Artikel I
De Uitvoeringsregeling salaris, vergoedingen, toelagen en uitkeringen 2016 wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
- a.
In onderdeel e vervalt ‘bij een rijwielhandelaar aangeschafte’;
- b.
De onderdelen f en g komen te luiden:
- f.
fietsaccessoires: in hetzelfde kalenderjaar als de aanschaf van de fiets gekochte direct daarmee samenhangende zaken;
- g.
fietsverzekering: een in hetzelfde kalenderjaar als de aanschaf van de fiets afgesloten gangbare verzekering voor die fiets.
B
In de toelichting op artikel 1, onderdeel e, vervalt de laatste volzin.
C
In artikel 25, derde lid, wordt ‘op maandbasis het bedrag van € 25,–’ vervangen door: per kalenderjaar het bedrag van € 300,–.
D
In de toelichting op artikel 25 komt de laatste alinea als volg te luiden:
Het bedrag dat uitgeruild kan worden, is gemaximeerd op € 300,– per kalenderjaar, inclusief inschrijfgeld. Dat bedrag kan ook in één keer aan het begin van het jaar worden uitgeruild, mits er voldoende IKB is om uit te ruilen.
Een medewerker kan een abonnement afsluiten dat hogere kosten met zich meebrengt, maar het meerdere kan niet worden uitgeruild met IKB.
E
Artikel 27 wordt als volgt gewijzigd:
- a.
In het eerste lid wordt ‘op grond van het Besluit kostenvergoedingen’ vervangen door: op grond van artikel 6, artikel 6a, dan wel artikel 6c van het Besluit kostenvergoedingen;
- b.
In het vierde lid wordt ‘de medewerker langer dan twee maanden niet naar de vaste plaats van werkzaamheden reist’ vervangen door: de medewerker gedurende een kalendermaand anders dan wegens vakantieverlof niet heeft gereisd;
- c.
F
In de toelichting op artikel 27 komt de laatste alinea als volgt te luiden:
Het is denkbaar dat een medewerker niet aan het minimumaantal reisdagen (128 bij een vijfdaagse werkweek) toekomt omdat hij langere tijd niet naar de vaste plaats van werkzaamheden reist. Om te voorkomen dat dan in het geheel geen uitruil mogelijk is, is bepaald dat de dagentoets naar evenredigheid wordt toegepast als de medewerker gedurende een kalendermaand anders dan wegens vakantieverlof niet heeft gereisd. In een voorbeeld: medewerker is van april tot en met september afwezig vanwege zwangerschapsverlof, bevallingsverlof en vakantie. In zoverre is de cafetariaregeling niet van toepassing. Maar wel in de maanden waarin wordt gewerkt.
G
Artikel 28, onderdeel b, komt te luiden:
- b.
de medewerker heeft in het kalenderjaar waarin hij de uitruil wil laten plaatsvinden en de twee voorafgaande kalenderjaren:
- –
geen fietsbijdrage op basis van de Fietsregeling Rotterdam 2014 ontvangen, en een daarbij overeengekomen ruil van arbeidsvoorwaarden is voltooid; dan wel
- –
geen gebruik gemaakt van de in artikel 24, onderdeel d, genoemde mogelijkheid;
H
In de toelichting op artikel 28 komen de vierde en vijfde alinea als volgt te luiden:
Medewerkers moeten desgevraagd aannemelijk kunnen maken dat zij de fiets gedurende ten minste drie kalenderjaren meer dan de helft van de werkdagen gebruiken voor (een deel van) het woon-werktraject. Dit zou betekenen dat medewerkers die binnen enkele jaren gaan stoppen met werken (bijvoorbeeld omdat de AOW-leeftijd wordt bereikt) geen gebruik van de regeling meer kunnen maken. Zo onverkort is dat niet bedoeling. Deze groep kan van de fietsregeling gebruik maken als bij aanschaf van de fiets wordt voorzien dat nog ten minste een jaar feitelijk voor de gemeente wordt gewerkt. Uiteraard moet ook dan worden voldaan aan de voorwaarde dat de fiets op meer dan de helft van de werkdagen voor woon-werkverkeer wordt gebruikt.
Het is niet noodzakelijk dat de medewerker de gehele afstand van het woon-werkverkeer met de fiets aflegt. De medewerker mag de fiets bijvoorbeeld ook gebruiken voor vervoer van en naar het bus- of treinstation of de carpoolplaats.
De medewerker dient zelf alles te regelen. Hij betaalt de fiets (plus eventuele accessoires, plus een eventuele verzekering) eerst zelf en vervolgens ruilt hij opgebouwd IKB in voor een belastingvrije vergoeding voor de fiets en eventuele aanverwante zaken.