Gemeenteblad van Kaag en Braassem

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Kaag en BraassemGemeenteblad 2017, 206074Overige besluiten van algemene strekking



Gemeenschappelijke regeling Centrumregeling Participatiewet Rijnstreek

De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Alphen aan den Rijn, Nieuwkoop en Kaag en Braassem, na verkregen toestemming van de raden van deze gemeenten;

 

Overwegende dat;

 

  • de gemeenten Alphen aan den Rijn, Nieuwkoop en Kaag en Braassem in 2012 gestart zijn met een Bestuurlijk Overleg Sociaal Domein om de regionale samenwerking op het gebied van de drie transities Jeugdzorg, Wmo 2015 en Participatiewet vorm te geven;

  • op 22 februari 2017 hiervoor een intentieovereenkomst is ondertekend;

  • de gemeente Alphen aan den Rijn bereid is om in het kader van samenwerking binnen het sociale domein als centrumgemeente te fungeren voor de uitvoering van de Participatiewet voor de in deze regeling benoemde uitvoeringstaken;

  • het in dat kader, uit het oogpunt van kwaliteit, adequate dienstverlening aan burgers, borging van continuïteit, verhoging van efficiency, en behoud van de gemeentelijke autonomie ten aanzien van beleid, gewenst is te komen tot een samenwerkingsverband tussen genoemde gemeenten in de vorm van een centrumregeling;

  • Alphen aan den Rijn bereid is de in deze regeling genoemde taken uit te voeren op een zo efficiënt mogelijke wijze, waardoor de kosten ook voor de regiogemeenten zo laag mogelijk blijven.

  • Besloten is om de samenwerking te formaliseren in een centrumregeling en een aantal uitvoeringstaken van de regiogemeenten op te dragen aan de centrumgemeente;

  • voor de benoemde uitvoeringstaken een exclusief recht geldt, zoals bedoeld in de Aanbestedingswet 2012;

  • gelet op hoofdstuk 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen en afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht;

  • de door de gemeenteraden van Alphen aan den Rijn, Nieuwkoop en Kaag en Braassem verleende toestemming, overeenkomstig artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, aan de colleges van burgemeester en wethouders voor het aangaan van de samenwerking en het treffen van deze regeling.

Besluiten;

 

  • regeling te treffen om te komen tot de Centrumregeling Participatiewet Rijnstreek

Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen

Artikel 1 – Begrippen

In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder;

  • a.

    Alphen aan den Rijn: de gemeente Alphen aan den Rijn;

  • b.

    centrumgemeente: gemeente als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen en artikel 3 van deze regeling;

  • c.

    college: college van burgemeester en wethouders;

  • d.

    deelnemer óf deelnemende gemeente: een aan deze regeling deelnemend college van burgemeester en wethouders, inclusief de centrumgemeente;

  • e.

    regeling: deze centrumregeling;

  • f.

    regiogemeenten: de gemeenten Nieuwkoop en Kaag en Braassem;

  • g.

    Werkbedrijf: Alphens organisatieonderdeel gericht op de uitvoering van de Participatiewet voor het bieden van dienstverlening die zich richt op de arbeidsinschakeling van de doelgroep(en) en de ondersteuning aan sw-medewerkers (oud WSW).

  • h.

    Kandidaten; Iedere inwoner die door het Werkbedrijf wordt begeleid en ondersteund.

Artikel 2 – Doel en belang

  • 1.

    Het belang van deze regeling is het gezamenlijk vorm geven van de samenwerking op het gebied van de arbeidsinschakeling van de doelgroep(en) Participatiewet, inclusief de ondersteuning van de huidige WSW-medewerkers en inwoners die vallen onder Beschut Werken.

  • 2.

    Deze regeling heeft tot doel te komen tot een doelmatige uitvoering van de in artikel 4 van de regeling aan de centrumgemeente opgedragen taken.

 

Hoofdstuk 2: Centrumgemeente en regiogemeenten

Artikel 3 – Aanwijzing centrumgemeente

Alphen aan den Rijn wordt aangewezen als centrumgemeente.

Artikel 4 – Taken

  • 1.

    De colleges van de regiogemeenten dragen in Dienstverleningsovereenkomst(en) (DVO), zoals bedoeld in artikel 7 van deze regeling, aan het college van Alphen aan den Rijn, taken op ter verwezenlijking van het doel, genoemd in artikel 2.

  • 2.

    De taken die krachtens dit artikel worden opgedragen aan de centrumgemeente, worden door de colleges van de regiogemeenten bijgehouden in een mandaatregister.

  • 3.

    De samenwerking zal zich in ieder geval richten op:

    • a.

      het bieden van ondersteuning aan kandidaten bij toeleiding naar de (reguliere) arbeidsmarkt en het functioneren op deze (reguliere) arbeidsmarkt;

    • b.

      het stimuleren van een betere doorstroom van onbetaald naar betaald werk;

    • c.

      het ontzorgen van werkgevers bij het aannemen en begeleiden van kandidaten met een afstand tot de arbeidsmarkt (ook baanafspraak-baners);

    • d.

      dienstverlening aan de huidige WSW-medewerkers en inwoners die vallen onder Beschut Werken;

  • 4.

    Een regiogemeente kan met de centrumgemeente in de DVO incidentele- en structurele opdrachten in het Sociaal Domein toevoegen, die de centrumgemeente vervolgens voor de betreffende regiogemeente gaat uitvoeren en factureren. Hiermee wordt het DVO een dynamisch document, dat altijd de actuele financiële kaders weergeeft waarbinnen de centrumgemeente haar taken uitvoert per regiogemeente.

  • 5.

    Alphen aan den Rijn zal haar rol als centrumgemeente in de zin van de Participatiewet en in de geest van het Koersplan uitvoeren.

Artikel 5 – Bevoegdheden colleges

  • 1.

    Ter verwezenlijking van het doel, als bedoeld in artikel 2, kunnen de colleges van de regiogemeenten aan het college van Alphen aan den Rijn taken opdragen en bevoegdheden mandateren.

  • 2.

    De bevoegdheden die ter uitvoering van deze regeling worden gemandateerd, worden in een mandaatregeling opgenomen. De mandaatregeling wordt vastgesteld en gewijzigd door eensluidende besluiten van de colleges en burgemeesters van de gemeenten.

  • 3.

    Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op het verlenen van volmacht tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen door Alphen aan den Rijn namens de gemeenten.

Artikel 6 – Financiën

  • 1.

    Voor de taakuitvoering, zoals genoemd in artikel 4, ontvangt Alphen aan den Rijn van iedere regiogemeente een vergoeding. De hoogte van de vergoeding en de momenten van facturering en betaling worden opgenomen in de DVO, conform vastgesteld in de meerjarenbegroting Werkbedrijf.

Artikel 7 – DVO’s

  • 1.

    In een tussen het college van de regiogemeenten en het college van Alphen aan den Rijn te sluiten DVO, wordt nadere uitwerking gegeven aan de taken uit deze regeling. In de DVO wordt in ieder geval vastgelegd;

    • a.

      onder welke uitvoeringskaders de diensten plaatsvinden (gebaseerd op de inhoudelijke (transformatie) doelstellingen);

    • b.

      het overzicht van de uit te voeren diensten.

    • c.

      aan welke kwaliteitseisen de taakuitoefening door Alphen aan den Rijn moet voldoen en welk resultaat er wordt beoogd (KPI’s)

    • d.

      de hoogte van de financiële bijdrage.

    • e.

      de informatie- en verantwoordingsplicht van het college van Alphen aan den Rijn aan de colleges van de regiogemeenten;

    • f.

      de wijze waarop de colleges van de gemeenten elkaar informeren over het niet nakomen van hun verplichtingen en de gevolgen die zij daaraan verbinden;

    • g.

      de kosten en verplichtingen verbonden aan uittreding en verrekening hiervan;

  • 2.

    De plicht, als bedoeld in het vorige lid, onder e, houdt in ieder geval in het verstrekken van alle gegevens aan de regiogemeenten die voor de uitvoering van de wetgeving door de gemeenten van belang zijn.

  • 3.

    De DVO kan door een college van de daaraan deelnemende gemeenten op voorstel van elke deelnemer worden gewijzigd, waarbij instemming van de andere deelnemer is vereist.

Hoofdstuk 3: Wijziging, toetreding, uittreding en opheffing

Artikel 8 – Wijziging van de regeling

  • 1.

    Iedere deelnemer kan een voorstel doen tot een geringe wijziging van deze regeling.

  • 2.

    De geringe wijziging komt tot stand, indien alle deelnemende colleges van burgemeester en wethouders aan deze regeling met de geringe wijziging van de regeling akkoord zijn gegaan.

  • 3.

    Een geringe wijziging van deze regeling is elke wijziging, voor zover deze niet hiervan is uitgezonderd in lid 5 van dit artikel als niet-geringe wijziging.

  • 4.

    Iedere deelnemer kan een voorstel doen tot een niet geringe wijziging van deze regeling.

  • 5.

    Onder een niet geringe wijziging van deze regeling vallen uitsluitend de volgende;

    • a.

      de wijziging van de taken, zoals opgenomen bij artikel 4, lid 3, van deze regeling;

    • b.

      een wijziging van de regeling, waarvoor een wijziging van de begroting van één of meer van de deelnemers nodig is;

    • c.

      een wijziging van de regeling, waarbij sprake is van een toetreding van een nieuwe deelnemer aan de regeling;

    • d.

      een wijziging van de regeling, waarbij sprake is van de uittreding van één van de deelnemers aan deze regeling;

    • e.

      de opheffing van deze regeling.

  • 6.

    De niet geringe wijziging van deze regeling wordt voorgelegd aan de gemeenteraden van de deelnemers, pas indien alle deelnemers met de gewijzigde regeling akkoord zijn.

  • 7.

    De deelnemers gaan pas over tot een niet geringe wijziging van deze regeling dan na verkregen toestemming van de gemeenteraden van de deelnemers.

  • 8.

    De wijziging van deze regeling treedt in werking op de dag volgend op die waarop deze door de deelnemers bekend is gemaakt, tenzij bij de gewijzigde regeling anders is bepaald.

  • 9.

    Op de wijziging van deze regeling is artikel 16 van deze regeling van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9 – Toetreding tot de regeling

  • 1.

    Iedere deelnemer kan een voorstel doen tot toetreding van een college aan deze regeling.

  • 2.

    Bij toetreding van een college maken de deelnemers afspraken over een herschikking van de financiële bijdragen.

  • 3.

    De toetreding, zoals bedoeld in het vorige lid, wordt pas voorgelegd aan de gemeenteraden van de deelnemers, indien alle deelnemers met de toetreding akkoord zijn.

  • 4.

    De toetreding vindt niet eerder plaats dan na verkregen toestemming van de gemeenteraden van de deelnemers en de gemeenteraad van het toetredende college.

  • 5.

    Toetreding tot deze regeling door andere colleges is gedurende het eerste jaar na het treffen van deze regeling niet mogelijk.

  • 6.

    Op toetreding tot deze regeling is artikel 15 van deze regeling van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10 – Uittreding uit de regeling

  • 1.

    Een deelnemer die wenst uit te treden maakt dit voornemen schriftelijk kenbaar aan de overige deelnemers.

  • 2.

    Een deelnemer besluit tot uittreding nadat zijn raad hiertoe toestemming heeft verleend.

  • 3.

    Uittreding kan niet eerder plaats vinden dan met ingang van het kalenderjaar, volgend op het jaar waarin het besluit tot uittreding is genomen, mits het besluit tot uittreding uiterlijk op 30 juni van het jaar, voorafgaand aan het jaar van uittreding, schriftelijk bekend is gemaakt aan de centrumgemeente.

  • 4.

    Onverminderd het derde lid, is uittreding gedurende de eerste drie jaar na het aangaan van deze regeling, niet mogelijk.

  • 5.

    De uittredende deelnemer ontvangt van de centrumgemeente bij uittreding een eindafrekening, waarin de kosten worden opgenomen die verband houden met de uittreding. Een en ander wordt nader uitgewerkt in de dienstverleningsovereenkomst. Een afrekening bij uittreding na de eerste drie jaar is niet aan de orde (m.u.v. verplichtingen oud WSW) door de wijze van financiering van een vast bedrag. Na vier of vijf jaar is afrekening afhankelijk van de dan te maken afspraken.

  • 6.

    Naar aanleiding van de uittreding wijzigen de overige deelnemers de regeling, conform artikel 8, of heffen zij de regeling op, conform artikel 11.

  • 7.

    Op uittreding uit deze regeling is artikel 15 van deze regeling van overeenkomstige toepassing.

  • 8.

    Het DVO voor de huidige WSW-medewerkers (oude regeling) kent een langere termijn. Dit wordt in de DVO per gemeente vastgelegd.

Artikel 11 – Opheffing van de regeling

  • 1.

    Deze regeling wordt opgeheven bij gelijkluidend besluit van de colleges van minimaal twee derde van de deelnemers. Een verzoek tot uittreding van minimaal twee derde van de deelnemers wordt beschouwd als een verzoek tot opheffing.

  • 2.

    Indien een besluit tot opheffing, als bedoeld in het vorige lid, wordt genomen, geven de deelnemers een onafhankelijke registeraccountant de opdracht om een opheffingsplan op te stellen.

  • 3.

    Het opheffingsplan, bedoeld in het tweede lid, voorziet in ieder geval in de verplichting van de deelnemers gemeenten tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing en de personele gevolgen hiervan.

  • 4.

    Het college van Alphen aan den Rijn is belast met de uitvoering van het opheffingsplan bedoeld in het tweede lid.

Hoofdstuk 4: Overige bepalingen

Artikel 12 – Evaluatie

  • 1.

    Deze regeling zal, samen met de behaalde resultaten op KPI niveau, binnen drie jaar na het treffen ervan worden geëvalueerd door een onafhankelijke organisatie onder gemeenschappelijk opdrachtgeverschap en gemeenschappelijke financiering van de deelnemers.

  • 2.

    De resultaten van deze evaluatie zullen aan de deelnemers worden verstrekt via de colleges van de gemeenten.

Artikel 13 – Duur

Deze regeling is voor onbepaalde tijd getroffen.

Artikel 14 – Geschillen

  • 1.

    Onverminderd artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen worden geschillen over deze regeling onderworpen aan een niet-bindend deskundigenadvies.

  • 2.

    Voordat een dergelijk advies wordt gevraagd, dient het geschil besproken te worden in een afvaardiging van de deelnemende colleges.

  • 3.

    Wanneer dit niet leidt tot overeenstemming wijst iedere deelnemer een onafhankelijke deskundige aan. De aangewezen deskundigen benoemen gezamenlijk een deskundige die als voorzitter van de adviescommissie optreedt. Het opdrachtgeverschap aan de commissie wordt door de deelnemers gezamenlijk vervuld.

  • 4.

    De kosten voor het optreden van de onafhankelijke deskundige komen voor rekening van de deelnemer, waarvoor deze optreedt.

  • 5.

    De kosten voor het optreden van de gezamenlijk deskundige, die als voorzitter optreedt, zoals bedoeld in lid 3, worden verdeeld over de deelnemers, waarbij de verdeling naar verhouding van het aantal kandidaten is.

Artikel 15 – Inzending

Het college van Alphen aan den Rijn is belast met de inzending van deze regeling aan Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland.

Artikel 16 – Archivering

De archivering met betrekking tot de door Alphen aan den Rijn uitgevoerde taken geschiedt op basis van de bepalingen die Alphen aan den Rijn ook voor haar eigen processen hanteert.

Artikel 17 - Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op de eerste dag van de maand, volgend op de dag waarop de laatste deelnemer deze regeling op de gebruikelijke wijze bekend heeft gemaakt.

Artikel 18 - Citeerwijze

Deze regeling wordt aangehaald als: Centrumregeling Participatiewet Rijnstreek.

Aldus besloten door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kaag en Braassem op 24 oktober 2017

de secretaris,

M.E. Spreij

de burgemeester,

mr. K.M. van der Velde-Menting