Gemeenteblad van Peel en Maas

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Peel en MaasGemeenteblad 2017, 8102Beleidsregels



Beleidsregel Regeling grootschalige windenergie Peel en Maas

Zaaknummer: 1894/2016/744190

Documentnummer: 1894/2016/867268

Besluitnummer: 2 – 8.5

BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN PEEL EN MAAS;

Gelet op het bepaalde in artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht;

Gelet op het bepaalde in “Uitgangspunten windenergie” vastgesteld door de gemeenteraad op 15 april 2016

Overwegende dat het wenselijk is beleidsregels vast te stellen voor grootschalige windenergie.

BESLUITEN:

Vast te stellen de volgende beleidsregel:

Beleidsregel : Regeling grootschalige windenergie Peel en Maas

Artikel 1 Begripsomschrijving

In deze beleidsregel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Direct belanghebbenden: bewoners van het directe invloedsgebied.

Direct invloed s gebied : aandachtsgebied voor invloeden van slagschaduw en geluid. Dit is 5 maal de rotordiameter plus de tip van de wiek.

Gemeenschap: een buurtschap of dorp.

Grootschalige windenergie: windmolens met een minimale as-hoogte van 90 meter vanaf het maaiveld.

Initiatiefnemer: de persoon, de personen of organisatie die een windmolen of windmolenpark wil realiseren.

Interferentie: verstoord/onrustig landschappelijk beeld als gevolg van twee windmolenparken op elkaar.

Interferentie-afstand: een afstand van 4 kilometer vanaf de mast van een windmolen.

Landschappelijk inrichtingsplan: Een plan waarmee de landschappelijke inpassing en effecten en andere te verrichten kwaliteit verbeterende maatregelen zijn beschreven. Als aan te houden afstand wordt uitgegaan van een invloedsgebied gelijk aan de interferentie-afstand.

NWEA: Nederlandse Wind Energie Associatie

POL: Provinciaal Omgevingsplan Limburg.

P articipatieplan : Het plan zoals beschreven in de NWEA waarin voor de verschillende projectfasen (ontwikkeling, bouw en exploitatie) wordt weergegeven wie op welke wijze belanghebbend is en op welke wijze deze belanghebbenden worden betrokken bij het project. In het participatieplan worden twee vormen van participatie beschreven namelijk procesparticipatie en projectparticipatie. Een communicatieparagraaf maakt onderdeel uit van het participatieplan.

Procesparticipatie : gaat over de consulterende gesprekken met belanghebbenden, het opzetten van een klankbordgroep, organiseren van discussies, informatieavonden of ontwerpateliers en het inrichten van een goed en transparant systeem voor het behandelen van vragen en klachten.

Projectparticipatie : gaat over de financiële deelneming met aandelen/obligaties, een (boven)lokaal fonds, omwonendenregeling zoals groene stroom met korting, korting op de energierekening of een andere (financiële) vergoeding en het creëren van lokale werkgelegenheid.

Projectparticipatie plan (profijtplan): Het bevat de methode en het proces (wie mag meepraten en wie beslist over de opbrengsten en verdeling) om te komen tot een verdeling van baten tussen grondeigenaren, investeerders en omgeving.

Regeling: “Regeling grootschalige windenergie Peel en Maas”.

Belanghebbenden: het betreft omwonenden, grondeigenaren en initiatiefnemers binnen de interferentie afstand.

Visualisatie: het scheppen van realistische beelden van de windmolens in het landschap vanuit gezichtspunten die helpen bij de beeldvorming.

Windmolenpark: De bebouwde en onbebouwde gronden noodzakelijk voor de realisatie van windenergie als een samenhangend complex: het windmolenpark kent een opstelling van minimaal 3 windmolens. Het directe invloedsgebied van de windmolens, maakt onderdeel uit van het windmolenpark.

Zoekgebied: een aaneengesloten open ruimte in een grootschalig open jong ontginningslandschap / half open landschap conform de kaart ‘windenergie en landschap’ gelijktijdig vastgesteld door het college van burgemeesters en wethouders met de “realisatiestrategie grootschalige windenergie” op 5 december 2016.

Artikel 2 Algemeen

Alvorens een plan met een of meer windmolens in behandeling kan worden genomen, moeten initiatiefnemers aantonen dat deze voldoen aan artikelen 3 tot en met 5 van de “Regeling grootschalige windenergie Peel en Maas”, zijnde een vertaling van de “Uitgangspunten windenergie” welke de raad heeft vastgesteld in de raadsvergadering van 15 april 2016. Als moment dat een initiatief aan de artikelen 3 tot en met 5 moet voldoen, geldt het moment van binnenkomst. De kosten voor het inwinnen van advies nodig voor de beoordeling van initiatieven met principeverzoeken en conceptplannen op basis van artikel 3 tot en met 5, alsmede de ambtelijke kosten voor het volgen van de benodigde ruimtelijke procedure, worden verhaald op de initiatiefnemer via een anterieure overeenkomst.

Artikel 3 Uitgangspunt 1: De omgeving heeft een actieve en betrokken rol bij de ontwikkeling en de exploitatie van windturbines

  • 3.1.

    Initiatieven met windmolens worden slechts in behandeling genomen indien ze voorzien zijn van een participatieplan. In dit participatieplan wordt aannemelijk gemaakt hoe het initiatief komt tot een actieve en betrokken rol van belanghebbenden bij de ontwikkeling en exploitatie van het windmolenpark.

  • 3.

    2 Initiatieven met windmolens worden slechts in behandeling genomen indien ze aannemelijk maken dat conform het gestelde onder het participatieplan wordt gehandeld.

  • 3.

    3 Initiatieven met windmolens worden slechts in behandeling genomen als ze zijn voorzien van een stakeholderanalyse. Uit de stakeholderanalyse moet blijken wat relevante partijen zijn om in overleg te treden om te komen tot een actieve en betrokken rol van inwoners bij de ontwikkeling en exploitatie van het windmolenpark.

  • 3.

    4 Initiatieven met windmolens worden slechts in behandeling genomen als ze zijn voorzien van verslaglegging van de gesprekken met de relevante partijen, waaronder ook eventuele initiatieven met windmolens van derden binnen de interferentie afstand. Met de verslaglegging moeten initiatieven aannemelijk maken dat deze door de betrokken partijen zijn geaccordeerd, dan wel motiveren waarom niet geaccordeerd wordt, op een zodanige wijze dat de gemeente in staat is om dit te verifiëren.

  • 3.

    5 Initiatieven met windmolens worden slechts in behandeling genomen als ze aannemelijk kunnen maken dat ze over de gronden, nodig voor de realisatie van het windmolenpark kunnen beschikken.

Artikel 4 Uitgangspunt 2: De opbrengsten (€ en kWh) van windturbines moeten aanwijsbaar terugvloeien in de gemeenschap

  • 4.

    1 Initiatieven met windmolens worden slechts in behandeling genomen als ze zijn voorzien van een projectparticipatieplan. Met het projectparticipatieplan moet aannemelijk worden gemaakt dat opbrengsten terugvloeien in de gemeenschap conform het gestelde uit de ‘Gedragscode draagvlak en participatie wind op land’ van NWEA, dan wel aangetoond wordt dat dit op een minimaal gelijkwaardige wijze gebeurt.

  • 4.

    2 Initiatieven met windmolens worden slechts in behandeling genomen indien ze aannemelijk maken dat conform het gestelde onder het projectparticipatieplan wordt gehandeld.

Artikel 5 Uitgangspunt 3: De windturbines moeten op een goede plek komen

  • 5.

    1 Initiatieven met windmolens worden slechts in behandeling genomen, indien ze voorzien zijn van een landschappelijk inrichtingsplan. Uit het landschappelijk inrichtingsplan moet blijken dat de ontwikkeling met het windmolenpark is gericht op verbetering van de omgevingskwaliteit. Het ‘landschapsadvies windenergie’ (Veenenbosch en Bos, november 2016) geeft een onderbouwing. De bijbehorende oplegnotitie geeft aan hoe het landschapsadvies geïnterpreteerd dient te worden.

  • 5.

    2 Het landschappelijk inrichtingsplan wordt met het besluit op de aanvraag om een omgevingsvergunning als voorwaarde aan de omgevingsvergunning verbonden.

  • 5.

    3 Initiatieven met windmolens worden slechts in behandeling genomen indien ze zijn voorzien van een visualisatie van een virtuele 3D maquette die inzicht geeft in de visueel ruimtelijke aspecten van het geplande windmolenpark. Het doel is komen tot een ontwerp, oordeelvorming en communicatie met belanghebbenden.

  • 5.

    4 Initiatieven met windmolens worden slechts in behandeling genomen indien ze aannemelijk maken dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening conform het gestelde in de Wet ruimtelijke ordening.

  • 5.

    5 Initiatieven met windmolens worden slechts in behandeling genomen indien ze voldoen aan de onderhavige beleidsregel en een uitgebreide omgevingsvergunning (bouw in combinatie met afwijken van het planologisch gebruik) hebben aangevraagd bij de gemeente Peel en Maas.

Artikel 7 Citeertitel en inwerkingtreding

  • 1.

    Deze beleidsregel wordt aangehaald als “Regeling grootschalige windenergie Peel en Maas”;

  • 2.

    De beleidsregel treedt in werking op 14 januari 2017.

Panningen, 9 januari 2017

Burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas,

de gemeentesecretaris/directeur, de burgemeester,

L.P.H. Breukers W.J.G. Delissen-van Tongerlo

Bijlagen

1: Oplegnotitie landschapsadvies windenergie

2: Landschapsadvies windenergie Veenenbosch en Bos versie november 2016

3: Gedragscode draagvlak en participatie wind op land 31 oktober 2015 van de NWEA

Toelichting

Nota van toelichting regeling grootschalige windenergie

Toelichting artikel 2 Algemeen

Op 15 april 2016 heeft de gemeenteraad beleid in de vorm van uitgangspunten windenergie vastgesteld. De uitgangspunten houden in dat vóór 2020 een windpark ontwikkeld wordt. De burgers moeten een actieve en betrokken rol hebben bij de ontwikkeling en de exploitatie, en opbrengsten uit windmolens moeten zoveel terugvloeien in de lokale gemeenschappen. De uitgangspunten vormen pijlers voor maatschappelijke acceptatie.

Initiatiefnemers die een formele aanvraag indienen voor een windmolenpark moeten aantonen dat ze voldoen aan de kaders uitgangspunten windenergie die de gemeenteraad van Peel en Maas op 15 april 2016 heeft vastgesteld. Deze regeling schept als aanvullende vertaling van de uitgangspunten duidelijkheid. Voldoen plannen niet, dan is dit uiteindelijk aanleiding voor de gemeente Peel en Maas om af te zien van behandeling van het plan. De regeling houdt rekening met schaarste van geschikte locaties, door te regelen dat het moment van voldoen van een initiatief aan de regeling, als moment voorde start van behandeling.

Bij het opstellen van de regeling is gebruik gemaakt van bronnen waaronder de ‘Gedragscode draagvlak en participatie wind op land’, de samenwerking met Midden Limburgse gemeente aan windenergie en de landelijke ervaringen met verschillende initiatiefnemers van windenergie door de Rijksdienst van Ondernemend Nederland.

Toelichting artikel 3 ‘Uitgangspunt 1: De omgeving heeft een actieve en betrokken rol bij de ontwikkeling en exploitatie van windmolens’

Het bereiken van een betrokken en actieve rol van de omgeving bij de ontwikkeling en de exploitatie van windturbines vraagt meer inspanning van initiatiefnemers dan het reguliere communicatieplan en een brief waarmee een mogelijkheid tot participatie wordt aangeboden. Om die redenen wordt gevraagd om een participatieplan te overleggen, waarmee het aannemelijk maakt hoe het komt tot een actieve en betrokken rol.

Een constructieve wijze van communicatie met belanghebbenden is van groot belang om te komen tot een actieve en betrokken rol van de omgeving.

Voor het te voeren proces is het relevant dat stakeholders in beeld zijn.

Toelichting artikel 4 ‘Uitgangspunt 2: De opbrengsten (€ en kWh) van windturbines moeten aanwijsbaar terugvloeien in de gemeenschap.

Deze opbrengsten zijn afhankelijk van de behoefte van de bewoners in de omgeving van een plan. Het streven is dat de opbrengsten zorgen voor een toegevoegde kwaliteit, waar omwonenden behoefte aan hebben. De ‘Gedragscode draagvlak en participatie wind op land’ van NWEA geeft een richtlijn voor vergoeding die als redelijk wordt gezien.

Om aannemelijk te maken dat afspraken concreet zijn, moeten initiatiefnemers van de gevoerde overleggen met stakeholders verslaglegging kunnen overleggen die door de betrokken partijen is geaccordeerd. Dit is vastgelegd in artikel 3.4 van de onderhavige beleidsregel.

Toelichting artikel 5 ‘Uitgangspunt 3: De windturbines moeten op een goede plek komen’.

Windmolenparken hebben effect op het landschap en zijn van grote invloed op de acceptatie.

Landschap is om die redenen een belangrijke afweging. Het landschapsadvies en de oplegnotitie sturen op het acceptabel zijn van landschapseffecten. Het landschapsadvies en oplegnotitie zijn door het college van burgemeester en wethouder vastgesteld op 9 januari 2017 en maken onderdeel uit van deze regeling.

Algemene toelichting werking regeling

Het kader windenergie schept helderheid voor initiatiefnemers en burgers. Dit is vormgegeven in onderhavig besluit met kaarten, ontwerpprincipes met oplegnotitie en een regeling waarin de uitgangspunten verder zijn uitgewerkt. Met de regeling voorziet het college in objectieve beoordelingsruimte en beoordelingsvrijheid. Het college kan in geval van de regeling gebruik maken van de beleidsvrijheid om de hardheidsclausule toe te passen. In dat geval zal het college een belangenafweging moeten maken tussen het belang van de belanghebbende en het algemeen belang.

Artikel 1 in de regeling windenergie geeft met de begrippenlijst begrippen objectieve beoordelingsruimte. Artikel 2 tot en met 5 geven een zekere beoordelingsvrijheid. Het vraagt om een waarderend oordeel van het bestuursorgaan. Daar waar sprake is van een waarderend oordeel wordt gebruik gemaakt van een commissie met objectieve deskundigen.

Voor de beoordeling van principeverzoeken en de conceptplannen worden onafhankelijke deskundigen aangewezen, die adviseren op het gebied van landschap, participatie en profijt.

De deskundige op het gebied van participatie adviseert over het omgevingsmanagement van een initiatief: draagt een initiatief voldoende bij aan een actieve en betrokken rol van burgers. Ook wordt geadviseerd of de wijze van communicatie met belanghebbenden voldoende constructief is. Op die manier wordt bijgedragen aan de objectieve oordeelsvorming over uitgangspunt 1: ‘De omgeving heeft een actieve en betrokken rol bij de ontwikkeling en de exploitatie van windturbines’.

De deskundige op het gebied van profijt adviseert over het projectparticipatieplan en of een initiatief voldoende invulling geeft aan de richtlijn voor vergoeding zoals gesteld in de ‘Gedragscode draagvlak en participatie wind op land’ van NWEA. Op die manier wordt bijgedragen aan de objectieve oordeelsvorming over uitgangspunt 2: De opbrengsten (€ en kWh) van windturbines moeten aanwijsbaar terugvloeien in de gemeenschap.

De deskundige op het gebied van landschap heeft specifiek kennis op het gebied van landschapseffecten van windmolenparken. Deze adviseert de gemeente over landschappelijke kwaliteit van initiatieven en specifiek over het acceptabel zijn van landschapseffecten. Het ‘landschapsadvies windenergie’ (Veenenbosch en Bos, november 2016) en bijbehorende oplegnotitie geven kaders voor de beoordeling van het plan. Plannen met een gemeentegrensoverschrijdende effect worden afgestemd met de betrokken gemeenten of de samenwerking. De deskundige draagt bij aan de objectieve oordeelsvorming plaats over landschap en uitgangspunt 3: ‘De windturbines moeten op een goede plek komen’.

Aanvullende toelichting: ‘Uitgangspunt 4: Grondspeculatie moet worden voorkomen’.

Grondspeculatie wordt voorkomen, doordat de gemeente Peel en Maas geen locaties vastgesteld. De kaarten die de gemeente Peel en Maas heeft vastgesteld met de uitgangspunten geven slechts inzicht in de uitsluitingsgebieden en de beleidsmatige aandachtsgebieden.

Het doel van het voorkomen van grondspeculatie is dat individuele grondafspraken gaan conflicteren in een gebied en dat grondafspraken alleen over de gronden gaan waarop de molens komen te staan en niet over de gronden waarop de molen ook impact heeft (ook voorkomen afgunst in gebied). Het is aan de initiatiefnemers om te streven naar een situatie, waarbij alle grondeigenaren van het windmolenpark, binnen 5 maal de rotordiameter plus de tip van de wiek, een evenwichtige grondvergoeding krijgen. Om die redenen zit in artikel 2 en 3 een koppeling met het participatieplan en het projectparticipatieplan. Als gevolg van de koppeling moeten initiatiefnemers conform de ‘Gedragscode draagvlak en participatie wind op land’ NWEA laten zien hoe het komt tot instemming tussen partijen.

[1]

[2]Het onderscheid tussen (objectieve) beoordelingsruimte en beoordelingsvrijheid is vooral van belang bij de rechterlijke toetsing. Is er sprake van beoordelingsvrijheid, dan heeft de wetgever het bestuursorgaan een zekere mate van ruimte gegeven die de rechter moet respecteren. Deze zal dan ook slechts marginaal toetsen. De interpretatie van vage begrippen, die het bestuursorgaan heeft als er sprake is van objectieve beoordelingsruimte, zijn daarentegen wel vatbaar voor een ‘volle’ rechterlijke toets.