Gemeenteblad van Vlissingen

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
VlissingenGemeenteblad 2018, 150742Verordeningen



Verordening op de heffing en invordering van toeristenbelasting 2019

De raad van de gemeente Vlissingen;

 

gezien het voorstel van burgemeester en wethouders;

 

gelet op artikel 224 van de Gemeentewet;

 

besluit:

 

vast te stellen de volgende verordening:

 

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a. vakantieonderkomens: woningen en andere verblijven, niet-zijnde mobiele kampeeronderkomens of stacaravans, in hoofdzaak bestemd en gebezigd als verblijf voor vakantie- en andere recreatieve doeleinden;

b. mobiele kampeeronderkomens: tent, tentwagen, kampeerauto, caravan dan wel enig ander onderkomen of ander voertuig of gewezen voertuig of een gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid, onderdeel a. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist; een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

c. seizoen: de periode van 19 maart tot en met 31 oktober

d. Eigen verblijfsmiddel. Hieronder wordt verstaan een mobiel kampeeronderkomen dat in eigendom of gebruik is bij de verblijfhouder en maximaal gedurende het seizoen door de verblijfhouder wordt geplaatst op een kampeerterrein voor gebruik door de verblijfhouder die het mobiele kampeermiddel plaatst.

e. beroepsmatig verhuurd kampeermiddelen: kampeermiddelen die door de exploitant of de eigenaar ervan gedurende meer dan 30 dagen al dan niet aaneengesloten in het belastingjaar verhuurd worden

f. vaste jaarplaats: een gehuurd terrein of terreingedeelte, gelegen op een kampeerterrein, dat bestemd is voor het gedurende een jaar hebben van een zelfde mobiel kampeeronderkomen, stacaravan of vakantieonderkomen, dat doorgaans na afloop van het jaar niet wordt verwijderd;

g. vaste seizoenplaats: een gehuurd terrein of terreingedeelte, gelegen op een kampeerterrein, dat bestemd is voor het gedurende een seizoen hebben van een zelfde mobiel kampeeronderkomen, stacaravan of vakantieonderkomen, dat doorgaans na afloop van het seizoen niet wordt verwijderd en waarin het gedurende de winterperiode niet toegestaan is om te overnachten;

h. seizoenplaats: een gehuurd terrein of terreingedeelte, gelegen op een kampeerterrein, waar gedurende het seizoen een zelfde mobiel kampeeronderkomen is geplaatst en dat na afloop van het seizoen van de plaats wordt verwijderd;

i. toeristische plaats: een terrein of terreingedeelte dat bestemd is voor het gedurende een jaar of seizoen plaatsen van steeds wisselende mobiele kampeeronderkomens;

j. kampeerterrein: een terrein dat bestemd is om te worden gebruikt voor verblijfsrecreatie;

k. arrangement: een reservering op een toeristische plaats voor een gezin, echtpaar of samen reizende personen gedurende een vooraf vastgelegde periode van minimaal vier weken voor een vast huurbedrag;

l. voorseizoenarrangement: een arrangement lopend vanaf het begin van het kampeerseizoen en eindigend aan het eind van de maand juni;

m. verlengd voorseizoenarrangement: een arrangement lopend vanaf het begin van het kampeerseizoen en eindigend in de eerste helft van de maand juli;

n. naseizoenarrangement: een arrangement met een looptijd van ongeveer twee maanden, startend na het hoogseizoen en eindigend bij de afloop van het kampeerseizoen;

o. maandarrangement: een arrangement met een looptijd van één maand gedurende de maand juni of september;

 

Artikel 2. Belastbaar feit

Ter zake van het houden van verblijf met overnachtingen binnen de gemeente tegen vergoeding in welke vorm dan ook door personen die niet als ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente zijn opgenomen, wordt onder de naam ‘toeristenbelasting’ een directe belasting geheven.

 

Artikel 3. Belastingplicht

1. Belastingplichtig is degene die gelegenheid biedt tot verblijf als bedoeld in artikel 2 in hem ter beschikking staande ruimten dan wel op hem ter beschikking staande terreinen.

2. De belastingplichtige is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene, die verblijf houdt als bedoeld in artikel 2.

3. Indien met toepassing van het eerste lid geen belastingplichtige is aan te wijzen, is belastingplichtig degene die overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 verblijf houdt.

 

Artikel 4. Vrijstellingen

De belasting wordt niet geheven ter zake van het verblijf:

1. door degene, die:

a. als verpleegde of verzorgde in een inrichting tot verpleging of verzorging van zieken, van gebrekkigen, van hulpbehoevenden of van ouden van dagen verblijft;

b. op last of bevel van de overheid binnen de gemeente verblijf houdt;

c. verblijf houdt in een gemeubileerde woning indien hij ter zake van zijn verblijf in of het ter beschikking houden van die woning forensenbelasting is verschuldigd en betaalt;

2. van een vreemdeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, die rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8, letters c, d, f, g, h, van voornoemde wet, en voor zover deze persoon verblijf houdt in een gelegenheid als bedoeld in artikel 2 van de Verordening, onder verantwoordelijkheid van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers.

 

Artikel 5. Maatstaf van heffing

1. De belasting wordt geheven naar het aantal overnachtingen. Het aantal overnachtingen wordt gesteld op het aantal overnachtende personen vermenigvuldigd met het aantal nachten dat zij verblijf houden.

2. In afwijking van het eerste lid wordt met toepassing van artikel 6 voor mobiele kampeeronderkomens, vakantieonderkomens en stacaravans op vaste jaarplaatsen of op vaste seizoenplaatsen, de belasting geheven naar een vast bedrag.

3. In afwijking van het tweede lid, geldt het vaste bedrag niet voor beroepsmatig verhuurde kampeermiddelen.

4. Op een door de belastingplichtige bij de aangifte gedaan verzoek wordt de maatstaf van heffing als bedoeld in het tweede lid vastgesteld op het werkelijk aantal overnachtingen als bedoeld in artikel 5, lid 1, als blijkt dat dit resulteert in een lager aanslagbedrag.

 

Artikel 6. Belastingtarief

1. Het tarief bedraagt per persoon per overnachting € 1,55.

2. In afwijking van het eerste lid bedraagt het tarief voor verblijf in een eigen verblijfsmiddel per persoon, per overnachting, € 1,39.

3. in afwijking van het eerste en tweede lid bedraagt het tarief voor mobiele kampeeronderkomens die niet beroepsmatig worden verhuurd per belastingjaar:

a. op vaste jaarplaatsen of op vaste seizoenplaatsen, € 285,20

b. op vaste standplaatsen, vaste seizoenplaatsen of op seizoenplaatsen, bepaald op:

1. indien sprake is van een voorseizoenarrangement, € 127,10

2. indien sprake is van een verlengd voorseizoenarrangement, € 154,69

3. indien sprake is van een naseizoenarrangement, € 99,20

 

4. in afwijking van lid 1t/m 3 bedraagt het tarief voor eigen verblijfsmiddel die niet beroepsmatig worden verhuurd per belastingjaar:

a. op vaste jaarplaatsen of op vaste seizoenplaatsen, € 255,76

b. op vaste standplaatsen, vaste seizoenplaatsen of op seizoenplaatsen, bepaald op:

1. indien sprake is van een voorseizoenarrangement, € 113,98

2. indien sprake is van een verlengd voorseizoenarrangement, € 139,22

3. indien sprake is van een naseizoenarrangement, € 88,96

 

Artikel 7. Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

 

Artikel 8. Wijze van heffing

1. De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

2. Er kan een voorlopige aanslag worden opgelegd tot ten hoogste het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld.

 

Artikel 9. Aanslaggrens

Een belastingaanslag wordt niet opgelegd indien het aantal overnachtingen, waartoe gelegenheid wordt of is gegeven, gedurende het belastingjaar minder dan tien zal of heeft belopen.

Artikel 10. Termijnen van betaling

1 In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.

2 In afwijking van het eerste lid geldt dat, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen, als er na de maand van de dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden tot 31 december in het kalenderjaar waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen tenminste vijf en ten hoogste tien bedraagt. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

3 De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de hiervoor gestelde termijnen.

 

Artikel 11. Kwijtschelding

Bij invordering van toeristenbelasting wordt geen kwijtschelding verleend.

 

Artikel 12. Aanmeldingsplicht

1. De belastingplichtige bedoeld in artikel 3, eerste lid, is gehouden, voordat hij voor de eerste maal na het in werking treden van deze verordening gelegenheid tot overnachten verschaft, zulks schriftelijk te melden aan de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen gemeenteambtenaren, bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdelen b en d, van de Gemeentewet.

2. De verplichting als bedoeld in het voorgaande lid geldt niet voor de belastingplichtige die met betrekking tot het jaar voorafgaand aan het belastingjaar in de heffing van de toeristenbelasting betrokken is.

 

Artikel 13. Registratieplicht

1. De belastingplichtige bedoeld in artikel 3, eerste lid, is gehouden verblijf houdende te registreren in een daarvoor bestemd nachtverblijfregister.

2. Het college van burgemeesters en wethouders stelt genoemd nachtverblijfregister kosteloos beschikbaar.

3. Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de inrichting en gebruik van het nachtverblijfregister.

 

 

Artikel 14. Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en invordering van de toeristenbelasting.

 

Artikel 15 Overgangsrecht

De “Verordening op de heffing en invordering van toeristenbelasting 2018” van 9 november 2017, wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 16 lid twee genoemde datum van ingang van de heffing. Zij blijft van toepassing op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

 

Artikel 16. Inwerkingtreding

1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.

2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2019.

 

Artikel 17. Citeertitel

De verordening wordt aangehaald als “Verordening toeristenbelasting 2019”.

 

 

Vastgesteld door de raad van de gemeente Vlissingen

in zijn openbare vergadering van 19 april 2018.

de griffier, de voorzitter,

Mr. F. Vermeulen de heer drs. A.R.B. van den Tillaar