Gemeenteblad van Noordwijk

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
NoordwijkGemeenteblad 2017, 232993Verordeningen



Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelasting Noordwijk 2018

De raad van de gemeente Noordwijk;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 24 oktober 2017;

 

gelet op het bepaalde in artikel 225 van de Gemeentewet en de Parkeerverordening

Noordwijk 2018;

 

besluit:

 

vast te stellen de navolgende verordening:

 

Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelasting Noordwijk 2018

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    Het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordwijk;

  • b.

    Parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;

  • c.

    RVV 1990: het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

  • d.

    Motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het RVV 1990, met dien verstande dat een brommobiel wordt aangemerkt als motorvoertuig;

  • e.

    Houder: degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren was ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens;

  • f.

    Parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten, centrale computer en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan;

  • g.

    Parkeerapparatuurplaats: een parkeerplaats waarop slechts tegen betaling van parkeerbelasting danwel met een daartoe verleende vergunning of ontheffing mag worden geparkeerd;

  • h.

    Parkeerplaats: plaats op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten waarop parkeren niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;

  • i.

    Parkeervergunning: een door of namens het college verleende vergunning krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op daartoe aangewezen parkeerapparatuurplaatsen.

  • j.

    Vergunninghouder: de natuurlijke of rechtspersoon aan wie een vergunning is verleend;

  • k.

    Centrale computer: computer van één van de providers waarmee de gemeente Noordwijk een overeenkomst heeft gesloten, bestemd voor de registratie van parkeerbewegingen in het kader van het verlenen van diensten op het gebied van betaald parkeren met gebruik van een telefoon;

  • l.

    Wanbetaler: een kentekenhouder die vijf of meer naheffingsaanslagen tegelijkertijd geregistreerd heeft staan op zijn of haar voertuig, waarvoor nog geen betalingen zijn gedaan bij het parkeerservicebureau of zijn bijgeschreven op de rekening die hiertoe wordt aangehouden door of namens de Invorderingsambtenaar.

Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam “parkeerbelastingen” worden de volgende belastingen geheven:

  • a.

    een belasting ter zake van het parkeren van een motorvoertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze;

  • b.

    een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een motorvoertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze.

Artikel 3 Belastingplicht

  • 1.

    De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven van degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd.

  • 2.

    Als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt mede aangemerkt:

    • a.

      degene die de belasting voldoet, dan wel te kennen geeft of heeft gegeven de belasting te willen voldoen;

    • b.

      zolang geen voldoening van de belasting genoemd in artikel 2, onderdeel a, heeft plaatsgevonden: de houder van het motorvoertuig, met dien verstande dat

      1e als een voor ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit blijkt wie ten tijde van het parkeren ingevolge deze overeenkomst de huurder van het motorvoertuig was, niet de houder maar de huurder wordt aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd;

      2e als blijkt dat een ander in het kentekenregister had moeten staan ingeschreven, die ander wordt aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd.

  • 3.

    De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt niet geheven van degene die op de voet van het tweede lid, onderdeel b, als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt aangemerkt, indien deze aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het motorvoertuig heeft gebruik gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen.

  • 4.

    De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven van degene die de vergunning heeft aangevraagd.

Artikel 4 Vrijstelling

  • 1.

    De belasting als bedoeld in artikel 2a wordt niet geheven van een houder van een geldige gehandicaptenparkeerkaart voor het parkeren van een motorvoertuig op een parkeerapparatuurplaats, zijnde een algemene gehandicaptenparkeerplaats (voorzien van bord E6). De vrijstelling is uitsluitend van toepassing indien de gehandicaptenkaart met de daartoe bestemde zijde op een van buitenaf duidelijk zichtbare en leesbare plaats achter de voorruit van het motorvoertuig is geplaatst.

  • 2.

    De belasting als bedoeld in artikel 2a wordt niet geheven van een houder van een geldige gehandicaptenparkeerkaart voor het parkeren van een motorvoertuig op een parkeerapparatuurplaats, niet zijnde een algemene gehandicaptenparkeerplaats, met dien verstande dat de houder van de geldige gehandicaptenparkeerkaart maximaal 3 uur aaneengesloten zonder vergunning of zonder het voldoen van parkeerbelasting mag parkeren. Het gebruik van de parkeerschijf is hierbij verplicht. De vrijstelling is uitsluitend van toepassing indien de gehandicaptenparkeerkaart - samen met de correct ingestelde parkeerschijf – met de daartoe bestemde zijde op een van buitenaf duidelijk zichtbare en leesbare plaats achter de voorruit van het motorvoertuig is geplaatst.

  • 3.

    De belasting als bedoeld in artikel 2 wordt niet geheven op parkeerplaatsen waar een parkeerschijfzone van kracht is, aangegeven met bord E10, gedurende de periode die is aangegeven op de onderborden. Buiten de aangegeven reguleringstijden geldt de belasting als bedoeld in artikel 2 wel.

  • 4.

    De belasting als bedoeld in artikel 2b wordt niet geheven ter zake van een vergunning als bedoeld in artikel 3, derde lid, sub f van de Parkeerverordening, indien en voor zover die vergunning is verleend aan een medewerker in dienst van de gemeente Noordwijk, in dienst van bedrijven en instellingen werkzaam in de ambulante gezondheidszorg of in dienst bij de hulpdiensten politie en brandweer, ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden in de uitoefening van zijn/haar functie.

  • 5.

    De in het tweede lid bedoelde vrijstelling geldt niet bij parkeren in parkeergarages of achter slagbomen.

Artikel 5 Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak

De maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel.

Artikel 6 Wijze van heffing

  • 1.

    De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte. Als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college gestelde voorschriften.

  • 2.

    De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte.

Artikel 7 Ontstaan van de belastingschuld

  • 1.

    De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren, tenzij het bij aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een telefoon inloggen op de centrale computer.

  • 2.

    De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend.

Artikel 8 Termijnen van betaling

  • 1.

    De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald bij de aanvang van het parkeren.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in het vorige lid moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen een maand na het einde van het parkeren, indien het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een telefoon inloggen op de centrale computer.

  • 3.

    De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend.

  • 4.

    Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald.

Artikel 9 Ontheffingen van parkeerbelasting

  • 1.

    Ontheffing van parkeerbelasting wordt uitsluitend op aanvraag verleend.

  • 2.

    Indien een vergunning op verzoek van de vergunninghouder wordt ingetrokken of vervalt, wordt op aanvraag ontheffing verleend over de nog niet ingetreden maanden, waarop de vergunning betrekking heeft.

  • 3.

    Indien als gevolg van maatregelen getroffen door of met instemming van het gemeentebestuur de vergunninghouder over een gedeelte van het tijdvak waarvoor de vergunning geldt geen gebruik kan maken van de vergunning, wordt ontheffing van parkeerbelasting verleend over het aantal volle maanden gedurende welke dat gebruik niet mogelijk is geweest.

  • 4.

    Ontheffing van parkeerbelasting wordt niet verleend indien het bedrag daarvan minder zou bedragen dan € 10,-.

Artikel 10 Bevoegdheid tot aanwijzing van parkeerplaatsen

De aanwijzing van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, mag worden geparkeerd geschiedt in alle gevallen door het college bij openbaar te maken besluit.

Artikel 11 Bevoegdheid tot gebruik wielklem en wegsleepregeling

  • 1.

    Tot zekerheid van de betaling van naheffingsaanslagen ter zake van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, kan aan het motorvoertuig welke onafgebroken op een parkeerapparatuurplaats staat en waaraan drie achtereenvolgende naheffingsaanslagen zijn aangebracht die niet betaald zijn, een wielklem worden aangebracht.

  • 2.

    Tot zekerheid van betaling van naheffingsaanslagen ter zake van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, kan aan het motorvoertuig waarvan de houder als wanbetaler aangemerkt is, een wielklem worden aangebracht.

  • 3.

    Het college wijst bij openbaar te maken besluit in alle gevallen de terreinen en weggedeelten aan waar de wielklem wordt toegepast.

  • 4.

    Als na het aanbrengen van de wielklem 24 uren zijn verstreken kan het motorvoertuig naar een door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen plaats worden overgebracht en in bewaring worden gesteld.

  • 5.

    De regelingen met betrekking tot de wielklem- en wegsleepregeling en de bijbehorende kosten zoals vastgesteld in artikel 12 van deze verordening zijn van toepassing na het aanbrengen van een wielklem, in die zin dat de wielklem alleen verwijderd wordt respectievelijk de houder zijn motorvoertuig alleen kan terugkrijgen bij het bewaarterrein, als hij alle met betrekking tot het motorvoertuig opgelegde en openstaande naheffingsaanslagen parkeerbelasting plus de bijbehorende kosten zoals bedoeld in artikel 12 van deze verordening, plus de eventuele kosten van (dwang)invordering met betrekking tot de niet betaalde naheffingsaanslagen, heeft betaald.

Artikel 12 Kosten

  • 1.

    De kosten van de naheffingsaanslag ter zake van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, bedragen € 42,33.

  • 2.

    De kosten van het aanbrengen en het verwijderen van de wielklem bedragen € 50,--.

  • 3.

    De kosten voor de overbrenging en bewaring bedragen:

    • a.

      voor het uitrijden € 82,10 (uitrijtarief als bedoeld in artikel 2.1 van de Tarievenlijst Wegsleepverordening Noordwijk);

    • b.

      voor de overbrenging, bewaring (inclusief uitgifte) voor het eerste etmaal € 160,44 (laad/sleeptarief en bewaring als bedoeld in artikel 2.1 de Tarievenlijst Wegsleepverordening Noordwijk);

    • c.

      bij uitgifte tussen 18.00 – 8.00 uur geldt een toeslag van € 41,65 (tarief opslag afgifte tussen 18.00 en 8.00 uur als bedoeld in de Tarievenlijst Wegsleepverordening Noordwijk);

    • d.

      voor het bewaren na het eerste etmaal € 10,56 per etmaal of gedeelte daarvan (opslag na eerste etmaal als bedoeld in artikel 2.1 van de Tarievenlijst Wegsleepverordening Noordwijk).

  • 4.

    Het bedrag van de ingevolge het tweede en derde lid in rekening te brengen kosten wordt bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgesteld.

Artikel 13 Kwijtschelding

Bij de invordering van de parkeerbelastingen wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 14 Nadere regels door het college

Het college kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de parkeerbelastingen.

Artikel 15 Overgangsrecht

  • 1.

    De “Verordening parkeerbelasting Noordwijk 2017” van 15 december 2016 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 16, tweede lid, genoemde datum van ingang van de verordening, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  • 2.

    Besluiten van het college van burgemeester en wethouders genomen op grond van artikel 14 van de Verordening parkeerbelasting Noordwijk 2017, worden geacht gebaseerd te zijn op artikel 14 van de Verordening parkeerbelasting Noordwijk 2018.

  • 3.

    Besluiten van het college van burgemeester en wethouders genomen op grond van artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht met betrekking tot de uitvoering van de Verordening parkeerbelasting Noordwijk 2017 blijven van toepassing bij de uitvoering van de Verordening parkeerbelasting Noordwijk 2018.

Artikel 16 Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van bekendmaking.

  • 2.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2018.

Artikel 17 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening parkeerbelasting Noordwijk 2018”.

Toelichting op artikel 15 Overgangsrecht van de Verordening parkeerbelasting Noordwijk 2018

De in artikel 15, tweede en derde lid bedoelde besluiten betreffen de:

  • a.

    ‘Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen Noordwijk’, vastgesteld op 14 maart 2017;

  • b.

    ‘Beleidsregels ambtshalve vermindering gemeentelijke belastingen Noordwijk’, vastgesteld op 14 maart 2017.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 30 november 2017

G.C.I. Kager, J. Rijpstra,

Griffier voorzitter