Beleidsregels verhaal, terug- en invordering en kwijtschelding bijzondere bijstand gemeente Enkhuizen

Burgemeester en wethouders van de gemeente Enkhuizen;

gelet op 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht;

gelet op artikelen 58 tot en met 62 van de Participatiewet;

Besluit:

In te trekken de beleidsregels terugvordering bijstand gemeente Enkhuizen 2009

In te trekken de beleidsregels verhaal gemeente Enkhuizen 2010

Vast te stellen de Beleidsregels verhaal, terug- en invordering en kwijtschelding bijzondere bijstand gemeente Enkhuizen

HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN

Artikel 1. Begripsomschrijving

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

  • a.

    Awb: Algemene wet bestuursrecht;

  • b.

    Belanghebbende: de inwoner van Enkhuizen die bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet heeft aangevraagd, ontvangt of heeft ontvangen;

  • c.

    Boete: de bestuurlijke boete zoals bedoeld in artikel 18a, lid 1 Participatiewet;

  • d.

    Fraudevordering: vordering die is ontstaan door schending van de inlichtingenplicht van artikel 17 lid 1 Participatiewet;

  • e.

    Niet-fraudevordering: vordering die niet is ontstaan door schending van de inlichtingenplicht van artikel 17 lid 1 Participatiewet;

  • f.

    College: het college van de gemeente Enkhuizen;

  • g.

    Inlichtingenplicht: de inlichtingenplicht zoals bedoel in artikel 17, lid 1 Participatiewet;

HOOFDSTUK 2. VERHAAL

Artikel 2. Toepassen verhaalsbevoegdheid

  • 1.

    Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot verhaal van de kosten van bijstand overeenkomstig de artikelen 61 t/m 62 van de Participatiewet.

  • 2.

    Het college gaat bij de beoordeling van het verhaalsrecht en de omvang van het te verhalen bedrag uit van de maatstaven die gelden en de omstandigheden die van belang zijn in het geval de rechter moet beslissen of en zo ja tot welk bedrag een uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed zou moeten worden toegekend.

  • 3.

    Het college geeft de onderhoudsplichtige in een besluit tot verhaal de hoogte van de verhaalsbijdrage(n) aan en de termijn(en) waarbinnen betaling wordt verlangd.

  • 4.

    De verhaalsbijdrage wordt opgelegd met ingang van de 1e van de maand volgend op die waarin de eerste aanschrijving plaatsvindt. In afwijking hiervan wordt de bijdrage als bedoeld in artikel 62 onder c van de Participatiewet, opgelegd met ingang van de 1e dag van de bijstandsverlening.

  • 5.

    Het college richt bij verhaal op de nalatenschap van de onderhoudsplichtige het verhaalsbesluit aan de langstlevende echtgenoot of een van de erfgenamen die geacht worden bij de afwikkeling van de nalatenschap te zijn betrokken.

  • 6.

    Het college gaat over tot verhaal in rechte als de onderhoudsplichtige niet uit eigen beweging bereid is de verhaalsbijdrage aan het college te betalen of niet of niet tijdig betaalt.

Artikel 3. Afzien van verhaal van bijstand

Het college ziet af van verhaal als:

  • 1.

    de te verhalen kosten minder dan de ondergrens die Trema hanteert (thans € 25,00 per maand of minder dan € 250,00 per jaar) totaal bedragen;

  • 2.

    daarvoor zeer dringende redenen aanwezig zijn zoals bij ernstige bedreiging of ernstige mishandeling;

  • 3.

    het verhaal onredelijk en niet billijk is door het gedrag van de bijstandsgerechtigde jegens de persoon op wie verhaal wordt gezocht.

HOOFDSTUK 3. TERUGVORDERING

Artikel 4. Gebruik maken van bevoegdheid tot terugvordering

Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het terugvorderen van ten onrechte verleende bijzondere bijstand zoals neergelegd in de artikelen 58 tot en met 60 van de Participatiewet.

Artikel 5. Opschorting, herziening, intrekking en beëindiging

  • 1.

    Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het opschorten, herzien of intrekken van het toekenningsbesluit op grond van artikel 54, lid 3 van de Participatiewet.

  • 2.

    Een besluit tot toekenning van bijstand wordt door het college herzien of ingetrokken:

    • a.

      bij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting als bedoeld in artikel 17, lid 1 Participatiewet of artikel 30c, lid 2 en 3 van de Wet Suwi en dit heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijzondere bijstand;

    • b.

      anderszins ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijzondere bijstand is verleend.

Artikel 6. Terugvorderingsbesluit

  • 1.

    Het college vordert verleende bijzondere bijstand terug voor zover deze bijstand:

    • a.

      ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;

    • b.

      in de vorm van een geldlening is verleend en de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen;

    • c.

      voortvloeit uit gestelde borgtocht;

    • d.

      ingevolge artikel 52, lid 3 Participatiewet bij wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat of de toegekende bijstand onvoldoende is ter volledige verrekening van het voorschot;

    • e.

      anderszins onverschuldigd is betaald voor zover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen, of anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat:

      • de belanghebbende met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 Participatiewet beschikt of kan beschikken;

      • bijzondere bijstand is verleend met een bepaalde bestemming en naderhand door de belanghebbende vergoedingen of tegemoetkomingen worden ontvangen met het oog op die bestemming.

  • 2.

    Terugvordering als bedoeld onder lid 1 sub e vindt niet plaats, indien de betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vóór de datum van verzending van het besluit tot terugvordering. Dit is alleen van toepassing bij schending van de inlichtingenplicht; voor de overige vormen van terugvordering geldt een periode van zes maanden.

  • 3.

    Onverminderd het bepaalde onder lid 1 worden kosten van bijzondere bijstand van de ontvanger van de bijzondere bijstand en de meeprofiterende partner teruggevorderd, indien de bijzondere bijstand aan een gezin wordt verleend. Indien bijzondere bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar dit achterwege is gebleven omdat belanghebbende de verplichting als bedoeld in artikel 17, lid 1 Participatiewet of artikel 30c, lid 2 en 3 van de Wet Suwi, niet of niet behoorlijk is nagekomen, worden de kosten van bijzondere bijstand mede teruggevorderd van de meeprofiterende partner met wiens middelen als bedoeld in artikel 31 Participatiewet bij de verlening van bijzondere bijstand rekening had moeten worden gehouden. De hiervoor genoemde meeprofiterende partner is hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de kosten van bijzondere bijstand die worden teruggevorderd.

  • 4.

    In geval van een niet-fraudevordering terugvordering en invordering kan een belangenafweging gemaakt worden. Hierbij zal rekening gehouden worden met de persoonlijke en financiële situatie van de debiteur.

  • 5.

    Het college kan afzien van terugvordering indien:

    • a.

      het terug te vorderen bedrag lager is dan € 50,00 per jaar en het om een niet-fraudevordering gaat. Het afzien van terugvordering vindt niet plaats als sprake is van recidive binnen een periode van 2 jaar;

    • b.

      sprake is van een dringende reden.

Artikel 7. Brutering van de vordering

  • 1.

    Het college vordert alleen belaste bijzondere bijstand bruto terug bij een vordering die niet volledig binnen het kalenderjaar waarin de vordering is ontstaan wordt voldaan.

  • 2.

    Het college kan van brutering van de vordering afzien wanneer de vordering niet het gevolg is van een schending van de inlichtingenplicht en belanghebbende redelijkerwijs niet had kunnen weten dat ten onrechte of teveel belaste bijzondere bijstand werd verstrekt.

HOOFDSTUK 4. BETALING

Artikel 8. Betalingsregeling

  • 1.

    Het college verzoekt de belanghebbende de vordering binnen zes weken te betalen.

  • 2.

    Indien de belanghebbende de vordering niet binnen zes weken kan betalen kan hij binnen twee weken na dagtekening van de beschikking een betalingsregeling treffen. Hierbij wordt de hoogte van de aflossing afgestemd op het inkomen/draagkracht van de debiteur.

  • 3.

    Wanneer er geen betalingsregeling tot stand komt start het college een executietraject om de vordering te innen.

Artikel 9. Aflossingsbedrag

  • 1.

    Het college stelt het aflossingsbedrag van de vordering vast.

  • 2.

    Bij bijstandsgerechtigden wordt maandelijks een bedrag gelijk aan 5% van de voor de uitkeringsgerechtigde(n) geldende bijstandsnorm verrekend, evenals het volledige te reserveren vakantiegeld.

  • 3.

    Voor het genoemde onder 2 geldt dat dat de aflossing niet meer kan bedragen dan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering voor beslag in aanmerking komt.

  • 4.

    Als een minnelijke regeling niet slaagt wordt een draagkrachtberekening gemaakt als de debiteur een inkomen boven bijstandsniveau heeft. Bij deze berekening wordt 50% van de draagkracht aangewend voor de aflossing op een niet-fraudevordering. Bij een fraudevordering wordt 75% van de draagkracht aangewend voor de aflossing.

  • 5.

    Betalingen worden eerst naar de boete overgemaakt, dan naar de fraudevordering, dan naar de niet-fraudevordering en als laatste naar de leenbijstand.

Artikel 10. Matigen van de aflossing

Het college kan naar aanleiding van een schriftelijk gemotiveerd verzoek van de debiteur de hoogte van de aflossing matigen als het inkomen c.q. draagkracht hier aanleiding toe geeft.

Artikel 11. Executie

  • 1.

    Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot verrekening met de maandelijks verleende bijstand ingevolge de Participatiewet zoals vermeld in artikel 6:127 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 2.

    Bij het ontbreken van deze mogelijkheid vindt executoriaal beslag plaats overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Artikel 12. Invorderingskosten

  • 1.

    Het college maakt als volgt gebruik van de bevoegdheid om buitengerechtelijke kosten te vorderen:

    • a.

      als de belanghebbende in gebreke blijft met zijn betaling en een aanmaning is verzonden, wordt aan de belanghebbende op grond van artikel 4:113 Awb een vergoeding voor de aanmaning in rekening gebracht;

    • b.

      als de belanghebbende na de aanmaning nog in gebreke blijft met zijn betaling wordt de vordering verhoogd met de kosten van de betekening en de tenuitvoerlegging van het conform artikel 11 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verzonden dwangbevel, zijnde de gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten.

  • 2.

    De gerechtelijke kosten worden berekend met toepassing van de op grond van artikel 434a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vastgestelde tarieven die zijn neergelegd in het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders.

  • 3.

    Het college maakt geen gebruik van haar bevoegdheid om wettelijke rente te innen als de debiteur in verzuim treedt (ingevolge artikel 4:98 Awb). Dit geldt niet voor zaken die bij de deurwaarder worden aangedragen aangezien de deurwaarder wel rente opboekt.

HOOFDSTUK 5. KWIJTSCHELDING

Artikel 13. Kwijtschelding

  • 1.

    Het college kan op verzoek van de belanghebbende afzien van verdere terugvordering overeenkomstig de bepalingen van artikel 58 lid 7 en 8 Participatiewet. Voor niet-fraude vorderingen gelden in afwijking van dit artikel een termijn van 5 jaar.

  • 2.

    Er kan van terugvordering worden afgezien wanneer het resterende bedrag van de vordering lager is dan € 50,00 en het geen fraudevordering betreft;

  • 3.

    Er kan alleen kwijtschelding verleend worden van het openstaande debiteurbedrag. Kwijtschelding wordt niet met terugwerkende kracht verleend.

  • 4.

    Lid 1 en 2 zijn niet van toepassing ten aanzien van vorderingen:

    • a.

      die een bestuurlijke boete betreffen;

    • b.

      die worden gedekt door pand of hypotheek op een goed of goederen.

  • 5.

    Besloten kan worden van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien indien een schuldenregeling van toepassing is en:

    • a.

      redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende door de schuldregeling niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden;

    • b.

      redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen; en

    • c.

      de vordering van de gemeente wegens teruggevorderde bijzondere bijstand tenminste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.

  • 6.

    Het in lid 5 bepaalde is niet van toepassing ten aanzien van:

    • a.

      de terugvordering van bijstand als gevolg van schending van de inlichtingenplicht is

    • b.

      door belanghebbende voor zover nog geen 10 jaar is verstreken;

    • c.

      een belanghebbende die meervoudig frauduleus heeft gehandeld;

    • d.

      vorderingen welke door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt, behoudens zij niet op die goederen verhaald kunnen worden;

    • e.

      een opgelegde boete.

  • 7.

    Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering als bedoeld in lid 5 treedt niet in werking voordat een schuldregeling tot stand is gekomen.

  • 8.

    Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten nadeel van de belanghebbende gewijzigd, indien:

    • a.

      niet binnen 6 maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;

    • b.

      de belanghebbende zijn schuld aan de afdeling Sociale Zaken niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of

    • c.

      onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.

Artikel 14. Geldleningen

Kwijtschelding van geldleningen verstrekt als bijzondere bijstand is op verzoek van de debiteur mogelijk, indien er gedurende een periode van 36 maanden het voor de debiteur maximale bedrag conform de aflossingsverplichting (heeft) af(ge)lost, of minimaal 60% is afgelost.

HOOFDSTUK 6. OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 15. Hardheidsclausule

  • 1.

    Het college kan ten gunste van de persoon afwijken van de bepalingen in deze beleidsregel, indien toepassing van de beleidsregel leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.

  • 2.

    In gevallen, die de uitvoering van deze beleidsregel betreffen, waarin deze beleidsregel niet voorziet, beslist het college.

Artikel 16. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze beleidsregels treden in werking op 1 januari 2017

  • 2.

    De beleidsregels terugvordering bijstand gemeente Enkhuizen 2009 zijn vervallen.

  • 3.

    De beleidsregels verhaal gemeente Enkhuizen 2010 zijn vervallen..

  • 4.

    Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels verhaal, terug- en invordering en kwijtschelding bijzondere bijstand gemeente Enkhuizen.

Burgemeester en wethouders van Enkhuizen,

De wnd.-secretaris, De burgemeester,

J.W.Th.M. Slagter J.G.A. Baas

Naar boven