Artikel I
De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Landgraaf 2015 wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 11 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a. onder vernummering van het vierde tot en met zesde lid tot vijfde tot en met zevende lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:
4. Geen maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming wordt verstrekt voor zover de cliënt met een maatwerkvoorziening in natura de beperkingen kan wegnemen.
b. in het zevende lid wordt de zinsnede “in natura of in de vorm van een persoonsgebonden
budget” vervangen door de zinsnede: “in natura of in de vorm van een financiële
tegemoetkoming dan wel een persoonsgebonden budget”.
B
In artikel 12 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a. in het eerste lid wordt de zinsnede “in natura of als persoonsgebonden budget” vervangen door de zinsnede: “in natura, als financiële tegemoetkoming of als persoonsgebonden budget”.
b. het tweede lid komt te luiden:
2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening, niet zijnde een persoonsgebonden budget, wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:
a. welke de te verstrekken voorziening is, de eventuele hoogte daarvan en wat het beoogde resultaat daarvan is;
b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;
c. hoe de voorziening wordt verstrekt.
C
In artikel 16 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a. in het tweede lid komen de zinsneden “a. voor hulp bij het huishouden € 40,- per periode van 4 weken dan wel een evenredig bedrag indien de periode korter is dan 4 weken;” en “c. voor dagbesteding met laag intensieve ondersteuning: € 3,- per dagdeel.” te vervallen, wordt de letter “b” vervangen door een liggende streep en wordt de puntkomma na de zinsnede “€ 1,75 per maand” vervangen door een punt.
b. onder vernummering van het vierde tot en met tiende lid tot derde tot en met negende lid, komt het derde lid te vervallen.
D
Artikel 18 komt te luiden:
Artikel
18
Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden
1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:
- a.
een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of
- b.
een reële prijs die geldt als ondergrens voor:
- 1°.
een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en
- 2°.
de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.
2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:
- a.
overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en
- b.
rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.
3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen:
- a.
de kosten van de beroepskracht;
- b.
redelijke overheadkosten;
- c.
kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;
- d.
reis- en opleidingskosten;
- e.
indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;
- f.
overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.
4. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.