Gemeenteblad van Hardinxveld-Giessendam

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Hardinxveld-GiessendamGemeenteblad 2017, 91818Verordeningen



Geurverordening gemeente Hardinxveld-Giessendam 2017

De raad van de gemeente Hardinxveld-Giessendam

 

Gelet op artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij

 

Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 14 maart 2017

 

BESLUIT:

 

Vast te stellen de volgende

 

Geurverordening gemeente Hardinxveld-Giessendam 2017

 

 

Artikel 1. Begripsomschrijving

De begrippen die in deze verordening worden gehanteerd zijn gelijk aan de overeenkomende begrippen in de Wet geurhinder en veehouderij en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij.

 

Artikel 2. Wettelijke grondslag

Deze verordening is opgesteld op grond van artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij. Hierbij is rekening gehouden met de voorwaarden uit de artikelen 8 en 9 van de Wet geurhinder en veehouderij.

 

Artikel 3. Wijzigen afstand

Het gebied waarop dit artikel (de aangepaste waarde) betrekking heeft is weergegeven op de kaart in bijlage 1 bij deze geurverordening. Het gebied is op deze kaart blauw gearceerd. In afwijking van de waarde (de afstand) genoemd in artikel 4, eerste lid, onder a, van de Wet geurhinder en veehouderij voor een geurgevoelig object gelegen binnen de bebouwde kom (100 meter) is als waarde van toepassing 50 meter.

 

Toelichting bij artikel 3

De aangepaste waarde geldt voor geurgevoelige objecten die zijn gelegen binnen het aangewezen gebied. De aangepaste waarden gelden ook voor geurgevoelige objecten als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wet geurhinder en veehouderij. Dit betreft geurgevoelige objecten die behoren tot een veehouderij of daartoe op of na 19 maart 2000 behoord hebben.

 

Artikel 4. Motivering

Voor de onderbouwing en motivering van deze verordening verwijzen wij naar het ‘Rapport geurgebiedsvisie, onderbouwing verordening op grond van de Wet geurhinder en veehouderij van 16 september 2014, dat in opdracht van de gemeente Hardinxveld-Giessendam is opgesteld door De Roever Omgevingsadvies uit Schijndel. Het rapport is als bijlage 2 bij deze verordening opgenomen.

 

Artikel 5. Inwerkingtreding en citeertitel

Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van bekendmaking. De verordening kan worden aangehaald als ‘Geurverordening gemeente Hardinxveld-Giessendam 2017’.

 

 

 

 

Aldus besloten in de openbare vergadering d.d. 18 mei 2017

De raad van de gemeente Hardinxveld-Giessendam,

De voorzitter,

D.A. Heijkoop

De griffier,

A. van der Ploeg

Bijlage 1 .

 

 

 

 

 

Bijlage 2 .

 

RAPPORT GEURGEBIEDSVISIE

ONDERBOUWING VERORDENING ogv

WET GEURHINDER EN VEEHOUDERIJ

 

Gemeente Hardinxveld-Giessendam

 

Opdrachtgever: Gemeente Hardinxveld-Giessendam

Contactpersoon: mevrouw M. Stokhof

Documentnummer: 20141263/C01/RK

Datum: 16 september 2014

Opdrachtnemer: De Roever Omgevingsadvies

Auteur: de heer R. Keetels

Projectleider: de heer C. den Hertog

 

De Roever Omgevingsadvies

Postbus 64

5480 AB SCHIJNDEL

T 073-5941011

F 073-5941120

E deroever@deroever.nl

I www.deroever.nl

 

LEESWIJZER

 

Dit rapport doet verslag van het onderzoek naar een mogelijk knelpunt op het gebied van geurhinder van veehouderijen in de gemeente Hardinxveld-Giessendam. Het mogelijk knelpunt heeft betrekking op de veehouderij aan de Koningin Wilhelminalaan 137 en de omgeving daarvan. Ten aanzien van dit gebied wordt beschreven of het noodzakelijk of wenselijk is dat de gemeente Hardinxveld-Giessendam de geurnormen of afstanden die gelden op grond van de Wet geurhinder en veehouderij aanpast.

 

Om u de weg te wijzen door dit rapport, vindt u hier enkele leessuggesties. In hoofdstuk 1 lichten wij de doelstelling van deze geurgebiedsvisie toe. Hoe een geurgebiedsvisie en geurverordening past in het wettelijk kader beschrijven wij in hoofdstuk 2. De termen en achtergronden die in deze rapportage gebruikt worden beschrijven wij in hoofdstuk 3.

 

In hoofdstuk 4 behandelen wij de voorgrondbelasting, afstandscontouren en achtergrondbelasting van de betrokken veehouderij. Dit doen wij voor de huidige situatie (volgens de vergunningen/meldingen) en voor de toekomstige (gewenste) situatie. In dit hoofdstuk maken wij een afweging tussen de huidige en gewenste bedrijfssituatie en de consequenties voor de geurhinder in de omgeving. Daarbij doen wij een voorstel voor aangepaste geurnormen en/of afstanden.

 

Bij het vaststellen van aangepaste geurnormen en afstanden moeten naast de huidige en toekomstige geursituatie nog enkele andere criteria worden meegenomen. Deze bespreken wij in hoofdstuk 5.

 

Ten slotte geven wij in hoofdstuk 6 de conclusie met betrekking tot de aan te passen geurnormen en/of afstanden.

 

1. INLEIDING

 

In de geurgebiedsvisie wordt onderzoek gedaan naar de (mogelijke) gevolgen van de normstelling en afstandseisen die in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn opgenomen en de wenselijkheid om lokaal geldende geurnormen en afstanden vast te stellen. Met de huidige geurnormen en afstanden uit de Wgv, kunnen ruimtelijke ontwikkelingen belemmerd of onmogelijk worden gemaakt door de aanwezigheid van veehouderijen in de omgeving. Daarnaast kunnen ruimtelijke ontwikkelingen of bestaande geurgevoelige objecten een belemmering vormen voor veehouderijen.

 

Deze geurgebiedsvisie is bedoeld om te onderzoeken of er sprake is van een knelpunt ten aanzien van de veehouderij aan de Koningin Wilhelminalaan 137 en of er een aanleiding is om een geurverordening op te gaan stellen. Met een verordening kunnen de geurnormen en afstandseisen uit de Wgv worden aangepast. Hiermee definieert de gemeente een eigen (lokaal) aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat.

 

Bij het beoordelen van een ruimtelijk plan spelen standaard de volgende vragen:

1. Is ter plaatse van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat gegarandeerd?

2. Worden omliggende bedrijven (in dit geval de nabij gelegen veehouderijen) (onevenredig) in hun belangen geschaad?

 

In dit kader beperken wij ons tot het aspect geur. De meest recente milieuhygiënische inzichten liggen vast in de Wet geurhinder en veehouderij.

 

2. WETTELIJK KADER

2.1. Wet geurhinder en veehouderij

In de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) staan standaard, landelijk geldende, afstanden en normen waaraan de ligging en geurbelasting van dierenverblijven getoetst moeten worden, in het geval van een aanvraag om milieuvergunning. De Wgv is nader uitgewerkt in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). De normen gelden ter plaatse van geurgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen) en de afstanden gelden tot deze geurgevoelige objecten. De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit verspreidingsmodel geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Rgv. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden.

 

Enkele begrippen uit de Wgv die relevant zijn en gebruikt worden in dit geurrapport, zijn nader toegelicht in hoofdstuk 3.

 

2.2. Wijziging Activiteitenbesluit met betrekking tot landbouwactiviteiten

Op 1 januari 2013 is een grote wijziging van het Activiteitenbesluit en de bijbehorende regeling in werking getreden. Met de wijziging zijn meer veehouderijen onder de regels van het Activiteitenbesluit komen te vallen. Daarbij is onder meer de beoordeling van geur conform de Wet geurhinder en veehouderij (zoals toegelicht in hoofdstuk 3 van dit rapport) meegenomen.

 

De beoordeling van geur in gebieden waarvoor met gemeentelijke verordeningen aangepaste geurnormen of afstanden zijn vastgesteld (zie paragraaf 2.4) is ook in het gewijzigde Activiteitenbesluit opgenomen.

 

2.3. Ruimtelijke ordeningsplannen en geurhinder van veehouderijen

Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet worden gewaarborgd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat op plaatsen waar het vestigen van een (geur)gevoelig object mogelijk wordt gemaakt. Verder moet worden voorkomen dat bestaande veehouderijen onevenredig in hun belangen worden geschaad. Om de milieucontouren te bepalen moet worden uitgegaan van de ‘omgekeerde werking’ van de milieuregelgeving. In de bestemmingsplantoets wordt daardoor getoetst of ter plaatse van de te bestemmen geurgevoelige objecten voldaan zou kunnen worden aan de eisen die de milieuregelgeving stelt.

 

Voor het aspect geur van veehouderijen moet een toets op grond van de Wgv worden uitgevoerd. De geplande geurgevoelige objecten moeten zijn gelegen buiten de wettelijk geldende geur- en afstandscontouren van de aanwezige veehouderijen. Bij de toets moet worden uitgegaan van de omvang van de veestapel volgens de verleende vergunning of ingediende melding. Uit jurisprudentie (1) blijkt dat voor de geurcontouren of aan te houden afstanden in principe moet worden uitgegaan van de randen van het bouwvlak. De rand van het bouwvlak wordt aangehouden omdat de veehouderij in principe het recht heeft om overal binnen het bouwvlak te bouwen. In sommige gevallen kan niet het volledige bouwvlak worden benut, vanwege de ligging ten opzichte van reeds bestaande geurgevoelige objecten. In dergelijke gevallen gaan wij uit van het reëel te benutten bouwvlak.

(1) zie ‘Bouwen in stankcirkels’ op www.infomil.nl

 

Alleen in het geval dat sprake is van een overbelaste situatie, kan van deze werkwijze (in de betreffende richting) worden afgeweken. Van een overbelaste situatie is sprake als in de vergunde situatie niet wordt voldaan aan de geurnorm of afstand. In dat geval kan een veehouderij in de betreffende richting niet meer anders gebruiken dan in de vergunde situatie het geval is (wat betreft stallen en emissiepunten). Voor het bepalen van de geur- en afstandscontouren kan dan worden uitgegaan van de ligging van de vergunde stallen en emissiepunten. Hiermee wordt invulling gegeven aan het uitgangspunt dat een bestaande veehouderij niet onevenredig in haar belangen mag worden geschaad. Deze werkwijze staat ook beschreven in de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij.

 

Een nieuwbouwplan moet buiten de wettelijk geldende geurcontouren van de omliggende veehouderijen liggen, om niet blootgesteld te worden aan te veel geurhinder. Bij veehouderijen met dieren waarvoor afstanden gelden moet het nieuwbouwplan buiten de wettelijk geldende minimale afstand plaatsvinden. Binnen de geur- en afstandscontouren rondom de (bouwvlakken van de) veehouderijen, is geen sprake van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat. Dit houdt in dat binnen deze contouren geen nieuwe bestemming mag worden gevestigd, die het realiseren van geurgevoelige objecten mogelijk maakt. Op die manier wordt een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat gewaarborgd.

 

De geurhinder in een gebied wordt behalve door de geurbelasting per veehouderij ook bepaald door de achtergrondbelasting, de geurbelasting ten gevolge van alle veehouderijen samen. Het is aan de gemeente om te beoordelen of de geurbelasting en geurhinder in een specifiek gebied acceptabel zijn.

 

2.4. Gebiedsvisie en geurverordening

De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om voor bepaalde gebieden andere afstanden of normen vast te stellen dan de landelijk gestelde afstanden of normen. De afwijkende geurnormen en afstandseisen moeten worden vastgelegd in een gemeentelijke verordening (op grond van artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij). Bij het opstellen van een verordening dienen in ieder geval de volgende aspecten te worden betrokken (artikel 8, lid 1 Wgv):

a. de huidige en de te verwachten geursituatie vanwege de veehouderijen in het gebied;

b. het belang van een geïntegreerde aanpak van de verontreiniging, en

c. de noodzaak van een even hoog niveau van de bescherming van het milieu.

 

Een gebiedsvisie vormt de onderbouwing van een geurverordening. In de geurverordening worden de uiteindelijke keuzes voor aangepaste geurnormen of afstanden voor aan te wijzen gebieden vastgelegd. Voor het opstellen van een gebiedsvisie en geurverordening geldt geen vaste (wettelijke) procedure. Gemeenten kunnen ervoor kiezen om het opstellen van een gebiedsvisie en het vaststellen van een verordening als zelfstandige procedure te doorlopen.

 

Verder kunnen gemeenten kiezen voor een procedure waarbij derden en belanghebbenden worden gehoord. Belanghebbenden zijn de ondernemers van de veehouderijen, belangenorganisaties, (toekomstige) bewoners en ondernemers binnen de nieuwbouwplannen en de ontwikkelende partijen van deze nieuwbouwplannen.

 

3. UITGANGSPUNTEN EN ACHTERGRONDEN

3.1. Uitgangspunten veehouderijen

Het onderzoek naar de geursituatie gaat uit van de aanwezige veehouderijen aan de Koningin Wilhelminalaan 137 en de bestaande geurgevoelige objecten in de omgeving daarvan. Hierbij worden zowel de huidige situatie als de toekomstige situatie bekeken. Voor de huidige situatie hanteren wij de vergunde of gemelde situatie. Voor de toekomstige situatie gaan wij uit van de gewenste uitbreidingsplannen van de veehouderij.

 

3.2. Geuremissie en geurimmissie

De geuremissies worden uitgedrukt in Europese odour units (Europese geureenheden) per tijdseenheid: ouE/s. Deze geuremissies zijn bepaald op basis van metingen aan de geurconcentraties uit stallen. De emissiefactoren per dier staan weergegeven in bijlage 1 van de Rgv.

 

De geurbelastingen (geurimissies) worden uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht: ouE/m3. Hiermee wordt de 98-percentiel van de geurconcentratie bedoeld. Dat is de geurconcentratie, berekend met een verspreidingsmodel, welke gedurende 2 procent van een jaar wordt overschreden.

 

3.3. Verschillende beoordelingen

3.3.1. Voorgrondbelasting

Met behulp van verspreidingsmodellen kan de geurbelasting vanuit dierenverblijven op geurgevoelige objecten worden berekend. De geurbelasting van een individuele veehouderij wordt ‘voorgrondbelasting’ genoemd. De geurbelasting is afkomstig van dieren waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) een omrekeningsfactor is vastgesteld, zoals varkens, vleesvee, pluimvee, schapen en geiten. De maximaal toegestane geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging (concentratiegebied of geen concentratiegebied en binnen of buiten de bebouwde kom). De standaardnormen uit de Wgv zijn in tabel 1 opgenomen.

 

Tabel 1. Geurnormen volgens de Wet geurhinder en veehouderij

Ligging geurgevoelig object (2)*

Binnen bebouwde kom

Buiten bebouwde kom

Concentratiegebied

3 ouE/m3

14 ouE/m3

Geen concentratiegebied

2 ouE/m3

8 ouE/m3

* De gemeente Hardinxveld-Giessendam ligt niet in een concentratiegebied.

(2) gebied als aangegeven in bijlage I bij de Meststoffenwet

 

Bij het beoordelen van vergunningaanvragen is voor het bepalen van de geurbelasting het gebruik van het verspreidingsmodel V-Stacks Vergunning 2010 voorgeschreven. Hiermee kan op vooraf ingegeven locaties de geurbelasting worden berekend. Om een goed beeld van de geurbelasting te verkrijgen is het handig om geurcontouren te kunnen berekenen en tekenen. Dit kan met het verspreidingsmodel V-Stacks Gebied. De berekende waarden voor de geurbelasting zijn bij beide verspreidingsmodellen gelijk (sinds versie 2010). Hiertoe moeten alle parameters, inclusief de rekennauwkeurigheid (20%) en ruwheid in V-Stacks Gebied gelijk worden gesteld aan de parameters in V-Stacks Vergunning.

 

3.3.2. Afstanden

Naast geurnormen stelt de Wgv ook eisen aan de (vaste) afstanden van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. De afstanden gelden voor dieren waarvoor in de Rgv geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundvee, vrouwelijk jongvee en paarden. De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt en worden gemeten vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt van een stal waarin de betreffende dieren worden gehouden.

 

Daarnaast moet de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf (onafhankelijk van de diersoort die er gehouden wordt) minimaal 25 meter bedragen tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 50 meter bedragen tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom (gevel-gevel afstand). De bedrijfswoning die tot dezelfde veehouderij behoort wordt overigens niet aangemerkt als geurgevoelig object.

 

3.3.3. Achtergrondbelasting

De normen op grond van de Wgv gelden voor de geurbelasting van een individuele veehouderij. De (hoogste) geurbelasting van een individuele veehouderij op een geurgevoelig object wordt ook wel ‘voorgrondbelasting’ genoemd. De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt ‘achtergrondbelasting’ genoemd. Dit is vergelijkbaar met het begrip cumulatieve stankhinder uit de ‘stankrichtlijnen’. Het verschil tussen voorgrondbelasting en achtergrondbelasting wordt toegelicht in afbeelding 1.

 

Afbeelding 1. Voorgrondbelasting versus achtergrondbelasting (fictieve situatie)

 

De Wgv kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. De achtergrondbelasting die optreedt of op kan treden is dan ook een gevolg van de aanwezige veehouderijen en de individuele geurbelasting. De gemeenteraad beoordeelt of de milieukwaliteit (de mate van geurhinder) die behoort bij een bepaalde achtergrondbelasting acceptabel is en of deze past binnen de doelstellingen voor een gebied.

 

3.4. Af te wegen normstellingen

Gemeenten kunnen besluiten de geurnormen en/of afstanden voor bepaalde gebieden door middel van een gemeentelijke verordening aan te passen. De bandbreedten die de Wgv hiertoe biedt zijn weergegeven in tabel 2.

 

Tabel 2. Bandbreedte geurnormen en afstanden

Criterium

Norm

 

Minimaal

Wettelijk

Maximaal

Geurnorm binnen bebouwde kom *

0,1 ouE/m3

2,0 ouE/m3

8,0 ouE/m3

Geurnorm buiten bebouwde kom *

3,0 ouE/m3

8,0 ouE/m3

20,0 ouE/m3

Afstand binnen bebouwde kom

50 meter

100 meter

100 meter

Afstand buiten bebouwde kom

25 meter

50 meter

50 meter

* Deze waarden gelden alleen voor niet-concentratiegebieden, voor concentratiegebieden bestaan andere waarden. De gemeente Hardinxveld-Giessendam ligt niet in een concentratiegebied.

 

In dit rapport wordt beschreven of het noodzakelijk of wenselijk is dat de gemeente Hardinxveld-Giessendam de geurnormen of afstanden die gelden op grond van de Wet geurhinder en veehouderij voor bepaalde gebieden aanpast.

 

3.5. Geurbelasting versus geurhinder

In de Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij is beschreven hoe kan worden bepaald hoeveel geurhinder kan worden verwacht in een gebied, gelet op de geurbelasting die daar is berekend. Op grond van de berekende geurbelastingen bepalen wij met behulp van de tabellen A (achtergrondbelasting) en B (voorgrondbelasting) uit bijlage 6 van de Handreiking de te verwachten geurhinderpercentages. Het hoogste geurhinderpercentage (voorgrondbelasting of achtergrondbelasting) is maatgevend voor de geursituatie.

 

Deze percentages zijn bedoeld om een vertaalslag te maken tussen de waarden voor de geurbelasting en de milieukwaliteit. De percentages zijn afkomstig uit het ‘Geuronderzoek stallen intensieve veehouderij’ (PRA Odournet, 2001). De geursituatie beschrijven wij in termen van milieukwaliteit, onderverdeeld in acht categorieën van ‘zeer goed’ tot ‘extreem slecht’. Deze termen zijn afkomstig uit de ‘GGD-richtlijn geurhinder (oktober 2002)’. Dit is beschreven in bijlage 7 van de Handreiking.

 

Een overzicht van de geurbelasting in relatie tot de geurhinderpercentages en de milieukwaliteit is te zien in tabel 3.

 

Tabel 3. Woon- en verblijfsklimaat versus geurgehinderden versus geurbelasting

Milieukwaliteit

Geurgehinderden

Voorgrondbelasting*

Achtergrondbelasting*

Zeer goed

0 – 5 %

0 – 0,7 ouE/m3

0 – 1,5 ouE/m3

Goed

5 – 10 %

0,7 – 1,8 ouE/m3

1,5 – 3,5 ouE/m3

Redelijk goed

10 – 15 %

1,8 – 3 ouE/m3

3,5 – 6,5 ouE/m3

Matig

15 – 20 %

3 – 4,5 ouE/m3

6,5 – 10 ouE/m3

Tamelijk slecht

20 – 25 %

4,5 – 6,5 ouE/m3

10 – 14 ouE/m3

Slecht

25 – 30 %

6,5 – 8,5 ouE/m3

14 – 19 ouE/m3

Zeer slecht

30 – 35 %

8,5 – 11,3 ouE/m3

19 – 25 ouE/m3

Extreem slecht

35 – 40 %

11,3 – 14,7 ouE/m3

25 – 32 ouE/m3

* Deze waarden gelden alleen voor niet-concentratiegebieden, voor concentratiegebieden bestaan andere waarden. De gemeente Hardinxveld-Giessendam ligt niet in een concentratiegebied.

 

De omschrijving van de milieukwaliteit kan niet op zichzelf worden gezien. De beleving van deze aanduidingen sluit het beste aan bij woongebieden. Ook dan is er in de beleving van geur een hele stap tussen de twee opeenvolgende categorieën, zoals ‘redelijk goed’ en ‘matig’. Het verschil in geur tussen twee klassen kan nabij de grens daartussen (op korte afstand) niet worden waargenomen. Het ‘gat’ bestaat alleen tekstueel, omdat de geurbelastingen en hinderpercentages op elkaar aansluiten.

 

3.6. Geurgevoelig object

Een geurgevoelig object is in de Wgv gedefinieerd als: 'gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt'. Alleen een gebouw kan een geurgevoelig object zijn. Duidelijk is dat een woning een geurgevoelig object is, mits deze een positieve planologische bestemming heeft en feitelijk geschikt is en gebruikt wordt om in te wonen. Of een ander gebouw (niet zijnde een woning), bijvoorbeeld een bedrijfsgebouw een geurgevoelig object is moet worden beoordeeld aan de hand van de criteria die in de definitie verder zijn opgenomen.

 

Het gebouw is bestemd voor menselijk verblijf.

Gezien de toelichting op de Wgv betekent dit dat de locatie volgens een positieve planologische bestemming een functie moet hebben voor menselijk verblijf. In een kantoorgebouw, werkruimte of expeditieruimte kunnen zich mensen ophouden.

 

Het gebouw is blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk verblijf.

Het gebouw moet zodanig zijn (aard, indeling en inrichting) dat het feitelijk gezien ook mogelijk is om in het gebouw te verblijven. Als aan het voorgaande wordt voldaan zal dit in de praktijk normaliter ook het geval zijn.

 

Het gebouw wordt daarvoor (menselijk verblijf) permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, gebruikt.

Onduidelijk is wat onder permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik wordt verstaan. Waar de grens ligt in de mate van gebruik zal in de toekomst uit jurisprudentie moeten blijken.

 

Gelet op de definitie gaan wij er van uit dat bedrijfsgebouwen, waarin gedurende langere tijd, vrijwel dagelijks (meerdere) mensen verblijven aangemerkt kunnen worden als geurgevoelig object. Dit wordt bevestigd in jurisprudentie (onder andere ABRvS 200709155/1 van 24 december 2008, ABRvS 200801961/1 van 11 maart 2009, ABRvS 200902795/5/R3 van 14 oktober 2009 en ABRvS 201202274/1/A1 van 10 oktober 2012).

 

Woningen bij andere veehouderijen zijn ook geurgevoelige objecten. Voor deze woningen gelden afstandseisen (artikel 3, lid2 Wgv). De afstandseisen zijn gelijk aan de afstandseisen zoals beschreven in paragraaf 3.3.2.

 

3.7. Bebouwde kom

3.7.1. Het begrip ‘bebouwde kom’

Het begrip ‘bebouwde kom’ is in de Wgv niet gedefinieerd, evenmin als in de Wet op de Ruimtelijke Ordening (Wro). In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel van de Wgv is aangegeven dat de grens van de bebouwde kom ‘niet wordt bepaald door de Wegenverkeerswetgeving, maar evenals in de ruimtelijke ordening door de aard van de omgeving’. Binnen een bebouwde kom is de op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing geconcentreerd tot een samenhangende structuur. Als bebouwde kom wordt beschouwd: ‘het gebied dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijffunctie heeft’ en waarin (dus) veel mensen per oppervlakte-eenheid daadwerkelijk wonen of verblijven. InfoMil concludeert in haar handleiding behorend bij de Wgv dat het voor de hand ligt om voor de grenzen van de bebouwde kom aan te sluiten bij wat in de ruimtelijke ordening (het plaatselijke bestemmingsplan) daaronder wordt verstaan.

 

Of een bepaalde omgeving een bebouwde kom is zal per geval moeten worden bepaald. Zoals gezegd is dit niet eenduidig gedefinieerd. De volgende zaken spelen in deze afweging en rol:

- dichtheid bebouwing;

- aard en structuur van de omgeving en bebouwing;

- planologische karakter.

 

Mogelijk dat ook de historische situatie een rol speelt. Voor woningen gaan wij uit van een bebouwde kom, als deze in een woonwijk of woongebied zijn gelegen, waarbij de erven aan meerdere zijden aan elkaar aansluiten. Woningen die geconcentreerd zijn gelegen in een op zichzelf staande lintbebouwing beschouwen wij niet als bebouwde kom. Deze opvatting sluit aan bij de jurisprudentie over het begrip bebouwde kom zoals dat werd gehanteerd in de brochure veehouderij en Hinderwet (één van de ‘stankrichtlijnen’) en in de Stankwet.

 

3.7.2. Bebouwde kom Boven-Hardinxveld

Het gebied rondom de veehouderij aan de Koningin Wilhelminalaan 137 te Boven-Hardinxveld is weergegeven op afbeelding 2.

 

Op basis van het begrip bebouwde kom in de Wgv en de jurisprudentie daarover kan worden geconcludeerd dat voor de dorpskern van Boven-Hardinxveld inclusief de lintbebouwing aan de Koningin Wilhelminalaan 137 worden gezien als bebouwde kom in termen van de Wgv.

 

Afbeelding 2. Dorpskern Boven-Hardinxveld

 

 

4. GEURBEOORDELING

 

De veehouderij aan de Koningin Wilhelminalaan 137 heeft een vergunning op grond van de Wet milieubeheer d.d. 25 mei 2007 voor het houden van:

- 102 melkkoeien (A1.100.1);

- 66 stuks vrouwelijk jongvee (A3);

- 23 schapen.

De locatie van de stallen is weergegeven op afbeelding 3.

 

Afbeelding 3. Stallen vergunde situatie

 

De veehouderij wenst de veebezetting te wijzigen naar:

- 140 melkkoeien (A1.100.1);

- 80 stuks vrouwelijk jongvee (A3).

 

Hiertoe komt in de bestaande melkstal een scheidingswand en wordt het oostelijke gedeelte van deze stal gebruikt voor het huisvesten van jongvee. Het westelijke gedeelte van de stal wordt niet gebruikt voor het huisvesten van dieren. Voor het melkvee wordt een nieuwe stal gebouwd. De locatie van de stallen is weergegeven op afbeelding 4.

 

Afbeelding 4. Stallen gewenste situatie

 

4.1. Voorgrondbelasting

In de vergunde situatie worden op de veehouderij 23 schapen gehouden. Voor schapen zijn in de Rgv geuremissiefactoren vastgesteld. Daarom hebben wij voor de veehouderij aan de Koningin Wilhelminalaan 137 de geurcontouren berekend. De geurcontouren behorende bij deze situatie zijn weergegeven op de kaart in bijlage 1. De parameters die zijn gebruikt voor de geurberekeningen zijn weergegeven in tabel 4.

 

Tabel 4. Parameters geurberekening

Emissiepunt

X coördinaat (m)

Y coördinaat (m)

Emissiepunt hoogte (m)

Gebouw hoogte (m)

Emissiepunt diameter (m)

Uittree snelheid (m/s)

Geur emissie (ouE/s)

Schapenstal

120 290

426 698

1,5

1,5

0,50

0,40

179,40

 

Voor een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom geldt een geurnorm van 2,0 ouE/m3 (zie paragraaf 3.3.1). Er liggen geen geurgevoelige objecten binnen de geurcontour van 2,0 ouE/m3 van de veehouderij. De geurbelasting op het dichtstbijzijnde geurgevoelig object bedraagt 1,3 ouE/m3. Het woon- en verblijfsklimaat bij deze geurbelasting is ‘goed’ (zie tabel 2 paragraaf 3.4). De geurbelasting vormt geen knelpunt.

 

In de gewenste situatie worden geen schapen gehouden. De geurbelasting op geurgevoelige objecten in de omgeving neemt af naar 0,0 ouE/m3. Het woon- en verblijfsklimaat is dan ‘zeer goed’.

 

4.2. Afstanden

In de vergunde situatie worden melkkoeien en jongvee gehouden. Daarom hebben wij voor de veehouderij aan de Koningin Wilhelminalaan 137 de afstandscontouren bepaald. De afstandscontouren behorende bij deze situatie zijn weergegeven op de kaart in bijlage 2.

 

Voor een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom geldt een afstandsnorm van 100 meter tot de emissiepunt van een stal en 50 meter tot de gevel van een stal (zie paragraaf 3.3.2). Binnen de afstandscontour van 100 meter van de veehouderij liggen 41 geurgevoelige objecten. Er is sprake van een overbelaste situatie. De dichtstbijzijnde woning bevindt zich op een afstand van ongeveer 25 meter van de ligboxenstal.

 

In de gewenste situatie komen de stallen met melkkoeien en jongvee op grotere afstand van alle geurgevoelige objecten in de omgeving te liggen. De afstandscontouren behorende bij deze situatie hebben zijn op de kaart in bijlage 3. In de gewenste situatie liggen 35 geurgevoelige objecten binnen de afstandscontouren van de veehouderij. Er kan worden gesproken van een verbetering van de geursituatie.

 

Wanneer er geen sprake is van toename van het aantal melkkoeien (dus maximaal 102) of van het aantal jongvee (dus maximaal 66), dan kan de gewenste situatie op basis van de huidige wetgeving worden vergund (artikel 4, lid 3 van de Wgv):

 

“Indien de afstand, bedoeld in het eerste of tweede lid, kleiner is dan aangegeven in dat lid, wordt een omgevingsvergunning, in afwijking van die leden, niet geweigerd indien de afstand tussen de veehouderij en het geurgevoelig object dat binnen de in het eerste of tweede lid bedoelde afstand is gelegen, niet afneemt en het aantal dieren van één of meer diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld niet toeneemt.”

 

Echter is in de gewenste situatie wel sprake van een toename van het aantal melkkoeien en het aantal jongvee. Daarom kan de gewenste situatie op basis van de huidige wetgeving niet worden vergund. Er kan niet worden voldaan aan de afstandsnorm van 100 meter.

 

De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om voor bepaalde gebieden andere afstanden of normen vast te stellen dan de landelijk gestelde afstanden of normen (zie paragraaf 2.4).

 

De gemeente kan overwegen een afstandsnorm van 50 meter vast te stellen voor het gebied rondom de veehouderij aan de Koningin Wilhelminalaan 137. Op de kaart in bijlage 4 is aangegeven welk gedeelte van het bouwvlak van de veehouderij aan de Koningin Wilhelminalaan 137 kan worden benut voor het realiseren van dierenverblijven, wanneer een afstandsnorm van 50 meter wordt vastgesteld.

 

Hierbij merken wij op dat de geprojecteerde jongveestal zich op een afstand van minder dan 50 meter van de woning aan de Koningin Wilhelminalaan 135 bevindt. Daarom is nog altijd geen sprake van een vergunbare situatie, aangezien er sprake is van een toename van het aantal melkkoeien en het aantal jongvee is en niet aan de afstandsnorm van 50 meter wordt voldaan.

 

Op basis van een afstandsnorm van 50 meter is het voor de veehouderij aan de Koningin Wilhelminalaan 137 wel beter mogelijk om bij een toename van het aantal melkvee of jongvee een vergunbare situatie te creëren. Wanneer de gemeente voor het gebied rondom de veehouderij een lagere afstandsnorm vaststelt resulteert dit in een lager beschermingsniveau voor de geurgevoelige objecten in dit gebied. In hoofdstuk 6 motiveren wij waarom een lager niveau van bescherming voor geurgevoelige objecten binnen het aangewezen gebied acceptabel kan worden geacht.

 

4.3. Achtergrondbelasting

De achtergrondbelasting wordt gevormd door de geurbelasting van alle veehouderijen samen (zie paragraaf 3.3.3). De geuremissie is afkomstig van dieren waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) een omrekeningsfactor is vastgesteld, zoals varkens, vleesvee, pluimvee, schapen en geiten. Bij een onderzoek naar de achtergrondbelasting worden alle veehouderijen binnen een straal van twee kilometer van het plangebied betrokken.

 

Als vuistregel geldt dat de achtergrondbelasting bepalend is voor de mate van hinder, wanneer deze meer dan het dubbele van de voorgrondbelasting bedraagt. In de omgeving van het plangebied zijn geen andere veehouderijen gelegen. De achtergrondbelasting is daarom niet bepalend voor de mate van geurhinder ter plaatse van het plangebied en vormt daarom geen belemmering.

 

5. CRITERIA BIJ HET BEPALEN VAN EEN ANDERE WAARDE

5.1. Inleiding

Afhankelijk van de doelstellingen die de gemeente Hardinxveld-Giessendam heeft voor het dit rapport behandelde gebied zou het wenselijk kunnen zijn om een geurverordening op te stellen, waarin de afstandsnorm ter plaatse van dit gebied wordt aangepast. In hoofdstuk 4 is het eerste criterium (de huidige en te verwachten geursituatie vanwege de veehouderijen in een gebied) van artikel 8 Wgv afgewogen. Ook is hierbij criterium d, namelijk de gewenste ruimtelijke inrichting van de gebieden betrokken. De overige twee criteria waarmee rekening moet worden gehouden zijn in de volgende paragrafen beschreven.

 

5.2. Belang van een geïntegreerde aanpak van de verontreiniging

Bij het opstellen (of aanpassen) van een gemeentelijke verordening op basis van de Wgv moet het belang van een geïntegreerde aanpak van de verontreiniging worden betrokken. Met het belang van een geïntegreerde aanpak van de verontreiniging wordt bedoeld dat afwenteling van de verontreiniging op een ander milieucompartiment moet worden voorkomen. Hierbij moet een hoog niveau van bescherming voor het milieu in zijn geheel worden bevorderd. Bij het opstellen van een gemeentelijke verordening moet derhalve niet alleen worden gekeken naar de geursituatie, maar ook naar de gevolgen daarvan voor andere milieucompartimenten (zoals ammoniak, geluid, energie en dergelijke). Het aanpassen van de aan te houden afstanden heeft geen directe invloed op groei- of vestigingsmogelijkheden van veehouderijen en daarom geen gevolgen voor de andere milieucompartimenten.

 

5.3. Noodzaak van een even hoog niveau van bescherming van het milieu

Bij het opstellen (of aanpassen) van een gemeentelijke verordening op basis van de Wgv moet verder de noodzaak van een even hoog niveau van de bescherming van het milieu worden betrokken. Een even hoog niveau van de bescherming van het milieu wil zeggen dat het bereikte niveau van bescherming door het stellen van algemene regels in plaats van individuele regels even hoog moet zijn als in het geval van een toets aan de individuele regels. Bij het opstellen (of aanpassen) van een verordening worden geen generieke regels gesteld die individuele regels vervangen. Het beschermingsniveau voor de toepassing van de individuele regels wordt aangepast.

 

Deze geurgebiedsvisie, samen met de gemeentelijke afweging, kan resulteren in een andere normstelling, die past binnen de wettelijk bepaalde grenzen. Verder moeten bij een veehouderij de beste beschikbare technieken worden toegepast (verplicht op grond van de Wet milieubeheer). Het voorgaande geeft voldoende garantie dat voor het milieu in zijn geheel een ten minste gelijkwaardig niveau van bescherming is gewaarborgd, in vergelijking met de situatie waarin alle bedrijven individueel zouden worden beoordeeld.

 

6. CONCLUSIE

 

Gelet op de gewenste wijziging van de veehouderij aan de Koningin Wilhelminalaan 137 en een mogelijkheid tot het verbeteren van het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de omliggende woningen is het wenselijk en mogelijk om voor het gebied rondom deze veehouderij een aangepaste afstand vast te stellen. Wij stellen voor de afstandsnorm voor dit gebied te wijzigen van 100 meter naar 50 meter.

 

Ook uit de beschouwing van de overige criteria blijkt dat het vaststellen van een lagere afstandsnorm mogelijk is. Het belang van een geïntegreerde aanpak van de verontreiniging wordt niet geschaad en een even hoog niveau van bescherming wordt bereikt.

 

In deze conclusie geven wij een antwoord op de onderzoeksvragen, zoals gesteld in hoofdstuk 1.

 

6.1. Is een acceptabel woon- en verblijfsklimaat gegarandeerd?

In hoofdstuk 4 hebben wij de geursituatie ter plaatse van het gebied rondom de veehouderij aan de Koningin Wilhelminalaan 137 beschreven. Hierbij is gekeken naar voorgrondbelasting, afstanden en achtergrondbelasting. Wanneer de gemeente voor het plangebied een lagere afstandsnorm vaststelt resulteert dit in een lager beschermingsniveau voor de woningen in de omgeving. Gezien de volgende redenen achter wij een lager beschermingsniveau voor de woningen in de omgeving acceptabel:

 

Kans op verbetering in de geursituatie

De huidige wetgeving (Wgv, Activiteitenbesluit) voorkomt dat de dierenverblijven op kortere afstand van de woningen in de omgeving komen te liggen of dat de veehouderij kan uitbreiden in het aantal dieren binnen de bestaande stallen. Met een afstandsnorm van 50 meter is het voor de veehouderij aan de Koningin Wilhelminalaan 137 gemakkelijker om bij een toename van het aantal melkvee of jongvee een vergunbare situatie te creëren. Wanneer dit het geval is, dan komen de dierenverblijven op grotere afstand van woningen te liggen dan in de huidige situatie het geval is en kan worden gesproken van een verbetering van het woon- en verblijfsklimaat.

 

Op basis van de wettelijke afstandsnorm van 100 meter is het voor de veehouderij onmogelijk om bij een toename van het aantal melkvee of jongvee een vergunbare situatie te creëren. Er is dan ook geen zicht op een verbetering van het huidige woon- en verblijfsklimaat.

 

Voorgrondbelasting

De gewenste situatie omvat een vermindering van het aantal dieren waarvoor in de Rgv een geuremissiefactor is opgenomen. Op basis van de voorgrondbelasting is sprake van een verbetering van het woon- en verblijfsklimaat.

 

Achtergrondbelasting

Er zijn nauwelijks andere veehouderijen in de omgeving die wat betreft geurbelasting van invloed zijn op het plangebied. Op basis van de achtergrondbelasting is sprake van een acceptabel woon- en verblijdsklimaat.

 

Overgangsgebied naar agrarisch gebied

Het gebied waarvoor een aangepaste afstandsnorm wordt voorgesteld grenst direct aan het agrarisch gebied. Gezien de ligging direct aan het agrarische gebied kan de gemeente overwegen een lager niveau van bescherming voor te realiseren geurgevoelige objecten aanvaardbaar te achten.

 

Lagere afstandsnorm mogelijk

De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om voor bepaalde gebieden andere afstanden of normen vast te stellen dan de landelijk gestelde afstanden of normen (zie paragraaf 2.4). Een afstandsnorm van 50 meter past binnen de bandbreedte die de Wgv daarbij biedt. Uit voorgaande blijkt dat het woon- en verblijfsklimaat acceptabel wordt geacht.

 

6.2. Worden veehouderijen in hun belangen geschaad?

De voorgestelde afstandsnorm van 50 meter vormt een versoepeling van de regels voor de veehouderij aan de Koningin Wilhelminalaan 137. De veehouderij wordt niet in haar belangen geschaad.

 

6.3. Afweging

Uit het voorgaande blijkt dat het vaststellen van een lagere afstandsnorm voor het gebied rondom de veehouderij aan de Koningin Wilhelminalaan 137 mogelijk en gewenst is. De lagere afstandsnorm leidt niet tot een onaanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat en heeft geen negatieve invloed op de uitbreidingsmogelijkheden van veehouderijen. Ook wordt aan de overige criteria bij het vaststellen van andere geurnormen voldaan (zie hoofdstuk 5).