Gemeenteblad van Rucphen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Rucphen | Gemeenteblad 2017, 224305 | Beleidsregels |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Rucphen | Gemeenteblad 2017, 224305 | Beleidsregels |
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rucphen,
Artikel 3. Draagkracht uit inkomen
Als het netto inkomen van de belanghebbende hoger is dan 100% van de toepasselijke bijstandsnorm wordt 35% van het overschrijdingsbedrag voor de berekening van de draagkracht uit inkomen in aanmerking genomen tenzij het een aanvraag voor bijzondere bijstand betreft voor de onder lid 3 genoemde kostensoorten.
Betreft het een aanvraag voor bijzondere bijstand voor de kostensoorten: inkomensaanvulling jongeren 18 – 21 jaar, woonkostentoeslag, doorbetaling vaste lasten bij detentie of verblijf in een inrichting, overbruggingsuitkering, of toeslag compensatie alleenstaande ouder-kop (ALO-kop) kindgebonden budget, dan wordt het netto inkomen voor zover dit de bijstandsnorm overstijgt volledig als draagkracht uit inkomen in aanmerking genomen.
Als de belanghebbende een vast periodiek inkomen heeft, wordt bij de vaststelling van het inkomen uitgegaan van het inkomen van de maand waarin de kosten zich voordoen. Indien de belanghebbende wisselende inkomsten heeft, wordt uitgegaan van het gemiddelde inkomen over drie maanden t.w. het inkomen waarin de kosten zich voordoen en de 2 hieraan voorgaande maanden;
Bij de belanghebbende die deelneemt aan een minnelijke schuldregeling, wordt bij de berekening van de draagkracht van die belanghebbende uitgegaan van het besteedbaar inkomen mits door deze belanghebbende wordt aangetoond dat de minnelijke schuldregeling conform de richtlijnen van de Nederlandse vereniging voor Volkskrediet (NVVK) is.
Ondanks dat de Wet op de Inkomstenbelasting de mogelijkheid biedt om bepaalde medische kosten als aftrekpost op te kunnen voeren wat een lagere definitieve aanslag inkomstenbelasting tot gevolg kan hebben, wordt dit mogelijk recht op belastingvermindering -of teruggave buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand.
Indien binnen de vastgestelde draagkrachtperiode een nieuwe aanvraag voor bijzondere bijstand wordt ingediend en de persoonlijke en/of financiële omstandigheden van belanghebbende zijn niet ingrijpend (=minimaal 20% inkomenswijziging) gewijzigd, blijft de reeds vastgestelde draagkracht voor die periode gelden.
Artikel 6. Wijziging reeds vastgestelde draagkracht
Een reeds vastgestelde draagkracht, of draagkrachtperiode, kan slechts worden gewijzigd als de persoonlijke en/of financiële omstandigheden van belanghebbende gedurende de al vastgestelde draagkrachtperiode ingrijpend (= minimaal 20% inkomenswijziging) wijzigen.
Drempelbedrag, vorm van de bijstand, bijstand met terugwerkende kracht en specifiek kostensoortenbeleid
Van de in artikel 35 lid 2 van de wet genoemde bevoegdheid om bijzondere bijstand te weigeren indien de kosten binnen 12 maanden het in dat artikel genoemde bedrag niet te boven gaan, wordt geen gebruik gemaakt. Er wordt dan ook geen drempelbedrag gehanteerd.
Artikel 10. Relatie collectieve zorgverzekering minima en bijzondere bijstand
1.Een aanvraag bijzondere bijstand voor:
wordt geweigerd omdat de Zvw, Wlz en Wmo als zogenaamde passende en toereikende voorliggende voorzieningen worden aangemerkt;
1.In afwijking van het bepaalde in lid 1 wordt, in het kader van buiten wettelijk begunstigend beleid, bijzondere bijstand verstrekt voor de noodzakelijke bijzondere medische kosten als:
de belanghebbende deelneemt aan de collectieve zorgverzekering voor minima en naar het oordeel van het Werkplein Hart van West-Brabant de noodzakelijke bijzondere kosten hoger zijn dan de maximale vergoeding die op basis van de collectieve zorgverzekering voor minima kan worden verstrekt tenzij in de “Bijlage kostensoorten bijzondere bijstand” is bepaald dat voor de betreffende kosten geen bijzondere bijstand wordt verstrekt. De hoogte van de dan te verstrekken bijzondere bijstand wordt vastgesteld op het verschil tussen die noodzakelijke kosten en de maximale vergoeding op grond van de daadwerkelijke collectieve zorgverzekering voor minima;
de aanvrager vanwege redenen die buiten zijn beïnvloedingssfeer liggen en waarvan hem redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt nog geen gebruik kan maken van de collectieve zorgverzekering voor minima. De hoogte van de te verstrekken bijzondere bijstand wordt in dit geval vastgesteld op het bedrag van de noodzakelijke bijzondere kosten met als maximumbedrag het bedrag zoals genoemd in de vergoedingsoverzichten van de collectieve zorgverzekering met de laagste premie.
Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als “Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Rucphen “.
De rechtsgevolgen van beschikkingen bijzondere bijstand welke zijn toegekend in de periode voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze beleidsregels, blijven van kracht met dien verstande dat wanneer de nieuwe beleidsregels gunstigere bepalingen voor de belanghebbende bevatten, de belanghebbende dan een nieuwe beschikking ontvangt, waarin vermeld wordt dat dan het nieuwe beleid prevaleert.
Indien een aanvraag bijzondere bijstand is ingediend in de periode voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze beleidsregels en er op die aanvraag nog geen besluit is genomen op het moment van inwerkingtreding van deze beleidsregels, geldt het voor de belanghebbende meest gunstige beleid.
Bijlage: Bijlage kostensoorten bijzondere bijstand.
Algemene toelichting bij de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Rucphen
De verlening van algemene bijstand is het vangnet van de Nederlandse sociale zekerheid.
Door bijzondere omstandigheden kan zich de situatie voordoen dat in het individuele geval het op het huishouden toepasselijke sociaal minimum niet volledig toereikend is om te voorzien in bepaalde noodzakelijke kosten. Met andere woorden, voor sommige mensen zijn – gelet op hun individuele bijzondere omstandigheden - de mazen van het sociaal vangnet te groot.
In die situaties kan de bijzondere bijstand een oplossing bieden. Maatwerk is dan ook de hoofdregel van de verlening van bijzondere bijstand. Dit impliceert dat de gemeente gehouden is de bijzondere bijstand te verlenen aan personen bij wie is vastgesteld dat de betreffende kosten in het voorliggende individuele geval ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn en dat ze daadwerkelijk zijn gemaakt. Er dient primair een toetsing aan de omstandigheden van het individuele geval plaats te vinden. De aard van het inkomen van belanghebbende, een uitkering of inkomen uit arbeid, is in dit verband niet relevant.
De bijzondere bijstand moet derhalve heel gericht worden ingezet voor de vergoeding van de daadwerkelijke kosten van mensen die hier echt zelf niet in kunnen voorzien, en deze aanvullende ondersteuning echt nodig hebben. Individueel maatwerk geldt bij het verlenen van aanvullende inkomensondersteuning dan ook als belangrijkste uitgangspunt. Met andere woorden de bijzondere bijstand moet alleen terechtkomen bij de mensen die deze echt nodig hebben.
Om die reden is met de invoering van de Participatiewet de mogelijkheid tot verstrekking van categoriale bijzondere bijstand beperkt tot alléén de aanvullende zorgverzekering.
De regering heeft tijdens de parlementaire behandeling van de Participatiewet wel aangegeven dat het binnen de wettelijke kaders van de individuele bijzondere bijstand wel is toegestaan om groepen aan te wijzen, waarvan vaststaat dat zij door de bijzondere omstandigheden waarin zij verkeren, daadwerkelijk specifieke noodzakelijke kosten hebben. Via die methodiek is het dus (nog steeds) mogelijk om, gebruik makend van groepskenmerken, maatwerkondersteuning te bieden in de vorm van individuele bijzondere bijstand, en tegelijkertijd de uitvoeringskosten beperkt te houden.
De Participatiewet geeft de gemeente een hoge mate van autonomie bij de vormgeving van het bijzondere bijstandsbeleid. Dit geldt voor algemene onderdelen zoals het beleid ten aanzien van de draagkracht uit inkomen en vermogen, wel of niet toepassen van het z.g. drempelbedrag als bedoeld in artikel 35 lid 2 Pw en beleid over bijvoorbeeld het verlenen van terugwerkende kracht, maar ook voor specifiek beleid op kostensoortniveau.
Met deze beleidsregels wordt nadere invulling gegeven aan deze lokale beleidsbevoegdheid.
Artikelsgewijze toelichting bij de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Rucphen
In dit artikel zijn de begrippen gedefinieerd die verder in deze beleidsregels worden vermeld.
De bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5 onder c van de Pw is een all-in norm inclusief vakantietoeslag om de algemene kosten van bestaan te kunnen voldoen. Gebruikelijk is dat de vakantietoeslag jaarlijks in de maand mei of juni wordt uitbetaald. Als een aanvraag bijzondere bijstand wordt ingediend en de belanghebbende moet de hoogte van diens (maand)inkomen opgeven en daarvan een bewijsstuk overleggen, dan zal deze om die reden dus veelal een inkomen opgeven exclusief vakantietoeslag. Omdat per 1 januari 2016 het overgangsrecht Wet hervorming kindregelingen is vervallen en de Participatiewet geen aparte bijstandsnorm voor een alleenstaande oudergezin meer kent, is bij een alleenstaande oudergezin ook de norm voor een alleenstaande van toepassing.
Bij de te maken draagkrachtberekening dient het inkomen van de aanvrager afgezet te worden tegen de op de belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm. Voor een correcte berekening dienen dan het inkomen van de aanvrager en de in aanmerking te nemen bijstandsnorm dus beiden in –of exclusief vakantietoeslag te zijn.
Omdat het gebruikelijk is dat de vakantietoeslag niet periodiek maar jaarlijks wordt uitbetaald, wordt om praktische redenen geopteerd voor een draagkrachtberekening exclusief vakantietoeslag. Om die reden dient dus bepaald te worden dat uitgegaan moet worden van het inkomen en de bijstandsnorm beiden exclusief vakantietoeslag.
Artikel 2. Draagkracht uit vermogen
Onder draagkracht wordt verstaan de eigen middelen die de aanvrager/ belanghebbende zelf moet aanwenden voor de betaling van de bijzondere kosten van het bestaan. Het is logisch dat de aanvrager/belanghebbende niet al zijn/haar middelen daarvoor behoeft aan te wenden want anders resteert er immers helemaal niets voor de betaling van de algemene kosten van levensonderhoud zoals bijv. woon –en energiekosten, voeding, kleding etc. Om die reden wordt een deel van de middelen niet meegenomen bij de berekening van de draagkracht.
Voor wat betreft de draagkracht uit vermogen wordt dat deel van het vermogen wat de Pw-vermogensvrijlating te boven gaat, volledig als draagkracht aangemerkt.
Het vermogen gebonden in de eigen woning wordt niet in aanmerking genomen voor de vaststelling van de draagkracht. Dit houdt in dat ook iemand met een koopwoning met een zeer forse overwaarde (bijv. meer dan € 100.000,--) recht heeft op bijzondere bijstand om niet als er geen ander vermogen is boven de grens van de vermogensvrijlating (bijv. hoog saldo op bankrekening en/of dure auto) .
Artikel 34 lid 2 Pw benoemt nog een aantal specifieke vermogensbestanddelen (bijv. sommige bezittingen in natura, of vergoeding voor immateriële schade) die niet worden meegenomen bij de bepaling van de draagkracht uit vermogen.
Artikel 3. Draagkracht uit inkomen
Bij de toelichting op artikel 2 is het begrip draagkracht (uit vermogen) al omschreven. Dit artikel regelt de draagkracht uit inkomen.
De zes gemeenten waarvoor het Werkplein Hart van West-Brabant de bijzondere bijstand uitvoert hebben besloten dat zij hun gemeentelijke inkomensgrenzen (zie onderstaand schema) vooralsnog niet willen aanpassen/harmoniseren. De overwegingen hierbij waren dat: de verschillen tussen de laagste en hoogste inkomensgrens vrij groot zijn, door zo’n aanpassing de omvang van de doelgroep wordt verkleind of verruimd en dat dit niet past binnen het thans voorgestane armoede –en minimabeleid en dat een forse ophoging van de inkomensgrens grote budgettaire consequenties heeft.
Schema weergave draagkrachtpercentages zes gemeenten
Hoofdregel is dat bij een inkomen boven de door de gemeente gehanteerde inkomensgrens, het overschrijdingsbedrag voor 35% als draagkracht uit inkomen wordt aangemerkt. Op deze hoofdregel bestaan enige uitzonderingen. De eerste uitzondering is beschreven in lid 3. De daar vermelde kostensoorten bijzondere bijstand hebben allemaal tot doel om het (maandelijkse) algemeen besteedbaar inkomen aan te vullen c.q. op te hogen. Gelet op die doelstelling wordt het netto inkomen voor zover dit de van toepassing zijnde bijstandsnorm overschrijdt niet voor 35% maar volledig (=100%) als draagkracht uit inkomen aangemerkt.
Een tweede uitzondering is dat middelen waarvan de wetgever, of de gemeente ingeval van een autonome bevoegdheid, heeft bepaald dat die op grond van artikel 31 lid 2 Pw bij de verlening van algemene periodieke bijstand worden vrijgelaten, ook niet tot het inkomen worden gerekend bij de berekening van de draagkracht uit inkomen.
De derde uitzondering is dat bij de afhandeling van aanvragen bijzondere bijstand en de te berekenen draagkracht uit inkomen de kostendelersnorm als bedoeld in art. 22a Pw niet wordt toegepast.
Met de invoering van de kostendelersnorm wordt beoogd om rekening te houden met de voordelen van het delen van kosten binnen één huishouden en om stapeling van uitkeringen binnen een huishouden te voorkomen. Voorts wordt het van groot belang geacht dat het lonend blijft om op zoek te gaan naar werk. De kostendelersnorm draagt hieraan volgens de wetgever bij. Bij de verstrekking van algemene periodieke bijstand wordt de kostendelersnorm om deze redenen dan ook in volle omvang toegepast.
Echter bij het verstrekken van bijzondere bijstand spelen andere overwegingen een rol. Allereerst heeft een aanvraag bijzondere bijstand betrekking op noodzakelijke bijzondere kosten van bestaan en niet op algemene bestaanskosten. Ook mensen met een ander inkomen dan algemene periodieke bijstand kunnen geconfronteerd worden met bijzondere kosten van bestaan en ook zij kunnen bij een ontoereikend inkomen een beroep op de bijzondere bijstand doen. Tot slot is hantering van de kostendelersnorm voor de uitvoering van bijzondere bijstand onnodig ingewikkeld omdat de overige meerderjarige personen die in dezelfde woning wonen dan bij de beoordeling moeten worden betrokken wat gepaard gaat met hogere uitvoeringskosten.
Een vierde uitzondering is dat het recht op andere inkomensondersteunende regelingen op grond van de Pw, te weten: individuele inkomenstoeslag en individuele studietoeslag, geen gevolgen heeft voor de draagkrachtberekening bijzondere bijstand.
Een vijfde uitzondering vormt de pensioenvrijlating op grond van artikel 33, 5e lid Pw. Hiervoor geldt, net als bij de hiervoor beschreven tweede uitzondering, dat die bij de verlening van algemene periodieke bijstand ook wordt vrijgelaten.
In dit artikel is verder een aantal bepalingen opgenomen die van belang zijn voor de berekening van de draagkracht uit inkomen. Zo bevat het 4e lid regels omtrent welk (periodiek) inkomen voor de berekening van de draagkracht uit inkomen van belang is.
Verder is een aantal bepalingen opgenomen hoe een aanvraag bijzondere bijstand beoordeeld moet worden als de aanvrager/belanghebbende (problematische) schulden heeft. Door bij een aanvraag bijzondere bijstand en de te maken draagkrachtberekening uit inkomen rekening te houden met de (maandelijkse) aflossing op schulden, wordt die draagkracht uiteraard lager.
Jurisprudentie (CRvB 28-3-2006, nr. 04/5465 NABW) over dit onderdeel geeft aan dat uitgegaan moet worden van het besteedbaar inkomen. Om die reden is bepaald dat wanneer het netto ontvangen (maand)inkomen van de aanvrager/belanghebbende lager uitvalt omdat er executoriaal beslag op diens inkomen is gelegd, met die beslaglegging rekening wordt gehouden bij de berekening van de draagkracht uit inkomen. Bij een minnelijke schuldregeling geldt als voorwaarde dat sprake moet zijn van een schuldregeling conform de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Volkskrediet (NVVK).
Wanneer de schuldsituatie van de aanvrager/belanghebbende echter zo problematisch is dat deze door de rechter in een schuldsaneringstraject op grond van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) is geplaatst waarbij het doel van dat traject is dat betrokkene na afloop daarvan schuldenvrij is, wordt gelet op die WSNP-doelstelling betrokkene geacht geen draagkracht uit inkomen te hebben.
Alhoewel het aantal aftrekposten bij de Wet op de Inkomstenbelasting de laatste jaren (sterk) is ingeperkt, kan het voorkomen dat er bijzondere bijstand wordt gevraagd voor een kostensoort die ook als aftrekpost kan worden opgevoerd bij de jaarlijkse aanslag Inkomstenbelasting met als gevolg dat de definitieve aanslag Inkomstenbelasting daardoor (iets) lager wordt. Bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand wordt met zo’n eventuele toekomstige belastingvermindering/teruggave geen rekening gehouden. Overweging hierbij is dat deze situatie zich in beperkte mate zal voordoen en dat het vanuit kosten-batenoogpunt bezien onevenredig veel werk met zich brengt om in dergelijke gevallen bijzondere bijstand te gaan verstrekken als verhaalbare bijstand met de daarbij samenhangende dossierbewaking.
Als er sprake is van draagkracht uit inkomen en/of vermogen en de aanvrager/belanghebbende moet daarom zich voordoende bijzonder noodzakelijke kosten van het bestaan uit eigen middelen betalen, dan dient hieraan ook een termijn te worden gekoppeld. Een gebruikelijk tijdvak is een draagkracht-periode van 12 maanden. Deze periode van 12 maanden vangt aan op de 1e dag van de maand waarin de kosten zich voordoen. Dit vanwege de relatie met de ingangsdatum van de bijzondere bijstand (zie artikel 8 van deze beleidsregels).
Omdat er groepen burgers zijn waarbij de persoonlijke en/of financiële omstandigheden normaliter niet wijzigen (bijv. gepensioneerde mensen met een AOW-uitkering en een vast maandelijks pensioen), voorziet het beleid er in dat voor specifiek te benoemen groepen belanghebbenden beleidsmatig de mogelijkheid wordt gecreëerd om de draagkracht voor een langere periode vast te stellen. Dit brengt administratieve lastenverlichting met zich mee voor zowel de belanghebbenden als voor het Werkplein.
Met name voor de bijzondere bijstand geldt dat dit een individuele maatwerkvoorziening is.
De regeling voorziet daarom in de mogelijkheid om de draagkracht voor een kortere of langere periode dan de standaard jaartermijn vast te stellen, als de periode waarop de kosten betrekking hebben daartoe aanleiding geeft.
Als een belanghebbende binnen de reeds vastgestelde draagkrachtperiode wederom een aanvraag voor bijzondere bijstand indient, behoeft er behoudens de hierna beschreven uitzondering geen nieuwe draagkrachtberekening te worden gemaakt en blijft de reeds vastgestelde draagkracht voor die periode gelden. Uitzondering is als de persoonlijke en/of financiële omstandigheden van de belanghebbende ingrijpend zijn gewijzigd. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat de belanghebbende bij de vorige aanvraag alleenstaand was en bij de vervolgaanvraag gehuwd/samenwonend, het vermogen van belanghebbende tussentijds fors is gestegen door bijvoorbeeld een erfenis of een grote prijs in de loterij, of het inkomen fors is gestegen of gedaald. Een inkomensstijging of daling tot 20% wordt in deze niet als een ingrijpende wijziging aangemerkt. Van belang hierbij is tevens het bepaalde in artikel 3 lid 2 waar is bepaald dat van de berekende inkomensoverschrijding (slechts) 35% als draagkracht wordt aangemerkt. Deze benadering bevordert bovendien de re-integratie omdat bij werkaanvaarding en het verkrijgen van inkomsten uit arbeid die de bijstandsnorm overstijgen er niet direct gevolgen kleven aan het recht op bijzondere bijstand. De CRvB heeft bij uitspraak d.d. 25 juni 2013, kenmerk: CRvB 12 / 1504 WWB R004 93 bepaald dat dergelijk beleid m.b.t. de aan de gemeente toekomende beoordelingsruimte inzake het vaststellen van de draagkracht, de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat.
Artikel 5. Draagkrachtverrekening
In de toelichting op artikel 2 is als al vermeld dat onder draagkracht wordt verstaan de eigen middelen die de belanghebbende moet aanwenden voor de betaling van de bijzondere kosten van het bestaan.
In het verlengde hiervan is het dan ook logisch dat de berekende draagkracht direct in één keer wordt verrekend met de toe te kennen c.q. uit te betalen bijzondere bijstand.
Bij de verstrekking van periodieke bijzondere bijstand kan de draagkracht ook worden uitgesmeerd over meerdere maanden met als maximum een verrekening termijn van 12 maanden. Toepassing hiervan kan bijvoorbeeld overwogen worden als belanghebbende hele hoge of meerdere bijzondere kosten tegelijkertijd moet betalen.
Artikel 6. Wijziging reeds vastgestelde draagkracht
In de toelichting bij de voorgaande artikelen is al uitgebreid beschreven dat de draagkracht bij de aanvraag wordt vastgesteld en dat deze, behoudens de genoemde uitzondering(en), geldt voor een periode van 12 maanden.
Dit artikel biedt de mogelijkheid dat een reeds vastgestelde draagkracht of draagkrachtperiode op een later moment alsnog kan worden gewijzigd. Dit kan zowel bij een verhoging als een verlaging van het inkomen als de inkomenswijziging maar minimaal 20% bedraagt. Toepassing van deze bepaling kan alleen aan de orde zijn bij een hele uitzonderlijke situatie die op voorhand niet voorzienbaar was en waarbij het onverkort vasthouden aan de eerder afgegeven beschikking tot onaanvaardbare gevolgen leidt voor de belanghebbende of diens gezin.
Artikel 35 lid 2 van de wet geeft de gemeente de bevoegdheid om bijzondere bijstand te weigeren als de bijzondere kosten binnen een periode van 12 maanden een in de wet genoemd bedrag [per 1 jan. 2017: € 130,-] niet te boven gaan. Een gemeente kan deze bepaling toepassen als zij van mening is dat een belanghebbende een beperkt bedrag aan bijzondere bestaanskosten moet kunnen betalen uit het algemene periodieke inkomen, ook al bevindt zich dat op het niveau van het sociaal minimum.
Geen van de zes gemeenten waarvoor het Werkplein de bijzondere bijstand uitvoert wil deze bepaling thans toepassen.
Artikel 8. Mogelijkheid toekennen bijstand met terugwerkende kracht
Als men voor de betaling van bijzondere kosten van het bestaan een aanvraag bijzondere bijstand indient, dan is dat omdat men zelf over onvoldoende eigen middelen beschikt. Een logische volgorde is dan ook dat de cliënt eerst een aanvraag bijzondere bijstand indient en de beslissing daarop afwacht en pas daarna kosten gaat maken.
Gelet op de doelstellingen van de bijzondere bijstand (o.a. armoedebestrijding) moet aangenomen worden dat gemeentelijk beleid op basis waarvan met terugwerkende kracht bijzondere bijstand kan worden verleend mogelijk is. Het hanteren van een periode van 12 maanden na het moment waarop de kosten zijn gemaakt, waarbinnen een aanvraag toch gehonoreerd kan worden, kan dan als redelijk worden aangemerkt. Uit het wetsartikel m.b.t. het drempelbedrag (wat overigens in deze gemeente niet wordt toegepast) kan indirect worden afgeleid dat kosten gedurende een periode van 12 maanden bij elkaar kunnen worden gespaard. In het kader van administratieve lastenverlichting wordt de mogelijkheid geboden dat burgers bijzondere bijstandskosten mogen opsparen en dat zij later een aanvraag bijzondere bijstand daarvoor indienen. De uiterste termijn om zo’n aanvraag bijzondere bijstand te kunnen indienen bedraagt 12 maanden na het moment waarop kosten zijn gemaakt.
Niet in alle gevallen zal een ingediende aanvraag ook tot een toekenning leiden. Cliënten dienen in dit opzicht ook in bescherming te worden genomen. Om die reden wordt geopteerd om geen bijzondere bijstand met terugwerkende kracht te verlenen voor aan te wijzen kostensoorten. Deze kostensoorten zijn opgenomen in de “Bijlage kostensoorten bijzondere bijstand”.
In het derde lid staat beschreven dat ook voor de bijzondere bijstandsverlening met terugwerkende kracht de noodzaak van bijstandsverlening moet kunnen worden vastgesteld.
Artikel 9. Specifiek beleid voor bepaalde kostensoorten
De hiervoor vermelde artikelen bevatten algemene bepalingen die van toepassing zijn op de verstrekking van de bijzondere bijstand. Deze bepalingen zijn dus kostensoort onafhankelijk.
Het is inherent aan de individuele bijzondere bijstand dat het onmogelijk is om een limitatieve opsomming te maken van kostensoorten waarvoor bijzondere bijstand kan worden aangevraagd en daarbij meer in detail aan te geven wat daarbij de voorwaarden zijn.
Uit de uitvoeringspraktijk bleek wel dat er over bepaalde kostensoorten met enige regelmaat specifieke vragen worden gesteld of en zo ja onder welke voorwaarden daarvoor bijzondere bijstand kan worden aangevraagd. In het kader van goede en eenduidige klantvoorlichting en om een uniforme uitvoering te kunnen bewerkstelligen en borgen, is er voor gekozen om voor die kostensoorten specifiek gemeentelijk beleid vast te stellen. De kostensoorten waarvoor specifiek beleid is vastgesteld, zijn opgenomen in een bijlage genaamd “Bijlage kostensoorten bijzondere bijstand”.
Die bijlage maakt integraal onderdeel uit van deze beleidsregels.
Om misverstanden te voorkomen is in het tweede lid nog expliciet bepaald dat de Beleidsregels bijzondere bijstand niet van toepassing zijn op de verstrekking van bijzondere bijstand in de vorm van een collectieve aanvullende zorgverzekering of in de vorm van een tegemoetkoming in de kosten van de premie van een dergelijke verzekering.
De gemeente heeft hiervoor namelijk aparte beleidsregels vastgesteld namelijk de “Beleidsregels collectieve zorgverzekering”.
Artikel 10. Relatie collectieve zorgverzekering minima en bijzondere bijstand
Artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de Pw bepaalt dat geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Voorts heeft gelet op artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de Pw, die wet geen functie indien binnen de voorliggende voorziening een bewuste beslissing is genomen over de noodzaak van bepaalde kostensoorten in het algemeen of in een specifieke situatie. Indien binnen de voorliggende voorziening het gevraagde in het algemeen of in een specifieke situatie niet noodzakelijk is geacht dient daarbij voor de toepassing van de Pw te worden aangesloten.
Uit diverse uitspraken van de CRvB (zie: 13-4-2010, ECLI:NL:CRVB:2010: BM2959, 26-10-2010: ECLI:NL: CRVB:2010:BO3556, 12-7-2011, ECLI:NL: CRVB:2011: BR2509, 21-7-2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2399, 29-1-2013: ECLI:NL:CRVB:2013:BY9838 en 24-5-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2309) blijkt dat de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de daarop gebaseerde Regeling zorgverzekering en de AWBZ (thans: Wet langdurige zorg (Wlz)) als voorliggende, toereikende en passende voorzieningen zijn aan te merken voor medische kosten en behandelingen.
Dezelfde redenering geldt voor de eigen bijdrage Wmo – Wlz. Ook hier geldt dat de wetgever bewust een beslissing heeft genomen over de noodzakelijkheid van de kosten van de eigen bijdrage.
Voor deze kosten en behandelingen staat artikel 15 lid 1 Pw derhalve aan toekenning van bijzondere bijstand in de weg.
Alleen als sprake is van zeer dringende reden als bedoeld in artikel 16 Pw kan van het bepaalde in art. 15 Pw worden afgeweken. Er moet dan wel sprake zijn van een acute noodsituatie en de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert moeten op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Een acute noodzaak is aan de orde als de situatie levensbedreigend is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben. Zie CRvB: 29-3-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1251 en 1-12-2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK6576.
Het hiervoor vermelde laat echter onverlet dat het de gemeente vrij staat om in het kader van zogenaamd buitenwettelijk begunstigend beleid een ruimhartiger beleid bijzondere bijstand te voeren.
De CRvB heeft meermaals de aanwezigheid en de toepassing van buitenwettelijk begunstigend als gegeven aanvaard, met dien verstande dat de Raad wel toetst of het beleid op consistente wijze is toegepast.
In het 2e lid van artikel 10 wordt geregeld in welke gevallen gebruik wordt gemaakt van deze bevoegdheid. De collectieve zorgverzekering kent meerdere type polissen. Daarom is in het 2e lid onder b bepaald welk polis type concreet als voorliggende voorziening wordt gezien, namelijk die met de laagste premie.
Met deze beleidsregels wordt het beleid bijzondere bijstand voor de zes gemeenten waarvoor het Werkplein de Participatiewet uitvoert geüniformeerd. Omdat elke gemeente deze beleidsregels afzonderlijk moet vaststellen en publiceren en de daarvoor benodigde tijd lastig is in te schatten is de bepaling genomen die er in voorziet dat bij latere besluitvorming en publicatie er toch sprake is van één uniforme datum van inwerkingtreding t.w. DATUM. Omdat deze nieuwe beleidsregels het van toepassing zijnde beleid bijzondere bijstand vervangen, dient dat oude beleid per die datum te worden ingetrokken.
Op de datum waarop deze nieuwe beleidsregels in werking treden, zijn er belanghebbenden die voorafgaande aan die datum een beschikking bijzondere bijstand hebben ontvangen die een werkingsduur heeft tot na deze inwerkingtreding. Indien het nieuwe beleid voor de belanghebbende gunstigere bepalingen bevat dan het oude beleid, zal er geen bezwaar bestaan tegen dit nieuwe beleid.
Echter als het oude beleid onverhoopt gunstiger uitpakt voor een specifieke belanghebbende, dan gebiedt de rechtszekerheid dat de rechten zoals verwoord in die eerder afgegeven beschikking worden geëerbiedigd gedurende de in die beschikking vermelde termijn.
Als een aanvraag bijzondere bijstand is ingediend in de periode voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze beleidsregels en er op die aanvraag nog geen besluit is genomen, geldt het meest gunstige beleid.
Bijlage kostensoorten bijzondere bijstand
Categorie a: directe levensbehoeften: Pag.
Categorie b: - voorzieningen voor het huishouden:
Categorie c: - voorzieningen voor wonen:
Categorie d: voorzieningen voor opvang
Categorie e: kosten uit maatschappelijke zorg
Categorie f: financiële transacties
Categorie g: uitstroombevordering
Categorie h: medische dienstverlening
Categorie i: overige kostensoorten
Voor de beoordeling van de navolgende kostensoorten geldt de volgende opbouw en volgorde:
Lijst met gebruikte begrippen en afkortingen:
Algemeen noodzakelijke bestaanskosten: algemene kosten van levensonderhoud die iedereen normaal gesproken wel heeft.
Hieronder vallen bijvoorbeeld de kosten van: voeding, kleding, woon –en energiekosten, normale verzekeringen (o.a.: zorgverzekering, wettelijke aansprakelijkheid, inboedel, opstal, auto –en reisverzekering), normale belastingen (o.a. inkomsten –en motorrijtuigenbelasting, reinigingsrechten, OZB,) en dergelijke.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2017-224305.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.