Gemeenteblad van Gooise Meren

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Gooise MerenGemeenteblad 2017, 112826Verordeningen



Nadere regels behorende bij de Verordening jeugdhulp naam gemeente Gooise Meren 2017

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren ,

overwegende dat het wenselijk is nadere regels vast te stellen voor de uitvoering van de Jeugdwet en de Verordening jeugdhulp gemeente Gooise Meren 2017;

gelet op artikel 156 van de Gemeentewet, de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, van de Jeugdwet en gelet op de Verordening jeugdhulp Gooise Meren 2017;

besluit vast te stellen de volgende Nadere regels behorende bij de V erordening jeugdhulp gemeente Gooise M eren 2017 :

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1.

    De begrippen die in deze nadere regels worden gebruikt, hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet, het Besluit Jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht, de Wet bescherming persoonsgegevens en de Verordening jeugdhulp gemeente Gooise meren 2017.

  • 2.

    In deze nadere regels wordt verstaan onder verordening , de Verordening jeugdhulp gemeente Gooise meren 2017.

  • 3.

    In deze nadere regels wordt verstaan onder Regeling Jeugdwet de Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie houdende nadere regels op grond van de Jeugdwet.

Hoofdstuk 2 Voorzieningen

Artikel 2 Vormen van jeugdhulp

  • 1.

    De beschikbare voorzieningen bestaan uit:

    • a.

      algemene voorzieningen in de vorm van:

      • i.

        informatie en advies over opvoeden en opgroeien;

      • ii.

        basisondersteuning, lichte ondersteuning en lichte hulp;

      • iii.

        jeugdgezondheidszorg;

      • iv.

        welzijnsactiviteiten;

      • v.

        kindertelefoon.

    • b.

      individuele voorzieningen aangeboden door jeugdhulpaanbieders die door de gemeente zijn gecontracteerd of gesubsidieerd.

  • 2.

    Het gewenst te bereiken resultaat bepaalt welke voorziening ingezet dient te worden om dit resultaat te bereiken.

  • 3.

    Wanneer mogelijk wordt het resultaat bereikt door inzet van een algemene voorziening.

  • 4.

    Het college kan een individuele voorziening verlenen om het gewenste resultaat te bereiken.

Hoofdstuk 3 Toegang

Artikel 3 Toekenning van een individuele voorziening

  • 1.

    Het college beslist op een aanvraag om een individuele voorziening.

  • 2.

    Het college kan een individuele voorziening op aanvraag toekennen, indien jeugdige of zijn ouders problemen hebben met gezond en veilig opgroeien, met groeien naar zelfstandigheid en met voldoende zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, en zij die niet kunnen oplossen door gebruik te maken van:

    • a.

      eigen kracht en/of;

    • b.

      gebruikelijke hulp en/of;

    • c.

      mantelzorg en/of;

    • d.

      hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk en/of hulp van vrijwilligers;

    • e.

      algemene voorzieningen en/of;

    • f.

      andere voorzieningen.

  • 3.

    Indien meerdere voorzieningen als passend aan te merken zijn, kent het college de goedkoopste voorziening toe.

Artikel 4 Vastlegging resultaat

  • 1.

    De inzet van de voorziening heeft tot doel het door cliënt gewenste resultaat te bereiken.

  • 2.

    Het college legt bij beschikking vast welke resultaten cliënt wil bereiken en welke voorziening(en) het college treft om het resultaat te bereiken. Het moet daarbij gaan om (een) voorziening(en), waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld:

    • a.

      gezond en veilig op te groeien;

    • b.

      te groeien naar zelfstandigheid, en

    • c.

      voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.

Artikel 5 Inzet individuele voorziening

  • 1.

    Het college draagt zorg voor de inzet van een individuele voorziening, indien een verwijzing zoals bedoeld in artikel 6 van de verordening is afgegeven.

  • 2.

    Het college draagt zorg voor de inzet van een individuele voorziening, indien dit nodig wordt geacht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, bij de uitvoering van jeugdreclassering of bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing zoals bedoeld in artikel 7 van de verordening.

  • 3.

    Indien meerdere voorzieningen als passend aan te merken zijn, zet het college de goedkoopst passende voorziening in.

Hoofdstuk 4 Persoonsgebonden budget.

Artikel 6 Voorwaarden bij verstrekking persoonsgebonden budget

  • 1.

    Het college verstrekt een persoonsgebonden budget wanneer wordt voldaan aan de voorwaarden ter zake uit de Jeugdwet, de Regeling Jeugdwet of de verordening.

  • 2.

    Indien de jeugdige of de ouder de individuele voorziening als een persoonsgebonden budget verstrekt krijgt, gelden de volgende voorwaarden:

    • a.

      indien de jeugdige of zijn ouders zorg inkopen bij derden, zijn zij verplicht een zorgovereenkomst af te sluiten met deze zorgverlener(s);

    • b.

      het is niet toegestaan bemiddelingskosten of administratiekosten te betalen vanuit het persoonsgebonden budget;

    • c.

      de werkgeverslasten worden uit het persoonsgebonden budget betaald ;

    • d.

      het is niet toegestaan de zorgverlener een eenmalige uitkering te verstrekken vanuit het persoonsgebonden budget;

    • e.

      het is toegestaan de zorgverlener reiskosten te vergoeden vanuit het persoonsgebonden budget;

    • f.

      het is toegestaan de zorgverlener een feestdagenuitkering van maximaal € 200,- te verstrekken vanuit het persoonsgebonden budget;

    • g.

      indien het persoonsgebonden budget aan het eind van het kalenderjaar niet geheel is besteed, kan de jeugdige of zijn ouder aanspraak maken op een verantwoordingsvrij bedrag van maximaal € 100,-;

    • h.

      indien de houder van het persoonsgebonden budget overlijdt, is het toegestaan om ten laste van het persoonsgebonden budget aan de zorgverlener(s) die werknemer of opdrachtnemer is c.q. zijn van de budgethouder een eenmalige uitkering te verstrekken ter hoogte van het periodebedrag voor vier weken.

Artikel 7 Voorwaarden inzet persoonsgebonden budget binnen sociaal netwerk

De persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, kan de jeugdhulp alleen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, wanneer er sprake is van een beperking en deze vorm van ondersteuning noodzakelijk is voor het kunnen wonen en functioneren van de jeugdige binnen het eigen gezin. Voor deze vorm van besteding van persoonsgebonden budget gelden de volgende voorwaarden:

  • a.

    de hulp is niet goed vooraf in te plannen;

  • b.

    de hulp moet op ongebruikelijke tijden geleverd worden;

  • c.

    de hulp moet op veel korte momenten per dag geboden worden;

  • d.

    de hulp moet op verschillende locaties worden geleverd;

  • e.

    de hulp moet 24 uur per dag en op afroep beschikbaar zijn;

  • f.

    de hulp moet geboden worden door een persoon waarmee de jeugdige geen hechtings- of contactprobleem heeft.

  • g.

    de hulp is alleen toegestaan voor persoonlijke verzorging, kortdurend verblijf en begeleiding.

Artikel 8 Kwaliteitseisen inzet persoonsgebonden budget

  • 1.

    Voor de zorg die met een persoonsgebonden budget wordt ingekocht bij een professionele zorgaanbieder, gelden dezelfde kwaliteitseisen als voor vergelijkbare voorzieningen in natura.

  • 2.

    Voor de zorg die verleend wordt door een niet-professionele ondersteuner zijn de volgende kwaliteitseisen van toepassing:

    • a.

      de persoon verleent verantwoorde hulp, waaronder wordt verstaan hulp van een goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig, en cliëntgerichtheid wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige en de ouder

    • b.

      de kwaliteit van de voorziening moet voldoende zijn om de gestelde doelen in het budgetplan te kunnen realiseren;

    • c.

      de geleverde voorziening is afgestemd op de persoonlijke situatie van de aanvrager en de eventuele andere vormen van hulp en/of zorg in het gezin;

    • d.

      de persoon meldt iedere calamiteit en ieder geweld die bij de verlening van jeugdhulp of de uitvoering ervan plaatsvindt bij de Inspectie Jeugdzorg en het college;

    • e.

      de persoon stelt een vertrouwenspersoon in de gelegenheid zijn taak uit te voeren.

Hoofdstuk 5 Betrekken ingezetenen

Artikel 9 Participatie van jeugd en ouders

Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp. Het gaat daarbij om regionale participatie van zowel jeugd als ouders, ingebed binnen een bestaande, periodieke participatie-structuur, voorzien van ambtelijke ondersteuning en/of door de gemeente ingekochte ondersteuning.

Hoofdstuk 10 Slotbepalingen

Artikel 10 Inwerkingtreding

  • 1.

    De Nadere regels behorende bij de Verordening jeugdhulp gemeente Gooise Meren worden ingetrokken.

  • 2.

    Deze nadere regels treden gelijktijdig in werking met de inwerkintreding van de Verordening Jeugdhulp gemeente Gooise Meren 2017.

Artikel 11 Citeertitel

Deze nadere regels kunnen worden aangehaald als: “Nadere regels behorende bij de Verordening Jeugdhulp gemeente Gooise Meren 2017”.

Aldus besloten door het college van burgemeester en wethouders van gemeente Gooise Meren van 24 april 2017,

D.J. van Huizen

de secretaris

drs. H.M.W. ter Heegde

de burgemeester

Toelichting op de Nadere regels behorende bij de Verordening jeugdhulp gemeente Gooise Meren 2017

Algemene toelichting

Deze nadere regels zijn algemeen verbindende voorschriften ter uitwerking van onderdelen van de Verordening jeugdhulp gemeente Gooise Meren 2017. Zaken die in de verordening Jeugdhulp op hoofdlijnen zijn benoemd, worden uitgewerkt in de nadere regels. De juridische status van nadere regels is verankerd in artikel 156 van de Gemeentewet. De nadere regels zijn vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente.

Naast deze nadere regels heeft het college ook beleidsregels vastgesteld waarin is aangegeven hoe het college omgaat met een bepaalde bevoegdheid (normen- c.q. afwegingskader).

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

Dit artikel spreekt voor zich.

Hoofdstuk 2 Voorzieningen

Artikel 2 Vormen van jeugdhulp

Lid 1

Het gemeentelijk beleid inzake preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering is gericht op:

  • a.

    het voorkomen van, vroegsignalering van en vroege interventie bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen;

  • b.

    het versterken van het opvoedkundige klimaat in gezinnen, wijken, buurten, scholen, kinderopvang en peuterspeelzalen;

  • c.

    het bevorderen van de opvoedvaardigheden van de ouders, zodat zij in staat zijn hun verantwoordelijkheid te dragen voor de opvoeding en het opgroeien van jeugdigen;

  • d.

    het inschakelen, herstellen en versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, zijn ouders en de personen die tot hun sociale omgeving behoren, waarbij voor zover mogelijk wordt uitgegaan van hun eigen kracht en inbreng;

  • e.

    het bevorderen van de veiligheid van de jeugdige in de opvoedsituatie waarin hij opgroeit;

  • f.

    integrale hulp aan de jeugdige en zijn ouders, indien sprake is van multiproblematiek, en

  • g.

    het tot stand brengen en uitvoeren van familiegroepsplannen en het verlenen van hulp op basis van familiegroepsplannen.

De gemeente zet algemene voorzieningen en individuele voorzieningen in om dit beleid te realiseren. Dit artikel geeft een beeld van deze beschikbare voorzieningen.

Lid 1 ad b

De gemeente heeft jeugdhulpaanbieders gecontracteerd of gesubsidieerd zodat de individuele voorzieningen in natura kunnen worden ingezet. Op de website van de Regio Gooi en Vechtstreek staat de meest actuele informatie over de gesubsidieerde en gecontracteerde jeugdhulpaanbieders en over de vormen en methodieken van de jeugdhulp die zij aanbieden.

Lid 2, 3 en 4

Algemene voorzieningen zijn in de regel toereikend voor jeugdigen en ouders met eenvoudige hulpvragen en lichte ondersteuningsbehoefte. Zij kunnen gebruik maken van laagdrempelige vrij toegankelijke ondersteuning. Het gaat dan om preventieve en lichte vormen van zorg in de vorm van (welzijns)activiteiten, informatie en advies, en lichte ondersteuning en hulp. Dit wordt bijvoorbeeld geboden door Jeugdgezondheidszorg (JGZ), het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) , het Regionaal Leerlingenbureau (RBL), de welzijnsorganisatie Versa, welzijnswerk voor jongeren door STAD en (school)maatschappelijk werk (organisaties ten tijde van het opstellen van deze regeling).

Een individuele voorziening wordt alleen ingezet als het gewenste resultaat niet met een algemene voorziening kan worden bereikt. Eigen kracht staat voorop. Het gaat bij individuele voorzieningen dan ook om zwaardere vormen van zorg die niet vrij toegankelijk zijn. Het zijn vaak de kwetsbare gezinnen of kinderen met intensieve ondersteuningsbehoefte die een individuele voorziening nodig hebben om het gewenste resultaat te bereiken. Er is sprake van maatwerk op het gebied van ambulante hulpverlening, dagbehandeling, pleegzorg, residentiële zorg en crisishulp.

Hieronder vallen o.a.:

  • -

    ambulante jeugdhulptrajecten gericht op jeugdige en/of gezinssysteem, w.o. begeleiding en intensieve dagbehandeling;

  • -

    dag- of weekendopvang (respijtzorg);

  • -

    intensieve en meer langdurige interventies gericht op behandeling, herstel en/of rehabilitatie;

  • -

    inzet van (tijdelijke) vervangende opvoedsituatie

  • -

    verblijf van jeugdigen buiten de gewone leef/gezinssituatie (residentieel of als pleegzorg);

  • -

    inzet van spoedzorg en crisisopvang

  • -

    specialistische diagnostiek.

Deze individuele voorzieningen verstrekt het college in het vrijwillig kader, maar deze kunnen ook ingezet worden bij drang en dwangtrajecten.

Hoofdstuk 3 Toegang

Artikel 3 Toekenning van een individuele voorziening

Dit artikel sluit aan op artikel 2.3 van de Jeugdwet.

Strekking is dat het college een individuele voorziening jeugdhulp toekent als er sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn om de jeugdige in staat te stellen gezond en veilig opgroeien, te groeien naar zelfstandigheid en naar voldoende zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie.

Het gaat dus om het bereiken van de doelen. Als die zonder inzet van een individuele jeugdhulpvoorziening bereikt kunnen worden door inzet van:

  • a.

    eigen kracht en/of;

  • b.

    gebruikelijke hulp en/of;

  • c.

    mantelzorg en/of;

  • d.

    hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk en/of hulp van vrijwilligers;

  • e.

    algemene voorzieningen en/of;

  • f.

    andere voorzieningen;

dan is toekenning van een individuele voorziening niet aangewezen om de aanwezige problemen of stoornissen op te lossen.

Artikel 4 Vastlegging resultaat

Het college legt het besluit op de aanvraag vast in een beschikking. Ook als sprake is van een (gedeeltelijke) afwijzing moet het college dit doen, ook uit oogpunt van rechtsbescherming. Bij een (gedeeltelijke) afwijzing staat dan vervolgens bezwaar en beroep open voor belanghebbenden.

In een (deels) afwijzende beschikking wordt duidelijk gemotiveerd waarom de individuele voorziening niet wordt toegekend.

In artikel 21 van de verordening staat duidelijk aangegeven wat de beschikking in ieder geval moet vermelden. De beschikking dient o.a. het resultaat te vermelden dat beoogd wordt om met de voorziening te bereiken.

In de nadere regels is nader gespecificeerd waar dit resultaat aan dient bij te dragen: gezond en veilig opgroeien, groeien naar zelfstandigheid, zelfredzaamheid en maatschappelijk participeren (meedoen).

Artikel 5 Inzet individuele voorziening

Lid 1

Huisarts, jeugdarts of medisch specialist kunnen doorverwijzen naar jeugdhulp. De gemeente verstrekt deze hulp, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder waarnaar is doorverwezen van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.

Lid 2

Gecertificeerde instellingen vragen gemeenten regelmatig om jeugdhulp in te zetten tijdens een ondertoezichtstelling. De gemeente krijgt daartoe een 'bepaling jeugdhulp' van de gecertificeerde instelling.

De wetgever heeft expliciet bepaald dat de gecertificeerde instelling tijdens de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel en bij jeugdreclassering bevoegd is te bepalen welke jeugdhulp nodig is (artikel 3.5 lid 1 Jeugdwet). In deze situatie heeft het college die bevoegdheid dus niet. Het is dan ook niet toegestaan om in dat geval zelf een beschikking af te geven. Het college heeft hier enkel een leveringsplicht. Het moet ervoor zorgen dat de jeugdhulp die nodig is ook ingezet wordt (artikel 2.4 lid 2 onderdeel b Jeugdwet).

Het kan zijn dat een persoonsgebonden budget gewenst is voor de in te zetten jeugdhulp. In dat geval moeten jeugdige/ouders of gecertificeerde instelling als belanghebbende daarvoor een aanvraag indienen bij de gemeente. Of zij in aanmerking komen voor het persoonsgebonden budget wordt in dat geval wél bepaald door de gemeente (het college). De beslissing op de aanvraag persoonsgebonden budget dient dan wel vastgelegd te worden in een beschikking.

Hoofdstuk 4 Persoonsgebonden budget

Artikel 6 Voorwaarden bij verstrekking persoonsgebonden budget

Lid 1

De Jeugdwet, de verordening en de nadere regels geven samen een beeld over de toekenning van, de hoogte van en de inzet van een persoonsgebonden budget.

Er is sprake van een volledige keuzevrijheid tussen een voorziening in natura en een persoonsgebonden budget. Dat betekent dat als de jeugdige of zijn ouders voldoet aan de voorwaarden uit Jeugdwet en verordening voor een persoonsgebonden budget, het college dit moet verstrekken. Dit geldt ook nu het college van mening is dat zij een beschikt over een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod van hulp in natura.

Lid 2 onderdeel a

De SVB heeft (digitaal) modelovereenkomsten opgesteld. Op grond van artikel 8b Regeling Jeugdwet 1 moeten deze modelovereenkomsten als basis worden gebruikt door de budgethouders en degenen die de jeugdhulp gaan leveren. Op deze wijze zal de SVB de overeenkomsten sneller en makkelijker kunnen verwerken. De bepalingen van de modelovereenkomst mogen niet worden geschrapt of aangepast. Er blijft wel ruimte om aanvullende afspraken in de overeenkomsten op te nemen.

Lid 2 onderdeel c

Als de budgethouder zorg inkoopt met een persoonsgebonden budget, wordt deze werkgever of opdrachtgever van de zorgverlener. De budgethouder betaalt een loon of vergoeding vanuit het persoonsgebonden budget. Over een loon of vergoeding moeten altijd belastingen en premies worden betaald. In beide gevallen dient dus afdracht aan de Belastingdienst plaats te vinden.

De budgethouder is werkgever als hij een arbeidsovereenkomst met zijn zorgverlener afsluit voor minimaal 4 dagen per week. Daarbij is sprake van een overeenkomst met inhoudingen loonheffingen en moet de budgethouder ook werkgeverslasten betalen. De werkgeverslasten zijn ongeveer 20 procent van het bruto loon. Het afsluiten van zo een overeenkomst kan zowel met een professional als met een niet-professionele ondersteuner.

De SVB ondersteunt de budgethouder bij de administratieve afwikkeling als volgt:

  • SVB betaalt de zorgverlener een nettoloon uit het PGB

  • SVB betaalt de verplichte belasting en premies aan de Belastingdienst

  • SVB stuurt de budgethouder elke maand een loonstrook

  • SVB onderhoudt het contact met de Belastingdienst

  • SVB verzorgt de jaaropgave voor de zorgverlener

De werkgeverslasten dienen uit het persoonsgebonden budget te worden betaald. Daarbij blijft wel gelden dat de hoogte van het persoonsgebonden budget ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura bedraagt (artikel 23 van de Verordening).

Lid 2 onderdeel g

De SVB geeft aan dat een eenmalige uitkering bij overlijden van cliënt mogelijk is, indien dit in de nadere regels is opgenomen. De eenmalige uitkering is bedoeld voor zorgverleners die werknemer of opdrachtnemer zijn van de budgethouder en die plotseling zonder werk komen door de beëindiging van een zorgovereenkomst. Een eenmalige uitkering in die situatie verstrekken is redelijk uit oogpunt van goed werkgeverschap

Artikel 7 Voorwaarden inzet persoonsgebonden budget binnen sociaal netwerk

Deze voorwaarden zijn een uitwerking van artikel 24 lid 1 onderdeel a van de verordening. De voorwaarden zijn opgenomen om te toetsen of de inzet van het persoonsgebonden budget binnen sociaal netwerk aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en doelmatiger is dan de inzet van een zorgvoorziening in natura of een voorziening bekostigd uit een persoonsgebonden budget voor een professiona

Artikel 8 Kwaliteitseisen inzet persoonsgebonden budget

De voorwaarden in dit artikel waarborgen dat de kwaliteit van de jeugdhulp ingezet met een persoonsgebonden budget goed is. De kwaliteitseisen voor de vergelijkbare voorzieningen in natura zijn gepubliceerd op de website van de Regio Gooi en Vechtstreek (https://www.regiogv.nl/).

Lid 2 onderdeel d

Het gaat bij jeugdhulp om kwetsbare jeugdigen. Dan is het noodzakelijk dat in geval van calamiteit of geweld melding plaatsvindt. Onder calamiteit en geweld wordt hier verstaan calamiteit en geweld zoals gedefinieerd in artikel 1.1 van de Jeugdwet. Ook professionele aanbieders dienen hiervan melding te doen op grond van de Jeugdwet.

De Jeugdwet verstaat (in het kort geformuleerd) onder een calamiteit dan een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van de jeugdhulp en die tot een ernstig schadelijk gevolg voor of de dood van een jeugdige of een ouder heeft geleid. Onder geweld verstaat de Jeugdwet geweld bij de verlening van jeugdhulp: lichamelijk, geestelijk of seksueel geweld of bedreiging daarmee.

Lid 2 onderdeel e

Jeugdigen en hun ouders moeten een beroep kunnen doen op een onafhankelijk vertrouwenspersoon. Daarom moeten jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen een vertrouwenspersoon in de gelegenheid stellen zijn werk te doen (artikel 4.1.9 Jeugdwet). Voor alle duidelijkheid is hier opgenomen dat ook een niet-professionele ondersteuner een vertrouwenspersoon in de gelegenheid moet stellen zijn taak uit te voeren.

Hoofdstuk 5 Betrekken ingezetenen

Artikel 9 Participatie van jeugd en ouders

Artikel 2.9 van de Jeugdwet verwijst naar de bepalingen in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (art. 9, 11 en 12), die gemeenten verplichten het cliënt- en inwonerperspectief te betrekken bij de beleidsvoorbereiding en monitoring van de uitkomsten van jeugdbeleid.

Hiernaast heeft de gemeenteraad op basis van artikel 150 Gemeentewet een inspraak- en participatieverordening vastgesteld. Deze verordening en de toelichting daarop beschrijft de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden worden betrokken bij beleidsvorming van de gemeente.

Voor het betrekken van ingezetenen bij jeugdbeleid sluit het college aan bij het juridische kader uit de Wmo en de Jeugdwet en bij het juridisch kader van de inspraak- en participatieverordening. Dit betekent het volgende in de praktijk.

Inwoners worden betrokken bij de beleidsvoorbereiding en worden in de gelegenheid gesteld zelfstandig voorstellen te doen voor beleid. Om dit te kunnen doen, worden zij door de gemeente geïnformeerd hoe zij dit kunnen doen. Informatieverstrekking en ophalen van cliënt en inwonersperspectief is de afgelopen jaren o.a. via de regionaal georganiseerde Samenkracht! bijeenkomsten gebeurd. Hiernaast functioneert regionaal een kerngroep jeugd en een kerngroep ouders die regelmatig bevraagd worden.

Er zijn ook burgers die hun belangen niet goed kenbaar kunnen maken. De gemeente achterhaalt ook hun behoeften in regionaal georganiseerde cliëntbijeenkomsten.

Ook in de toekomst haalt het college het cliënt en inwonersperspectief via regionale bijeenkomsten op.

Voordat het jeugdbeleid wordt voorgelegd aan de gemeenteraad vraagt het college hierover een advies aan cliëntvertegenwoordigers en aan de lokale adviesraad Sociaal domein.

Er wordt jaarlijks een tevredenheidsonderzoek gehouden onder vragers van jeugdhulp.

Hoofdstuk 6 Slotbepalingen

Artikel 10 Inwerkingtreding

Artikel 11 Citeertitel

Deze bepaling en spreken voor zich.