Gemeenteblad van Gooise Meren

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Gooise MerenGemeenteblad 2017, 204238Verordeningen



Verordening Re-integratie Gooise Meren 2017

De raad van de gemeente Gooise Meren

Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren d.d. datum

gelet op de artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en tweede lid, en 10b, vierde lid, van de Participatiewet;

besluit:

vast te stellen

Verordening Re-integratie Gooise Meren 2017

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Begrippen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    Doelgroep: personen aan wie op grond van artikel 7 eerste lid onder a van de PW of op grond van artikel 34 van de IOAW, of op grond van artikel 34 van de IOAZ door de gemeente ondersteuning bij re-integratie kan worden geboden;

  • b.

    Economische zelfredzaamheid: het zelfstandig kunnen voorzien in de noodzakelijke bestaanskosten door middel van arbeid;

  • c.

    IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

  • d.

    IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

  • e.

    Mantelzorg: mantelzorg als bedoeld in artikel 1.1.1. eerste lid van de Wmo 2015;;

  • f.

    Sociale zelfredzaamheid: het zelfstandig kunnen verrichten van de algemeen dagelijkse levensverrichtingen en het beschikken over sociale vaardigheden die noodzakelijk zijn voor volwaardig maatschappelijk functioneren.

  • g.

    UWV: Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen;

  • h.

    Vrijwilligerswerk; werk dat op initiatief van belanghebbende, in enig verband onverplicht en onbetaald wordt verricht, voor anderen of de samenleving

  • i.

    Werkstage: werk dat met behoud van uitkering wordt verricht, als opstap naar betaald werk, op initiatief van het college;

  • j.

    Wgs: Wet gemeentelijke schuldhulpverlening;

  • k.

    Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

Artikel 2. Evenwichtige verdeling en financiering

  • 1.

    Het college biedt aan een persoon uit de doelgroep een voorziening aan voor zover het college dat noodzakelijk acht.

  • 2.

    Het college kan de voorziening, bedoeld in hoofdstuk 3, aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep waarbij het te bereiken resultaat economische zelfredzaamheid is.

  • 3.

    Het college biedt maatwerk bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen. Daarbij wordt door het college een afweging gemaakt of de voorziening, gelet op de mogelijkheden, capaciteiten en wensen van de belanghebbende, het meest doelmatig is gelet op het beoogde resultaat.

  • 4.

    Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan:

    • a.

      de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en

    • b.

      de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.

Artikel 3. Budgetplafonds

  • 1.

    Het college kan een of meer budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen. Een door het college ingesteld budgetplafond vormt een weigerings¬grond bij de aanspraak op een specifieke voorziening.

  • 2.

    Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke voorziening.

  • 3.

    Het college kan bepalen dat aan niet-uitkeringsgerechtigden zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, sub a onder 7º, van de PW een bijdrage in de kosten van de voorziening wordt gevraagd. Bij de vaststelling van de hoogte van de eigen bijdrage wordt aansluiting gezocht bij de inkomens- en vermogensgrenzen zoals deze zijn opgenomen in de PW.

HOOFDSTUK 2 ONDERSTEUNING EN VOORZIENINGEN

Artikel 4. Aanspraak op ondersteuning en op voorzieningen

  • 1.

    De ondersteuning door het college is gericht op het vergroten, bereiken of behouden van economische zelfredzaamheid van een persoon. Is economische zelfredzaamheid naar het oordeel van het college nog niet haalbaar, dan kan het college ondersteuning aanbieden die gericht is op het vergroten, bereiken of behouden van sociale zelfredzaamheid.

  • 2.

    Het college kan ondersteuning aanbieden door de inzet van de voorzieningen die in dit hoofdstuk zijn genoemd of op andere passende wijze.

  • 3.

    Het college biedt geen ondersteuning aan als een beroep gedaan kan worden op een voorliggende voorziening die naar het oordeel van het college passend en toereikend is.

  • 4.

    Een voorziening kan worden verstrekt aan een persoon uit de doelgroep, aan de werkgever van die persoon of aan de organisatie waar die persoon werkzaamheden verricht zonder dat er sprake is van een dienstbetrekking. Hierbij gaat het om zogenaamde proefplaatsingen die maximaal 3 maanden mogen duren.

Artikel 5. Beëindiging van voorzieningen

Het college kan een voorziening beëindigen als:

  • 1.

    de persoon die aan de voorziening deelneemt een verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de PW, de artikelen 13 en 37 van de IOAW of de artikelen 13 en 37 van de IOAZ niet nakomt;

  • 2.

    de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep;

  • 3.

    de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de PW;

  • 4.

    naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een duurzame en snelle arbeidsinschakeling;

  • 5.

    de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening;

  • 6.

    de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruikt maakt van de aangeboden voorziening;

  • 7.

    de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die bij of krachtens deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.

HOOFDSTUK 3 VOORZIENINGEN GERICHT OP ECONOMISCHE ZELFREDZAAMHEID

Artikel 6. Voorzieningen in verband met arbeid

  • 1.

    Het college kan een persoon uit de doelgroep, die arbeid in dienstbetrekking zoekt:

    • a.

      (laten) bemiddelen naar algemeen geaccepteerde arbeid;

    • b.

      Begeleiden bij het zoeken naar en verkrijgen van arbeid;

    • c.

      Ondersteunen bij het wegnemen van belemmeringen voor arbeidsinschakeling

    • d.

      Een voorziening verstrekken, gericht op economische zelfstandigheid.

  • 2.

    Het college kan een persoon uit de doelgroep, die arbeid in dienstbetrekking of arbeid met behoud van uitkering verricht of gaat verrichten, voorzieningen toekennen die naar het oordeel van het college noodzakelijk zijn voor economische zelfredzaamheid.

Artikel 7. Ondersteuning bij leer-werktraject

Het college kan een voorziening aanbieden aan een persoon uit de doelgroep voor wie naar het oordeel van het college een leer-werktraject noodzakelijk is, oor zover deze voorziening nodig is voor het volgen van een leer-werktraject en het personen betreft:

  • a.

    Van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd of

  • b.

    Van achttien tot zevenentwintig jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald.

Artikel 8. Scholing

  • 1.

    Het college kan aan een persoon uit de doelgroep een scholingstraject aanbieden. Een scholingstraject is gericht op het ontwikkelen van kennis of vaardigheden die naar het oordeel van het college van belang is voor de economische zelfredzaamheid. De scholing kan alle vormen van training, scholing, begeleiding, onderricht of vorming omvatten voor zover dit geen hoger beroeps- of universitair onderwijs betreft..

  • 2.

    Een scholingstraject dat is gericht op economische zelfredzaamheid voldoet in ieder geval aan de volgende eisen;

    • a.

      zonder inzet van de scholing is het verwerven of behouden van arbeid naar het oordeel van het college niet haalbaar;

    • b.

      de scholing moet aansluiten bij de krachten en bekwaamheden van de persoon;

    • c.

      de scholing beslaat een periode van maximaal twee jaar;

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid, kan geen scholingstraject worden aangeboden aan personen die jonger zijn dan 27 jaar en uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen als bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de PW.

Artikel 9. Participatieplaats

  • 1.

    Het college kan een persoon van 27 jaar en ouder overeenkomstig de artikelen 10a van de PW, 38a van de IOAW en 38a van de IOAZ, onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten.

  • 2.

    De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt € 125,- per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces.

Artikel 10. Werkstage

Het college kan een persoon uit de doelgroep werkzaamheden laten verrichten met behoud van uitkering, anders dan als tegenprestatie of onbeloonde additionele werkzaamheden, indien de werkzaamheden naar het oordeel van het college passen in een traject gericht op arbeidsinschakeling. Een werkstage duurt niet langer dan 3 maanden. Deze periode wordt niet verlengd.

Artikel 11. Persoonlijke ondersteuning

  • 1.

    Het college kan aan een persoon uit de doelgroep, persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan de persoon opgedragen taken aanbieden in de vorm van incidentele of structurele begeleiding, als die ondersteuning, naar het oordeel van het college, noodzakelijk is.

  • 2.

    Het college kan in bijzondere omstandigheden aan personen die met een loonkostensubsidie werkzaam zijn persoonlijke ondersteuning aanbieden ter voorkoming van uitval uit het arbeidsproces, voor zover de uitval geen verband houdt met de aan hem opgedragen taken.

  • 3.

    Deze ondersteuning wordt steeds voor zes maanden toegekend tot maximaal zesendertig maanden.

Artikel 12. Persoonlijke voorzieningen bij werk of scholing

Het college kan aan een persoon uit de doelgroep, die arbeid in dienstbetrekking of met behoud van uitkering verricht of gaat verrichten, persoonlijke voorzieningen toekennen die naar het oordeel van het college noodzakelijk zijn voor het behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid, of voor het volgen van scholing of opleiding.

Artikel 13. Vaststellen doelgroep loonkostensubsidie en loonwaarde

Het college kan een loonkostensubsidie verstrekken aan werkgevers voor personen die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel e van de PW. De verder uitwerking van de verstrekking van deze loonkostensubsidies is bij aparte gemeentelijke verordening geregeld.

HOOFDSTUK 4 VOORZIENINGEN GERICHT OP SOCIALE ZELFREDZAAMHEID

Artikel 14. Voorzieningen ter ondersteuning van de sociale zelfredzaamheid

  • 1.

    Als economische zelfredzaamheid van een persoon uit de doelgroep naar het oordeel van het college nog niet bereikbaar is, kan het college de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 8 tot en met 13, eveneens voor die persoon inzetten.

  • 2.

    De artikel 8 tot en met 13 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat deelname aan een scholingstraject gericht op sociale zelfredzaamheid kan worden aangeboden als dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is voor sociale zelfredzaamheid en aansluit bij de krachten en bekwaamheden van de persoon.

Artikel 15. Beschut werk

  • 1.

    Het college biedt de voorziening beschut werk alleen aan als door het UWV is beoordeeld dat de persoon uitsluitend in een beschutte omgeving, onder aangepaste omstandigheden, mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.

  • 2.

    De datum van het (positieve) advies van het UWV is bepalend voor de volgorde van het aanbod voorziening beschut werk.

  • 3.

    Het aantal jaarlijks te realiseren dienstbetrekkingen is beperkt tot het aantal waarvoor de gemeente middelen ontvangt van het rijk, of het aantal dat bij ministeriële regeling is vastgesteld.

  • 4.

    Wanneer het aantal (positieve) adviezen van het UWV het in enig jaar te realiseren aantal dienstbetrekkingen overtreft, kan het college in overleg met betrokkene(n) een andere voorziening inzetten tot het moment dat de dienstbetrekking aanvangt. Hiertoe behoren sociale activering, scholing, persoonlijke ondersteuning, maatwerkvoorzieningen ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie.

  • 5.

    Het college wijst een organisatie aan die optreedt als werkgever van de personen in beschut werk.

  • 6.

    Om de in artikel 10b, eerste lid PW, mogelijk te maken en te laten voortduren, zet het college waar nodig de volgende voorzieningen in: proefplaatsing, fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving, werktempo of arbeidsduur.

HOOFDSTUK 5 SLOTBEPALINGEN

Artikel 16. Beleid en financiën

  • 1.

    Het college kan in beleidsregels aanvullende bepalingen vaststellen met betrekking tot de uitvoering van deze verordening;

  • 2.

    Het college zendt periodiek aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid van het beleid.

Artikel 17. Situaties waarin deze verordening niet voorziet

Het college kan in bijzondere individuele gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening als toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 18. Intrekken oude verordening en overgangsrecht

  • 1.

    De Verordening Re-integratie Gooise Meren 2016 wordt ingetrokken, zodra deze nieuwe verordening in werking treedt.

  • 2.

    Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op grond van de Verordening Re-integratie Gooise Meren 2016 die moet worden beëindigd op grond van deze verordening, behoudt deze voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit deze verordening en bijbehorende nadere regelgeving voor de duur:

    • a.

      van 12 maanden, gerekend vanaf de inwerkingtreding van deze verordening, of

    • b.

      dat deze is verstrekt, als dat korter is dan de periode als bedoeld in lid twee, onderdeel a.

  • 4.

    In afwijking van het tweede lid kan het college de toegekende voorziening op grond van de Verordening Re-integratie Gooise Meren 2016 beëindigen indien inzet van een voorziening op grond van deze verordening naar verwachting leidt tot het sneller bereiken van economische zelfredzaamheid.

  • 5.

    Het college kan na afloop van de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde periode, besluiten of een voorziening wordt voortgezet.

  • 6.

    De Verordening Re-integratie Gooise Meren 2016 blijft van toepassing ten aanzien van een voortgezette voorziening als bedoeld in het tweede en vierde lid.

Artikel 19. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na publicatie (toelichting:

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Re-integratie Gooise Meren 2017.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van de gemeente Gooise Meren, gehouden op datum

de griffier

de voorzitter

Toelichting op de Re-integratieverordening Gooise Meren 2017

Algemeen

In deze verordening worden regels gesteld waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar re-integratietaak wordt neergelegd. Hierin moeten onder andere doelgroepen en de daarbinnen te onderscheiden subgroepen worden onderscheiden. Dit leent zich niet tot het formuleren van gedetailleerde regels. Immers, re-integratie is maatwerk. Dit is ook de reden om aan het college de bevoegdheid te geven om op een aantal punten eigen afwegingen te maken binnen de kaders die de raad heeft vastgesteld.

Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk geachte voorziening binnen de kaders van de re-integratieverordening. In de verordening is er voor gekozen de voorzieningen vast te leggen die het college in ieder geval kan aanbieden.

De gemeente is verplicht om in deze verordening regels op te nemen met betrekking tot de volgende voorzieningen:

  • scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, onderdeel c, van de Participatiewet). Dit betreft scholing van mensen die werkzaam zijn op een participatieplaats;

  • de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel c, van de Participatiewet). De betreft de premie voor mensen die werkzaam zijn op een participatieplaats;

  • participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van de Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, vierde lid, van de Participatiewet), en

Alleen de bepalingen die om een nadere toelichting vragen worden hier behandeld.

Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening.

Hoofdstuk 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 2. Evenwichtige verdeling en financiering

Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet moet de gemeenteraad in de verordening de verdeling van de voorzieningen over personen regelen. Daarbij moet de gemeenteraad rekening houdt met de omstandigheden en functionele beperkingen van personen met een handicap. Dit is bepaald in het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. De doelstelling van dit verdrag is het bevorderen, beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen van de eerbiediging van hun inherente waardigheid. Er moet daarom zoveel mogelijk worden voorkomen dat er meerdere vormen van ondersteuning tegelijkertijd naast elkaar worden ingezet. Bij uitzondering is dat wel nodig als er voor een belanghebbende bijvoorbeeld loonkostensubsidie wordt verstrekt en er daarnaast ook ondersteuning op de werkplek nodig is (artikel 11, tweede lid, van de verordening).

Artikel 3. Budgetplafonds

Het college kan, om de financiële risico’s te beheersen, een verdeling maken van de middelen over de verschillende voorzieningen. Het college moet naar aanleiding van een aanspraak op ondersteuning altijd een individuele afweging maken of zij die aanspraak wil en kan honoreren. In zijn algemeenheid kan het ontbreken van financiële middelen niet de reden zijn om aanvragen op ondersteuning af te wijzen. Wel kan per voorziening een plafond worden ingebouwd. Het college dient dan na te gaan welke andere, goedkopere alternatieven er beschikbaar zijn. Verder is het uitdrukkelijk aan het college om te beoordelen of er überhaupt ondersteuning noodzakelijk is en welke vorm die moet krijgen, gelet op het te bereiken doel van arbeidsinschakeling, al dan niet op langere termijn.

Omdat uitgegaan wordt van vraaggericht werken (maatwerk) wordt in eerste instantie geen budgetplafond vastgesteld. In dit artikel krijgt het college de mogelijkheid om een budgetplafond in te stellen. Het college gaat hier vanwege het vraaggericht werken terughoudend mee om. Bij dreigende budgetoverschrijding zal een afweging worden gemaakt om alsnog een plafond in te stellen.

Het college kan ook bepalen dat niet-uitkeringsgerechtigden een bijdrage moeten leveren in de kosten van de ondersteuning en de voorziening. Bij de vaststelling van de hoogte van de eigen bijdrage zal aansluiting worden gezocht bij de inkomens- en vermogensgrenzen zoals deze zijn opgenomen in de PW. Dit zal in beleidsregels nader worden uitgewerkt.

HOOFDSTUK 2 ONDERSTEUNING EN VOORZIENINGEN

Artikel 4. Aanspraak op ondersteuning en voorzieningen

In het eerste lid wordt gespecificeerd waarop de ondersteuning is gericht: economische zelfredzaamheid. Met andere woorden het doel is om door arbeid in de bestaanskosten te kunnen voorzien. Dit is doorgaans de groep met een loonwaarde van 40% of meer. Voor heb zijn de voorzieningen bestemd die in hoofdstuk 2 zijn genoemd. Is de loonwaarde lager, dan zal arbeidsinschakeling verder weg liggen en kan een tussendoel zijn sociale zelfredzaamheid.

Arbeidsinschakeling is maatwerk. Het college beslist welke vorm de ondersteuning heeft (lid twee). Recht op een specifieke vorm van ondersteuning is er niet. Het college kan de in dit hoofdstuk genoemde voorzieningen benutten om de economische of sociale zelfredzaamheid te bevorderen, maar kan ook gebruik maken van andere voorzieningen of vormen van ondersteuning. Centraal criterium blijft de inzet van de meest geschikte instrumenten.

Kan een andere voorziening worden aangesproken met hetzelfde doel, dan moet daarvoor gekozen worden en bestaat geen aanspraak op ondersteuning, conform het uitgangspunt van de PW. Dit kan bijvoorbeeld een reiskostenvergoeding van een werkgever zijn of een werkplekaanpassing (lid drie).

Artikel 5. Beëindiging van voorzieningen

Dit artikel bevat een aantal algemene beëindigingsgronden, in aanvulling op de specifieke gronden die de PW noemt m.b.t. specifieke voorzieningen, zoals de loonkostensubsidie (art. 10d PW). Uiteraard geldt daarbij, dat de specifieke bepaling in de PW voorgaan op de hier geformuleerde algemene gronden.

Onder beëindigen wordt bijvoorbeeld ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden genomen.

HOOFDSTUK 3 VOORZIENINGEN GERICHT OP ECONOMISCHE ZELFREDZAAMHEID

Artikel 6. Voorzieningen in verband met arbeid

Iemand die tot de doelgroep behoort en werk zoekt, kan in aanmerking komen voor ondersteuning. De in lid een (niet limitatief) geformuleerde vormen van ondersteuning dragen bij aan een versnelde arbeidsinschakeling.

In lid twee is geregeld dat het college iemand uit de doelgroep die werkt of gaat werken, van specifieke ondersteuning kan voorzien. De verantwoordelijkheid van het college houdt niet op bij de werkaanvaarding. Het is van belang dat het werk ook behouden wordt. Daarom kan het college nazorg verlenen en daarmee mogelijke valkuilen wegnemen. Het is aan het college om dit verder in beleidsregels of werkinstructies vorm te geven.

Artikel 7. Ondersteuning bij leer-werktraject

Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor ondersteuning bij leer-werktrajecten, voor zover dit noodzakelijk wordt geacht. Dit is geregeld in artikel 10 en volgt uit artikel 10f van de PW. De ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor jongeren van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit school, maar middels een leer/werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Om te voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra ondersteuning te bieden.

Artikel 8. Scholing

Eén van de voorzieningen die het college kan inzetten is scholing. Onder scholing wordt een breed begrip verstaan: alle vormen die een leerproces in zich dragen kunnen hieronder worden gebracht. Denk aan training en coaching, maar ook aan informele vormen (opdoen werknemersvaardigheden). Centraal staat dat de scholing gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling. In lid twee zijn de randvoorwaarden benoemd. Deze zijn conform de oude re-integratieverordening. In het derde lid is het uitgangspunt verwoord, dat andere voorzieningen voorgaan. In dit geval is dat onderwijs dat door het Rijk wordt gefinancierd.

Artikel 9. Participatieplaats

Het instrument participatieplaats is wettelijk geregeld in artikel 10a PW. Dat is hier nog eens herhaald. Het betreft een vorm van werken met behoud van uitkering voor bijstandsgerechtigden met een lange afstand tot de arbeidsmarkt, waarin werk en scholing worden gecombineerd. Doel is om werknemersvaardigheden te versterken en werkervaring op te doen. Vooralsnog wordt spaarzaam gebruik gemaakt van dit instrument, gelet op alle voorwaarden en de kosten die daaraan zijn verbonden.

Artikel 10. Werkstage

Eén van de voorzieningen die het college kan inzetten is het werken met behoud van uitkering. Dit is altijd ingebed in een specifiek traject richting de arbeidsmarkt en kan worden benut als opstap naar betaald werk voor personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt. Het kan diverse verschijningsvormen hebben en onder verschillende benamingen voorkomen: werkervaringsplaats, proefplaatsing, werkstage, etc.

Artikel 11. Persoonlijke ondersteuning

Het college is verantwoordelijk voor ondersteuning van de inwoner op een aantal domeinen. In de artikelen 1.1.1 en 2.1.1 Wmo 2015 is de cliëntondersteuning verwoord, die alle levensgebieden bestrijkt. Een belangrijke specifieke vorm van ondersteuning binnen het domein ‘arbeidsparticipatie’ is de begeleiding op de werkplek. Dit wordt doorgaans door de werkgever geregeld en bekostigd. Waar dit echter teveel gevraagd is van de werkgever, gelet op de bijzondere beperking/handicap van de werknemer, is aanvullende begeleiding mogelijk. De persoonlijke ondersteuning wordt afgestemd op de begeleidingsbehoefte. De begeleiding moet ervoor zorgen dat de uitvoering van het werk zo zelfstandig en productief mogelijk gebeurt. Het eerste lid heeft echter een bredere strekking. Ook in andere situaties dan een formeel dienstverband kan deze begeleiding, waar noodzakelijk, ingezet worden.

Betreft het begeleiding op de werkplek van iemand uit de doelgroep die met loonkostensubsidie gaat werken, dan geldt een beperkter criterium: het voorkomen van uitval. Bij de loonwaardemeting zal doorgaans worden vastgesteld in welke mate begeleiding noodzakelijk is en welke kosten daarmee gemoeid zijn. Het college kan dit verder in werkinstructies of beleidsregels nader vorm geven.

Artikel 12. Persoonlijke voorzieningen bij werk of scholing

Naast persoonlijke begeleiding kan het bij werk of scholing noodzakelijk zijn om specifieke voorzieningen te verstrekken in verband met de beperking van de belanghebbende. Voor de zogenaamde. meeneembare voorzieningen geldt, dat deze bij het UWV kunnen worden aangevraagd (getroffen regeling met VNG). Voor andere voorzieningen die specifiek gerelateerd zijn aan het werkproces en aan de werkplek geldt, dat deze onder omstandigheden voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Het college kan dit verder vorm geven in werkinstructies of beleidsregels.

Artikel 13. Vaststelling doelgroep loonkostensubsidie en loonwaarde

De uitwerking van deze verstrekking is bij aparte gemeentelijke verordening geregeld.

HOOFDSTUK 4 VOORZIENINGEN GERICHT OP SOCIALE ZELFREDZAAMHEID

Artikel 14. Voorzieningen ter ondersteuning van sociale zelfredzaamheid

Regelmatig zal economische zelfredzaamheid (nog) niet haalbaar zijn en zal sociale zelfredzaamheid voorlopig als doel moeten worden gesteld. Ook in dat geval kan het college ondersteuning bieden en voorzieningen verstrekken. Dit geldt niet voor alle voorzieningen. Ondersteuning bij leer-werktraject, voorzieningen in verband met arbeid en werkstage gelden specifiek met het oog op economische zelfredzaamheid. Betreft het personen die wel willen maar niet kunnen werken, omdat de sociale zelfredzaamheid nog versterkt moet worden, dan zijn andere voorzieningen aan de orde. Met betrekking tot een scholingstraject geldt specifiek, dat dit noodzakelijk moet zijn vanuit het perspectief van sociale zelfredzaamheid.

Artikel 15. Beschut werk

Het college is verplicht om iemand de voorziening beschut werk aan te bieden wanneer die persoon daarop is aangewezen (artikel 10b, eerste lid, PW). Deze verplichting geldt alleen voor de door het Rijk vastgestelde aantal beschutte werkplekken (artikel 10b, zesde lid, PW).

Vaststelling doelgroep

Om vast te stellen of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort vraagt het college een advies aan het UWV. Het UWV beoordeelt op basis van landelijke criteria of een persoon behoort tot de doelgroep beschut werk en adviseert het college hierover.

Een persoon die denkt voor beschut werk in aanmerking te komen kan ook zelf bij het UWV een verzoek tot beoordeling - of hij tot de doelgroep behoort - indienen. Een zelfstandig verzoek kan alleen ingediend worden door een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet of een persoon aan wie het UWV een uitkering verstrekt (artikel 10b, derde lid, van de Participatiewet). Een dergelijk verzoek kan alleen door de persoon zelf worden gedaan en niet door een andere belanghebbende zoals een werkgever. Als het UWV tot het oordeel komt dat iemand tot de doelgroep beschut werk behoort, adviseert het UWV het college van de gemeente waar de betreffende persoon staat ingeschreven. Op basis van het advies van het UWV neemt de gemeente het besluit of iemand tot de doelgroep beschut werk behoort. Alleen als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het UWV, kan de gemeente besluiten het advies niet te volgen.

Dienstbetrekking beschut werk

Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep beschut werk behoort, zorgt de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte omstandigheden aan de slag gaat. Naast de dienstbetrekking kunnen ook de voorzieningen zoals genoemd in het zesde lid worden ingezet.

Volgorde toekenning

Als is vastgesteld dat een persoon alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en deze persoon nog niet in aanmerking komt voor een beschutte werkplek omdat het aantal geraamde/vastgestelde plaatsen al is gerealiseerd, dan krijgt deze persoon voorrang op personen van wie later is vastgesteld dat zij alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Dit betekent dat de voorziening beschut werk in principe wordt toegekend op volgorde van datum advies van het UWV (tweede lid).

Als de behoefte aan beschutte werkplekken lager is en er daardoor minder beschutte werkplekken worden gerealiseerd, heeft dit geen gevolgen voor de integratie-uitkering sociaal domein die gemeenten hebben ontvangen. Uitgangspunt is dat de behoefte blijkt uit het aantal door het UWV afgegeven positieve adviezen beschut werk. Het college moet personen voor wie een positief advies beschut werk is afgegeven een beschut werkplek aanbieden zolang het voor de gemeente in een jaar geraamde aantal beschutte werkplekken nog niet is gehaald.

Omvang voorziening beschut werk

De gemeente is verplicht om elk jaar een aantal beschutte werkplekken te realiseren. De gemeenteraad heeft besloten dat er (vooralsnog) geen additionele beschutte werkplekken worden aangeboden (derde lid). Wanneer in enig jaar het aantal verplichte werkplekken is gerealiseerd kan er een wachtlijst ontstaan. In de wachttijd totdat er een dienstverband beschikbaar is, staan in principe alle andere voorzieningen uit de verordening open. Daarnaast kan gedacht worden aansluiting te vinden bij het maatschappelijk middenveld (bijvoorbeeld vrijwilligerswerk) en of Wmo-arbeidsmatige dagbestedingsactiviteiten. In overleg met de betrokkene(n) kan een keuze gemaakt worden

HOOFDSTUK 5 SLOTBEPALINGEN

Artikel 18. Intrekken oude verordening en overgangsrecht

In dit artikel is onder andere het overgangsrecht neergelegd. Het kan voorkomen dat personen een voorziening toegekend hebben gekregen op grond van de oude re-integratieverordening, die niet meer voldoet aan de voorwaarden uit deze verordening. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin de oude re-integratieverordening voorzieningen bevat die na inwerkingtreding van deze verordening niet meer worden verstrekt. Ook is het denkbaar dat een persoon op grond van de oude re-integratieverordening wel in aanmerking zou komen voor een voorziening, maar door inwerkingtreding van deze verordening niet meer. De toegekende voorziening zou dan op grond van artikel 5, derde lid, van deze verordening moeten worden beëindigd. Om dit te voorkomen is in artikel 18, tweede lid van deze verordening, geregeld dat dergelijke voorzieningen worden behouden voor een bepaalde duur. Een dergelijke voorzieningen wordt behouden voor ten hoogste de duur van twaalf maanden of - als dit eerder is - voor de duur dat deze is verstrekt. Dit uiteraard voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de Verordening Re-integratie Gooise Meren 2016. Wordt niet meer aan die voorwaarden voldaan, dan moet de voorziening worden beëindigd, bijvoorbeeld als een belanghebbende geen aanspraak meer heeft op ondersteuning bij de arbeids¬inschakeling. De periode van twaalf maanden begint te lopen vanaf het moment van inwerkingtreding van deze verordening.

Voortzetten toegekende voorzieningen

Toegekende voorzieningen op grond van de Verordening Re-integratie Gooise Meren 2016 worden in beginsel behouden tot twaalf maanden na inwerkingtreding van deze verordening. Na afloop van die periode kan het college besluiten of een voorziening wordt voortgezet. Hierbij kan het college rekening houden met al gesloten overeenkomsten. Voortzetting van een voorziening ligt bijvoorbeeld voor de hand als het college is gehouden de kosten van een dergelijke voorziening te voldoen, ongeacht of een persoon nog gebruik maakt van de voorziening. Lopende re-integratievoorzieningen kunnen in beginsel ná inwerkingtreding van deze verordening worden afgerond conform de overeenkomst.

Als het resultaat economische zelfredzaamheid sneller kan worden bereikt bijvoorbeeld door inzet van nieuwe re-integratievoorzieningen (bijv. loonkostensubsidie) dan kan het college besluiten de voorziening wel te beëindigen.

Voortzetting is niet mogelijk

Voortzetting van een toegekende voorziening na twaalf maanden is niet mogelijk als de voorziening binnen die periode is beëindigd wegens het niet meer voldoen aan de voorwaarden voor die voorziening op grond van de Verordening Re-integratieverordening Gooise Meren 2016 of als de voorziening is toegekend voor een kortere duur dan twaalf maanden na inwerkingtreding van de verordening. Een voorziening dient immers niet langer te worden voortgezet dan de duur van de oorspronkelijke toekenning.