Beleidsregels Inkomensvoorziening Participatiewet 2015

 

Hoofdstuk 1 Algemeen

Artikel 1.1. Begrippen

  • 1.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, het Bijstandsbesluit zelfstandigen 2004 (Bbz), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet.

  • 2.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • -

      Geldlening: geldlening als bedoeld in artikel 50, lid 2 van de Participatiewet;

    • -

      Krediethypotheek: een te vestigen recht ter meerdere zekerheid op registergoederen;

    • -

      Stil pandrecht: een te vestigen recht ter meerdere zekerheid op niet-registergoederen;

    • -

      Woning: woning als bedoeld in 50 lid 1 en artikel 3, lid 6 van de Participatiewet.

Hoofdstuk 2 Individuele inkomenstoeslag

Artikel 2.1. Uitsluitingen

Niet voor een individuele inkomenstoeslag komt in aanmerking de belanghebbende:

  • a.

    die uit Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of tijdens de referte-periode heeft gevolgd.

  • b.

    van wie het perspectief op inkomensverbetering is verminderd ten gevolge van enige schending van de arbeids- of re-integratieverplichting.

Hoofdstuk 3 Individuele studietoeslag

Artikel 3.1. Uitsluitingen

Niet voor een individuele studietoeslag komt in aanmerking de belanghebbende die een uitkering op grond van de Wajong ontvangt.

Hoofdstuk 4 Verlaging bij ontbrekende woonlasten

Artikel 4.1. Verlaging bij ontbreken woonkosten (indien geen kostendelersnorm van toepassing is)

Het college verlaagt de norm, bedoeld in de artikelen 20 en 21 met 15% van de norm van gehuwden als bedoeld in artikel 21 onderdeel b, van de Participatiewet als de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet als gevolg van het bewonen van een woning waaraan geen woonkosten zijn verbonden of het niet aanhouden van een woning.

Hoofdstuk 5(Reserve)

Hoofdstuk 6 Terugvordering

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 6.1. Gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid

Het college maakt, behoudens de in deze beleidsregels beschreven uitzonderingen gebruik van de bevoegdheid tot:

  • a.

    het opschorten van het recht op bijstand of uitkering als bedoeld in artikel 54, eerste lid, van de Participatiewet, artikel 17, eerste lid, van de IOAW, artikel 17, eerste lid, van de IOAZ

  • b.

    herziening en intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand of uitkering op grond van de IOAW of IOAZ indien ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand of uitkering is verleend, anders dan als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting als bedoeld in artikel 17 lid 1, van de Participatiewet, artikel 13, eerste lid, van de IOAW en artikel 13, eerste lid, van de IOAZ.

  • c.

    het terugvorderen van de kosten van bijstand of uitkering zoals bedoeld in artikel 58, tweede lid, en artikel 59, van de Participatiewet, paragraaf 5 van de IOAW, paragraaf 5, van de IOAZ.

  • d.

    invorderen bij dwangbevel zoals bedoeld in artikel 60, tweede lid, van de Participatiewet, artikel 28, van de IOAW of artikel 28, van de IOAZ.

  • e.

    het betekenen van een dwangbevel per post als bedoeld in artikel 60, vijfde lid, Participatiewet, of artikel 28, vijfde lid, IOAW en artikel 28, vijfde lid, IOAZ.

  • f.

    verrekening van een vordering zoals bedoeld in artikel 60a, van de Participatiewet.

  • g.

    verrekening van een geldlening als bedoeld in artikel 48, vierde lid, van de Participatiewet.

Paragraaf 2. Afzien van terugvordering

Artikel 6.2 Afzien van terugvordering

Het college kan afzien van het nemen van een terugvorderingsbesluit:

  • a.

    indien het terug te vorderen bedrag lager is dan € 150;

  • b.

    voor zover het betalingen betreft die zijn gedaan na een periode van zes maanden na de ontvangst van een signaal waaruit het college had moeten afleiden, dat ten onrechte of te veel werd betaald, tenzij de belanghebbende de inlichtingenplicht heeft geschonden;

  • c.

    indien hiertoe naar oordeel van het college een dringende reden aanwezig is.

Paragraaf 3. Kwijtschelding

Artikel 6.3. Kwijtschelding bij schuldregeling (vordering niet het gevolg van schending van de inlichtingenplicht)

Het college kan besluiten tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de teruggevorderde bijstand of uitkering op grond van de IOAW of IOAZ, met uitzondering van de gevallen waarbij de vordering door schending van de inlichtingenplicht is ontstaan, indien naar het oordeel van het college:

  • a.

    de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, en

  • b.

    redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in artikel 6.4 bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen, en

  • c.

    de vordering van de gemeente wegens teruggevorderde bijstand, uitkering op grond van de IOAW of IOAZ ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.

Artikel 6.4 Afzien van kwijtschelding bij schuldregeling

Kwijtschelding als bedoeld in artikel 6.3. is niet mogelijk indien de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een goed of goederen, behoudens voor zover de vordering niet op die goederen verhaald kan worden.

Artikel 6.5. Inwerkingtreding van het besluit tot afzien van terugvordering wegens schuldenproblematiek

Het besluit tot het geheel of gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering, als bedoeld in artikel 6.3, treedt niet in werking voordat tussen het college en/of schuldeisers en persoon een schuldregeling tot stand is gekomen.

Artikel 6.6. Intrekking kwijtscheldingsbesluit schuldenproblematiek

Het besluit tot het geheel of gedeeltelijk afzien van verdere terugvordering als bedoeld in artikel 6.3 wordt ingetrokken of ten nadele van de persoon gewijzigd indien:

  • a.

    de persoon zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of

  • b.

    onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid, of

  • c.

    niet binnen twaalf maanden, nadat het besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen.

Artikel 6.7. Kwijtschelding na het voldoen aan de betalingsverplichting (vordering niet het gevolg van schending inlichtingenplicht

Het college kan besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, met uitzondering van de gevallen waarbij de vordering door schending van de inlichtingenplicht is ontstaan, indien de belanghebbende:

  • a.

    gedurende drie jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan en tenminste 50% van de hoofdsom heeft voldaan, of ;

  • b.

    gedurende drie jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald en ten minste 50% van de hoofdsom heeft voldaan, of;

  • c.

    gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of

  • d.

    een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten in één keer aflost, of;

  • e.

    naar oordeel van het college op grond van een zwaarwegende reden voor kwijtschelding in aanmerking komt.

Artikel 6.8 Geen kwijtschelding bij pand of hypotheekrecht

Kwijtschelding als bedoeld in artikel 6.7 vindt niet plaats ten aanzien van vorderingen welke door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt, behoudens voor zover zij niet op die goederen verhaald kunnen worden.

Paragraaf 4. Invordering van teruggevorderde bijstand of uitkering

Artikel 6.9. Verplichtingen met betrekking tot de invordering

  • 1.

    De verplichting tot betaling en de betalingstermijn worden in het besluit tot terugvordering medegedeeld.

  • 2.

    Het college kan op verzoek van belanghebbende of in het kader van een schuldregeling uitstel van betaling verlenen. Indien uitstel van betaling wordt verleend stelt het college een betalingsregeling vast.

  • 3.

    Het aflossingsbedrag in het besluit tot terugvordering of het aflossingsbedrag van de betalingsregeling geldt als opgelegde betalingsverplichting.

  • 4.

    Indien tijdens de looptijd van de betalingsregeling een tweede vordering ontstaat wordt de betalingsregeling beëindigd.

  • 5.

    Het college verricht periodiek onderzoek naar de draagkracht voor het voldoen van de vordering.

  • 6.

    Indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven, wordt als gevolg van dit onderzoek de betalingsverplichting gewijzigd vastgesteld.

Artikel 6.10 Verrekening en beslaglegging

  • 1.

    Indien de belanghebbende algemene bijstand of een uitkering op grond van de IOAW of IOAZ ontvangt wordt de opgelegde betalingsverplichting als bedoeld in artikel 6.0 verrekend met de algemene bijstand of de uitkering.

  • 2.

    Indien verrekening als bedoeld in het eerste lid niet (geheel) mogelijk is en belanghebbende de opgelegde betalingsverplichting niet nakomt, dan wordt het terugvorderingsbesluit ten uitvoer gelegd door middel van:

    • a.

      een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

    • b.

      beslag in de zin van het Tweede boek van het wetboek van Burgerlijke rechtsvordering; of

    • c.

      een conservatoir beslag in de zin van het Derde Boek van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering.

Artikel 6.11 Afzien van verrekening met vorderingen op het college

Het college kan afzien van verrekening zoals bedoeld in artikel 60a, vierde lid van de Participatiewet indien hiertoe naar oordeel van het college een zwaarwegende reden aanwezig is.

Artikel 6.12 Rente en kosten

  • 1.

    De kosten van de betekening en de tenuitvoerlegging van het dwangbevel door een gerechtsdeurwaarder worden bij de belanghebbende in rekening gebracht (artikel 4:119 en artikel 4:120 Awb).

  • 2.

    Indien bij dezelfde schuldenaar meerdere vorderingen tot een dwangbevel leiden, worden de verschillende vorderingen zoveel mogelijk in één dwangbevel gebundeld (artikel 4:119, tweede lid Awb).

  • 3.

    Indien het dwangbevel door een gerechtsdeurwaarder ten uitvoer wordt gelegd, wordt het te vorderen bedrag verhoogd met de aanmaningskosten (artikel 4:113 Awb) en de wettelijke rente (artikel 4:98 lid 1 Awb). De wettelijke rente wordt berekend vanaf het moment waarop de vordering is overgedragen aan de gerechtsdeurwaarder.

Hoofdstuk 7. Verhaal

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 7.1. Gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid

Het college maakt behoudens de in deze beleidsregels beschreven uitzonderingen gebruik van de bevoegdheid tot:

  • a.

    het opleggen van de verplichting ingevolge artikel 55 van de Participatiewet een verzoek in te stellen tot toekenning van een uitkering tot levensonderhoud voor kinderen krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek voor zover de belanghebbende hierop aanspraak heeft;

  • b.

    het verhalen van de kosten van bijstand tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in artikel 62 van de Participatiewet

  • c.

    het verhalen van de kosten van bijstand op de ontvanger van een schenking zoals bedoeld in artikel 62 f, onderdeel a van de Participatiewet.

  • d.

    het verhalen van kosten van bijstand op een nalatenschap als bedoeld in artikel 62 f, onderdeel b van de Participatiewet.

  • e.

    Het doen van een verzoek aan de rechter tot wijziging van de vastgestelde verhaalsbedrag als bedoeld in artikel 62 e van de Participatiewet.

Paragraaf 2. Afzien van verhaal

Artikel 7.2. Afzien van verhaal

Het college kan afzien van het nemen van een verhaalsbesluit indien:

  • a.

    de kosten van bijstand meer dan vijf jaar vóór de datum van verzending van het besluit tot verhaal zijn gemaakt.

  • b.

    het op te leggen verhaalsbedrag lager is dan € 50,00 per maand of € 25,00 per maand bij een verhaalsbedrag voor levensonderhoud van kinderen.;

  • c.

    de periode waarover bijstand is verstrekt beperkt is en het verhaalsbedrag op jaarbasis niet meer bedraagt dan € 600,00;

  • d.

    daarvoor gelet op de omstandigheden van degene op wie verhaal wordt gezocht of degene die de bijstand ontvangt of heeft ontvangen, dringende redenen aanwezig zijn.

Paragraaf 3. Kwijtschelding

Artikel 7.3. Kwijtschelding bij schuldregeling

Het college kan op verzoek van degene op wie verhaald wordt, besluiten geheel of gedeeltelijk af te zien van verhaal van kosten van bijstand voor zover het betreft verschuldigde verhaalsbedragen die op het moment van het besluit opeisbaar zijn, indien:

  • a.

    redelijkerwijs te voorzien is dat degene op wie wordt verhaald niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden;

  • b.

    redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van alle schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen; en

  • c.

    de vordering van de gemeente wegens verhaal van bijstand ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.

Artikel 7.4. Inwerkingtreding van het besluit tot kwijtschelding wegens

schuldenproblematiek

Het besluit tot besluit tot het geheel of gedeeltelijk afzien van verhaal, als bedoeld in artikel 7.3, treedt niet in werking voordat tussen het college en/of schuldeisers en persoon een schuldregeling tot stand is gekomen.

Artikel 7.5. Intrekking besluit tot afzien van verhaal wegens schuldenproblematiek

Het besluit tot het geheel of gedeeltelijk afzien van verhaal als bedoeld in artikel 7.3 wordt ingetrokken of ten nadele van de persoon gewijzigd indien:

  • a.

    de persoon zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of

  • b.

    onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid

  • c.

    niet binnen twaalf maanden, nadat het besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen.

Paragraaf 4. Verhaal in rechte en verhaal volgens rechterlijk uitspraak

Artikel 7.6. Verhaal in rechte

  • 1.

    In het besluit tot verhaal, anders dan met toepassing van artikel 62b van de Participatiewet, wordt het verhaalsbedrag en de betalingstermijn medegedeeld.

  • 2.

    Indien de belanghebbende niet alle informatie aan het college verstrekt die voor verhaal van belang is dan wel niet, of niet tijdig de verlangde gelden aan het college betaalt, gaat het college over tot verhaal in rechte.

  • 3.

    Het college ziet, in afwijking van het tweede lid, af van verhaal in rechte indien het te verhalen bedrag een bedrag van € 600,00 per jaar niet te boven gaat.

Artikel 7.7. Verhaal volgens rechterlijke uitspraak (artikel 62b van de Participatiewet)

  • 1.

    Met inachtneming van het recht van degene die bijstand ontvangt om zelf de inning van alimentatie over te dragen aan het LBIO, vindt inning van alimentatieverplichtingen bij onderhoudsplichtigen, voor zover niet vrijwillig door deze onderhoudsplichtigen aan de betalingsverplichting wordt voldaan, plaats volgens lid 2 t/m 4 van dit artikel.

  • 2.

    Indien een uitvoerbare rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud verschuldigd krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, niet wordt nagekomen, wordt verhaald in overeenstemming met deze uitspraak ongeacht de hoogte van het verhaalsbedrag.

  • 3.

    Het besluit tot verhaal wordt aan belanghebbende medegedeeld, met de aanmaning het verschuldigde binnen dertig dagen na verzending van het besluit te voldoen.

  • 4.

    Indien aan de aanmaning geen gevolg wordt gegeven vordert het college het verschuldigde met uitsluiting van degene die de bijstand ontvangt.

  • 5.

    Het besluit tot verhaal levert een executoriale titel op, die op kosten van de schuldenaar wordt betekend en met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tenuitvoergelegd.

Paragraaf 5. Invordering van de verhaalsbijdrage

Artikel 7.8. Verrekening en beslaglegging

  • 1.

    Indien de belanghebbende niet bereid blijkt het door de rechter vastgestelde verhaalsbedrag te voldoen dan wordt die uitspraak ten uitvoer gelegd door middel van verrekening met de maandelijks verleende algemene bijstand of uitkering ingevolge de IOAW of IOAZ (artikel 62 i van de Participatiewet).

  • 2.

    Indien verrekening als bedoeld in het eerste lid niet (geheel) mogelijk is en belanghebbende de opgelegde betalingsverplichting niet nakomt, dan wordt het verhaalsbesluit ten uitvoer gelegd door middel van:

    • a.

      een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

    • b.

      beslag in de zin van het Tweede boek van het wetboek van Burgerlijke rechtsvordering; of

    • c.

      een conservatoir beslag in de zin van het Derde Boek van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering.

Artikel 7.9. Rente en kosten

Artikel 6.12 is overeenkomstig van toepassing.

Paragraaf 5. Overige bepalingen

Artikel 7.10 Onderzoek naar draagkracht

  • a.

    Het college verricht periodiek onderzoek naar de draagkracht voor het voldoen van een verhaalsbedrag.

  • b.

    Indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven wordt als gevolg van dit onderzoek de betalingsverplichting gewijzigd vastgesteld.

  • c.

    Er wordt niet overgegaan tot het gewijzigd vaststellen van het verhaalsbedrag indien de wijziging van de draagkracht minder bedraagt dan € 50,00 per maand of € 25,00 per maand bij een verhaalsbedrag voor levensonderhoud van kinderen.

  • d.

    Er wordt geen verzoek aan de rechter gedaan tot wijziging van het verhaalsbedrag als bedoeld in artikel 62 e van de Participatiewet indien de wijziging van de draagkracht minder bedraagt dan € 50,00 per maand.

Hoofdstuk 8. Geldlening en zekerheden bij bezit eigen woning (Krediethypotheek)

Artikel 8.1. Hoogte geldlening

De geldlening als bedoeld in artikel 50, tweed lid van de Participatiewet bedraagt ten hoogste de waarde van de woning in het economisch verkeer bij vrije oplevering, verminderd met de daarop drukkende schulden.

Artikel 8.2. Krediethypotheek

  • 1.

    De algemene bijstand voor de belanghebbende die eigenaar is van een woning, heeft de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek indien de overwaarde in de woning, na toepassing van de vermogensvrijlating van artikel 34, tweede lid, onder d van de Participatiewet, hoger is dan € 10.000,00.

  • 2.

    Indien het, in de situatie als bedoeld in het eerste lid, niet mogelijk is een hypotheek te vestigen, dan wordt pandrecht gevestigd.

  • 3.

    Als de verwachting bestaat dat de woning binnen korte tijd verkocht kan worden, dan kan worden afgezien van het vestigen van hypotheek.

Artikel 8.3. Medewerkingsplicht

  • 1.

    Bij verlening van de algemene bijstand onder verband van hypotheek of pandrecht wordt aan de belanghebbende de verplichting opgelegd dat hij meewerkt aan de vestiging van de hypotheek of het stil pandrecht.

  • 2.

    Het niet verlenen van de medewerking als bedoeld in het eerste lid heeft tot gevolg dat de in de vorm van een geldlening verleende uitkering wordt teruggevorderd (artikel 58, tweed lid, onderdeel b, van de Participatiewet).

Artikel 8.4. Vaststelling waarde woning

  • 1.

    Ter vaststelling van de waarde van de woning vindt taxatie plaats door een taxateur voor onroerende zaken die door het college in overeenstemming met de belanghebbende wordt aangewezen.

  • 2.

    De kosten verbonden aan de hypotheekakte en de inschrijving van de hypotheek, het opmaken van de akte van pandrecht, inschrijving van het pandrecht in de registers van de Inspectie der Registratie en Successie van de Belastingdienst, evenals de bijkomende kosten, komen ten laste van de belanghebbende. De eventuele uitkering voor deze kosten wordt aangemerkt als bijzondere bijstand

Artikel 8.5. Voorwaarden

  • 1.

    Aan de geldlening worden in elk geval verbonden de voorwaarden genoemd in artikel 8.6 en artikel 8.7. van deze beleidsregels.

  • 2.

    De in het eerste lid bedoelde voorwaarden worden tezamen met de gebruikelijke bedingen opgenomen in de hypotheekakte of akte van pandrecht.

Artikel 8.6. Aflossing en rente geldlening

  • 1.

    De aflossing van de geldlening vangt aan op het moment van beëindiging van de bijstand en vindt maandelijks plaats.

  • 2.

    Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van een jaar vastgesteld overeenkomstig de draagkrachtberekening voor bijzondere bijstand.

  • 3.

    Bij een inkomen, dat niet uitgaat boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm bedoeld in hoofdstuk 3 van de Participatiewet, wordt geen aflossing gevergd.

  • 4.

    Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven stelt het college, zo nodig tussentijds, het maandbedrag van de aflossing op een lager dan wel hoger bedrag vast.

  • 5.

    Bij de beoordeling van de omstandigheden als bedoeld in het vierde lid wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening van belanghebbende komende, bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen.

  • 6.

    Indien belanghebbende tijdens de aflossingsperiode in verzuim is met het voldoen van de vastgestelde aflossingen, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar en is de wettelijke rente verschuldigd over de achterstallige aflossingstermijnen gedurende de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest.

  • 7.

    Over een rentevordering is geen rente verschuldigd.

Artikel 8.7. Verkoop woning

  • 1.

    Bij verkoop, overdracht of bij vererving van de woning, en indien het een echtpaar betreft bij vererving na overlijden van de langstlevende echtgenoot, wordt het nog niet afgeloste deel van de geldlening, alsmede de op grond van artikel 8.6, lid 6 bijgeschreven rente, terstond afgelost.

  • 2.

    Bij verkoop van de woning kan het college wegens bijzondere omstandigheden van medische of sociale aard van belanghebbende dan wel wegens werkaanvaarding elders door belanghebbende, na toepassing van het eerste lid, besluiten tot het verlenen van een nieuwe geldlening eveneens onder verband van hypotheek voor de aankoop van een andere woning, tot ten hoogste het bedrag van de ingevolge het eerste lid afgeloste geldlening, onder de voorwaarde dat belanghebbende het na aflossing vrijgekomen vermogen met inbegrip van het in het vierde lid bedoelde bedrag volledig inzet voor de aankoop van de andere woning.

  • 3.

    Indien bij verkoop van de woning op basis van de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering het voor de afrekening beschikbare bedrag lager is dan het resterende bedrag van de geldlening en van de rentevordering, wordt het verschil kwijtgescholden.

Artikel 8.8. Tussentijdse herbeoordeling geldlening

  • 1.

    Gedurende de periode van bijstandsverlening vindt herbeoordeling van de waarde van de woning plaats en wordt bezien of de verlening van bijstand om niet in die vorm kan worden gehandhaafd.

  • 2.

    Indien bij een herbeoordeling op grond van het eerste lid blijkt dat de bijstand –gelet op de waardeontwikkeling van de woning- niet langer om niet kan plaatsvinden, wordt met toepassing van deze beleidsregels een (nieuwe) geldlening verstrekt.

Artikel 8.9. Opnieuw recht binnen twee jaar

Indien binnen een periode van twee jaar na beëindiging van de bijstandsverlening wederom recht op bijstand bestaat, wordt deze verleend met toepassing van de laatst gevestigde hypotheek of akte van pandrecht.

Artikel 8.10. Opgave stand van de geldlening en rentevorderingen

Aan belanghebbende wordt telkens na afloop van een kalenderjaar een opgave verstrekt van de stand van de geldlening en van de rentevorderingen.

Hoofdstuk 9. Slotbepalingen

Artikel 9.1. Afwijking

Het college kan ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze

regeling, als door bijzondere omstandigheden de toepassing ervan leidt tot onredelijke gevolgen.

Artikel 9.2. Intrekking

  • 1.

    De Beleidsregel waarschuwing i.p.v. boete wordt ingetrokken.

  • 2.

    De Beleidsregels Terugvordering WWB, WIJ, IOAW, IOAZ 2010 worden ingetrokken.

  • 3.

    De Beleidsregels Verhaal WWB, WIJ 2010 worden ingetrokken.

  • 4.

    De Beleidsregels krediethypotheek en geldlening WWB 2012 worden ingetrokken

Artikel 9.3. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze beleidsregels treden met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2015.

  • 2.

    Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels Inkomensvoorziening Participatiewet 2015

Aldus vastgesteld in de collegevergadering van 1 augustus 2017.

Naar boven