Gemeenteblad van De Ronde Venen

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
De Ronde VenenGemeenteblad 2017, 230188Beleidsregels



Nadere regels bij Jeugdverordening De Ronde Venen 2017

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen;

 

Gelet op artikel 2.9 en 8.1.1, vierde lid, van de Jeugdwet artikel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht en de Jeugdverordening de Ronde Venen 2017.

 

Overwegende dat het noodzakelijk is nadere regels te stellen ten aanzien van:

  • -

    de indiening van een aanvraag voor een individuele voorziening, de registratie, het te voeren gesprek met een jeugdige en/of zijn ouders en het familiegroepsplan;

  • -

    welke overige en individuele voorzieningen beschikbaar zijn;

  • -

    wat de voorwaarden van toekenning en afwegingsfactoren zijn voor een individuele voorziening;

  • -

    de inhoud van een beschikking;

  • -

    over verdere uitwerking van de hoogte van PGB en over verstrekking van PGB aan een persoon in het sociale netwerk;

  • -

    fraudepreventie en controle bij een individuele voorziening;

  • -

    waar de onafhankelijke vertrouwenspersoon wordt belegd.

besluit:

 

vast te stellen de

  • -

    Nadere regels bij Jeugdverordening De Ronde Venen 2017

INLEIDING

 

Op 30 november 2017 heeft de gemeenteraad de Jeugdverordening De Ronde Venen 2017(hierna: de verordening) vastgesteld. De toepassing van de Jeugdwet in De Ronde Venen is hierin op hoofdlijnen vastgelegd. In de Jeugdverordening heeft de raad een aantal verordenende bevoegdheden neergelegd bij het college. Deze bevoegdheden zijn in de Nadere regels bij de Jeugdverordening De Ronde Venen 2017 (hierna: de nadere regels) verder uitgewerkt. Het document de nadere regels is een groeidocument. De ontwikkelingen in wet- en regelgeving, de jurisprudentie en de ervaringen in de uitvoeringspraktijk vragen om regelmatige aanpassing ervan. In dit document is uitgewerkt:

  • -

    welke verschillende voorzieningen er in de gemeente De Ronde Venen beschikbaar zijn;

  • -

    waar een jeugdige en/of zijn ouders terecht kan met zijn vraag;

  • -

    welke toegangscriteria er gelden;

  • -

    op welke wijze de ondersteuning beschikbaar wordt gesteld (persoonsgebonden budget of zorg in natura).

De Jeugdwet, de verordening en deze nadere regels regelen de toegang. De afspraken hierin leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal echter vaak namens het college gedaan worden (in mandaat) door deskundige consulenten, ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Waar in de verordening en in de Jeugdwet ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Algemene wet bestuursrecht.

HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

Voor de begripsbepalingen wordt aangesloten bij hetgeen de verordening, en voor zover daar niet gedefinieerd, de Jeugdwet hieronder verstaat. Voor het overige wordt in deze nadere regels verstaan onder:

  • andere voorziening: voorziening die een andere wettelijke grondslag heeft dan de Jeugdwet, maar wel van toepassing is op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;

  • DSM: Handboek Diagnose en Statistiek van Psychische aandoening: handboek met omschrijvingen en kenmerken van vele psychische aandoeningen die wereldwijd erkend worden - in te delen aan de hand van specifiek gedefinieerde symptomen;

  • familiegroepsplan: hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren;

  • gebruikelijke hulp: gebruikelijke hulp als bedoeld in bijlage 1 van deze nadere regels;

  • hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet;

  • individuele voorziening: op de jeugdige of zijn ouders toegesneden voorziening als bedoeld in artikel 2, derde lid van de verordening;

  • overige voorziening: overige voorziening als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de verordening;

  • PGB: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet, zijnde een door het college door middel van trekkingsrecht verstrekt budget aan of ten behoeve van een jeugdige, dat hem in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken;

  • protocol dyslexie: protocol Dyslexie diagnostiek en behandeling van het College voor Zorgverzekeringen, de laatst geldende versie;

  • Sociaal Team: (medewerker van) multidisciplinair team dat de hulpvraag van o.a. jeugdigen en/of de ouders afhandelt;

  • sociale verzekeringsbank: Sociale verzekeringsbank, genoemd in artikel 3 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

  • trekkingsrecht: het PGB wordt toegekend aan jeugdige of diens ouders, waarbij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) de geleverde zorg betaalt aan degene die het heeft geleverd;

  • verordening: de Jeugdverordening De Ronde Venen 2017;

HOOFDSTUK 2 VORMEN VAN JEUGDHULP

Artikel 2.1 Vormen van jeugdhulp

  • 1.

    Algemene voorzieningen: vrij toegankelijke voorzieningen die bijdragen aan de eigen kracht, preventie, signalering, informatie en advies. Deze voorzieningen vallen niet onder de Jeugdwet.

  • 2.

    Overige voorzieningen: voorzieningen die rechtstreeks zonder verwijzing of beschikking kunnen worden ingezet. De gemeente De Ronde Venen kent onder andere de volgende overige voorzieningen:

    • a.

      Inzet vanuit het Centrum voor Jeugd en Gezin.

    • b.

      Inzet vanuit welzijnswerk.

    • c.

      Algemeen maatschappelijk werk.

    • d.

      Inzet van kortdurende hulpverlening vanuit het Sociaal Team.

    Indien de ondersteuning vanuit een overige voorziening niet toereikend blijkt, is de betreffende instelling verantwoordelijk voor de toeleiding naar een individuele voorziening.

  • 3.

    Individuele voorzieningen: voorzieningen die zijn beschikbaar zijn in de vorm van intensieve, specialistische en/of excluderende (dagbehandeling, pleegzorg, residentie) ondersteuning en alleen toegankelijk op basis van een verwijzing of beschikking van het college, de huisarts, medisch specialist of jeugdarts.De gemeente De Ronde Venen kent de volgende individuele voorzieningen:

    • a.

      Jeugdhulp zonder verblijf

      • -

        Jeugdhulp zonder verblijf

      • -

        Begeleiding

      • -

        Persoonlijke verzorging

      • -

        Behandeling (licht)verstandelijk beperkten

      • -

        Generalistische basis GGZ

      • -

        Specialistische GGZ

    • b.

      Jeugdhulp met verblijf

      • -

        Kortdurend verblijf

      • -

        Pleegzorg

      • -

        Gezinsgericht

      • -

        Residentieel

    • c.

      Vervoer

HOOFDSTUK 3 TOEGANG: ALGEMEEN EN PROCEDUREEL

Paragraaf 1 Toegang jeugdhulp via de gemeente

Artikel 3.1 Melding hulpvraag

  • 1.

    Jeugdigen en ouders kunnen een hulpvraag melden bij het college.

  • 2.

    Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk en wijst hierin op de vervolgprocedure en de mogelijkheden voor kosteloze cliëntondersteuning zoals bij het opstellen van een familiegroepsplan.

  • 3.

    Bij spoedzorg of zorg in geval van crisis treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke maatregel of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp aan de kinderrechter als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet. Het college beschikt achteraf.

  • 4.

    Jeugdigen en ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een overige voorziening.

Artikel 3.2 Vooronderzoek

  • 1.

    Het college verzamelt alle voor het onderzoek van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie en maakt vervolgens zo spoedig mogelijk met hem en/of zijn ouders een afspraak voor een gesprek.

  • 2.

    Voor het gesprek verschaffen de jeugdige en/of zijn ouders alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. De jeugdige en/of zijn ouders verstrekken in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage. De regels met betrekking tot de privacy van betrokkenen en gegevensuitwisseling die gelden op grond van de Jeugdwet en de Wet bescherming persoonsgegevens zijn hierop van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    Het college kan in overleg met de jeugdige en/of zijn ouders afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid.

Artikel 3.3 Gesprek

  • 1.

    Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en de jeugdige en/of zijn ouders, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:

    • a.

      of de jeugdige en/of zijn ouders zelf een familiegroepsplan willen en kunnen opstellen. Indien zij dit niet zelf kunnen of willen wordt hen de mogelijkheid geboden om dit samen met iemand uit het eigen netwerk of een onafhankelijk cliëntondersteuner uit te werken. De jeugdige en/of zijn ouders worden in de gelegenheid gesteld het plan binnen redelijke termijn op te stellen. In het plan worden in ieder geval de volgende zaken benoemd;

    • b.

      de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem of de hulpvraag;

    • c.

      het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;

    • d.

      het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden;

    • e.

      de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening;

    • f.

      de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een overige voorziening;

    • g.

      de mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken;

    • h.

      de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;

    • i.

      hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, en

    • j.

      de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een PGB, waarbij de jeugdige of zijn ouders in begrijpelijke bewoordingen worden ingelicht over wat dit inhoudt.

  • 2.

    Als de jeugdige en zijn ouders een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet hebben opgesteld, betrekt het college dat als eerste bij het onderzoek/gesprek, bedoeld in het eerste lid.

  • 3.

    Het college informeert de jeugdige of zijn ouders over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt hen voor zover nodig toestemming om hun persoonsgegevens te verwerken.

  • 4.

    Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een gesprek.

Artikel 3.4 Plan van aanpak

  • 1.

    De verslaglegging van het onderzoek/gesprek maakt onderdeel uit van het plan van aanpak en is een zorgvuldige weergave van alle relevante feiten en omstandigheden die in de fase van onderzoek/gesprek zijn verzameld.

  • 2.

    Een eventueel familiegroepsplan maakt eveneens onderdeel uit van het plan van aanpak.

  • 3.

    Het college verstrekt het plan van aanpak aan de jeugdige en/of zijn ouders zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen 6 weken na ontvangst van de melding.

  • 4.

    Eén van de ouders of de jeugdige tekent het plan van aanpak voor gezien of akkoord en zorgt ervoor dat een getekend exemplaar wordt geretourneerd aan het college.

  • 5.

    Als de ouder of de jeugdige slechts tekent voor gezien, wordt de reden hiervan op het plan van aanpak aangegeven.

Artikel 3.5 Aanvraag

  • 1.

    Een ondertekend plan van aanpak, voorzien van dagtekening, kan fungeren als aanvraag voor een individuele voorziening.

  • 2.

    Jeugdige en/of ouders kunnen, indien zij niet wensen dat het plan van aanpak als zodanig wordt beschouwd, een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk indienen bij het college. Een aanvraag wordt dan ingediend door middel van een door het college vastgesteld formulier. Naar keuze kan dit formulier gezamenlijk met een medewerker van de gemeente worden ingevuld of door ouders/ jeugdige zelfstandig.

  • 3.

    Een eventuele noodzakelijke verlenging van de beslistermijn conform de Algemene wet bestuursrecht wordt tijdig aan de aanvrager bekend gemaakt.

     

Paragraaf 2 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

Artikel 3.6 Huisarts, medisch specialist of jeugdarts

  • 1.

    Zodra de jeugdige na doorverwijzing via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts in zorg is genomen zal de betreffende jeugdhulpaanbieder dit melden bij het college. Deze melding geschiedt zoveel mogelijk via het berichtenverkeer conform de contractuele afspraken met de jeugdhulpaanbieder en in overeenstemming met de bepalingen uit de Regeling Jeugdwet.

  • 2.

    Na ontvangst van deze melding stelt het college een beschikking op. De beschikking wordt binnen twee weken verstrekt aan de jeugdige en/of diens ouders.

  • 3.

    Het college verzendt een toekenningsbericht aan de jeugdhulpaanbieder en handelt verdere administratieve handelingen via het berichtenverkeer af.

  • 4.

    Na het afgeven van de beschikking zal het college aan de jeugdhulpaanbieder de zorg vergoeden. De jeugdhulpaanbieder dient hiervoor declaraties in volgens de afspraken die hierover zijn gemaakt in de contracten met de betreffende jeugdhulpaanbieder.

     

Paragraaf 3 Beschikking en bezwaar

Artikel 3.7 Inhoud beschikking

  • 1.

    In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als PGB wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar kan worden gemaakt tegen de beschikking.

  • 2.

    Bij het verlenen van een voorziening in natura wordt in de beschikking ten minste vastgelegd:

    • a.

      De motivering van het genomen besluit, waarbij een verband wordt gelegd tussen het plan van aanpak en het uiteindelijke advies op grond van de Jeugdwet;

    • b.

      welke de te verlenen voorziening is en wat het beoogde resultaat van de inzet van deze voorziening is;

    • c.

      voor welke periode de voorziening wordt verleend. Wegens de cognitieve, lichamelijke, sociaalemotionele en verdere ontwikkeling van een jeugdige wordt een beschikking afgegeven voor maximaal drie jaar. Voor GGZ- hulp bedraagt de duur van de indicatie maximaal één jaar. Bij langere duur kan de jeugdige of zijn ouder(s) een verzoek doen tot verlenging;

    • d.

      hoe de voorziening wordt verleend; en indien van toepassing

    • e.

      welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.

  • 3.

    Van de verstrekte voorziening worden na afloop van de periode genoemd onder het tweede lid onderdeel c de resultaten geëvalueerd en indien noodzakelijk kan de zorg op aanvraag middels een nieuwe beschikking verlengd worden.

  • 4.

    Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een PGB wordt in de beschikking ten minste vastgelegd:

    • a.

      de te verstrekken voorziening en het doel wat hiermee dient te worden bereikt op grond van het plan van aanpak inclusief budgetplan;

    • b.

      voor welke periode het PGB verstrekt wordt. Wegens de cognitieve, lichamelijke, sociaalemotionele en verdere ontwikkeling van een jeugdige wordt een beschikking afgegeven voor maximaal drie jaar;

    • c.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het PGB;

    • d.

      wat de hoogte van het PGB is en hoe hiertoe is gekomen;

    • e.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het PGB; en

    • f.

      hoe de procedure van het trekkingsrecht verloopt.

  • 5.

    Van het verstrekte PGB worden na afloop van de periode genoemd onder lid 4 b. de resultaten geëvalueerd en indien noodzakelijk kan de zorg op aanvraag middels een nieuwe beschikking verlengd worden.

Artikel 3.8 Bezwaar

  • 1.

    Tegen de beschikking kan een belanghebbende binnen zes weken na de dag van bekendmaking een bezwaarschrift volgens de Algemene wet bestuursrecht indienen.

  • 2.

    Na heroverweging neemt het college een beslissing op bezwaar.

     

Paragraaf 4 Nazorg

Artikel 3.9 Voortzetting Jeugdhulp

De inzet van jeugdhulp vindt plaats op basis van de Jeugdwet en het Burgerlijk Wetboek, waarbij de leeftijdsgrens van 18 jaar wordt gehanteerd. Ten minste een half jaar voor het bereiken van de 18-jarige leeftijd onderzoekt het college hoe de jeugdige wordt overdragen naar een andere wet of vorm van ondersteuning. Indien blijkt dat de jeugdige na zijn achttiende verjaardag behoefte heeft aan hulp, ondersteuning en begeleiding die niet voorliggend gefinancierd wordt door bijvoorbeeld de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) of de Wet langdurige zorg (Wlz), kan de jeugdige tot zijn 23ste jaar een beroep doen op voortgezette jeugdhulp vanuit de Jeugdwet.

Alle aanvullende hulp na die leeftijd zal in principe worden gecontinueerd op basis van de beschikbare voorzieningen uit de Wmo of de Participatiewet. Het college draagt zorg voor de overdracht en behoudt altijd de bevoegdheid om, indien het dat nodig acht, voor deze of andere doelgroepen na deze leeftijdsgrens van 18 jaar, hulp in te zetten. Het betreft hier uitdrukkelijk uitzonderingsgevallen.

Artikel 3.10 Waakvlam

Bij de inzet van individuele voorzieningen maakt waakvlamcontact onderdeel uit van de nazorg. Het doel van waakvlamcontact is om terugval van de jeugdige met meervoudige problemen te voorkomen, nadat de inzet van een individuele voorziening is beëindigd. Bij inzet van overige en algemene voorzieningen kan in overleg met de jeugdige en/of zijn ouders afspraken gemaakt worden over waakvlamcontact.

 

HOOFDSTUK 4 TOEGANG: BEOORDELING

Paragraaf 1 Jeugdhulp zonder verblijf

Onder jeugdhulp zonder verblijf valt begeleiding, persoonlijke verzorging en alle vormen van behandeling binnen de GGZ voor zover deze niet gepaard gaan met klinische opname.

Artikel 4.1.1 Jeugdhulp zonder verblijf

  • 1.

    Een jeugdige of zijn ouders komen in aanmerking voor ambulante jeugdhulp, indien sprake is van (opvoedings)problemen die het dagelijks functioneren belemmeren en een of meer van de volgende factoren:

    • a.

      (dreigende) ernstige psychosociale, psychische, psychiatrische of gedragsproblemen van de jeugdige;

    • b.

      (dreigende) ernstige problemen op meerdere leefgebieden in combinatie met ontwikkelingsproblemen bij de jeugdige.

  • 2.

    Jeugdhulp zonder verblijf kan worden ingezet op locatie van de aanbieder of in het netwerk van de jeugdige.

  • 3.

    De jeugdhulp is gericht op verbetering van de situatie en herstel van het dagelijks functioneren.

Artikel 4.1.2 Begeleiding

  • 1.

    Een jeugdige of zijn ouders komen in aanmerking voor begeleiding, indien:

    • a.

      er bij de jeugdige sprake of een vermoeden is van een somatische of psychiatrische aandoening of beperking of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, of;

    • b.

      sprake of vermoeden is van matige of zware beperkingen op het terrein van:

      • -

        de sociale redzaamheid of;

      • -

        het bewegen en verplaatsen of;

      • -

        het psychisch functioneren of;

      • -

        het geheugen en de oriëntatie.

  • 2.

    De begeleiding is gericht op bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid en kan zich (in tijdelijke vorm) ook richten op de mantelzorger in de directe omgeving van de jeugdige, als dit ten goede komt aan een jeugdige.

Artikel 4.1.3 Persoonlijke verzorging

Een jeugdige of zijn ouders komen in aanmerking voor ondersteuning bij de persoonlijke verzorging van de jeugdige, indien:

  • a.

    er bij de jeugdige sprake is van een somatische of psychiatrische aandoening of beperking - of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap en;

  • b.

    deze zorg de gebruikelijke hulp van ouders voor hun kinderen overstijgt en;

  • c.

    de jeugdige de vaardigheden of kennis mist om de persoonlijke zorg zelfstandig uit te voeren en deze ook niet kan aanleren.

Artikel 4.1.4 Behandeling (licht)verstandelijk beperkten

Een jeugdige komt in aanmerking voor behandeling (licht)verstandelijk beperkten (LVB) indien:

  • a.

    er sprake of een vermoeden is van een (licht)verstandelijke beperking van de jeugdige of;

  • b.

    er een noodzaak is voor continue, systematische, langdurige en multidisciplinaire zorg (CSLM) of;

  • c.

    behandeling gericht op herstel en/of het aanleren van vaardigheden noodzakelijk is, het gedrag een specifieke aanpak vraagt of;

  • d.

    aanvullende functionele diagnostiek nodig is.

Artikel 4.1.5 Generalistische basis GGZ

Een jeugdige komt in aanmerking voor generalistische basis geestelijke gezondheidszorg, indien:

  • a.

    Er sprake is (of een vermoeden is) van een DSM benoemde stoornis:

    • -

      een klinische stoornis (bijv. depressie)

    • -

      persoonlijkheidsstoornissen (bijv. afhankelijke persoonlijkheidsstoornis)

    • -

      lichamelijke aandoeningen (relevant voor het begrijpen of behandelen van een psychische stoornis, bijv. migraine)

    • -

      psychosociale en omgevingsfactoren (bijv. scheiding, armoede).

  • b.

    Een matige of (hoog) ernstige psychische klachten waarbij sprake is van een matige complexiteit van de klachten, een beperkt risico en het beloop van de klachten beantwoordt aan de criteria van de DSM.

Artikel 4.1.6 Specialistische GGZ

  • 1.

    Een jeugdige komt in aanmerking voor specialistische geestelijke gezondheidszorg indien er sprake is van:

    • a.

      (een vermoeden van) een DSM benoemde stoornis en;

    • b.

      een hoge complexiteit van de klachten of een hoog risico.

  • 2.

    Een jeugdige komt in aanmerking voor diagnostiek of behandeling van enkelvoudige ernstige dyslexie, indien is voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      het betreft een jeugdige in de leeftijd van zeven tot en met dertien jaar;

    • b.

      de jeugdige volgt basisonderwijs dan wel speciaal onderwijs;

    • c.

      de toewijzing vindt plaats in overleg met de school waar de jeugdige onderwijs volgt;

    • d.

      de school heeft gehandeld volgens het “protocol dyslexie en de outline werkwijze dyslexiezorg” en kan aantonen dat extra begeleiding op school geen gemeten effect heeft gehad.

  • 3.

    Dyslexiezorg bij ernstig enkelvoudige dyslexie omvat een intake en diagnose (van maximaal 12 zittingen van 1 uur) en maximaal 60 behandelingen van 1 uur (inclusief indirecte tijd).

     

Paragraaf 2 Jeugdhulp met verblijf

Onder jeugdhulp met verblijf vallen alle vormen van jeugdhulp waarbij het noodzakelijk is dat een jeugdige buiten de eigen sociale omgeving hulp of ondersteuning ontvangt waarbij een of meerdere overnachtingen noodzakelijk zijn.

  • 1.

    Een jeugdige komt in aanmerking voor jeugdhulp met verblijf indien:

    • a.

      voldaan is aan de criteria genoemd in artikel 4.1.1;

    • b.

      jeugdhulp ambulant niet toereikend is, en;

    • c.

      pleegzorg niet beschikbaar of geschikt is.

  • 2.

    In geval van crisisplaatsing of gesloten jeugdhulp is een daartoe strekkend advies van het Sociaal Team, Samen Veilig Midden-Nederland of een uitspraak in het kader van de Wet Bijzondere Opnemingen in Psychiatrische Ziekenhuizen noodzakelijk.

Artikel 4.2.1 Kortdurend verblijf

  • 1.

    Een jeugdige komt in aanmerking voor kortdurend verblijf indien:

    • a.

      de jeugdige een somatische, of psychiatrische aandoening of beperking dan wel een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap heeft;

    • b.

      de jeugdige, is aangewezen op zorg gepaard gaand met permanent toezicht, en

    • c.

      ontlasting van de persoon die de gebruikelijke hulp of mantelzorg aan de jeugdige levert noodzakelijk is.

  • 2.

    Kortdurend verblijf omvat logeren in een instelling gedurende maximaal twee etmalen per week, gepaard gaande met daarbij noodzakelijke persoonlijke verzorging en begeleiding.

  • 3.

    Etmalen mogen geclusterd worden ingezet tot een maximum van 14 etmalen.

Artikel 4.2.2 Pleegzorg

  • 1.

    Een jeugdige komt in aanmerking voor pleegzorg indien en zolang de jeugdige niet thuis kan wonen of verblijven als gevolg van (dreigende) onveiligheid, opvoedingsonmacht of overbelasting van de ouders. Onder pleegzorg vallen in elk geval de volgende vormen van zorg:

    • a.

      crisisopvang: tijdelijke opvang van korte duur gericht op terugkeer naar het eigen gezin dan wel een langdurige verblijfssituatie;

    • b.

      tijdelijke opvang: opvang in een pleeggezin, gericht op terugkeer naar het eigen gezin;

    • c.

      langdurige opvang, wanneer terugkeer naar het eigen gezin niet of voorlopig niet mogelijk is.

  • 2.

    Ingeval van een crisisplaatsing kan een daartoe strekkend advies van Samen Veilig Midden-Nederland onderdeel uit maken van de procedure.

Artikel 4.2.3 Gezinsgericht

  • 1.

    Onder gezinsgerichte Jeugdhulp met verblijf wordt verstaan:

    Verblijfsvoorzieningen (voltijd of deeltijd) die zoveel als mogelijk een gezinssituatie benaderen;

  • 2.

    Een jeugdige komt in aanmerking voor gezinsgerichte Jeugdhulp met verblijf, indien:

    • a.

      het niet mogelijk is om thuis te verblijven;

    • b.

      een opvang in pleegzorg niet beschikbaar of geschikt is, en;

    • c.

      residentiële opvang als te zwaar wordt gezien.

  • 3.

    Ingeval van een crisisplaatsing kan een daartoe strekkend advies van Samen Veilig Midden-Nederland onderdeel uit maken van de procedure.

Artikel 4.2.4 Residentieel

  • 1.

    Een jeugdige komt in aanmerking voor residentiële jeugdhulp met verblijf indien jeugdhulp zonder verblijf of de eerder genoemde vormen van jeugdhulp met verblijf niet toereikend zijn.

  • 2.

    Onder residentiële opvang wordt onder andere verstaan opvang in een instelling en klinische opname in de GGZ.

     

Paragraaf 3 Vervoer

Artikel 4.3.1 De door het college noodzakelijk te achten vervoersvoorziening

  • 1.

    Ten behoeve van het bezoek aan een locatie voor jeugdhulp kan het college aan de jeugdige aan wie een individuele voorziening is verstrekt, een vervoersvoorziening toekennen.

  • 2.

    De vervoersvoorziening wordt toegekend indien en voor zover dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid van de jeugdige en diens omgeving zoals bepaald in artikel 4.3.3.

Artikel 4.3.2 Toekenning vervoersvoorziening

  • 1.

    Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling, alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening.

  • 2.

    De toekenning van de vervoersvoorziening geschiedt gelijktijdig met de toekenning van de individuele voorziening jeugdhulp.

  • 3.

    Het college kan aan de toekenning van de vervoersvoorziening voorwaarden verbinden die verband houden met het doel en strekking daarvan.

Artikel 4.3.3 Voorwaarden vervoersvoorziening

  • 1.

    Een jeugdige komt in aanmerking voor een vervoersvoorziening naar een locatie waar jeugdhulp wordt geboden als:

    • a.

      de jeugdige niet op eigen gelegenheid naar de locatie kan reizen in verband met de medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, en

    • b.

      er geen sprake is van een algemene of een voorliggende voorziening die passend en toereikend is, en

    • c.

      het vervoer niet onder gebruikelijke hulp valt, en

    • d.

      er geen sprake is van mogelijkheden in de sociale omgeving van de jeugdige om het vervoer te kunnen verzorgen.

HOOFDSTUK 5 HET PERSOONSGEBONDEN BUDGET

Artikel 5.1 Voorwaarden persoonsgebonden budget (PGB)

Een jeugdhulpvoorziening kan in de vorm van een PGB worden verstrekt indien:

  • 1.

    De jeugdige en/of diens ouders naar oordeel van het college bekwaam worden geacht om een PGB te beheren. Dit is het geval als:

    • a.

      de jeugdige en/of diens ouders in staat zijn de eigen situatie te overzien, zelf zorg te kiezen, te regelen en aan te sturen, en de kwaliteit en voortgang van de zorg te bewaken en;

    • b.

      de jeugdige en/of diens ouders goed op de hoogte zijn van de rechten en plichten die horen bij het beheer van een PGB en in staat zijn de aan het PGB verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te voeren. Deze taken omvatten onder andere het afsluiten van een zorgovereenkomst, het nakomen van werkgeversverplichtingen en het afleggen van verantwoording over de besteding van het PGB.

  • 2.

    Wanneer de jeugdige en/of diens ouders een vertegenwoordiger heeft om zijn/haar belangen ten aanzien van het PGB te behartigen en de aan het PGB verbonden taken uit te voeren, stelt het college aan deze persoon dezelfde eisen als aan de jeugdige en/of diens ouders.

  • 3.

    Wanneer de jeugdige en/of diens ouders hebben aangegeven zorg in de vorm van een PGB te willen ontvangen gelden de volgende voorwaarden:

    • a.

      De jeugdige en/of diens ouders stellen zelf of in samenspraak met iemand uit het eigen sociale netwerk dan wel een onafhankelijk cliëntondersteuner een persoonlijk plan inclusief budgetplan op.

    • b.

      In het persoonlijk plan inclusief een budgetplan onderbouwt de jeugdige en/of diens ouders waarom zorg in natura niet passend is, hoe het budget wordt besteed, hoe de kwaliteit van de zorg/hulp gewaarborgd wordt en hoe de hulp wordt gecontinueerd bij afwezigheid van de hulpverlener door bijvoorbeeld ziekte of verlof.

    • c.

      Het persoonlijk plan inclusief budgetplan is het uitgangspunt voor het plan van aanpak.

    • d.

      Om de kwaliteitseisen omtrent een formele jeugdhulpaanbieder te waarborgen wordt bij het plan van aanpak inclusief budgetplan een ondertekende verklaring omtrent de kwaliteit en effectiviteit van de gekwalificeerde hulpverlener toegevoegd. In deze verklaring verklaart de hulpverlener dat en hoe hij aan de kwaliteitseisen voldoet.

    • e.

      Op basis van het plan van aanpak inclusief budgetplan bepaalt het college de hoogte van het PGB. Dit wordt in de beschikking verwerkt. De hoogte van het PGB- bedrag wordt bepaald aan de hand van het budgetplan en de door het college vastgestelde PGB- tarievenlijst. Indien in het budgetplan gebruik wordt gemaakt van tarieven die hoger zijn dan de gehanteerde PGB- tarieven van gemeente De Ronde Venen, zullen ouders of de jeugdige het verschil zelf moeten bijbetalen. Het is niet toegestaan minder uren in te zetten om het verschil te compenseren, aangezien de jeugdige een hoeveelheid zorg heeft toegekend gekregen conform de Jeugdwet en zijn situatie. De PGB- tarievenlijst is te raadplegen op de website van de gemeente.

    • f.

      De hoogte van het toegekende budget en het aantal uur inzet van de hulp, zoals in de beschikking staat vermeld, wordt aan de SVB toegezonden. De SVB verzoekt de budgethouder op basis van de beschikking met iedere betrokken zorgaanbieder een zorgovereenkomst aan te gaan.

    • g.

      Alvorens de jeugdige en/of diens ouders kunnen declareren wordt de zorgovereenkomst aan de gemeente aangeboden om te accorderen. Er wordt gekeken of de overeenkomst in overeenstemming is met het plan van aanpak.

    • h.

      De SVB controleert vervolgens of de zorgovereenkomst(en) en de uitgaven in overeenstemming zijn met de beschikking.

    • i.

      Een deel van het persoonsgebonden budget is vrij besteedbaar en hoeft niet verantwoord te worden. Het vrij besteedbare bedrag is anderhalf procent (1,5%) van het netto budget met een minimum van € 100,00 en een maximum van € 1.250,00 per kalenderjaar.

    • j.

      De volgende uitgaven mogen niet worden betaald uit het PGB:

      • -

        kosten voor bemiddeling;

      • -

        kosten voor het voeren van een PGB-administratie;

      • -

        kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van het PGB;

      • -

        kosten voor het lidmaatschap van Per Saldo;

      • -

        alle zorg en ondersteuning die onder een andere wet dan de Jeugdwet of de Wmo 2015 vallen;

      • -

        alle zorg en ondersteuning die onder een algemene voorziening en/of algemeen gebruikelijke voorzieningen vallen;

      • -

        eigen bijdragen.

    • k.

      Betaling vanuit een PGB is alleen mogelijk op declaratiebasis.

  • 4.

    Wanneer de gekwalificeerde hulpverlener zich (nog) niet kan registreren in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) wordt beoordeeld of er sprake is van formele hulp. Er wordt beoordeeld of de hulpverlener beschikt over de juiste kwalificaties die relevant zijn voor het verlenen van de betreffende ondersteuning en waarbij het opleidingsniveau passend is bij het vastgestelde producttarief.

    Onder juiste kwalificaties kan worden verstaan: in het bezit van relevante diploma’s en aangesloten zijn bij een beroepsvereniging.

    Daarnaast geldt voor elke gekwalificeerde hulpverlener dat deze:

    • -

      beschikt over een VOG voor alle medewerkers;

    • -

      gebruik maakt van een hulpverleningsplan en dit periodiek bijstelt;

    • -

      een systeem heeft voor het bewaken, beheersen en verbeteren van de kwaliteit;

    • -

      zich houdt aan de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling;

    • -

      een meldplicht calamiteiten en geweld heeft;

    • -

      een vertrouwenspersoon in de gelegenheid stelt zijn taak uit te oefenen;

    • -

      over een klachtenregeling beschikt.

  • 5.

    Beheer van het PGB mag niet worden uitgevoerd door de hulpverlener die ook uit het PGB wordt betaald, tenzij dit eerste of tweedegraads familie is.

  • 6.

    Indien uit het budgetplan blijkt dat adequate zorg niet mogelijk is voor tarieven zoals door het college vastgesteld in de PGB tarievenlijst wordt het bedrag aangepast tot ten hoogste 100% van de goedkoopste adequate oplossing in natura. Een eventueel hoger bedrag komt voor kosten van de ouders.

  • 7.

    Met een PGB kan zorg worden ingekocht bij iemand uit het eigen sociale netwerk van het gezin, zoals bepaald in artikel 5.2. Dit kan iemand van het gezin zijn of een andere informele hulpverlener uit het sociale netwerk. Voor het verlenen van hulp op het gebied van begeleiding, persoonlijke verzorging en kort verblijf zijn, onverminderd het bepaalde in artikel 5.2, geen aanvullende eisen geformuleerd. Wel is een VOG voor informele hulpverleners buiten de familie gewenst.

  • 8.

    Van alle hulpverleners die uit het PGB worden betaald, gekwalificeerd of uit het sociale netwerk, wordt verwacht dat zij afstemmen en samenwerken met andere hulpverleners die betrokken zijn bij de jeugdige en zijn gezin.

Artikel 5.2 Persoonsgebonden budget in sociaal netwerk

  • 1.

    De jeugdige en/of ouders aan wie een PGB wordt toegekend, kunnen alleen jeugdhulp betrekken van personen die tot het sociale netwerk behoren, als aan onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

    • a.

      de inzet van het sociaal netwerk is aantoonbaar beter;

    • b.

      de geboden jeugdhulp is passend, adequaat en veilig;

    • c.

      de personen uit het sociaal netwerk die de hulp gaan verlenen, hebben zich voldoende op de hoogte gesteld van de verantwoordelijkheden die aan het bieden van jeugdhulp verbonden zijn, en;

    • d.

      er is bij de personen uit het sociaal netwerk die de hulp gaan verlenen geen sprake van overbelasting.

  • 2.

    De jeugdige en/of ouders aan wie een PGB wordt toegekend kunnen alleen jeugdhulp betrekken van personen die tot het sociale netwerk behoren voor begeleiding, persoonlijke verzorging en kortdurend verblijf. Dagactiviteiten kunnen niet geleverd worden door het sociaal netwerk.

  • 3.

    In aanvulling op het eerste lid onder a, wordt inzet van het sociaal netwerk met een PGB in ieder geval aantoonbaar beter geacht, indien één of meerdere van de volgende omstandigheden aan de orde zijn:

    • a.

      de hulp is vooraf niet goed in te plannen;

    • b.

      de hulp moet op ongebruikelijke tijden geleverd worden;

    • c.

      de hulp moet op veel korte momenten per dag geboden worden;

    • d.

      de hulp moet op verschillende locaties worden geleverd;

    • e.

      de hulp moet 24 uur per dag en op afroep beschikbaar zijn;

    • f.

      de hulp moet vanwege de aard van de beperking worden geboden door een persoon met wie hij vertrouwd is en goed contact heeft.

  • 4.

    Een gekwalificeerde hulpverlener die tot het sociale netwerk van de cliënt behoort, ontvangt maximaal het tarief voor een persoon uit het sociale netwerk.

  • 5.

    De jeugdige en/of ouders dragen de verantwoordelijkheid voor het bewaken van de kwaliteit van de jeugdhulp die zij betrekken van personen die tot het sociale netwerk behoren.

  • 6.

    De inzet van het sociale netwerk wordt vastgelegd in het budgetplan.

Artikel 5.3 Weigeringsgronden PGB

  • 1.

    Het college kan een PGB op basis van de wet weigeren, indien:

    • a.

      blijkt dat de jeugdige en/of beoogde budgethouder onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • b.

      een of meerdere van de volgende omstandigheden van toepassing is op de jeugdige en/of zijn ouders:

      • -

        schuldenproblematiek;

      • -

        gok- of drugsverslaving;

      • -

        aangetoonde fraude, minder dan 5 jaar geleden;

      • -

        er is sprake van verstandelijke, fysieke en /of psychische omstandigheden bij de beoogde budgethouder;

      • -

        analfabetisme of onvoldoende taal- of rekenvaardigheid;

    • c.

      de jeugdige niet voldoet aan de aan het toekennen van een PGB verbonden voorwaarden;

    • d.

      de jeugdige het PGB niet gebruikt of voor andere doeleinden gebruikt;

    • e.

      het een spoedeisende situatie betreft.

Artikel 5.4 Trekkingsrecht

In de Jeugdwet is de verplichting opgenomen dat gemeenten PGB’s uitbetalen in de vorm van trekkingsrecht. Dit houdt in dat de gemeente het PGB niet op de bankrekening van de budgethouder stort, maar op rekening van het servicecentrum PGB van de SVB. Budgethouders betalen de zorgverleners niet meer zelf, ze moeten de SVB opdracht geven voor betalingen aan hun zorgverleners. De budgethouder laat via declaraties of facturen aan de SVB weten hoeveel uren hulp zijn geleverd en de SVB zorgt vervolgens voor de uitbetaling aan de zorgverlener. De niet bestede PGB- bedragen worden door de SVB na afloop van de verantwoordingsperiode terugbetaald aan de gemeente. Ook de PGB’s voor een hulpmiddel of voorziening moeten worden overgemaakt naar de SVB, waarna de SVB de ingezonden facturen betaalt.

Om PGB via trekkingsrecht te kunnen uitvoeren, moet de budgethouder een zorgovereenkomst hebben met de zorgverlener. Betaling vanuit het PGB is pas mogelijk na controle en akkoord van het college op de ingezonden zorgovereenkomst. Bij elke betaalopdracht controleert de SVB of de betaling klopt met deze zorgovereenkomst. Als de SVB geen zorgovereenkomst heeft, kan de zorgverlener niet betaald worden. De budgethouder is verantwoordelijk voor het in de gaten houden van de betalingen uit het PGB. De budgethouder ontvangt elke maand een budgetoverzicht. Dit budgetoverzicht is ook digitaal in te zien.

 

HOOFDSTUK 6 VERTROUWENSPERSOON EN CLIËNTONDERSTEUNING

Artikel 6.1 Vertrouwenspersoon

Iedere jeugdige, ouder en pleegouder die vragen, klachten over en/of problemen heeft met zijn/haar (rechts)positie en over de (toeleiding naar) jeugdhulp, mag een beroep doen op een bij wet ingestelde onafhankelijke vertrouwenspersoon. In de regio Utrecht is de onafhankelijke regeling voor klachten over de inhoud/uitvoering van de zorg belegd bij het AKJ (Advies en klachtenbureau Jeugdzorg).

Contactgegevens

Het Advies en klachtenbureau Jeugdzorg is bereikbaar via 088-5551000 of via email: info@akj.nl.

Artikel 6.2 Cliëntondersteuning

Op basis van de Wmo 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor onafhankelijke cliëntondersteuning aan alle inwoners. Cliëntondersteuning bestaat uit het bieden van informatie, advies en algemene ondersteuning, die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie. Wanneer een inwoner zich meldt met een hulpvraag, moet hij gebruik kunnen maken van cliëntondersteuning. Bijvoorbeeld voor hulp bij het opstellen van een familiegroepsplan of ter voorbereiding op het brede gesprek. Hiervoor kan iemand uit het sociale netwerk (familie, vrienden) ingezet worden, maar het kan ook een professionele hulpverlener zijn. Het college maakt afspraken over de invulling van deze vorm van gratis en onafhankelijke cliëntondersteuning en publiceert de contactgegevens op de website.

 

HOOFDSTUK 7 MEDEZEGGENSCHAP

Artikel 7.1 Medezeggenschap

Het Participatieplatform Sociaal Domein De Ronde Venen kan het college voorstellen doen voor het beleid betreffende jeugdhulp, en het college adviseren bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp. Het college voorziet hierbij het Participatieplatform Sociaal Domein De Ronde Venen van ondersteuning om zijn rol effectief te kunnen vervullen.

 

HOOFDSTUK 8 SLOTBEPALINGEN

Artikel 8.1 Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet voorziet

In gevallen waarin deze nadere regels niet voorzien beslist het college.

Artikel 8.2 Afwijken van bepalingen

Het college kan afwijkingen van de bepalingen in deze nadere regels indien toepassing hiervan, gelet op het belang van de jeugdige en/of diens ouders, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Het van toepassing verklaren van dit artikel wordt gemotiveerd in het besluit.

Artikel 8.3 Intrekking en overgangsrecht

De Nadere regels bij Jeugdverordening De Ronde Venen 2016 worden ingetrokken met dien verstande dat deze van toepassing blijven op aanvragen om jeugdhulp die voor de datum van intrekking zijn ingediend.

Artikel 8.4 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    De nadere regels treden in werking op de dag na die van bekendmaking.

  • 2.

    Deze nadere regels worden aangehaald als: Nadere regels bij Jeugdverordening De Ronde Venen 2017.

Aldus besloten in de collegevergadering van 24 oktober 2017 te Mijdrecht.

Burgemeester en wethouders van De Ronde Venen,

de secretaris,

Lilian Schreurs

de burgemeester,

Maarten Divendal

Bijlage 1. Gebruikelijke hulp en algemeen gebruikelijke voorzieningen

Voor gebruikelijke zorg worden al jaren door gemeenten protocollen toegepast bij de verstrekking van huishoudelijke hulp. Voor een beschrijving van gebruikelijke hulp sluiten we aan bij het door het CIZ ontwikkelde protocol gebruikelijke zorg. Dit protocol wordt reeds binnen de huidige AWBZ gehanteerd en door veel gemeenten ook voor de hulp bij het huishouden in de Wmo. Zie daarvoor ook www.ciz.nl.

 

Hierna worden een vrij uitgebreide beschrijving en richtlijnen gegeven van gebruikelijke hulp en gebruikelijke voorzieningen. Dit laat onverlet dat - zoals in de inleiding reeds is geformuleerd – maatwerk steeds leidend is.

Gebruikelijke hulp

Onder gebruikelijke hulp wordt verstaan de hulp, zorg of ondersteuning die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten rekening houdend met de eigen mogelijkheden, het probleemoplossend vermogen en passend bij de leeftijd van de jeugdige.

 

Bij gebruikelijke hulp gaat het om de ondersteuning-, zorg- en opvoedingstaken van de ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten die aansluiten bij de zelfredzaamheid en andere ontwikkelingstaken van de jeugdige. Ook kan hierbij gedacht worden aan de rol van grootouders, buren, school en anderen binnen het sociaal netwerk.

 

Het hangt af van de sociale relatie welke zorg mensen elkaar bieden. Hoe intiemer de relatie, des te meer zorg mensen elkaar geven. Als het gebruikelijk is dat mensen in een bepaalde relatie elkaar zorg bieden, bijvoorbeeld ouders aan hun kinderen, dan wordt daar rekening mee gehouden bij de zorg- of ondersteuningsvraag.

Belangrijke uitgangspunten

Bij gebruikelijke hulp wordt een onderscheid gemaakt in kortdurende en langdurige situaties.

  • Kortdurend: er is uitzicht op herstel. Het gaat hierbij over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden.

  • Langdurig: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de hulp langer dan drie maanden nodig zal zijn.

Algemeen aanvaarde maatstaven:

  • In kortdurende situaties (maximaal 3 maanden) wordt alle persoonlijke verzorging, begeleiding en verpleging aan kinderen als gebruikelijke hulp geboden.

  • In langdurige situaties is de hulp, waarvan kan worden gezegd dat deze op basis van algemeen aanvaarde maatstaven door de sociale omgeving (ouders, partners, volwassen inwonende kinderen en andere volwassen huisgenoten) aan de jeugdige moet worden geboden, gebruikelijke hulp.

  • Het bieden van een beschermende woonomgeving van ouders aan jeugdigen is tot een leeftijd van 17 jaar gebruikelijke hulp, zowel in kortdurende als langdurige situaties.

  • Voor zover een partner, ouder, volwassen kind en/of andere volwassen huisgenoot overbelast is of dreigt te raken, wordt van hem geen gebruikelijke persoonlijke verzorging, verpleging en/of begeleiding verwacht, totdat deze dreigende overbelasting is opgeheven.

  • Een jeugdige is aangewezen op Jeugdhulp als het gaat om een chronische situatie, waarbij de gebruikelijke begeleiding in vergelijking tot gezonde kinderen van dezelfde leeftijdscategorie substantieel wordt overschreden.

Gebruikelijke hulp voor jeugdigen

Voor jeugdigen geldt dat er een bandbreedte is in het normale ontwikkelingsprofiel. Ook tussen jeugdigen van dezelfde leeftijd zonder “zorg-grondslag” kan de omvang van de hulp (per dag) verschillen. Het ene kind is nu eenmaal gemakkelijker dan het andere kind. Gebruikelijke hulp bij jeugdigen kan activiteiten omvatten die niet standaard bij alle jeugdigen voorkomen.

 

Van bovengebruikelijke hulp bij jeugdigen in chronische situaties is pas sprake wanneer de omvang van de zorg substantieel meer is dan bij een jeugdige zonder “zorg-grondslag” van dezelfde leeftijd gemiddeld nodig heeft.

 

Inzet en begeleiding voor persoonlijke verzorging bij jeugdigen tot 3 jaar komt in de praktijk niet vaak voor (kinderen in deze leeftijd hebben volledige verzorging en begeleiding van een ouder nodig). Bij kinderen tot 3 jaar is sprake van totale afhankelijkheid van de ouder in het voorzien van de primaire behoeften. Om deze reden kan geen aanspraak worden gedaan op een maatwerkvoorziening als extra begeleiding of persoonlijke verzorging.

 

Voor kinderen van 12 jaar of ouder geldt nog in het bijzonder dat geen ondersteuning op het gebied van zorg binnen de gebruikelijke hulp van de ouder wordt verwacht wanneer het kind geen intieme persoonlijke verzorging of verpleging wil ontvangen van de ouder. Kinderen vanaf 12 jaar hebben eigen beslisbevoegdheid wat betreft de lichamelijke integriteit.

 

Richtlijnen ten aanzien van gebruikelijke hulp van ouders voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel in verschillende levensfasen van het kind:

Kinderen van 0 tot 3 jaar

  • Hebben bij alle activiteiten zorg van een ouder nodig;

  • Ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig;

  • Zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen;

  • Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

  • Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 3 tot 5 jaar

  • Kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijvoorbeeld de ouder kan de was ophangen in een andere kamer);

  • Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

  • Kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen;

  • Ontvangen zindelijkheidstraining van ouders/verzorgers;

  • Hebben gedeeltelijk hulp en volledig stimulans en toezicht nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;

  • Hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding;

  • Zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven;

  • Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 5 tot 12 jaar

  • Kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur per week;

  • Kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijvoorbeeld het kind kan buitenspelen in de directe omgeving van de woning als de ouder thuis is);

  • Hebben toezicht nodig en nog maar weinig hulp bij hun persoonlijke verzorging;

  • Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

  • Zijn overdag zindelijk, en ‘s nachts merendeels ook; ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers;

  • Hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrijetijdsbesteding gaan;

  • Hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 12 tot 18 jaar

  • Hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;

  • Kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden;

  • Kunnen vanaf 16 jaar dag en nacht alleen gelaten worden;

  • Kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen;

  • Hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig;

  • Hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding;

  • Hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bijvoorbeeld huiswerk of het zelfstandig gaan wonen);

  • Hebben tot 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Een verdere toelichting op gebruikelijke hulp kan onder meer gevonden worden in het protocol gebruikelijke zorg van het CIZ.