansluiting wordt gedaan door de netbeheerder. De kosten hiervoor vallen onder de subsidiabele maatregelen. De netbeheerder overlegt een schriftelijk bewijs van afsluiting bijvoorbeeld in de vorm van een voldane factuur.

 

Coöperatieve flatvereniging:

Bij deze constructie behoort het flatgebouw in eigendom toe aan de coöperatie, die evenveel leden kent als (toekomstige) bewoners. Het lidmaatschap van de coöperatie geeft het recht tot de bewoning van een privé-gedeelte en tot het gebruik van gemeenschappelijke ruimten.

 

Kleinschalige transformatie:

Het is aan de aanvrager die een onderneming (in de zin van de de-minimisverordening) is, om bij kleinschalige transformatie erop te letten dat de-minimisgrens niet wordt overschreden indien subsidie wordt aangevraagd op grond van deze regeling. Op grond van de de-minimisverordening kunnen decentrale overheden ondernemingen over een periode van drie belastingjaren tot € 200.000,- (het huidige belastingjaar en de twee voorafgaande) steunen zonder dat dit staatssteun oplevert. Er is bijvoorbeeld een probleem met de de-minimis bij transformatie naar 25 Nul-op-de-meter woningen (25 x €8.000= €200.000). In die situatie kan geen subsidie meer aangevraagd worden voor het afsluiten van de woning van het aardgas, omdat de ondernemer dan al aan het maximale steunbedrag zit wat toegestaan is op grond van de de-minimisverordening.

 

NOM:

De opwek en gebruik van energie worden bepaald onder standaardcondities- en rekenmethode, zoals vastgelegd in de Nederlandse norm: NEN 7120. In het kader van deze subsidieregeling beschikt de NOM-woning niet over een gasaansluiting en is niet aangesloten op een warmtenet.

Maatschappelijk vastgoed:

 

Voorbeelden van maatschappelijk vastgoed zijn scholen, zorginstellingen, religieuze gebouwen en gebouwen van sportverenigingen. Dat kunnen allerlei soorten van gebouwen zijn, zolang deze voor een deel of geheel een publieke functie vervullen. Met dit begrip is aangesloten bij de definitie zoals is bepaald in de Subsidieregeling Schaalsprong zonne-energie in Amsterdam. Dat komt de uniformiteit van de (subsidie)regelingen in Amsterdam ten goede.

 

Organisatie met publieke functie:

Uit de statuten van deze organisaties zal moeten blijken of zij 1. een rechtspersoon zijn zonder winstoogmerk, 2. gericht zijn op een maatschappelijk belang en 3. werkzaam zijn op het gebied van onderwijs, sport, cultuur, welzijn, maatschappelijke opvang of zorg. Met dit begrip is aangesloten bij de definitie zoals is bepaald in de Subsidieregeling Schaalsprong zonne-energie in Amsterdam. Dat komt de uniformiteit van de regelingen in Amsterdam ten goede.

 

Artikel 2. Algemene subsidieverordening

De Algemene subsidieverordening Amsterdam 2013 (ASA) is te vinden op www.amsterdam.nl.

 

 

Artikel 3 Europees kader

De Subsidieregeling Amsterdam aardgasvrij is getoetst aan de staatssteunregels. Onderscheid kan worden gemaakt tussen subsidie die wordt verstrekt aan i) woningcorporaties, ii) ondernemers, niet zijnde woningcorporaties en iii) niet-ondernemers.

 

Ten aanzien van steun die aan woningcorporaties wordt verleend ten behoeve van hun taak op het gebied van sociale huurwoningen geldt het DAEB-vrijstellingsbesluit. Ingevolge de Woningwet en het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015zijn woningcorporaties onder andere belast met het in stand houden van en treffen van voorzieningen aan haar woongelegenheden; het treffen van energiebesparende voorzieningen valt hier onder. Op grond van artikel 5, tweede lid, van het DAEB-vrijstellingsbesluit mag voor de uitvoering van deze taak maximaal tien jaar compensatie worden verleend, mits het compensatiebedrag niet hoger is dan nodig ter dekking van de nettokosten daarvan.

 

Het DAEB-vrijstellingsbesluit stelt ten aanzien van de compensatie in artikel 5, negende lid, wel de eis dat als activiteiten worden verricht, die zowel diensten van algemeen economisch belang (DAEB) als andere activiteiten betreffen, de met het treffen van energiebesparende maatregelen verband houdende kosten gescheiden in de boekhouding worden opgenomen. Dit is geregeld in artikel 7, tweede lid. Dit betreft dus een verplichting die vanuit Europees recht wordt opgelegd.

 

 

Artikel 4 Doel

Zie ook de inleiding hiervoor. Om in 2050 een stad zonder aardgas te zijn, moet het aantal aardgasvrije bestaande woningen, bestaand maatschappelijk vastgoed en nieuwe woningen binnen kleinschalige transformatie in Amsterdam fors stijgen. Door in plaats van aardgas te verwarmen met en te koken op een duurzaam alternatief wordt de CO2-uitstoot in de gemeente Amsterdam teruggedrongen.

 

De subsidieregeling is alleen gericht op bestaande woningen, bestaand maatschappelijk vastgoed of, als bijzondere categorie, nieuwe woningen binnen kleinschalige transformatie. Het aardgasvrij bouwen van nieuwbouw is dus uitgesloten van deze regeling.

 

Het doel van de regeling is daarom het stimuleren van het uitvoeren van maatregelen hiertoe. NOM maakt hiervan onderdeel uit. Met een robuuste en laagdrempelige subsidieregeling wordt het voor een zo groot mogelijk aantal eigenaren of gebruikers van woningen en maatschappelijk vastgoed mogelijk om over te gaan tot het nemen van maatregelen.

 

Artikel 5 Subsidiabele activiteiten

In dit artikel is bepaald welke activiteiten subsidiabel zijn.

Allereerst is dit de vergaande verduurzaming tot Nul op de meter (NOM). Dit kunnen gestapelde corporatiewoningen zijn, maar ook grondgebonden (eengezins)woningen komen in aanmerking voor subsidie. De woning wordt in elk geval van het aardgasnet afgesloten. NOM in combinatie met een warmtenet komt niet voor subsidie in aanmerking.

De tweede variant is het aardgasvrij maken van de woning. Subsidiabel zijn fysieke werkzaamheden om te komen tot een alternatief voor de aardgasgestookte verwarmingsketel. Dit kan een individuele of een collectieve ketel zijn. Het alternatief is bijvoorbeeld aansluiting op een warmtenet, warmte-koude-opslag (wko) of een all-electric-oplossing. Het gaat daarbij om de meerkosten ten opzichte van het continueren van de aardgassituatie. De eigenaar moet aanvullend ook overgaan op aardgasvrij koken.

Aardgas verdwijnt daarmee volledig uit de woning.

Als derde variant kan ook gekozen worden om als losse activiteit of aanvullend op één van de twee varianten zoals genoemd onder a of b, de kosten per woning van het (laten) afsluiten van het aardgasnet te vergoeden.

In alle gevallen kan subsidie gecombineerd worden met andere subsidies; van de gemeente Amsterdam, maar ook van het rijk of vanuit Europa. Via de RVO is bijvoorbeeld een aantal verduurzamingssubsidies voor verschillende doelgroepen beschikbaar.

 

Artikel 6 Subsidiabele kosten

Eerste lid

De in aanmerking komende kosten zijn de kosten die worden gemaakt voor het uitvoeren van de subsidiabele activiteiten. Uitgekeerd wordt een totaalbedrag. Of BTW teruggevorderd kan worden door de aanvrager, doet voor de gemeente niet ter zake.

Omdat met deze regeling het doel, en niet de techniek, centraal gesteld wordt, kunnen de maatregelen divers zijn. Maatregelen en kosten worden daarom niet nader gespecificeerd; zo min mogelijk maatregelen worden dan uitgesloten.

De gemeente behoudt het recht voor om externe expertise in te schakelen voor de beoordeling van de kosten en haalbaarheid van de aanvraag.

 

Tweede lid

Onderdeel a: Kosten voor eigen arbeid worden in geen enkel geval gesubsidieerd.

 

Onderdeel b en c: Vanwege de negatieve effecten op de luchtkwaliteit komen hout- en pelletkachels en biomassaketels niet in aanmerking voor subsidiering. Installaties met fossiele brandstof als olie, butaangas of kolen komen ook niet in aanmerking.

 

Onderdeel d: Het is de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager om te voldoen aan alle wettelijke verplichtingen of minimum kwaliteitseisen. De gemeente wil hiermee uitsluiten dat zij daaraan meebetaalt, terwijl het aan de aanvrager zelf is om dit gat te dichten alvorens subsidie wordt aangevraagd op grond van deze regeling.

De maatregelen moeten verder gaan dan het moeten voldoen aan wettelijke verplichtingen of gangbare minimum kwaliteitseisen. Het gaat erom dat de aanvrager die extra stap zet naar NOM of aardgasvrij, die zonder subsidie niet was gezet.

 

Artikel 7 Hoogte van de subsidie

Per variant gelden verschillende maxima. Per variant verschilt ook de verhouding tot de totale projectkosten.

Voor het aardgasvrij maken van maatschappelijk vastgoed, wordt gerekend met een maximum per 35 gJ. Er is gekozen voor 35 gJ, nu dat gelijk staat aan één woningequivalent. Dat is een gangbare berekenmethode zoals ook gehanteerd wordt in beleidsdocumenten en rapporten van onder andere de metropoolregio Amsterdam.

Met het (laten) afsluiten van de woning of maatschappelijk vastgoed is aansluiting gezocht met de tarieven, zoals deze vooraf zijn vastgesteld door de netbeheerder die in Amsterdam actief is. Op de website van de netbeheerder zijn de tarieven terug te vinden, zowel voor particuliere als zakelijke afsluitingen.

De subsidie mag gecombineerd worden met andere subsidieregelingen. Dit kunnen andere subsidies van de gemeente Amsterdam zijn, maar ook subsidies van andere overheden. Als voorwaarde geldt dat het totaal van subsidies niet de totale subsidiabele kosten mogen overschrijden. Meldplicht van reeds ontvangen en nog te ontvangen subsidies ligt bij de aanvrager.

 

Artikel 8 Subsidieplafond

Voor woningen, complex van woningen of kleinschalige transformatie is €5.000.000.- beschikbaar gesteld. Dit kan tussentijds worden aangepast door het college.

Voor maatschappelijk vastgoed is een afzonderlijk plafond van € 500.000 beschikbaar ingesteld. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan de wens om te borgen dat de verschillende middelen goed te volgen blijven. De vervaldatum voor dit plafond, zoals bepaald in artikel 14, tweede lid, valt samen met die van de dekking die op 19 december 2017 door het college met het Versnellingspakket 4 Versnellingsmiddelen Duurzaamheid is verleend.

 

Artikel 9 De aanvrager

Eerste lid

Zowel huurders als eigenaren in de vorm van particulieren, woningcorporaties, of andere entiteiten kunnen subsidie aanvragen. Onder eigenaren worden ook de bedrijfsmatige eigenaren van bestaande woningen verstaan die deze woningen bedrijfsmatig exploiteren.

 

Voor de woningcorporaties en ondernemingenkunnen vanuit het staatssteunrechtelijke kader andere eisen gelden dan voor particulieren. Zeker als er veel woningen door één aanvrager aardgasvrij worden gemaakt, zouden de subsidiabele kosten daarvan hoog kunnen zijn. Deze aanvragers dienen aan de eisen te voldoen die vanuit de staatssteunregels voor hen volgen.

VvE’s kunnen gezamenlijk een aanvraag indienen.

 

Tweede lid

Ook maatschappelijke instellingen (scholen, sportclubs, religieuze gebouwen, etc.) willen hun vastgoed aardgasvrij maken en hebben daarbij een steuntje in de rug nodig, zo blijkt uit het feit dat deze partijen zich nu melden bij de gemeente. Met het opstellen van een subsidie voor maatschappelijk vastgoed kunnen maatschappelijke instellingen hier aanspraak op maken. Tevens zijn deze maatschappelijke instellingen juist vaak de verbinding in de wijken naar de bewoners. De aardgasvrije maatschappelijke gebouwen die zo ontstaan zullen worden benut in de participatietrajecten in wijken en/of buurten. Voorbeelden hiervan: organiseren van bewonersbijeenkomsten in deze gebouwen, of het inzet van deze partijen bij communicatie over aardgasvrij in gebieden.

 

Deze subsidie wordt alleen beschikbaar gesteld voor een organisatie met een publieke functie. Deze organisatie kan zowel eigenaar als gebruiker zijn van het maatschappelijk vastgoed waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Een gebruiker is bijvoorbeeld een huurder van een gedeelte van het maatschappelijk vastgoed. Gelet op de hiervoor beschreven maatschappelijke functie die dergelijk vastgoed heeft, zijn commerciële eigenaren en huurders van maatschappelijk vastgoed, als ook niet- commerciële huurders van commerciële eigenaren van maatschappelijk vastgoed, daarom uitgesloten van het aanvragen van subsidie.

 

Artikel 10 Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens

Eerste lid

Kostenraming en financieringsplan

Een ander woord voor kostenraming en financieringsplan is een businesscase of een haalbaarheidsstudie. Het moet in ieder geval duidelijk zijn dat het project waarvoor subsidie aardgasvrij wordt aangevraagd haalbaar is, met een afweging van de kosten tegen de baten, inclusief de risico’s die bij de investering in aardgasvrij of NOM kunnen spelen.

 

Indien een aanvraag wordt ingediend voor een NOM-subsidie, bevat die raming ten minste de vermeden toekomstige energiekosten.

 

Verklaring de-minimissteun

Het bedrag van € 200.000 komt overeen met het drempelbedrag dat de Europese Commissie heeft vastgesteld ten aanzien van de-minimissteun. Kort samengevat komt het erop neer dat de onderneming van de subsidieaanvrager in de voorgaande drie belastingjaren (bij indiening op 10 februari 2018 gaat dit om de jaren 2016, 2017 en 2018) niet meer dan € 200.000 aan de-minimissteun (dat wil zeggen subsidies verleend onder de de-minimisverordening) vermeerderd met de aangevraagde subsidies voor dit project mag hebben ontvangen. Steun onder deze drempel valt onder de de-minimisverordening, wat betekent dat de steun niet behoeft te worden aangemeld bij de Europese Commissie.

 

Onder onderneming verstaat de Commissie elke entiteit die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd. In artikel 2, tweede lid, van de de-minimisverordening wordt uiteengezet wanneer er sprake is van een zelfstandige onderneming.

 

Indien twee ondernemingen een bepaalde band met elkaar onderhouden, kan het voor de toepassing van de de-minimisverordening zo zijn dat deze ondernemingen als één zelfstandige onderneming worden gezien. Bij het invullen van de Verklaring de-minimissteun wordt een onderneming geacht daar rekening mee te houden. Onder de de-minimisverordening kan ook steun vallen die is vervat in leningen en garantstellingen, waarbij het mogelijk is om deze, onder voorwaarden, ook toe te passen op leningen en garantstellingen die langer dan drie jaar lopen. De voorwaarden hiervoor zijn uiteengezet in artikel 4 van de de-minimisverordening.

 

Geldende goedkeuringsverplichtingen

Onder geldende goedkeuringsverplichtingen wordt bijvoorbeeld bedoeld 70% van de huurders die moeten instemmen (eventuele kopers tellen niet mee) met een renovatievoorstel van de verhuurder, zoals een akkoord van de huurders wanneer de aanvrager een woningcorporatie is. Dan is volgens de wet sprake van een 'redelijk' voorstel waaraan de betrokken huurders zijn gebonden, ook de eventuele tegenstemmers (minder dan 30%). Voor VvE´s is dit de geldende meerderheid volgens het VvE-reglement.

 

Bewijs bankrekening op naam van aanvrager

Als bewijs kan een recent bankrekeningafschift of een kopie van een bankpas overlegd worden, waaruit duidelijk moet blijken dat het bankrekeningnummer op naam staat van de aanvrager.

 

Energierekening

In principe is het de bedoeling dat een eigenaar of gebruiker van maatschappelijk vastgoed een energierekening van het afgelopen jaar overlegt, de zogeheten jaarnota. Het kan echter ook voorkomen dat deze niet beschikbaar is, bijvoorbeeld omdat een huurder pas twee maanden een gedeelte van het vastgoed huurt. In dat geval is het voor de aanvrager ook mogelijk om een energierekening van een kortere periode dan één jaar te overleggen.

 

Let op: er moet ook een inhoudelijke uitwerking van de aanvraag worden ingeleverd. In artikel 5 van de ASA 2013 staat dat nader omschreven.

 

Tweede lid

Het tweede lid regelt dat indien de aanvrager niet de eigenaar is van het maatschappelijk vastgoed waarin de subsidiabele activiteiten gaan plaatsvinden, deze aanvrager verplicht is om een verklaring van de eigenaar met de aanvraag mee te sturen. In deze verklaring geeft de eigenaar toestemming dat de fysieke maatregelen voor verbouw naar NOM of aardgasvrij en/of de afsluiting van het gas in het betreffende gebouw uitgevoerd mogen worden. Zijn er meerdere eigenaren dan moeten zij allen deze toestemming in een verklaring geven. Al deze verklaringen moeten bij de subsidieaanvraag gevoegd worden.

Naast deze toestemming, is het vereist dat de eigenaar zich in de verklaring tevens committeert aan de vijf andere onder a genoemde vereisten.

 

Artikel 11 Weigeringsgronden

In dit artikel zijn de gronden opgenomen die als basis dienen voor een weigering van de subsidie. De gemeente acht deze gronden van dermate belang dat zij in die gevallen geen subsidie verstrekt of de subsidie naar beneden bijstelt.

Eerste lid

De subsidie is bedoeld ter stimulering van het nemen van fysieke maatregelen voor het NOM of aardgasvrij maken van woningen, maatschappelijk vastgoed of binnen kleinschalige transformatie. Daarom is in het eerste lid, onder a, bepaald dat de maatregelen niet al uitgevoerd zijn voordat de aanvraag is ontvangen.

Uitleg over de-minimissteun staat in de algemene toelichting en in de toelichting bij artikel 10, eerste lid, van deze subsidieregeling.

 

Tweede lid

Het aangevraagde subsidiebedrag moet redelijk in verhouding staan tot het resultaat dat hiermee bereikt kan worden. Het totale bedrag aan kosten moet proportioneel zijn.

 

Artikel 12 Aanvullende verplichtingen

Eerste lid

Conform de ASA worden voor de aanvrager verplichtingen gesteld.

 

Onderdeel a: Binnen één jaar na de beschikkingsdatum dienen de activiteiten volledig te zijn uitgevoerd. Er zijn situaties denkbaar waarbij dit, bijvoorbeeld door externe factoren, niet haalbaar is. De aanvrager is verplicht om dit bij de subsidieaanvraag kenbaar te maken. Het college kan in dat geval akkoord gaan met de afwijkende uitvoeringsperiode.

In het tweede lid is opgenomen dat indien na het afgeven van de beschikking blijkt dat door onvoorziene omstandigheden de activiteiten niet binnen één jaar kunnen worden uitgevoerd, de aanvrager dit bij het college dient te verzoeken. Het college kan hiermee akkoord gaan.

 

Onderdeel c en d: De belangrijkste verplichting, zoals bedoeld onder c en d, is dat de aanvrager na het aardgasvrij maken van de woning deze niet weer van aardgas mag voorzien. Voor verhuurders geldt dat zij in de huurovereenkomst op dienen te nemen dat de huurder geen beschikking heeft tot aardgas en hiermee met het ondertekenen van de huurovereenkomst akkoord gaat. Het is de huurder niet toegestaan zelf een alternatief kooktoestel op fossiele brandstof te installeren, zoals een olie- of buta(an)gas gestookt kooktoestel.

 

Onderdeel g: Aan het verkrijgen van vergunningen voor de activiteiten zoals genoemd in artikel 5, kan bijvoorbeeld aan de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen gedacht worden. Of en welke vergunning vereist is, zal sterk afhangen van het gebouw waarin de maatregelen worden uitgevoerd.

Indien een eigenaar of huurder van een woonboot met ligplaatsvergunning het voornemen heeft om de woonboot te gaan verbouwen naar aardgasvrij, zal deze aanvrager een gedoogbeschikking nodig kunnen hebben op grond van het Gedoogkader Woonboten Amsterdam.

 

Artikel 13 Verantwoording en vaststelling van de subsidie

Bij het doen van een verzoek tot vaststelling van de subsidie zal de aanvrager de in dit artikel en de in artikel 14 van de ASA 2013 opgenomen documenten moeten overleggen.

Een betaalbewijs wordt gevraagd om te verzekeren dat het rekeningnummer waarop de subsidie gestort wordt toebehoort aan de aanvrager van de subsidie.

 

Artikel 14 Inwerkingtreding en einddatum

Tweede lid

De vervaldatum voor het subsidieplafond ten behoeve van maatschappelijk vastgoed, zoals bepaald in het tweede lid, valt samen met die van de dekking die op 19 december 2017 door het college met het Versnellingspakket 4 Versnellingsmiddelen Duurzaamheid is verleend.

 

Met het vervallen van het subsidieplafond ten behoeve van maatschappelijk vastgoed op 31 december 2018, vervallen ook alle artikelen of delen van artikelen die zien op maatschappelijk vastgoed. Vanaf dat moment is daarvoor immers geen budget meer beschikbaar.

 

 

Burgemeester en wethouders voornoemd,

Femke Halsema,

burgemeester

Wil Rutten,

waarnemend gemeentesecretaris