Gemeenteblad van Berg en Dal

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Berg en DalGemeenteblad 2017, 1379Beleidsregels



Besluit voorzieningen Maatschappelijke Ondersteuning en nadere regels Jeugdhulp gemeente Berg en Dal 2017

 

Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Berg en Dal

Gelet op:

 

  • 1.

    de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Jeugdwet;

  • 2.

    de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Berg en Dal 2016 en de Verordening Jeugdhulp gemeente Berg en Dal 2016;

  • 3.

    de verwijzing naar de Verordening, Het Besluit en de beleidsregels van centrumgemeente Nijmegen voor wat betreft de regel voor bijdrage in de kosten van opvang en beschermd wonen.  

    B e s l u i t:

     

    Vast te stellen:

    BESLUIT VOORZIENINGEN MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING EN NADERE REGELS JEUGDHULP GEMEENTE BERG EN DAL 2017 

Inhoud

HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN.. 2

Paragraaf 1.1 Begripsbepalingen. 2

Paragraaf 1.2 Bijdrage in de kosten. 3

HOOFDSTUK 2 COMPENSATIE OP BASIS VAN LEEFGEBIED EN MAATWERKVOORZIENING 5

Paragraaf 2.1. Activiteiten dagelijks leven. 6

Paragraaf 2.2. Huisvesting. 6

Paragraaf 2.3. Verplaatsen en vervoer 9

Paragraaf 2.4. Maatschappelijke participatie. 10

Paragraaf 2.5. Begeleiding. 11

HOOFDSTUK 3 JEUGDHULP.. 12

HOOFDSTUK 4 OVERIG.. 14

Paragraaf 4.1. Algemene regels over het persoonsgebonden budget 14

Paragraaf 4.2. Slotbepalingen. 18

Bijlage 1: gemiddelde levensduur hulpmiddelen Bvmo gemeente Berg en Dal 2017 Afschrijvingstermijnen 19

Bijlage 2: Prijslijst Kleine Woningaanpassingen 2017. 21

 

 

Hoofdstuk 1 Algemeen

Paragraaf 1.1 Begipsbepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

De begripsbepalingen genoemd in artikel 1.1.1 en 1.1.2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, artikel 1 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Berg en Dal 2016, artikel 1.1 van de Jeugdwet en artikel 1 van de Verordening jeugdhulp gemeente Berg en Dal 2016 zijn ook op dit besluit van toepassing.

Daarnaast wordt in dit besluit verstaan onder:

  • 1.

    Besluit: Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Nadere regels en jeugdhulp gemeente Berg en Dal 2017.

  • 2.

    Budgethouder: een persoon aan wie als gevolg van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Berg en Dal 2016 en/of de Verordening Jeugdhulp gemeente Berg en Dal 2016, of op basis van een eerder versie, een persoonsgebonden budget is toegekend.

  • 3.

    Centrumgemeente: om de maatschappelijke opvang binnen het kader van de WMO in goede banen te leiden, zijn 43 centrumgemeenten verantwoordelijk voor het tijdelijk bieden van onderdak, begeleiding, informatie en advies aan personen die, door een of meer problemen, al dan niet gedwongen de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. De centrumgemeenten werken hiertoe samen met opvanginstellingen, zorgkantoren en woningcorporaties. De centrumgemeenten ontvangen hiervoor specifieke uitkeringen van het Rijk. Voor de gemeente Berg en Dal is de gemeente Nijmegen de centrumgemeente.

  • 4.

    Gebruikelijke zorg: de normale, dagelijkse zorg die partners, ouders, inwonende kinderen en/of andere huisgenoten geacht worden elkaar te bieden.

  • 5.

    Bovengebruikelijke zorg: De zorg voor kinderen of een partner met een beperking die groter is dan de zorg voor een gezonde partner of een gezond kind van de zelfde leeftijd.

  • 6.

    Zorgperiode: een periode van 4 weken, zoals door het Centraal Administratie Kantoor, verder te noemen het CAK, gehanteerd wordt bij de berekening en inning van de eigen bijdrage. Er zijn 13 zorgperioden is één jaar.

  • 7.

    Professionele zorgverlener: een beroepskracht of aanbieder die is ingeschreven in het handelsregister als zijnde verlener van maatschappelijke ondersteuning en beschikt over een zogenaamde BIG-registratie voor zover dit voor het verlenen van de betreffende ondersteuning relevant is en géén persoon uit het sociale netwerk van de cliënt is;

  • 8.

    Niet-professionele zorgverlener: een ondersteuner of aanbieder die niet is ingeschreven in het handelsregister als zijnde verlener van maatschappelijke ondersteuning of niet in het bezit is van een zogenaamde BIG-registratie, tenzij dit voor het verlenen van de desbetreffende ondersteuning relevant is;

  • 9.

    Zorgverlener uit het eigen sociale netwerk; de ouder, partner, vriend, kennis of familielid, zelfs als die/dat gediplomeerd is, die middels een persoonsgebonden budget wordt ingezet voor bovengebruikelijke zorg die wordt geleverd.

     

Paragraaf 1.2 Bijdrage in de kosten

Artikel2 Bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening

2.1

Voor maatwerkvoorzieningen die in natura of als persoonsgebonden budget worden verstrekt is een bijdrage in de kosten verschuldigd.

2.2

Indien een cliënt een duurdere maatwerkvoorziening wil dan de goedkoopst adequate komt het meerdere voor rekening van de cliënt.  Voor deze meerprijs is geen bijdrage in de kosten verschuldigd, met andere woorden: de eigen bijdrage wordt in dat geval niet geheven over het gedeelte dat de cliënt zelf heeft betaald.

2.3

Voor de eigen bijdrage voor de maatwerkvoorziening Beschermd Wonen wordt verwezen naar de bedragen die hiervoor zijn vastgesteld door de centrumgemeente Nijmegen.

2.4

  • 1.

    In uitzondering op het onder lid 1 gestelde, is geen bijdrage in de kosten verschuldigd voor:

    • a.

      Rolstoelvoorziening, rolstoelaccessoires en duwondersteuning.

    • b.

      De Vervoerspas ten behoeve van het collectief vervoer;

    • c.

      Maatwerkvoorzieningen (Wmo 2015) of Individuele voorzieningen (Jeugdwet) voor een minderjarig kind, met uitzondering van woonvoorzieningen;

    • d.

      Arbeidsmatige dagbesteding;

    • e.

      Eenmalige tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen;

    • f.

      Vergoeding voor huurderving

    • g.

      Jeugdhulp

    • h.

      Maatwerkvoorzieningen voor Zorgmijders zolang de situatie niet stabiel is.

  • 2.

    In afwijking van het vorige lid onder d gestelde is wel een bijdrage in de kosten verschuldig door:

  • 1.

    de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene aan wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, én;

  • 2.

    degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt,

als een maatwerkvoorziening in natura of een Pgb wordt verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige.

  • 3.

    In afwijking van het vorige lid is in ieder geval geen bijdrage in de kosten verschuldig als de ouders van het gezag over de cliënt zijn ontheven of ontzet.

Artikel 3 Omvang van de bijdrage in de kosten

3.1

De omvang van de bijdrage in de kosten is gelijk aan de wettelijke maximumbedragen zoals opgenomen in het landelijke Uitvoeringsbesluit Maatschappelijke Ondersteuning. Dit landelijke besluit geeft aan welke bedragen de Minister als maximum voor de eigen bijdrage of het eigen aandeel laat gelden voor welke groepen. Naast het inkomen geldt per 1 januari 2015 ook een vermogensinkomensbijtelling, waarbij het gaat om 8% van de grondslag sparen en beleggen.

3.2

  • 1.

    Berekening, oplegging, vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten vindt plaats door het CAK op basis van de artikel 13 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Berg en Dal 2016.  

  • 2.

    In afwijking van lid 1 vindt de vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten van de cliënt:

  • a.

    voor een maatwerkvoorziening voor opvang plaats door de aanbieder die de opvang verzorgt;

  • b.

    voor een algemene voorziening door de aanbieder van deze voorziening.

Artikel 4 Duur van de oplegging van de bijdrage in de kosten

4.1

  • 1.

    Bij de verstrekking van dienstverlening:

    Elke zorgperiode zoals gehanteerd door hetCAK, zolang de dienstverlening, of het hiervoor bestemde persoonsgebonden budget, wordt geleverd.

     

  • 2.

    Bij de verstrekking van een hulpmiddel in bruikleen (ook vervanging):

    Elke zorgperiode zoals gehanteerd door het CAK, zolang het hulpmiddel wordt gebruikt.

     

  • 3.

    Bij de verstrekking van een eenmalig persoonsgebonden budget voor de aanschaf van een hulpmiddel in plaats van een hulpmiddel in bruikleen:

    Het aantal zorgperiodes zoals gehanteerd door het CAK, overeenkomstig de gemiddelde levensduur van het hulpmiddel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt (zie bijlage 1: gemiddelde levensduur hulpmiddelen Bvmo gemeente Berg en Dal 2017).

     

  • 4.

    Bij de verstrekking van een bouwkundige of bouwtechnische woonvoorziening, of het hiervoor bestemde persoonsgebonden budget:

    Elke zorgperiode zoals gehanteerd door het CAK, zolang de aanpassing wordt gebruikt.

     

  • 5.

    Bij de verstrekking van een vervoersvoorziening of het hiervoor bestemd persoonsgebonden budget:

    Elke zorgperiode zoals gehanteerd door het CAK, zolang de voorziening wordt gebruikt

     

  • 6.

    Bij het meerderjarig worden van een minderjarige:

    De duur van de oplegging van de bijdrage in de kosten bij een verstrekking van een voorziening zoals genoemd in artikel 4 lid 1 onder 3 van dit Besluit, wordt verminderd met de actuele leeftijd van deze maatwerkvoorziening.

 

Hoofdstuk 2 Compensatie op basis van leefgebied en maatwerkvoorziening

Bij wet is geregeld dat de tarieven voor een Persoonsgebonden budget (Pgb) toereikend moeten zijn. Uitgangspunt is dat het Pgb mogelijk goedkoper is, maar altijd gerelateerd is aan de kosten van zorg in natura. Belangrijk is dat de tarieven van het Pgb reëel zijn, zodat de juiste zorg daadwerkelijk ingekocht kan worden. Dat geldt ook voor het vaststellen van de tarieven voor betaling aan personen uit het eigen netwerk.

Er wordt onderscheid gemaakt in tarieven tussen levering door:

  • A.

    hulpverleners die werken volgens kwaliteitsstandaarden;

  • B.

    Niet-professionele zorgverleners

  • C.

    Personen uit het eigen sociale netwerk.

(Zie ook artikel 16.6)

 

Onderscheid in betaling tussen particulieren of familie is gebaseerd op verschil in kosten. Bijvoorbeeld: minder overheadkosten, lagere opleiding, minder werkgeverslasten in verband met vallen onder regeling dienstverlening aan huis etc. 

Volgens artikel 11 lid 6 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Berg en Dal 2016 en artikel 11 lid 7 van de Verordening jeugdhulp gemeente Berg en Dal 2016 is betaling aan personen uit het eigen netwerk uit een Pgb alleen toegestaan als dit aantoonbaar tot betere en efficiëntere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is.

 

Paragraaf 2.1. Activiteiten dagelijks leven

Artikel 5 Hulp bij het huishouden

5.1

De tarieven voor hulp bij het huishouden in natura worden bepaald door de door de gemeente bedongen uurtarieven middels een aanbesteding.

 

5.2

De vaststelling van een persoonsgebonden budget ten aanzien van hulp bij het huishouden vindt plaats in de vorm van percentages van de bij aanbesteding bedongen uurtarieven voor Hulp bij het Huishouden in natura. (Zie verder bij artikel 16.6)

 

5.3

Bij overlijden van de cliënt die een partner heeft, wordt de indicatie voor hulp bij het huishouden (zowel bij zorg in natura en als bij een persoonsgebonden budget) uiterlijk zes weken na de datum van overlijden beëindigd.

 

Paragraaf 2.2. Huisvesting 

 

Artikel 6 Woonvoorzieningen

6.1 Soorten Woonvoorzieningen

1. Het college kent twee soorten woonvoorzieningen

a. een woonvoorziening van bouwkundige of bouwtechnische aard

b. een woonvoorziening niet van bouwkundige of bouwtechnische aard 

2 Het bedrag voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening zoals genoemd in het eerste lid onder a, die in natura of als eenmalig persoonsgebonden budget wordt verstrekt, wordt vastgesteld als tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de goedkoopste van de minimaal 2 aan het college overlegde offertes met een gespecificeerde begroting, die voldoet aan het programma van eisen.

3. Het in lid 2 gestelde geldt niet voor zogenoemde ‘kleine’ woningaanpassingen met een waarde tot maximaal € 500,-. Voor deze aanpassingen hoeft geen offerte te worden ingediend, maar wordt een standaard bedrag uitgekeerd (zie bijlage 2: prijslijst kleine woningaanpassingen gemeente Berg en Dal 2017).

4. Het toe te kennen eenmalig persoonsgebonden budget voor een woonvoorziening, zoals genoemd in het eerste lid onder b, is gelijk aan de huurprijs per maand van de voorziening zoals die bij een verstrekking in natura in bruikleen door het college aan de contractleverancier betaald zou worden, vermenigvuldigd met de gemiddelde levensduur (zie bijlage 1: gemiddelde levensduur hulpmiddelen Bvmo gemeente Berg en Dal 2017). In dit bedrag zijn de kosten van instandhouding, zoals onderhoud, reparatie en indien van toepassing, verzekering reeds opgenomen. Reparatiekosten die niet onder het onderhoudscontract vallen, worden, na goedkeuring van de offerte, vergoed op basis van de werkelijk gemaakte kosten.

 

6.2 Reikwijdte bouwkundige aanpassingen

Het college rekent de volgende uitgaven tot kosten van een woonvoorziening:

  • a.

    de aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening; wanneer de voorziening in zelfwerkzaamheid wordt getroffen, dan vervalt de post loonkosten en komen alleen de materiaalkosten voor vergoeding in aanmerking;

  • b.

    het architectenhonorarium, indien het noodzakelijk is dat een architect voor de woonvoorziening wordt ingeschakeld, tot ten hoogste 10% van de aanneemsom (exclusief B.T.W.) met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald in DNR2011 van de BNA.;

  • c.

    de leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening;

  • d.

    de verschuldigde en niet verrekenbare- of terugvorderbare omzetbelasting;

  • e.

    de prijs van grond, waarop het oprichten van een aanbouw, bijgebouw of nieuwbouw als onderdeel van de aanpassing noodzakelijk is, voor zover die aanbouw, bijgebouw of nieuwbouw niet kan worden gerealiseerd op de grond behorende bij de woning;

  • f.

    de door burgemeester en wethouders schriftelijk goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn;

  • g.

    de kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing;

  • h.

    de kosten van heraansluiting op de openbare nutsvoorziening;

  • i.

    de administratie- en begeleidingskosten die de verhuurder maakt ten behoeve van het treffen van een voorziening, voor zover de kosten onder a t/m f meer bedragen dan € 1000,-, 10% van die kosten met een maximum van € 350,-;

  • j.

    Overige kosten voor zover deze naar het oordeel van het college noodzakelijk zijn voor het aanpassen van de woning.

     

6.3. Verhuis- en inrichtingskosten

1.  Als eenmalige tegemoetkoming meerkosten ten behoeve van een verhuizing voor personen met een beperking of chronische problemen waarbij sprake is van het ‘primaat van verhuizen’, geldt als normbedrag € 2.365,-.

2. Burgemeester en wethouders kunnen een tegemoetkoming verlenen in de kosten van verhuizing en inrichting aan een persoon die op verzoek van de gemeente een aangepaste woning vrijmaakt ten behoeve van een belanghebbende die vanwege zijn beperking aanspraak kan maken op een aangepaste woning. In deze situatie geldt het volgende: De kosten van verhuizing én de kosten voor herinrichting worden vergoed.

Om de hoogte van het bedrag te bepalen wordt aangesloten bij het bedrag dat bij stadsvernieuwing wordt gehanteerd. De minimumbijdrage wordt ieder jaar voor 1 maart gewijzigd met het percentage van de inflatie over het voorgaande jaar (consumentenprijsindex). De actuele tekst van de regeling is vermeld in de Regeling minimumbijdrage verhuis- en inrichtingskosten bij renovatie.

 

6.4 Woningsanering

  • 1.

    Indien een woonvoorziening bestaat uit

  • a.

    een rolstoeltapijt welke noodzakelijk is voor het gebruik van de rolstoel binnenshuis, of:

  • b.

    een woningsanering welke volgens medisch advies noodzakelijk is wegens huisstof- of huismijtallergie, astma of een chronische bronchitis,

    kan een eenmalig persoonsgebonden budget voor vloerbedekking - inclusief rolstoeltapijt - en gordijnen worden verstrekt.

     

  • 2.

    Het eenmalig persoonsgebonden budget, zoals genoemd onder artikel 6.4 sub 1 van dit Besluit, is gelijk aan het normbedrag dat vermeld staat in de Prijzengids voor de bijzondere bijstand van het Nationaal instituut voor budgetvoorlichting (Nibud).  

  • 3.

    Het eenmalig persoonsgebonden budget is afhankelijk van de ouderdom van de te

    vervangen goederen:

- 0 tot 2 jaar oud: 100% van normbedrag;

- 2 tot 4 jaar oud: 75% van normbedrag;

- 4 tot 6 jaar oud: 50% van normbedrag;

- 6 tot 8 jaar oud: 25% van normbedrag;

- Ouder dan 8 jaar: geen eenmalig persoonsgebonden budget

 

6.5 Huurderving

Een bedrag voor huurderving wordt verstrekt indien een leegstaande woning is aangepast of voor een inwoner met beperkingen adequaat te maken is voor een bedrag van meer dan € 6.800. De tegemoetkoming is gemaximeerd op zes maanden waarin de woning op verzoek van de gemeente wordt vrij gehouden en/of ten gevolge van het realiseren van de woningaanpassing niet bewoond kan worden en op basis van de netto (kale) huurprijs. In bijzondere gevallen kan het college deze periode verlengen met maximaal zes maanden. De extra tegemoetkoming is dan gelijk aan de kosten van de kale huur over deze periode.

 

6.6 Tijdelijke huisvesting

1. Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van tijdelijke huisvesting een eenmalige tegemoetkoming meerkosten aan personen met een beperking of chronische problemen verlenen, indien deze moeten worden gemaakt in verband met het aanpassen van:

  • a.

    De huidige woonruimte van belanghebbende;

  • b.

    De door belanghebbende nog te betrekken woonruimte.  

  • 2.

    De eenmalige tegemoetkoming meerkosten ten behoeve van tijdelijke huisvesting wordt uitsluitend verleend voor de periode, waarin de aan te passen woonruimte ten gevolge van het realiseren van de woningaanpassing niet bewoond kan worden en belanghebbende als gevolg daarvan voor dubbele woonlasten komt te staan die redelijkerwijs niet voorkomen kunnen worden.  

  • 3.

    De hoogte van een eenmalige tegemoetkoming meerkosten ten behoeve van tijdelijke huisvesting bedraagt:

    • a.

      De werkelijke kosten - met een maximum van € 550,- per maand - in verband met het tijdelijk betrekken van zelfstandige woonruimte;

    • b.

      De werkelijke kosten - met een maximum van € 280, - per maand - in verband met het tijdelijk betrekken van niet-zelfstandige woonruimte. 

  • 4.

    De eenmalige tegemoetkoming meerkosten ten behoeve van tijdelijke huisvesting kan maximaal zes maanden worden verleend.

  •  

6.7 Bezoekbaar maken van de woning

Indien een aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een WLZ-instelling, kan een woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één woonruimte. Het gaat dan om een eenmalige tegemoetkoming meerkosten van maximaal € 2.000,00 voor personen met een beperking of chronische problemen die in een Wlz-instelling verblijven voor het bezoekbaar maken van een woning van een partner of familielid.

De aanvraag voor het bezoekbaar maken van een woning van een partner of familielid wordt aangevraagd door de aanvrager die zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-instelling. Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de aanvrager de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken en gebruiken.

 

6.8. Terugbetaling bij verkoop 

De hoogte van het terug te betalen bedrag als bedoeld in artikel 16 van de Verordening maatschappelijke voorzieningen gemeente  Berg en Dal 2016 bedraagt voor het eerste jaar 100% van de totale aanpassingskosten met een lineaire daling van 10% per jaar tot 10% in het tiende jaar.

 

Paragraaf 2.3. Verplaatsen en vervoer 

Artikel 7 Hoogte persoonsgebonden budget Rolstoelvoorzieningen

Het toe te kennen eenmalig persoonsgebonden budget voor een rolstoelvoorziening is gelijk aan de huurprijs per maand van de voorziening zoals die bij een verstrekking in natura in bruikleen door het college aan de contractleverancier betaald zou worden, vermenigvuldigd met  de gemiddelde levensduur (zie bijlage 1: gemiddelde levensduur hulpmiddelen Bvmo gemeente Berg en Dal 2017). In dit bedrag zijn de kosten van instandhouding, zoals onderhoud, reparatie en indien van toepassing, verzekering reeds opgenomen. Reparatiekosten die niet onder het onderhoudscontract vallen, worden, na goedkeuring van de offerte, vergoed op basis van de werkelijk gemaakte kosten.

 

Artikel 8 Vervoersvoorzieningen

8.1 Hoogte persoonsgebonden budget rijdend hulpmiddel.

Het toe te kennen eenmalig persoonsgebonden budget voor de aanschaf van een rijdend hulpmiddel is gelijk aan de huurprijs per maand van de voorziening zoals die bij een verstrekking in natura in bruikleen door het college aan de contractleverancier betaald zou worden, vermenigvuldigd met de gemiddelde levensduur (zie bijlage 1: gemiddelde levensduur hulpmiddelen gemeente Berg en Dal 2017). In dit bedrag zijn de kosten van instandhouding, zoals onderhoud, reparatie en indien van toepassing, verzekering reeds opgenomen. Reparatiekosten die niet onder het onderhoudscontract vallen, worden, na goedkeuring van de offerte, vergoed op basis van de werkelijk gemaakte kosten.

 

8.2 Hoogte persoonsgebonden budget trainingen gesloten buitenwagen en scootmobiel.

Het toe te kennen eenmalig persoonsgebonden budget voor een training om deel te nemen aan het verkeer met een gesloten buitenwagen of scootmobiel is gelijk aan de werkelijke kosten van de training zoals die door de gemeente in natura is ingekocht, met een maximum van 5 lessen.

 

8.3 Hoogte persoonsgebonden budget voor gebruik van een (eigen) auto of (rolstoel) taxi

  • 1.

    Ingeval een eenmalig persoonsgebonden budget wordt verstrekt voor gebruik van een (eigen)auto of een (rolstoel) taxi, is de hoogte daarvan afhankelijk van de feitelijke vervoersbehoefte waarbij wordt uitgegaan van een maximale vervoersbehoefte van 2250 kilometer per jaar. 

  • 2.

    Het eenmalig persoonsgebonden budget dat per jaar verstrekt wordt voor gebruik van een (eigen) auto bedraagt € 0,19 per kilometer. 

  • 3.

    Het eenmalig persoonsgebonden budget dat per jaar verstrekt wordt voor gebruik van een taxi bedraagt (conform de maximumtarieven taxi 2016) € 2,18 per kilometer. 

4. Het eenmalig persoonsgebonden budget dat per jaar verstrekt wordt voor gebruik van een rolstoeltaxi bedraagt (conform de maximumtarieven taxibus 2016) € 2,75 per kilometer. 

  • 5.

    Wanneer in het specifieke individuele geval wordt vastgesteld dat de vervoersbehoefte, die nodig is om maatschappelijk te participeren naar het oordeel van het college, groter is dan 2250 kilometer per jaar, kan een hoger eenmalig persoonsgebonden budget verstrekt worden.

 

8.4 Kinderen

Het toe te kennen eenmalig persoonsgebonden budget dat wordt verstrekt voor gebruik van auto, taxi of rolstoeltaxi door kinderen bedraagt:

  • -

    Bij kinderen > 4 jaar en < 12 jaar: de helft van het bedrag zoals genoemd in artikel 8.3 van dit Besluit;

  • -

    Bij kinderen >12 jaar: het volledige bedrag zoals genoemd in artikel 8.3 van dit Besluit;

 

8.5 Echtgenoten

  • 1.

    Indien de behoeften van echtgenoten samenvallen en gebruik kan worden gemaakt van dezelfde vervoersvoorziening, wordt aan beiden maximaal de helft van een enkele vergoeding toegekend van het van toepassing zijnde persoonsgebonden budget.  

  • 2.

    Indien de behoeften van echtgenoten niet samenvallen, wordt aan hen samen niet meer dan anderhalf maal een enkele vergoeding toegekend.

 

8.6 Vermindering persoonsgebonden budget bij personen met een (eigen) vervoermiddel

Het toe te kennen eenmalig persoonsgebonden budget dat wordt verstrekt voor gebruik van eigen auto, taxi of rolstoeltaxi wordt verminderd met 40% indien belanghebbende gebruik kan maken van een al of niet gesubsidieerd vervoersmiddel waarmee belanghebbende (deels) zelfstandig in de vervoersbehoefte kan voorzien.

 

8.7 Noodzakelijke begeleiding

Het bedrag in verband met noodzakelijke begeleiding wordt achteraf op declaratiebasis vergoed tegen het tarief van het openbaar vervoer. Dezelfde vergoeding geldt bij noodzakelijke reiskosten voor de mantelzorger bij verplaatsingen tussen de eigen woning en die van belanghebbende.

 

Paragraaf 2.4. Maatschappelijke participatie

Artikel 9 Sportvoorziening

9.1

Een eenmalige tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen ten behoeve van een sportvoorziening kan worden verstrekt, indien er sprake is van actieve sportbeoefening en er vanwege de beperking extra kosten worden gemaakt voor de aanschaf van zaken die nodig zijn bij deze sportbeoefening.

 

9.2

  • 1.

    De eenmalige tegemoetkoming voor een sportvoorziening bedraagt maximaal  

  • 2.

    Dit bedrag is bedoeld  als tegemoetkoming in aanschaf en onderhoud van een sportvoorziening voor een periode van drie jaar.

  • 3.

    Indien de sportvoorziening 3 jaar na verstrekking nog adequaat is, wordt geen voorziening als genoemd onder artikel 9.1 van dit Besluit verstrekt.

 

Paragraaf 2.5. Begeleiding

Artikel 10 Begeleiding

10.1 In Natura

De tarieven voor begeleiding in natura worden bepaald door de door de gemeente bedongen (uur)tarieven middels een aanbesteding.

 

10.2 Persoonsgebonden budget

De vaststelling van een persoonsgebonden budget ten aanzien van begeleiding vindt, afhankelijk van het type hulpverlener dat wordt ingezet, plaats in de vorm van een percentage van de bij aanbesteding bedongen uurtarieven voor begeleiding in natura. (Zie verder bij artikel 16.6)

 

Artikel 11 Maatwerkvoorziening opvang en beschermd wonen

Het college verstrekt de maatwerkvoorziening beschermd wonen overeenkomstig het daartoe vastgesteld beleid van de gemeente Nijmegen, de verordening maatschappelijke ondersteuning, het besluit maatschappelijke ondersteuning, de regels omtrent het persoonsgebonden budget in relatie tot beschermd wonen, de regels voor bijdrage in de kosten van beschermd wonen en de nadere regels van de centrumgemeente. Dit artikel is van toepassing op alle instellingen voor maatschappelijke opvang en voor opvang van personen die de huiselijke situatie hebben verlaten in verband met risico´s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld en waar voltijdopvang noodzakelijk is.

 

Artikel 12 Bijdrage in de kosten

Voor het vaststellen aan wie een bijdrage in de kosten wordt opgelegd bij de maatwerkvoorziening omgevingsbegeleiding, is bepalend op wiens naam deze voorziening wordt verstrekt.

Het betreft hier begeleiding van de omgeving van cliënten die in behandeling zijn. Staat de indicatie op naam van een minderjarige (wanneer de ouder of verzorger wordt begeleid in hoe om te gaan met de beperking van de minderjarige), dan is geen eigen bijdrage verschuldigd. In het geval dat het product wordt ingezet ten behoeve van de ouder en/of een volwassene zelf, dan is wel een eigen bijdrage verschuldigd.

 

HOOFDSTUK 3 JEUGDHULP

 

Artikel 12 Tarieven Jeugdhulp

12.1

De tarieven voor jeugdhulp in natura worden bepaald door de door de gemeente bedongen (uur)tarieven middels een aanbesteding.

12.2

De vaststelling van een persoonsgebonden budget ten aanzien van jeugdhulp vindt , afhankelijke van het type hulpverlener dat wordt ingezet, plaats in de vorm van een percentages van de bij aanbesteding bedongen uurtarieven voor Jeugdhulp in natura. (Zie verder bij artikel 16.6)

 

Artikel 13 Verstrekking in de vorm van een Persoonsgebonden budget

13.1

Volgens artikel 11 lid 7 van de Verordening jeugdhulp gemeente Berg en Dal 2016 is betaling aan personen uit het eigen netwerk uit een Pgb alleen toegestaan als dit aantoonbaar tot betere en efficiëntere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Aanvullend op deze voorwaarde uit de verordening geldt verder:

De persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt kan de jeugdhulp betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk onder de volgende voorwaarden:

  • 1.

    Voor gezinsleden binnen hetzelfde huishouden als de aanvrager kan de gemeente gebruik maken van de bepalingen rond gebruikelijke zorg die zijn vastgelegd in het protocol Gebruikelijke Zorg van het CIZ.

  • 2.

     Bij de beoordeling door het college of sprake is van hulp die anders zonder betaling geleverd zou worden uit het sociale netwerk van de cliënt spelen in elk geval de volgende aspecten een rol:

• het type hulp dat wordt geleverd;

• de frequentie van de hulp;

• is er sprake van een tijdelijke hulpvraag of van hulp over een lange periode;

• de mate van verplichting (kan degene die de hulp levert een keer overslaan als  hij/zij ziek is of op vakantie wil, of is dit niet mogelijk?).

 

Artikel 14 Deelproducten

De volgende deelproducten van individuele voorzieningen, zoals bedoeld in artikel 2 van de Verordening jeugdhulp gemeente Berg en Dal 2016 zijn beschikbaar:

*

 

Artikel 15 Familiegroepsplan

15.1

Teneinde de eigen kracht en regie te versterken stelt het college tijdens het vooronderzoek de jeugdige en zijn ouders op de hoogte van de mogelijkheid om binnen een redelijke termijn een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet op te stellen. Als de jeugdige en zijn ouders daarom verzoeken, draagt het college zorg voor ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan.

15.2

Als de jeugdige en zijn ouders een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet hebben opgesteld, betrekt het college dat als eerste bij het onderzoek, bedoeld in artikel 6 van de Verordening Jeugdhulp.

 

HOOFDSTUK 4 OVERIG

Paragraaf 4.1. Algemene regels over het persoonsgebonden budget

 

Artikel 16 Algemene regels over het persoonsgebonden budget

16.1 Verlening en vaststelling van een persoonsgebonden budget

 

  • 1.

    Een persoonsgebonden budget wordt verleend voor een periode die niet eerder aanvangt dan op de dag waarop het persoonsgebonden budget is aangevraagd.  

  • 2.

    Vaststelling van het persoonsgebonden budget vindt plaats na verantwoording, met uitzondering van het eenmalig persoonsgebonden budget voor de vervoerskosten voor het gebruik van een (eigen) auto of een (rolstoel)taxi. 

  • 3.

    Het is de budgethouder niet toegestaan om te schuiven tussen verschillende onderdelen waarvoor een budget is verstrekt (bijvoorbeeld tussen begeleiding en vervoer en hulp bij het huishouden.  

  • 4.

    Het is een budgethouder toegestaan om het ene onderdeel (geheel) in zorg in natura te ontvangen, terwijl een ander onderdeel (geheel) als pgb wordt bekostigd. (Bijvoorbeeld de logeeropvang in ZIN en de begeleiding als PGB ).  

  • 5.

    Wanneer een inwoner van de gemeente Berg en Dal aanspraak wil maken op een Pgb, dan dient deze hiervoor een Budgetplan aan de gemeente te overleggen. Behalve een plan voor de bekostiging van de benodigde zorg, wordt hierin ook aangegeven hoe men voldoet aan de voorwaarden uit de Jeugdwet (artikel 8.1.1, tweede lid) of de Wmo (voldoende eigen kracht, motivering en waarborgen voor de kwaliteit).

  • 6.

    Afhankelijk van het type hulp dat wordt gevraagd kunnen eisen worden gesteld om de kwaliteit van de zorg die via een Pgb wordt ingekocht te waarborgen. Bijvoorbeeld dat aan de gemeente wordt doorgegeven wie de hulp verleent, dat een VOG moet worden overgelegd of dat voor bepaalde vormen van hulp een geregistreerde professional nodig is. Voor jeugdhulp geldt daarnaast dat de zorgverlener in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) ingeschreven moet staan.

 

16.2 Budgetperiode en tussentijdse verstrekking

  • 1.

    Het eenmalig persoonsgebonden budget wordt geacht in ieder geval toereikend te zijn voor een periode overeenkomend met de gemiddelde levensduur (zie bijlage 1: gemiddelde levensduur hulpmiddelen Bvmo gemeente Berg en Dal 2017) die, voor zover van toepassing, geldt voor de met het persoonsgebonden budget te verwerven voorziening. 

  • 2.

    Indien de periode waarvoor een eenmalig persoonsgebonden budget is verstrekt nog niet is verstreken kan een –aanvullend- persoonsgebonden budget worden verstrekt in de volgende situaties:

    • 1.

      Er is sprake van gewijzigde omstandigheden die aanpassing dan wel vervanging van het hulpmiddel noodzakelijk maken

    • 2.

      Er is sprake van een calamiteit die belanghebbende niet te verwijten is.

 

16.3 Betaling van het eenmalig persoonsgebonden budget

 

  • 1.

    Het eenmalig persoonsgebonden budget wordt uitsluitend betaalbaar gesteld door overmaking op een door de aanvrager of diens gemachtigde opgegeven bankrekeningnummer.

  • 2.

    In overleg met de persoon aan wie het eenmalig persoonsgebonden budget is verleend, wordt het persoonsgebonden budget betaalbaar gesteld ná de dag waarop het besluit tot verlening aan belanghebbende verzonden is.

  • 3.

    Onverminderd het bepaalde in lid 2, wordt het eenmalig persoonsgebonden budget op een zodanig moment betaalbaar gesteld dat de aanvrager in staat is om de noodzakelijk geachte voorziening tijdig te realiseren.

  • 4.

    De uitbetaling van een eenmalig persoonsgebonden budget vindt in beginsel in één keer plaats. Een uitzondering geldt voor een eenmalig persoonsgebonden budget voor een woningaanpassing van meer dan € 10.000,- . Dit persoonsgebonden budget kan in termijnen worden verstrekt. Het schema van de periodieke betalingen wordt in overleg met de belanghebbende opgesteld.

  • 5.

    De (periodieke) betaling van een persoonsgebonden budget kan worden opgeschort als de aanvrager/budgethouder één of meer verplichtingen van dit Besluit of de Verordening niet nakomt.

 

16.4 Algemene verplichtingen

Bij de verlening van een persoonsgebonden budget worden de budgethouder de volgende verplichtingen opgelegd:

  • a.

    de budgethouder gebruikt het persoonsgebonden budget uitsluitend voor betaling van een voorziening(en) als genoemd in de toekenningsbeschikking en daaraan noodzakelijk verbonden kosten; 

  • b.

    De budgethouder dient zelf een aansprakelijkheidsverzekering te hebben (afgesloten) voor schade die door het gebruik van de voorziening aan derden kan ontstaan; 

  • c.

    De budgethouder dient zelf een voorziening die een motorrijtuig is in de zin van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) te verzekeren in overeenstemming met artikel 2 van die wet; 

  • d.

    De budgethouder bewaart de rekening(en) en betalingsbewijzen van de met het persoonsgebonden budget verworven geïndiceerde voorziening gedurende vijf jaar of, indien de normale afschrijvingsduur langer is dan deze termijn, in overeenstemming met deze langere termijn, en stelt deze, desgevraagd, ter beschikking van het college.

     

 

16.5 Bijzondere verplichtingen bij het persoonsgebonden budget voor dienstverlening:

Ten behoeve van de verlening van het persoonsgebonden budget op basis van het trekkingsrecht, levert de budgethouder alle noodzakelijke gegevens daarvoor aan bij de Sociale Verzekeringsbank.

In het kader van de invoering van het trekkingsrecht kan iedere gemeente enkele beleidskeuzes te maken. De gemeente Berg en Dal heeft de volgende keuzes gemaakt.

  • 1.

    Reiskosten die de zorgverlener maakt kunnen worden vergoed uit een PGB. Deze zijn onderdeel van het integrale pgb-tarief en het budgetplan.

  • 2.

    De SVB beoordeelt zelf afwijkende bestedingspatronen of voortijdig budget-uitputting. Hierover vindt communicatie naar gemeente plaats.

  • 3.

    Na overlijden van een budgethouder, kan de achterblijvende partner indien nodig nog maximaal 6 weken gebruik blijven maken van de dienstverlening die uit het Pgb wordt bekostigd.

  • 4.

    Het is de budgethouder NIET toegestaan om:

  • a.

    Een zorgovereenkomst met partner of familielid af te sluiten. In uitzonderingsgevallen is een zorgovereenkomst met een partner of familielid wel mogelijk: dit wordt n.a.v./in keukentafelgesprek bepaald;

  • b.

    Een feestdagen uitkering uit het Pgb uit te betalen;

  • c.

    Een deel van het Pgb aan te wenden als vrij besteedbaar bedrag;

  • d.

    Uit het Pgb een eenmalige uitkering uit te betalen;

  • e.

    Bemiddelingskosten te betalen uit Pgb;

  • f.

    Uit het Pgb extra kosten te betalen aan de aanbieder wanneer er via een acceptgiro wordt gefactureerd;

 

16.6 De hoogte van het persoonsgebonden budget voor diensten

1. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor diensten

a. wordt bepaald aan de hand van het ondersteuningsplan en het budgetplan en is afhankelijk van:

- De mate van de beperkingen die de cliënt ondervindt in zijn zelfredzaamheid en participatie;

- Het te bereiken resultaat zoals de cliënt en/of zijn ouders en de zorgaanbieder zijn overeengekomen;

- De begroting (budgetplan) voor de ondersteuning die de cliënt toevoegt bij het ondersteuningsplan.

Het PGB wordt op basis van deze begroting vastgesteld en is maximaal gelijk aan een percentage van de goedkoopst compenserende oplossing in natura. Dit percentage is afhankelijk van het type hulpverlener. Wanneer de budgethouder toch een duurdere voorziening wil inkopen, dan kan dit, maar betaalt de budgethouder het meerdere zelf.

b. is toereikend om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede hulp in te kopen.

2. Het maximale tarief is een all-in tarief waarin alle kostencomponenten zijn verdisconteerd. Hieronder vallen sowieso de volgende kosten: salaris, vervanging tijdens vakantie, werkgeverslasten, verzekeringen, reiskosten, arbeidsomstandigheden, administratie, regelkosten.

 

3. Gemeenten mogen verschillende tarieven hanteren, afhankelijk van de mate van deskundigheid van de ingehuurde ondersteuning. De hoogte van het persoonsgebonden budget is derhalve afhankelijk van het soort hulpverlener. De gemeente Berg en Dal onderscheidt de volgende types hulpverleners. (1)

a. Professionele zorgverlener: Het persoonsgebonden budget is maximaal gelijk aan 90 procent van het tarief voor de desbetreffende dienst van de door de gemeente in natura ingekochte goedkoopste aanbieder.

b. Niet professionele zorgverlener: Het persoonsgebonden budget bedraagt maximaal 75 procent van het tarief voor desbetreffende dienst van de door de gemeente in natura ingekochte goedkoopste aanbieder.

c. Een zorgverlener uit het eigen sociale netwerk; Het persoonsgebonden budget bedraagt maximaal 50 procent van het tarief voor de desbetreffende dienst van de door de gemeente in natura ingekochte goedkoopste aanbieder.

Ten aanzien van bovenstaande tarieven geldt dat voor het budget in elk geval minimumloon kan worden uitbetaald.

 

[1] BMC heeft onderzocht welke percentages per zorgverlener gehanteerd zouden kunnen worden voor het bepalen van de PGB tarieven als percentage van de ZiN-tarieven naar zorgsoort. Het advies was om de volgende percentages te hanteren: Instellingen 90% van ZiN zorgsoort tarief; gekwalificeerde ZZP’ers 75% van Zin zorgsoort tarief en Niet gekwalificeerde ZZP’ers 50% van ZiN zorgsoort tarief.

 

4. Wanneer in het specifieke individuele geval het tarief niet toereikend is om kwalitatief goede zorg in te kopen zal het tarief van de naar het oordeel van het college de goedkoopst passende voorziening in natura worden gehanteerd. Aanvullend kan ook altijd een beroep worden gedaan op de hardheidsclausule.

 

16.7 Weigering verstrekking persoonsgebonden budget

Verstrekking in de vorm van persoonsgebonden budget vindt niet of niet langer plaats als:

  • 1.

    op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget; 

  • 2.

    er sprake is van vastgesteld oneigenlijk gebruik of misbruik van een persoonsgebonden budget in het verleden; 

  • 3.

    er naar het oordeel van het college andere, zwaarwegende, bezwaren bestaan tegen de verstrekking.

 

Paragraaf 4.2. Slotbepalingen 

Artikel 17 Intrekken oude regeling en overgangsbepaling

17.1

Het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning en nadere regels Jeugdhulp gemeente Berg en Dal 2016 wordt ingetrokken per 1 januari 2017

17.2

1. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van het ‘Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning en nadere regels Jeugdhulp gemeente Berg en Dal 2016’ totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.

 

2. Aanvragen die zijn ingediend onder het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning en nadere regels Jeugdhulp gemeente Berg en Dal 2016 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van dit Besluit, worden afgehandeld krachtens onderhavig Besluit.

 

3. Op bezwaarschriften tegen een besluit dat is genomen op grond van het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning en nadere regels Jeugdhulp gemeente Berg en Dal 2016, wordt beslist met inachtneming van dat Besluit.

 

Artikel 18 Citeertitel

Deze regeling kan aangehaald worden als: “Nadere regels voorzieningen maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Berg en Dal 2017”.  

 

Artikel 19 Inwerkingtreding

Dit besluit treedt 1 dag na bekendmaking in werking en wordt toegepast per 1 januari 2017.

 

 

Groesbeek, 20 december 2016

Burgemeester en wethouders van Berg en Dal,

De secretaris, De burgemeester

Bijlage 1 Gemiddelde levensduur hulpmiddelen

 

Bijlage 1: gemiddelde levensduur hulpmiddelen gemeente Berg en Dal  2017 Afschrijvingstermijnen

 

Gemiddelde levensduur hulpmiddel in maanden

  

RV 1

  

 ROLSTOELEN ROLSTOEL VOORZIENINGEN

Subproductgroep 1A

Incidenteel gebruik

84

Subproductgroep 1B

Kinderbuggy

60

 

RV2

ROLSTOELEN VOORZIENINGEN

Subproductgroep 2A

Actief of semi-permanent gebruik vouwbaar

84

Subproductgroep 2B

Actief gebruik vast frame

84

Subproductgroep 2C

Kinderrolstoelen actief of semi-permanent

60

 

RV3

ROLSTOELEN VOORZIENINGEN

Subproductgroep 3A

Permanent gebruik kantelbaar

60

Subproductgroep 3B

Kinder duwwandelwagen

60

Subproductgroep 3C

Kinderrolstoelen permanent gebruik kantelbaar

60

 

RV4

ROLSTOELEN VOORZIENINGEN

Subproductgroep 4A

Primair geschikt voor gebruik binnenshuis en secundair buitenshuis

84

Subproductgroep 4B

Geschikt voor gebruik buitenshuis en binnenshuis

84

Subproductgroep 4C

Kinderrolstoelen geschikt voor gebruik binnenshuis en buitenshuis

84

 

RV5

ROLSTOELEN VOORZIENINGEN

Subproductgroep 5A

Hulpmotor te integreren met rolstoel uit 1B, 1C, 1F en 1G

84

 

VV1

VERVOERSVOORZIENINGEN

Subproductgroep 6A

Driewiel compact maximaal 10 km per uur

84

Subproductgroep 6B

Driewiel maximaal 12 km per uur

84

Subproductgroep 6C

Driewiel maximaal 15 km per uur

84

Subproductgroep 6D

Driewiel extra geveerd maximaal 15 km per uur

84

 

VV2

VERVOERSVOORZIENINGEN

Subproductgroep 7A

Voor volwassenen

84

Subproductgroep 7B

Voor volwassenen met hulpmotor

84

Subproductgroep 7C

Voor kinderen

60

Subproductgroep 7D

Voor kinderen met PAS motor

60

Subproductgroep 7E

Rolstoelfiets

84

Subproductgroep 7F

Duofiets/tandem

84

Subproductgroep 7G

Duofiets waarbij men naast elkaar zit

84

Subproductgroep 7H

Tweewielfietsen

84

Subproductgroep 7I

Handbikes te combineren met rolstoelen uit 1C en 1D

84

Subproductgroep 7J

Handbikes met (hulp)motor te combineren met rolstoelen uit 1C en 1D

84

 

VV3

VERVOERSVOORZIENINGEN

Subproductgroep 8A

Autostoeltjes / fixatiesysteem

60

Subproductgroep 8B

Autostoeltjes zwenkbaar

60

Subproductgroep 8C

Aanhangwagen t.b.v fiets

60

 

WV1

WOONVOORZIENINGEN

Subproductgroep 9A

Tilliften t.b.v. een actieve tilhandeling

84

Subproductgroep 9B

Tilliften t.b.v. een passieve tilhandeling

84

 

WV2

WOONVOORZIENINGEN

Subproductgroep 10A

Toiletstoelen op poten

60

Subproductgroep 10B

Douchestoelen op poten

60

Subproductgroep 10C

Douche- toiletstoelen met wielen en hoepels of vier beremde zwenkwielen

84

Subproductgroep 10D

Douche- toiletstoel verrijdbaar, kantelbaar en in hoogte verstelbaar

84

Subproductgroep 10E

Kinder douche- toiletstoelen

60

Subproductgroep 10F

Kinder badzitje

60

Subproductgroep 10G

Badplanken

60

Subproductgroep 10H

Toiletbril-verhogers met geïntegreerde armondersteuning

60

Subproductgroep 10I

Douchestretchers

84

Subproductgroep 10J

Transferhulpmiddelen

60

Subproductgroep 10K

Badliften

60

 

 

 

Bijlage 2 Prijslijst kleine woningaanpassingen 2017

 

Omschrijving

Aantal plus toelichting

 Materiaal- prijs

Tijd

Arbeidsloon (Uurloon 2016 excl.)

 Toeslag bevestigings materiaal

 Totaal. Ex. BTW

Opmerkingen

€ 42,69

Antisliptegel per m2 R10

 

 € 26,21

1

 € 42,69

 € 27,86

 € 96,77

Antisliptegel per m2 , incl.slopen en afvoeren bestaande vloer

 

 € 42,38

2

 € 85,38

 € 88,12

 € 215,88

Vervangen doucheput en dorpel niet in de prijs.

Dubbele steunpoot voor douchezit Handicare

 

 € 98,08

0,5

 € 21,35

5%

 € 124,33

 

Opklapbare douchezit Handicare

 

 € 143,51

2

 € 85,38

5%

 € 236,06

 

Opklapbare douchezit met rugleuning Handicare

 

 € 242,62

2

 € 85,38

5%

 € 340,13

 

Opklapbare douchezit met rug- en armleuning Handicare

 

 € 277,72

2

 € 85,38

5%

 € 376,99

 

Rolstoeldrempel kunststof binnenshuis, incl. verwijderen dorpel

 

 € 22,20

1

 € 42,69

 

 € 64,89

 

Wandcontactdoos ra dubbel lengte 10 mtr.

 

 € 322,72

 

 

 

 € 322,72

 

Verstelbare papegaai voor wandbevestiging Handicare

 

 € 196,16

1

 € 42,69

5%

 € 248,66

 

Triangel papegaai plafondmontage Handicare

 

 € 77,43

1

 € 42,69

5%

 € 123,99

 

Opklapbare toiletbeugel Handicare 50 cm

 

 € 99,11

1

 € 42,69

5%

 € 146,76

 

Opklapbare toiletbeugel Handicare 60 cm

 

 € 101,18

1

 € 42,69

5%

 € 148,93

 

Opklapbare toiletbeugel Handicare 70 cm

 

 € 103,24

1

 € 42,69

5%

 € 151,09

 

Opklapbare toiletbeugel Handicare 80 cm

 

 € 106,34

1

 € 42,69

5%

 € 154,35

 

Opklapbare toiletbeugel Handicare 90 cm

 

 € 108,40

1

 € 42,69

5%

 € 156,51

 

Statief voor opklapbare toiletbeugel Handicare

 

 € 114,60

1,5

 € 64,04

5%

 € 184,37

 

Vaste toiletbeugel Handicare 30 cm

 

 € 37,17

1

 € 42,69

5%

 € 81,72

 

Vaste toiletbeugel Handicare 40 cm

 

 € 38,20

1

 € 42,69

5%

 € 82,80

 

Vaste toiletbeugel Handicare 50 cm

 

 € 40,26

1

 € 42,69

5%

 € 84,97

 

Vaste toiletbeugel Handicare 60 cm

 

 € 42,33

1

 € 42,69

5%

 € 87,14

 

Vaste toiletbeugel Handicare 70 cm

 

 € 47,49

1

 € 42,69

5%

 € 92,56

 

Linido wastafelbeugel wit (max wastafel 60x45)

 

 € 205,45

1

 € 42,69

5%

 € 258,41

 

Wastafel beugel verwijderen

 

 € 1,03

0,5

 € 21,35

 

 € 22,38