Verordening maatschappelijke ondersteuning Leiderdorp 2015

Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen in aanvulling op het bepaalde in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 wordt verstaan onder:

 

  • a.

    algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die normaal in de handel verkrijgbaar is, ook voor mensen zonder beperking wordt aangeschaft en gebruikt en die niet aanzienlijk duurder is dan voorzieningen met vergelijkbare functies;

  • b.

    algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en gericht is op maatschappelijke ondersteuning;

  • c.

    andere voorziening: voorziening op basis van een andere wet dan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • d.

    beschermd wonen: het bieden van onderdak en begeleiding aan personen met een psychisch of psychosociaal probleem;

  • e.

    bijdrage : bijdrage voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget, als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de wet;

  • f.

    cliënt : onder cliënt wordt in voorkomende gevallen ook verstaan degene die namens de cliënt als gemachtigde of als bevoegde wettelijke vertegenwoordiger optreedt;

  • g.

    college : college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Leiderdorp;

  • h.

    gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouder(s), inwonende kinderen of andere huisgenoten;

  • i.

    gesprek : gesprek na ontvangst van de melding in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

  • j.

    hulpvraag : behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

  • k.

    maatwerkvoorziening : maatwerkvoorziening als bedoeld artikel 1.1.1 van de wet; op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen:

    • 1.

      ten behoeve van zelfredzaamheid, waaronder kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, en/of

    • 2.

      ten behoeve van participatie, waaronder het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen, en/of

    • 3.

      ten behoeve van beschermd wonen en opvang;

  • l.

    mantelzorger : een persoon die mantelzorg in de zin van artikel 1, lid 1 van de wet biedt.

  • m.

    melding : verzoek aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet om onderzoek te doen naar de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning.;

  • n.

    persoonlijk plan: plan waarin een cliënt de omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 2.3.2. vierde lid, van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen;

  • o.

    persoonsgebonden budget: bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en ander maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren en die de cliënt van derden heeft betrokken;

  • p.

    uitvoeringsbesluit : Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning Leiderdorp 2015.

  • q.

    verslag : weergave van uitkomst van het onderzoek, als bedoeld in artikel 2.3.2, vijfde lid van de wet;

  • r.

    voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening waarmee een vergelijkbaar adequaat resultaat wordt bereikt als met een voorziening op grond van de wet;

  • s.

    wet : Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

 

Hoofdstuk 2 Melding en behandeling hulpvraag

Artikel 2. Melding hulpvraag

  • 1.

    Een hulpvraag kan door of namens een inwoners van de gemeente bij het college worden gemeld.

  • 2.

    Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk.

  • 3.

    In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.

 

Artikel 3. Onafhankelijke cliëntondersteuning

  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat inwoners een beroep kunnen doen op gratis onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is.

  • 2.

    Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis onafhankelijke cliëntondersteuning.

 

Artikel 4. Vooronderzoek en het persoonlijk plan

  • 1.

    Het college verzamelt alle voor het onderzoek van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie in samenspraak met de cliënt en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek.

  • 2.

    Voor het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking heeft. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.

  • 3.

    Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid.

  • 4.

    Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan, als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet, op te stellen en mee te nemen in het gesprek (artikel 5).

 

Artikel 5. Onderzoek en inhoud van het gesprek

  • 1.

    Het college onderzoekt in een of meerdere gesprekken tussen de degene die de melding heeft gedaan of namens wie de melding is gedaan en/of zijn vertegenwoordigers en eventuele mantelzorger(s), deskundigen en desgewenst familie of iemand uit het sociale netwerk, zo spoedig mogelijk, met inachtneming van diens persoonlijk plan voor zover aanwezig en voor zover nodig:

    • a.

      de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt;

    • b.

      het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;

    • c.

      de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren;

    • d.

      de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie;

    • e.

      de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

    • f.

      de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie;

    • g.

      de mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen of door samen met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een afgestemd arrangement met het oog op de behoefte aan zelfredzaamheid en participatie;

    • h.

      de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor een maatwerkvoorziening;

    • i.

      welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn, en

    • j.

      wijst de cliënt actief op de mogelijkheid om te kiezen voor de verstrekking van een persoonsgebonden budget, indien de zorg in natura naar het oordeel van de cliënt niet passend is, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.

  • 2.

    Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken.

  • 3.

    Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien van een gesprek.

 

Artikel 6. Verslag

  • 1.

    De cliënt ontvangt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken, na de melding een schriftelijke weergave van de uitkomst van het onderzoek en het gesprek.

  • 2.

    Opmerkingen of aanvullingen van de cliënt worden als bijlage aan het verslag toegevoegd.

 

Hoofdstuk 3 Behandeling aanvraag maatwerkvoorziening

Artikel 7. Aanvraag van een maatwerkvoorziening

  • 1.

    Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college.

  • 2.

    Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek aanmerken als aanvraag als de cliënt dat op het verslag heeft aangegeven.

 

Artikel 8. Criteria voor een maatwerkvoorziening

  • 1.

    Het college neemt het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.

  • 2.

    Alle mogelijkheden van de cliënt om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene of andere voorzieningen zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren, of te regelen dat geen behoefte meer bestaat aan een maatwerkvoorziening, worden in het onderzoek naar aanleiding van de aanvraag eerst beoordeeld.

  • 3.

    Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:

    • a.

      ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt;

    • b.

      ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld;

  • 4.

    Bij beoordeling van de aanvraag hanteert het college in aanvulling op de voorgaande leden en op grond van artikel 2.1.2. van de wet in ieder geval de volgende criteria:

    • a.

      een aanspraak op een algemene of andere voorziening is voorliggend op een aanspraak op een maatwerkvoorziening;

    • b.

      er is sprake van een noodzaak tot het treffen van een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang;

    • c.

      er is geen sprake van normale maatschappelijke kosten of van een algemeen gebruikelijke voorziening;

    • d.

      de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs niet vermijdbaar was;

    • e.

      de maatwerkvoorziening voorzienbaar was, maar van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt;

    • f.

      kosten die tot op het moment van de aanvraag al zijn gemaakt, dan wel redelijkerwijs in de nabije toekomst hadden moeten worden gemaakt, worden niet vergoed;

    • g.

      als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening.

  • 5.

    Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven, tenzij

    • a.

      de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;

    • b.

      de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten; of

    • c.

      de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.

 

Artikel 9. Advisering

Het college kan een door hem daartoe aangewezen onafhankelijke adviesinstantie om advies vragen als hij dit van belang acht voor de beoordeling van de aanvraag om een maatwerkvoorziening.

 

Hoofdstuk 4 Beschikking maatwerkvoorziening

Artikel 10. Inhoud beschikking

In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. Ook zal worden opgenomen of er sprake is van een te betalen bijdrage en wat het beoogde resultaat van de maatschappelijke ondersteuning is.

 

Hoofdstuk 5 Maatwerkvoorziening via persoonsgebonden budget

Artikel 11. Regels voor het persoonsgebonden budget

  • 1.

    Het college verstrekt een persoonsgebonden budget in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet, voor zover de cliënt kan motiveren dat deze passend is.

  • 2.

    Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen persoonsgebonden budget voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was.

  • 3.

    De hoogte van een persoonsgebonden budget:

    • a.

      wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het persoonsgebonden budget gaat besteden;

    • b.

      wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het persoonsgebonden budget toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, en

    • c.

      bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura.

  • 4.

    Het college stelt nadere regels ten aanzien van de berekeningswijze van persoonsgebonden budgetten. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende vormen van ondersteuning en, voor zover van toepassing, in ieder geval in verband met de relevante opleiding, de relevante werkervaring, de inschrijving bij de Kamer van Koophandel of opname in een relevant beroepsregister.

  • 5.

    Een beslissing tot verlening van een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken als blijkt dat het persoonsgebonden budget binnen 12 maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

  • 6.

    Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van persoonsgebonden budgetten.

  • 7.

    Een cliënt aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk als:

    • a.

      deze persoon hiervoor een tarief hanteert dat niet hoger is dan het op grond van het derde en vierde lid gehanteerde tarief, en

    • b.

      tussenpersonen of belangenbehartigers niet uit het persoonsgebonden budget worden betaald, en

    • c.

      deze persoon voldoet aan de door het college bepaalde nadere regels rondom de inzet van een persoonsgebonden budget.

 

Hoofdstuk 6 Bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening en algemene voorziening

Artikel 12. Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen

  • 1.

    Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van de algemene voorziening huishoudelijke hulp ter hoogte van € 22,20 per uur.

  • 2.

    Op de bijdrage, bedoeld in het eerste lid, is een korting van toepassing van:

    • a.

      € 22,20 voor cliënten met een inkomen tot 120% van de bijstandsnorm, voor maximaal 125 uur per kalenderjaar;

    • b.

      € 9,60 voor cliënten met inkomen vanaf 120% van de bijstandsnorm, voor maximaal 125 uur per kalenderjaar.

 

Artikel 12a. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en persoonsgebonden budgetten

  • 1.

    Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt, en afhankelijk van het inkomen en vermogen van de cliënt en diens partner.

  • 2.

    De bijdrage in de kosten voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is ten hoogste gelijk aan de maximale bijdrage die mogelijk is op grond van het Uitvoeringsbesluit, waarbij geldt dat de bijdrage nooit hoger is dan de kostprijs van de voorziening.

  • 3.

    De kostprijs van een:

    • a.

      maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder;

    • b.

      persoonsgebonden budget is maximaal gelijk aan de hoogte van een persoonsgebonden budget.

  • 4.

    De bijdrage in de kosten:

    • a.

      voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt;

    • b.

      voor een persoonsgebonden budget wat ingezet wordt voor begeleiding wordt verlaagd naar een percentage van maximaal 53% van het persoonsgebonden budget indien er sprake is van ondersteuning door een professional zoals bedoeld in artikel 11, het derde en vierde lid, van de verordening.

  • 5.

    In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4, zesde lid, van de wet, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget door het CAK vastgesteld en geïnd.

 

Hoofdstuk 7 Kwaliteitseisen aanbieders maatschappelijke ondersteuning

Artikel 13. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:

    • a.

      het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;

    • b.

      het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg;

    • c.

      erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard;

  • 2.

    Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

  • 3.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

 

Hoofdstuk 8 Overige bepalingen

Artikel 14. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

  • 1.

    Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet (beschikking tot maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget).

  • 2.

    Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet (beschikking tot maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget) herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

    • a.

      de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • b.

      de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget is aangewezen;

    • c.

      de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet meer toereikend is te achten;

    • d.

      de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget verbonden voorwaarden; of

    • e.

      de cliënt de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruikt.

  • 3.

    Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten persoonsgebonden budget.

  • 4.

    Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget voor een voorziening is ingetrokken, kan deze maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget worden teruggevorderd.

  • 5.

    Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte maatwerkvoorziening is ingetrokken, kan deze maatwerkvoorziening worden teruggevorderd.

  • 6.

    Het college is bevoegd, na toekenning van een voorziening op grond van deze Verordening, de persoon met beperkingen schriftelijk om informatie te vragen of eventueel op te roepen teneinde vast te stellen of de omstandigheden die hebben geleid tot toekenning van de voorziening, ongewijzigd zijn.

  • 7.

    Het college kan een besluit genomen op grond van deze Verordening geheel of gedeeltelijk intrekken indien in de persoon gelegen factoren een adequaat en verantwoord gebruik van een voorziening belemmeren.

  • 8.

    Het college kan het recht op een voorziening beëindigen op verzoek van belanghebbende.

  • 9.

    Ingeval een in bruikleen verstrekte voorziening als gevolg van verwijtbare gedragingen van de persoon met beperkingen niet meer aanwezig is, kan het college de restwaarde van de voorziening in rekening brengen bij de bruiklener.

 

Artikel 15. Jaarlijkse waardering mantelzorgers

Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse blijk van waardering bestaat voor mantelzorgers van inwoners van Leiderdorp die ondersteuning nodig hebben.

 

Artikel 16. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen

  • 1.

    Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie.

  • 2.

    De tegemoetkoming voor:

    • a.

      vervoer per eigen auto bedraagt: € 576,- per jaar;

    • b.

      verhuiskosten bedraagt: € 1.975,- eenmalig;

    • c.

      aanschaf en onderhoud van een sportrolstoel bedraagt: € 2.500,- per drie jaar.

  • 3.

    De in het tweede lid genoemde bedragen zijn uitgedrukt in het prijspeil van 2017 en worden niet gewijzigd.

  • 4.

    Het college draagt zorg voor de kenbaarheid van de laatstelijk in de plaats gestelde bedragen.

 

Artikel 17. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden

  • 1.

    Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst, stelt het college een vaste prijs vast die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 voor het aangaan van een overeenkomst met een derde.

  • 2.

    Het college stelt de prijs, bedoeld in het eerste lid, vast:

    • a.

      overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en

    • b.

      rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

  • 3.

    Het college baseert de vaste prijs op de volgende kostprijselementen:

    • a.

      de kosten van de beroepskracht;

    • b.

      redelijke overheadkosten;

    • c.

      kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

    • d.

      reis en opleidingskosten;

    • e.

      indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; en

    • f.

      overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

 

Artikel 18. Klachtregeling

  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders behandelt klachten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van hulpvragen en aanvragen als bedoeld in deze verordening, overeenkomstig het geldende klachtenreglement.

  • 2.

    Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle maatwerkvoorzieningen die zij leveren.

  • 3.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 19. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    Door het college gecontracteerde aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle door derden te leveren diensten.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

 

Artikel 20. Betrekken van inwoners bij het beleid

  • 1.

    Het college betrekt inwoners van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

  • 2.

    Het college stelt inwoners vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 3.

    Het college zorgt ervoor dat inwoners kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

  • 4.

    Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van het tweede en derde lid.

 

Artikel 21. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1.

    De “Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Leiderdorp 2013” wordt ingetrokken.

  • 2.

    Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de “Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Leiderdorp 2013” totdat het college, overeenkomstig deze Verordening, een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.

  • 3.

    Aanvragen die zijn ingediend onder de “Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Leiderdorp 2013” en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze Verordening, worden afgehandeld krachtens deze Verordening.

  • 4.

    Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de “Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Leiderdorp 2013”, wordt beslist met inachtneming van die Verordening.

 

Artikel 22. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze Verordening indien toepassing van de Verordening tot onbillijkheden van

overwegende aard leidt.

 

Artikel 23. Toepassen Verordening en stellen nadere regels

  • 1.

    Indien bij het toepassen en uitvoeren van deze Verordening onduidelijkheid ontstaat over het gebruik, dan zijn de in de wet opgenomen begrippen en bepalingen leidend.

  • 2.

    Voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van deze Verordening kan het college van nadere regels stellen.

 

Artikel 24. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2017;

  • 2.

    Artikel 17 van deze verordening treedt pas in werking op het moment dat het gewijzigde Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 in werking treedt;

  • 3.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning Leiderdorp 2015.

 

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 29 mei 2017,

 

 

De Voorzitter, de Griffier,

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Naar boven