Verordening hemelwater en grondwater ’s-Hertogenbosch 2017

De gemeenteraad van ‘s-Hertogenbosch heeft op 31 januari 2017 het geactualiseerde Waterplan 2016 en het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2021 vastgesteld. Met deze vaststelling is besloten een hemelwaterverordening op te stellen. Daarmee kan bij nieuwbouw, renovaties en de aanleg van verhardingen de afkoppelverplichting uit het Waterplan worden gehandhaafd. De Verordening hemelwater en grondwater stelt onder meer regels over het brengen van afvloeiend hemelwater of grondwater op of in de bodem of in de gemeentelijke riolering en hemelwatervoorziening. De bevoegdheid om deze verordening vast te stellen is vastgelegd in artikel 10.32a van de Wet milieubeheer.

 

De gemeenteraad van 's-Hertogenbosch in zijn openbare vergadering van 12 december 2017;

gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 7 november 2017/ 5 december 2017,

regnr. 7222955;

gelet op de Gemeentewet en de Waterwet;

Besluit

De Verordening hemelwater en grondwater ’s-Hertogenbosch 2017 vast te stellen.

's-Hertogenbosch,

De gemeenteraad voornoemd,

De griffier,

drs. W.G. Amesz

De voorzitter,

drs. J.M.L.N. Mikkers

VERORDENING HEMELWATER EN GRONDWATER

 

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

 

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    Beheerder van het openbaar riool: het college van burgemeester en wethouders;

  • b.

    Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;

  • c.

    Bouwwerk nieuw: bouwwerk dat wordt opgericht na inwerkingtreding van deze verordening, inclusief herbouw na sloop van een bestaand bouwwerk;

  • d.

    Drainage: ontwateringsmiddel voor het kunstmatig laag houden van de grondwaterstand welke vrij afstroomt waarbij niet direct of indirect gebruik gemaakt wordt van een pomp(constructie);

  • e.

    Drukriolering: systeem van leidingen waarbij (afval)water wordt verpompt;

  • f.

    Eigenaar: degene op wiens terrein het hemelwater valt of onder wiens terrein zich het grondwater bevindt;

  • g.

    Groen dak: een doelbewust met planten begroeid dak;

  • h.

    Grondwater: water dat vrij onder het aardoppervlak voorkomt, met de daarin aanwezige stoffen;

  • i.

    Hemelwatervoorziening: voorziening voor de inzameling en verdere verwerking van afvloeiend hemelwater, niet zijnde een openbaar vuilwaterriool in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast;

  • j.

    Infiltratie: het proces waarbij hemelwater wegzakt in de bodem;

  • k.

    Riolering: voorziening voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast;

  • l.

    Stedelijk afvalwater: huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater;

  • m.

    Verhard oppervlak: oppervlak voorzien van verhardingen (o.a. daken, wegen, verhardde terreinen, etc.), zodanig dat hemelwater van dit oppervlak niet in de bodem kan infiltreren;

  • n.

    Verhard oppervlak, nieuw: verhard oppervlak dat wordt aangelegd na inwerkingtreding van deze verordening, inclusief aanleg na verwijdering van bestaand verhard oppervlak.

Artikel 2 Reikwijdte van de verordening

    • 1.

      Deze verordening is, voor wat betreft het lozen van hemelwater, van toepassing op:

    • a.

      het bouwen en/of renoveren van bouwwerken als bedoeld in artikel 2.1 lid 1a van de Wabo;

    • b.

      het uitvoeren van een werk en/of het aanleggen van nieuw verhard oppervlak als bedoeld in artikel 2.1 lid 1b van de Wabo,

    • 2.

      Deze verordening is, voor wat betreft het lozen van grondwater, van toepassing op alle lozingen van grondwater op de gemeentelijke riolering en/of hemelwatervoorziening.

    • 3.

      Deze verordening is niet van toepassing op inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer.

HOOFDSTUK 2. Lozen van hemelwater

Artikel 3 Verbod op lozen van hemelwater op de riolering

    • 1.

      Het is verboden vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein;

    • 2.

      De eigenaar van een perceel heeft de verplichting het hemelwater op eigen terrein te verwerken en heeft daarbij vrije keuze tussen de toe te passen voorzieningen waarbij het volgende geldt:

  • -

    De minimale te realiseren hemelwatervoorziening moet 60 mm (per m2 verhard oppervlak) kunnen verwerken;

  • -

    In de binnenstad is de vereiste hemelwatervoorziening 30 mm (per m2 verhard oppervlak); zie de kaart in de toelichting;

  • -

    Voor het oppervlak aan groen dak ( in m2) wordt geen (aanvullende) hemelwatervoorziening vereist.

    • 3.

      Bij elke activiteit geldt dat de reeds aanwezige totale hoeveelheid (hemel)waterberging niet af mag nemen.

    • 4.

      De voorzieningen als bedoeld in lid 2 dienen uiterlijk 10 weken na het gereedkomen van het nieuw bouwwerk of aanleg van het nieuw verhard oppervlak gerealiseerd te zijn en moeten blijvend in stand gehouden worden.

    • 5.

      De beheerder kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, indien van de eigenaar van het nieuw bouwwerk of het nieuw verhard oppervlak redelijkerwijs een te grote inspanning wordt geëist in verhouding tot het doel van het verbod.

    • 6.

      De aanvraag om een ontheffing als bedoeld in het vijfde lid wordt tegelijk met de aanvraag voor een omgevingsvergunning bouwen of omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, ingediend.

Artikel 4 Melding

Degene die een nieuw bouwwerk opricht of nieuw verhard oppervlak aanbrengt als bedoeld in artikel 2, meldt dit bij het beheerder van de gemeentelijke riolering en hemelwatervoorziening. Een aanvraag om een omgevingsvergunning bouwen of omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, wordt gelijkgesteld met een melding.

De aanvrager dient een ontwerptekening en revisietekening ter goedkeuring aan de beheerder te overleggen.

Artikel 5 Vrijstelling bij extreme neerslag

    • 1.

      Het verbod, bedoeld in artikel 3, geldt niet indien de te verwerken hoeveelheid hemelwater als gevolg van extreme neerslag groter is dan de hoeveelheid die in art 3 genoemd wordt.

    • 2.

      Een ondergrondse verbinding tussen de hemelwaterafvoeren en het gemeentelijk riool voor de afvoer van extreme neerslag is alleen toegestaan in afstemming en met instemming van de beheerder.

Artikel 6 Kwaliteit af te voeren hemelwater

Het afstromende hemelwater, als bedoeld in artikel 3, mag niet verontreinigd zijn als gevolg van afspoelen of uitlogen van de gebruikte bouwmaterialen of geloosde stoffen.

Hoofdstuk 3 Lozen van grondwater

Artikel 7 Verbod op lozen van grondwater op de riolering of gemeentelijke hemelwatervoorziening

    • 1.

      Het is verboden grondwater af te voeren naar de gemeentelijke riolering of gemeentelijke hemelwatervoorziening.

    • 2.

      De beheerder kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, indien van de perceeleigenaar redelijkerwijs geen andere wijze van lozen van het grondwater kan worden gevergd.

Hoofdstuk 4 Overige bepalingen

Artikel 8 Strafbepaling

Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie.

Artikel 9 Voorbereiding, uitvoering, toezicht en handhaving

    • 1.

      Aansluiting van hemelwaterleidingen op gemeentelijke voorzieningen, zoals straatkolken, leidingen en de openbare weg, dienen volgens de eisen van de beheerder uitgevoerd te worden.

    • 2.

      Met het toezicht op de naleving van de bepalingen bij of krachtens deze verordening gesteld zijn belast de bij besluit van het college aan te wijzen of aangewezen personen of groep van personen als bedoeld in artikel 5.11 van de Algemene wet bestuursrecht en hoofdstuk 5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 10 Onderhoud en beheer

De eigenaar is verantwoordelijk voor het onderhoud en beheer van zijn hemelwatervoorzieningen en grondwatervoorzieningen.

Artikel 11 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking.

Artikel 12 Citeertitel

De verordening wordt aangehaald als: Verordening afvoer hemelwater en grondwater ’s-Hertogenbosch 2017.

Toelichting op de Verordening afvoer hemelwater en grondwater

Algemeen

In artikel 10.32a van de Wet milieubeheer is opgenomen dat gemeenteraden een bevoegdheid hebben in het belang van de bescherming van het milieu bij verordening regels te stellen aan het lozen van afvalwater op de riolering. Hiermee hebben gemeenten een instrument om de gemeentelijke watertaken (zorgplichten) vorm te geven. De wet geeft een bevoegdheid. Dit betekent dat gemeenten niet verplicht zijn een verordening voor het lozen van afvalwater op de riolering te hebben. In het rioleringsbeleid, dat is neergelegd in het gemeentelijk rioleringsplan, bepaalt de gemeente of de inzet van dit nieuwe instrument nodig is, gelet op de lokale omstandigheden.

Over de riolering en de aansluiting van bouwwerken op de openbare riolering staan voorschriften in het Bouwbesluit 2012. De onderhavige verordening is aanvullend en komt niet in strijd met plichten die elders zijn vastgelegd. Bij strijd zou de hogere regeling -het Bouwbesluit- voorgaan.

Met deze verordening wordt het gemeentelijk hemelwaterbeleid uit het Waterplan 2016 verankerd.

Keur

In de meeste gevallen is het waterschap het bevoegd gezag over het oppervlaktewater. Voor lozing op het oppervlaktewater en de wijze waarop dit wordt uitgevoerd, evenals voor bouwwerken op of langs waterlopen, heeft het waterschap regels vastgelegd in de Keur. Gemeente ’s-Hertogenbosch ligt in het beheergebied van de waterschappen Aa en Maas en (voor een klein deel) De Dommel.

In deze Keur is ook hemelwaterbeleid benoemd. Deze komen (in 2017) overeen met de regels in deze verordening.

Zorgplicht

De eigenaar van een perceel is in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor het hemelwater dat op zijn terrein komt. Op grond van deze zorgplicht ligt er pas een taak voor de gemeente als de eigenaar van het perceel zich in alle redelijkheid niet kan ontdoen van het hemelwater op zijn terrein. De eigenaar van een perceel is in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor het grondwater in of op zijn terrein.

Om te mogen aansluiten op de (vuilwater) riolering van de gemeente moet dit aangevraagd worden. De gemeente zal dan beoordelen of door de aansluiting nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan zoals gesteld in artikel 4 van het Besluit lozing afvalwater huishoudens.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1 Begripsbepalingen

Bouwwerk

Een definitie van het begrip bouwwerk geeft de Wet milieubeheer of Woningwet niet. In de bouwverordening wordt een in de jurisprudentie aanvaarde definitie aangehouden, namelijk:

‘elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren’.

Deze omschrijving is in deze verordening overgenomen. Aan de hand van de vier elementen van de definitie van het begrip bouwwerk: 1 constructie, 2 van enige omvang, 3 met de grond verbonden, 4 bedoeld om ter plaatse te functioneren, wordt bepaald op een object een bouwwerk is of niet.

Voor het begrip stedelijk afvalwater is aangesloten bij de definitie zoals omschreven in het Gemeentelijk Rioleringsplan. Water afkomstig van een particulier zwembad wordt gerekend tot stedelijk afvalwater. Dit mag op de gemeentelijke riolering geloosd worden tot een maximum van 2m3/uur.

Voor de begrippen drainage en grondwater is aangesloten bij de Brabantkeur.

Voor de overige begrippen is aangesloten bij gebruikelijke definities in het werkveld (o.a. stichting Rioned).

Infiltratie van hemelwater is het proces waarbij regenwater wegzakt in de bodem. De snelheid waarmee dit gebeurt, hangt af van de bodembedekking (bv verharding of beplanting) en de eigenschappen van de bodem.

Artikel 2 Reikwijdte van de verordening

Deze verordening is van toepassing voor bouwen of het renoveren van bouwwerken en de aanleg van verhardingen, voor zover hiermee het verhard oppervlak wijzigt of toeneemt.

De verordening is niet van toepassing op inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer. Het lozen van hemelwater en grondwater op de riolering is voor inrichtingen geregeld in het Activiteitenbesluit. Daarin staat dat lozing van afstromend hemelwater op een vuilwaterriool alleen is toegestaan als lozing in een schoon-waterstelsel, het oppervlaktewater of de bodem niet mogelijk is.

Artikel 3 Verbod op lozen van hemelwater op de riolering

De gemeenteraad heeft de zorgplichten voor het afvalwater, hemelwater en grondwater in het GRP 2016-2021 geformuleerd. De basis voor het verbod om hemelwater te lozen op de riolering is in de Wet milieubeheer gesteld en uitgewerkt in het Besluit lozing afvalwater huishoudens, het GRP en het Waterplan 2016. Het GRP bevat een beleidsvoornemen over het niet lozen van hemelwater en grondwater op de riolering van zowel openbaar als particulier terrein.

Op eigen terrein verwerken

In wezen is de regel simpel: hemelwater mag niet op de riolering worden aangesloten. Dit houdt veelal in dat het op eigen terrein verwerkt moet worden. In de methode van verwerken is de ‘ontdoener’ vrij. De voorkeursvolgorde voor verwerking van hemelwater is:

  • 1.

    hergebruik;

  • 2.

    infiltreren in de bodem;

  • 3.

    bergen; en

  • 4.

    afvoeren.

Afvoer naar oppervlaktewater vereist meestal een goedkeuring, melding of vergunning van het waterschap op basis van de Keur.

In de Waterwet en het Burgerlijk wetboek is reeds geregeld dat het op eigen terrein te verwerken water niet mag leiden tot overlast op naburige percelen.

De norm van 60 mm is gebaseerd op de Keur van de Brabantse Waterschappen (2015).

Ook op locaties waar een gescheiden gemeentelijke riolering aanwezig is voor vuilwater en hemelwater, geldt dat het hemelwater in principe op eigen terrein verwerkt moet worden. Aansluiting van hemelwater op het gemeentelijk hemelwaterstelsel is alleen mogelijk na toestemming van de beheerder.

Bij elke ingreep geldt dat de al aanwezige totale hoeveelheid waterberging niet af mag nemen. Als in het plangebied dus meer waterberging aanwezig was, moet dit behouden blijven of vervangen worden. Daarbovenop moet de opgave voor hemelwaterwaterberging gerealiseerd worden.

Met deze verordening wordt ook de instandhouding van de voorzieningen geregeld. Ongewenste latere aanpassingen aan de afvoer van hemelwater, grondwater en stedelijk afvalwater vallen binnen deze verordening. Hierop kan handhavend opgetreden worden.

Uitzonderingen verbod lozing hemelwater

In de historische binnenstad (zie kaart) is vaak weinig ruimte om op een perceel waterberging te creëren. Daarom geldt hier de opgave om minimaal 30 mm (per m2 verharding) aan hemelwater te verwerken.

(voor kaart zie bijlage 1)

Figuur 1 De Binnenstad als uitzondering op de regels.

In de binnenstad is echter wel capaciteit in de Binnendieze en de Stadstraverse van de Zuid-Willemsvaart. Door het hemelwater af te voeren naar de Binnendieze, wordt het water daar meer ververst, wat bijdraagt aan een ander doel in het waterbeheer. Voorkomen van te hoge waterstanden vormt daarbij een randvoorwaarde. Door afgekoppeld hemelwater af te voeren naar de Stadstraverse worden de waterstromen meer gescheiden. Daardoor worden overstorten met afvalwater op de Stadstraverse verminderd. Deze worden in feite vervangen door lozing van schoon hemelwater.

Zo verbetert de waterkwaliteit van de Stadstraverse, door verversing. Het afvoeren van water uit de historische binnenstad naar één van deze wateren is een mogelijkheid die in het proces van de Watertoets afgewogen moet worden (Bron: Waterplan 2016).

Drukriolering heeft onvoldoende capaciteit om hemelwater te verwerken. Daarom mag hierop alleen stedelijk afvalwater aangesloten worden en geen hemelwater. Indien een perceel is aangesloten op drukriolering, moet dus al het hemelwater op eigen perceel verwerkt worden. Bij de berekening van de benodigde capaciteit vormt de norm van 60 mm een geschikte indicatie.

De aanleg van een groendak wordt gestimuleerd, omdat deze daken meerdere voordelen

hebben, waaronder de berging van minimaal circa 15 mm (per m2 dak) hemelwater. Daarom wordt voor het oppervlak aan groen dak geen (aanvullende) hemelwatervoorziening vereist. De norm van 60 mm geldt dus niet voor het oppervlak aan groen dak. Vanzelfsprekend moet voorzien worden in de afvoer van overtollig hemelwater vanaf een groen dak bij hevige neerslag (meestal het overschot boven 15 mm).

De wijze van aansluiting is geregeld in het Bouwbesluit.

Ontheffing

Artikel 10.32a lid 2 Wet milieubeheer luidt: ‘Van de mogelijkheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt geen gebruik gemaakt, indien van degene bij wie afvloeiend hemelwater of grondwater vrijkomt redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van dat water kan worden gevergd’. Dit is de basis voor de mogelijkheid om op grond van het vijfde lid ontheffing te verlenen. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Een voorschrift kan betrekking hebben op onder meer een uitstel van de plicht tot het niet aansluiten op de riolering en/of op het treffen van een alternatieve (tijdelijke) voorziening of een zuiverende voorziening.

Indien een ontheffing verleend is door het bevoegd gezag voor lozing op de (gemengde) riolering, dan vervalt deze zodra een gemeentelijke hemelwatervoorziening is aangelegd. Vanaf dat moment moet de perceeleigenaar voorzieningen treffen om het hemelwater op dat nieuwe stelsel te lozen en niet meer op de (gemengde) riolering.

Een afwijking of ontheffing dient afgewogen te worden in het proces van de Omgevingsvergunning en/of Watertoets en waterparagraaf. Daarvoor kan er om een nader onderzoek gevraagd worden. Bijvoorbeeld het aantonen dat infiltratie niet mogelijk is met o.a. representatief bodemonderzoek of infiltratieonderzoek. Of aantonen dat er bijv. ruimtegebrek is of dat er nadelige effecten op de omgeving kunnen ontstaan. Als voorbeeld kan gedacht worden aan de aanwezigheid van grondwaterverontreiniging in de nabijheid, die door infiltratie verplaatst kan worden.

De ligging van de hemelwatervoorzieningen, riolering en de infiltratievoorzieningen zijn op tekeningen op te vragen bij de gemeente.

Artikel 5 Vrijstelling bij extreme buien

Op drukriolering mag nooit hemelwater aangesloten worden, dus ook niet bij extreme regenval.

Bij initiatieven dient gekeken te worden naar de gevolgen van zeer hevige neerslag (T= 100 jaar en extremer). Deze doorkijk moet inzicht geven in waar het water bij die extreme neerslag heen stroomt (op basis van hoogteligging) en of dit tot overlast of schade kan leiden. Zo nodig worden in het plan maatregelen getroffen om dit te voorkomen. Ten behoeve van buien groter dan 60 mm (of 30 mm in binnenstad) wordt aanbevolen om een ontlastput aan te brengen conform de NEN 3215. Bij extreme neerslag is het toegestaan om het hemelwater via de ontlastput bovengronds af te voeren naar openbaar gebied. Indien een ontlastput niet volstaat en maatwerk nodig is, dan is dit conform artikel vijf lid 2 alleen mogelijk in samenspraak met de beheerder. De voorziening voor extreme buien moet altijd aangegeven zijn op de stukken bij de melding, op basis van artikel vier.

Artikel 6 Kwaliteit af te voeren water

De ontdoener heeft een zorgplicht ten aanzien van de (goede) kwaliteit van het af te voeren en te infiltreren hemelwater en grondwater.

De verwerking van het hemelwater en grondwater mag daarom niet leiden tot verontreiniging van het ontvangende medium, zoals bodem, grondwater, oppervlaktewater, etc. Aangenomen mag worden dat het hemelwater van voldoende kwaliteit is als het afstroomt over niet-afspoelende en niet-uitlogende materialen en er geen verontreinigende activiteiten op deze oppervlakken plaatsvinden. Verontreinigende activiteiten zijn bijvoorbeeld autowassen, besproeiing met onkruidbestrijdende middelen, lozing van verfmiddelen (kalk of iets dergelijks) of lekkage van oliën.

De gemeente ontraadt hemelwater en grondwater dat in contact is geweest met zink, koper of lood zonder zuiverende randvoorziening (zoals bodemverrijking) of bronmaatregel (zoals coaten of vervangen dakgoot) direct naar de bodem af te voeren.

Zuivering

Om aan de zorgplicht te voldoen, kan het nodig zijn een filter toe te passen. Met beheersmaatregelen (vervangen vulmateriaal, afvoeren verontreinigd vulmateriaal) moet voorkomen worden dat een verontreiniging doorslaat naar de bodem, het grondwater of het oppervlaktewater. Na de voorziening kan het water in bodem (als grondwater) of op oppervlaktewater worden geloosd. Vanzelfsprekend hebben maatregelen aan de bron de voorkeur.

Bodemverontreiniging

De mogelijke reeds aanwezige verontreiniging van de bodem moet altijd goed worden nagegaan door de lozer van het hemelwater.

Bij het zonder beperkingen toestaan van het lozen van afvloeiend hemelwater is er van uitgegaan, dat in de praktijk tijdens het afvloeien van het hemelwater enige verontreiniging bijna onontkoombaar is. De oppervlakken waarover het hemelwater afvloeit zijn immers niet volledig schoon, en afhankelijk van het materiaal waarmee het hemelwater in aanraking komt, vindt vaak enige mate van afspoeling of uitloging plaats. In de meeste gevallen leidt deze echter niet tot een zodanige verontreiniging van het hemelwater, dat het lozen in de bodem verboden moet worden.

Indien er wel sprake is van een grote verontreiniging, dan is het vaak mogelijk om door het treffen van preventieve maatregelen de verontreiniging terug te brengen en daarmee het hemelwater alsnog rechtstreeks in het milieu te brengen.

Binnen door de provincie aangewezen zones, zoals het grondwaterwingebied en bijbehorende beschermingszones en boringsvrije zones, gelden mogelijk aanvullende regels voor de verwerking van hemelwater en grondwater. Dit is vastgelegd in de Provinciale Milieu Verordening. Hiervoor is de provincie het bevoegd gezag.

Artikel 7 Verbod lozen grondwater op de riolering

Op grond van dit artikel is het lozen van grondwater op de riolering in de gehele gemeente in principe verboden. Dit geldt nadrukkelijk ook voor grondwater in de vorm van spuiwater van Warmte Koude Opslag (WKO), bronneringswater en werkwater van WKO. Voor lozing van spuiwater van WKO, bronneringswater en werkwater van WKO kan toestemming verleend worden. Dit wordt in ieder geval getoetst aan de capaciteit van de riolering te plekke. Dit artikel sluit aan op de huidige regelgeving en het besluit kwaliteit leefomgeving als onderdeel van de Omgevingswet.

Artikel 8 Strafbepaling

De Wet milieubeheer kent geen strafbepaling voor overtreding van een verordening als bedoeld in artikel 10.32a. Deze wet bevat een uitgebreid systeem van bestuurlijke boetes, maar dit is niet gekoppeld aan artikel 10.32a. Daarom is in deze verordening een zelfstandige strafbepaling opgenomen, gekoppeld aan de geldboetecategorieën van artikel 23 Wetboek van Strafrecht. Gekozen is voor de geldboete van de tweede categorie als bedoeld in artikel 23 Wetboek van Strafrecht. Op grond van artikel 24c Wetboek van Strafrecht kan vervangende hechtenis worden toegepast.

Voor het handhaven van gemeentelijke verordeningen geldt altijd de mogelijkheid van dwangsom en bestuursdwang. De dwangsom komt voor dit type overtreding het eerst in aanmerking.

Artikel 9 Voorbereiding, uitvoering, toezicht en handhaving

Op grond van het Bouwbesluit 2012 moet in principe in alle gevallen de hemelwaterafvoer en de afvoer van stedelijk afvalwater gescheiden tot aan de erfgrens te worden aangelegd, als het niet op eigen terrein wordt verwerkt. Pas op de erfgrens mag de koppeling van de twee afvoeren plaatsvinden. Indien later alsnog een gemeentelijke hemelwatervoorziening wordt aangelegd, kan daarop de hemelwaterafvoer eenvoudig worden aangesloten. De ligging van de gemeentelijke riolering en hemelwatervoorzieningen kan opgevraagd worden bij de gemeente.

In dit artikel is opgenomen dat door of vanwege de beheerder de wijze van (technisch) aansluiten wordt aangegeven. Dit kan zowel gaan om een bovengrondse als een ondergrondse voorziening. Indien de hemelwaterafvoerleiding moet worden aangesloten op de gemeentelijke riolering of hemelwatervoorziening, biedt artikel 6.18, vierde lid, van het Bouwbesluit de mogelijkheid aan te geven wat de ligging, hoogte en diameter is ter plaatse van de perceelgrens. Op grond van het Bouwbesluit kunnen echter geen eisen worden gesteld aan de aansluiting op gemeentelijke voorzieningen in de openbare weg, vandaar dat dit in deze verordening is geregeld. Zoals in de toelichting bij artikel vijf is gesteld dient met de gemeente overleg plaats te vinden over het technisch ontwerp.

Artikel 11 Inwerkingtreding

In dit artikel is geregeld op welk moment de verordening in werking treedt.

Artikel 12 Citeertitel

Dit artikel spreekt voor zich.

Naar boven