Gemeenteblad van Zeist

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
ZeistGemeenteblad 2017, 102455Verordeningen



Algemene plaatselijke verordening Zeist 2017

De raad van de gemeente Zeist;

gelezen het voorstel van het college van 04 april 2017

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;

overwegende dat het aanbeveling verdient regels te stellen ter handhaving van de openbare orde;

B E S L U I T:

vast te stellen de volgende Algemene plaatselijke verordening

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1:1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    Openbare plaats: een voor het publiek toegankelijke plaats, waaronder begrepen de weg als bedoeld onder b;

  • b.

    Weg: de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;

  • c.

    Openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

  • d.

    Bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;

  • e.

    Rechthebbende: degene die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;

  • f.

    Bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1.1 van de bouwverordening;

  • g.

    Gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet;

  • h.

    Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;

  • i.

    College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist;

  • j.

    Burgemeester: de burgemeester van de gemeente Zeist;

  • k.

    Bestuursorgaan: bestuursorgaan zoals bedoeld in artikel 1:1 van de Algemene wet bestuursrecht dat bevoegd is te beslissen en bevoegd gezag, zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

Artikel 1:2 Beslistermijn

  • 1.

    Het bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de dag van ontvangst van de aanvraag.

  • 2.

    Het bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid van deze bepaling gelden niet als de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is.

Artikel 1:3 Positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen (Paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht)

  • 1.

    Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing voor de volgende artikelen in deze verordening:

    • a.

      Artikel 2:11 Vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg;

    • b.

      Artikel 2:64 Ontheffing verbod houden Bijen;

    • c.

      Artikel 2:67 Vrijstelling verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister;

    • d.

      Artikel 5:7 Ontheffing verbod parkeren van reclamevoertuigen;

    • e.

      Artikel 5:16 Ontheffing verbod venten vrijheid van meningsuiting bepaalde openbare plaatsen of dagen en uren.

  • 2.

    Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de volgende artikelen in deze verordening:

    • a.

      Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden, ontheffing verbod begeven of bevinden afgezette openbare plaatsen;

    • b.

      Artikel 2:10 Ontheffing plaatsen van voorwerpen op, aan of boven de weg in strijd met de publieke functie ervan;

    • c.

      Artikel 2:22 Ontheffing verbod objecten onder hoogspanningslijn;

    • d.

      Artikel 2:25 Vergunning evenement;

    • e.

      Artikel 2:28 Vergunning exploitatie openbare inrichting;

    • f.

      Artikel 2:28c Wijziging aanhangsel exploitatievergunning

    • g.

      Artikel 2:28d Wijziging exploitatievergunning openbare inrichting

    • h.

      Artikel 2:28f Besluit ingebruikname terras;

    • i.

      Artikel 2:29 Ontheffing sluitingstijd

    • j.

      Artikel 2:39 Vergunning speelgelegenheden;

    • k.

      Artikel 2:41 Ontheffing verbod betreden gesloten woning, lokaal of erf;

    • l.

      Artikel 2:60 Ontheffing verbod Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren;

    • m.

      Artikel 2:72 Vergunning ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen;

    • n.

      Artikel 2:78a Besluit opheffing sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen;

    • o.

      Artikel 3:4 Vergunning seksinrichtingen;

    • p.

      Artikel 3:15 Besluit wijziging beheer (seksinrichtingen);

    • q.

      Artikel 4:6 Ontheffing verbod overige geluidhinder;

    • r.

      Artikel 4:18 Ontheffing recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen;

    • s.

      Artikel 5:2 Ontheffing verbod parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.;

    • t.

      Artikel 5:3 Ontheffing verbod Te koop aanbieden van voertuigen;

    • u.

      Artikel 5:6 Ontheffing verbod plaatsen/hebben kampeermiddelen e.a.;

    • v.

      Artikel 5:11 Ontheffing verbod aantasting groenvoorzieningen door voertuigen;

    • w.

      Artikel 5:13 Vergunning inzameling van geld of goederen;

    • x.

      Artikel 5:18 Standplaatsvergunning;

    • y.

      Artikel 5:33 Ontheffing verbod verkeer in natuurgebieden;

    • z.

      Artikel 5:34 Ontheffing verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken;

    • aa.

      Artikel 5:37a Ontheffing detectieverbod.

  • 3.

    Indien andere besluiten op grond van deze verordening worden aangevraagd is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 1:4 Indiening aanvraag

(Vervallen was voorheen artikel 1:3)

Artikel 1:5 Weigeringsgronden

  • 1.

    De vergunning of ontheffing kan door het bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de openbare orde;

    • b.

      de openbare veiligheid;

    • c.

      de volksgezondheid;

    • d.

      de bescherming van het milieu.

  • 2.

    Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan 3 weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Artikel 1:6 Voorschriften en beperkingen

  • 1.

    Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

  • 2.

    Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Artikel 1:7 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

Elke vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

Artikel 1:8 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:

  • a.

    indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;

  • b.

    indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing moet worden aangenomen, dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

  • c.

    indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

  • d.

    indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;

  • e.

    indien de houder dit verzoekt.

Artikel 1:9 Geldigheidsduur vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

Artikel 1:10

(Vervallen. Is opgenomen in artikel 1:3, tweede lid)

Artikel 1:10a experimenteerartikel

  • 1.

    In dit artikel wordt verstaan onder experiment: tijdelijk afwijken van een of meer bepalingen in deze verordening met het oog op het verzamelen van gegevens om te beoordelen of de afwijking permanent of algemeen kan worden gemaakt.

  • 2.

    Het college of de burgemeester kan, ieder voor zover het een hem in deze verordening gegeven bevoegdheid betreft, besluiten tot het houden van een experiment.

  • 3.

    Het college of de burgemeester kan niet bij wijze van experiment afwijken van de volgende onderdelen van deze verordening:

    • a.

      de hoofdstukken 1, 3, en 6;

    • b.

      van hoofdstuk 2 de afdelingen 1, 2 en 6 met uitzondering van artikel 2:14, afdeling 10 en 11 met uitzondering van de artikelen 2:42 en 2:58, de afdelingen 13 tot en met 16;

    • c.

      van hoofdstuk 4, afdeling 1 en 2 met uitzondering van artikel 4:6;;

    • d.

      de artikelen 2:31 en 2:32.

  • 4.

    In het besluit, zoals genoemd in het tweede lid, wordt in ieder geval opgenomen:

    • a.

      het doel van het experiment;

    • b.

      de tijdsduur van het experiment;

    • c.

      van welke regels wordt afgeweken;

    • d.

      voor welk gebied het experiment geldt; en

    • e.

      de voorwaarden die het college of de burgemeester verbindt aan het experiment.

  • 5.

    De raad wordt uiterlijk vier weken voor aanvang van het experiment door het college of de burgemeester geïnformeerd over het experiment.

  • 6.

    Een experiment heeft een looptijd van ten hoogste een jaar.

  • 7.

    Het experiment wordt geëvalueerd. Als de evaluatie van een experiment aanleiding geeft tot het aanpassen van deze verordening, kan het college of de burgemeester besluiten, in afwijking van het zesde lid, het experiment met ten hoogste een jaar te verlengen met het oog op het aanpassen van de verordening.

Hoofdstuk 2. Openbare orde

Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden

Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden

  • 1.

    Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.

  • 2.

    Degene die op een openbare plaats

    • a.

      aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;

    • b.

      aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of

    • c.

      zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

  • 3.

    Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.

  • 4.

    De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.

  • 5.

    Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

Artikel 2:1a verstoring van de openbare orde e.d.

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in de artikelen 424, 426 bis en 431 van het Wetboek van Strafrecht is het verboden op of aan een openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, op enigerlei wijze:

    • a.

      de orde te verstoren;

    • b.

      zich hinderlijk te gedragen;

    • c.

      personen lastig te vallen;

    • d.

      te vechten;

    • e.

      deel te nemen aan een samenscholing;

    • f.

      onnodig op te dringen of

    • g.

      door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.

  • 2.

    Het is verboden om in het geval van wanordelijkheden of indien er ernstig gevaar voor het ontstaan daarvan dreigt, op de in het eerste lid genoemde plaatsen een voorwerp of stof kennelijk meegebracht om die orde te verstoren, bij zich te hebben.

  • 3.

    Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen of openbare plaatsen, wanneer deze door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet.

  • 4.

    Het is verboden een voorwerp dat ter afzetting of afsluiting van een gedeelte van de weg of vanwege het bevoegde gezag is aangebracht, te verplaatsen, te verwijderen of omver te halen.

Artikel 2:1b Verblijfsontzegging

  • 1.

    De burgemeester kan gebieden aanwijzen waar hij aan personen een verblijfsontzegging kan opleggen.

  • 2.

    De burgemeester gaat alleen over tot aanwijzing van een gebied als bedoeld in het eerste lid, indien naar zijn oordeel sprake is van ernstige verstoring van de openbare orde of van dreiging van ernstige verstoring van de openbare orde.

  • 3.

    De burgemeester kan een verblijfsontzegging opleggen aan personen die in het aangewezen gebied de openbare orde verstoren of dreigen te verstoren door:

    • a.

      handelen in strijd met het bepaalde in de artikelen in deze Apv betreffende alcoholgebruik, drugshandel en samenscholingsverbod;

    • b.

      het bezit, de handel of het gebruik van in de Opiumwet verboden middelen;

    • c.

      het bezit van wapens, messen en andere voorwerpen die als steek- of slagwapen kunnen worden gebruikt;

    • d.

      diefstal, inbraak, heling, vernieling of andere vermogensdelicten;

    • e.

      geweldpleging en/of bedreiging.

  • 4.

    De burgemeester bepaalt in de verblijfsontzegging de termijn waarvoor deze geldt, Deze termijn is niet langer dan één jaar.

  • 5.

    Een verblijfsontzegging kan niet worden opgelegd aan personen die in het aangewezen gebied werken, en/of blijkens de Basisregistratie Personen in het aangewezen gebied wonen.

  • 6.

    De burgemeester kan indien de belanghebbende een aantoonbaar belang heeft om zich binnen het aangewezen gebied te begeven de verblijfsontzegging naar tijd en plaats beperken.

  • 7.

    Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegde verblijfsontzegging.

Afdeling 2. Betoging

Artikel 2:2 Optochten

(Vervallen. Is opgenomen in artikel 2:24)

Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen

  • 1.

    Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.

  • 2.

    De kennisgeving bevat:

    • a.

      de naam en het adres van degene die de betoging houdt;

    • b.

      het doel van de betoging;

    • c.

      de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

    • d.

      de plaats en, voor zover van toepassing, de route en plaats van beëindiging;

    • e.

      voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling en

    • f.

      de maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

  • 3.

    Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin de datum en het tijdstip waarop de kennisgeving is gedaan is vermeld.

  • 4.

    Indien het tijdstip waarop de kennisgeving is gedaan valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving geacht te zijn gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag.

  • 5.

    De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.

Artikel 2:4 Afwijking termijn

(Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)

Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens

(Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)

Afdeling 3. Verspreiden van gedrukte stukken

Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen

(Vervallen)

Afdeling 4. Vertoningen e.d. op de weg

Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d.

(Vervallen. Is opgenomen in artikel 2:24)

Artikel 2:8 Dienstverlening

(Niet van toepassing)

Artikel 2:9 Straatartiest e.d.

(Vervallen)

Afdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien van de weg

Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op, aan of boven de weg in strijd met de publieke functie ervan

  • 1.

    Het is verboden voorwerpen op, aan of boven een weg of weggedeelte te hebben of te plaatsen waardoor de weg wordt gebruikt anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

  • 2.

    Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid kan het bestuursorgaan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

  • 4.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 kan De ontheffing of vergunning worden geweigerd indien:

    • a.

      het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg;

    • b.

      het gebruik de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg;

    • c.

      het gebruik gevaar oplevert of kan opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik van de weg, of;

    • d.

      door het gebruik cultuurhistorische waarden worden aangetast of kunnen worden aangetast;

    • e.

      door het gebruik groenvoorzieningen en/of natuurschoon worden aangetast of kunnen worden aangetast;

    • f.

      het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

  • 5.

    Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving en met het oog op de belangen genoemd in het vierde lid nadere regels stellen ten aanzien van het plaatsen van containers, terrassen, uitstallingen, aankondigingsborden, reklameborden, verwijsborden of andere borden, spandoeken en ander gebruik van een weg of weggedeelte dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

  • 6.

    Het college kan in nadere regels bepalen dat voor containers, terrassen, uitstallingen, aankondigingsborden, reklameborden, verwijsborden of andere borden, spandoeken en ander gebruik van een weg of weggedeelte dan overeenkomstig de publieke functie daarvan het in het eerste lid bedoelde verbod niet geldt als aan in de regels genoemde voorwaarden wordt voldaan.

  • 7.

    Dit artikel geldt niet voor:

    • a.

      evenementen als bedoeld in artikel 2:24;

    • b.

      terrassen als bedoeld in artikel 2:27, sub b;

    • c.

      standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17.

  • 8.

    Het verbod in het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de provinciale wegenverordening.

Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

  • 1.

    Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of op andere wijze verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  • 2.

    Op de aanvraag om vergunning wordt beslist

    • a.

      door het bestuursorgaan, indien de activiteiten – behoudens omgevingsvergunning - zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit;

    • b.

      door het college in de overige gevallen.

  • 3.

    Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak.

  • 4.

    Het verbod is voorts niet van toepassing voor situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de provinciale wegenverordening, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet  of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.

  • 5.

    De in dit artikel bedoelde vergunning is objectgebonden

Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning:

    • a.

      een uitweg te maken naar de weg;

    • b.

      van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;

    • c.

      verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

  • 2.

    Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de bruikbaarheid van de weg;

    • b.

      het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

    • c.

      de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

    • d.

      de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente;

    • e.

      het parkeren.

  • 3.

    Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Waterschapskeur of de provinciale wegenverordening.

Afdeling 6. Veiligheid op de weg

Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid

[Vervallen]

Artikel 2:14 Winkelwagentjes

  • 1.

    De rechthebbende op een bedrijf dat winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht:

    • a.

      ze te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken en

    • b.

      de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op of langs de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen.

  • 2.

    Het college kan gebieden buiten de omgeving van het bedrijf aanwijzen, waar tevens een opruimplicht voor winkelwagentjes geldt.

  • 3.

    Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

[Vervallen]

Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d.

[Vervallen]

Artikel 2:17 Kelderingangen e.d.

[Vervallen]

Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen

  • 1.

    Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende de door het college aangewezen periode.

  • 2.

    Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

  • 3.

    De in het eerste en tweede lid gestelde verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.

  • 4.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en op aangrenzende erven.

  • 5.

    De aangewezen periode, zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel, omvat in ieder geval de periode waarin de door de Veiligheidsregio Utrecht bepaalde Droogte-index groter is dan 125.

Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp

[Vervallen]

Artikel 2:20 Vallende voorwerpen

[Vervallen]

Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting

  • 1.

    De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn

  • 1.

    Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.

  • 2.

    Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.

  • 3.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.

Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs

  • 1.

    Het is verboden:

    • a.

      voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;

    • b.

      bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a. bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale vaarwegenverordening.

Afdeling 7. Evenementen

Artikel 2:24 Begripsbepaling

  • 1.

    In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

    • a.

      bioscoopvoorstellingen;

    • b.

      markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet;

    • c.

      kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

    • d.

      het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen;

    • e.

      betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

    • f.

      activiteiten als bedoeld in artikel 2:39 van deze verordening.

  • 2.

    Onder evenement wordt mede verstaan:

    • a.

      een herdenkingsplechtigheid;

    • b.

      een braderie;

    • c.

      een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg;

    • d.

      een feest, waaronder begrepen een straat- of buurtfeest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;

    • e.

      een snuffelmarkt. Een snuffelmarkt is een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats.

Artikel 2:25 Evenement

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

  • 2.

    Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994.

  • 3.

    Het verbod in het eerste lid geldt niet voor snuffelmarkten in ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.

Artikel 2:26 Ordeverstoring

Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen

Artikel 2:27 Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis en clubhuis. Onder openbare inrichting wordt tevens verstaan een bij deze inrichting behorend terras en andere aanhorigheden;

  • b.

    terras: een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van de openbare inrichting waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt;

  • c.

    vergunninghouder: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon aan wie de vergunning, bedoeld in artikel 2:28, eerste lid van deze verordening is verleend;

  • d.

    leidinggevende:

    • 1°.

      de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt uitgeoefend;

    • 2°.

      de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan een openbare inrichting;

    • 3°.

      de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft in een openbare inrichting;

  • e.

    barvrijwilliger: de natuurlijke persoon, als bedoeld in artikel 1 eerste lid van de Drank- en Horecawet, of de wet die hiervoor in de plaats treedt.

Artikel 2:28 exploitatie openbare inrichting

  • 1.

    Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester

    • a.

      een openbare inrichting te exploiteren;

    • b.

      één of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen te exploiteren, voor zover deze onder de uitzonderingscategorie van artikel 2:28, vierde lid van deze verordening vallen.

  • 2.

    De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit en geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend.

  • 3.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 kan de burgemeester de vergunning weigeren indien:

    • a.

      naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;

    • b.

      de aanvrager geen verklaring omtrent gedrag met betrekking tot de leidinggevende van de inrichting overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven;

    • c.

      niet voldaan is aan de ingevolge deze afdeling voor de leidinggevenden geldende eisen;

    • d.

      redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn.

  • 4.

    Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in

    • a.

      een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet  voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;

    • b.

      een zorginstelling;

    • c.

      een museum; of

    • d.

      een bedrijfskantine of bedrijfsrestaurant.

Artikel 2:28a Inhoud exploitatievergunning en aanhangsel vergunning

  • 1.

    De burgemeester vermeldt in een vergunning:

    • a.

      de vergunninghouder;

    • b.

      tot welke bedrijfsuitoefening de vergunning strekt;

    • c.

      de plaats waar de openbare inrichting zich bevindt;

    • d.

      de situering en de oppervlakte van het (de) terras(sen) van de openbare inrichting;

    • e.

      de voorschriften en/of beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden.

  • 2.

    De burgemeester vermeldt in een aanhangsel bij de vergunning de leidinggevenden.

  • 3.

    De vergunning en het daarvan deel uitmakende aanhangsel, of afschriften daarvan, en in voorkomende gevallen een afschrift van de aanvraag, als bedoeld in artikel 2:28c, eerste lid, van deze verordening, en de ontvangstbevestiging, als bedoeld in artikel 2:28c, derde lid, van deze verordening of een afschrift daarvan, zijn in de openbare inrichting aanwezig.

Artikel 2:28b Eisen aan leidinggevenden

  • 1.

    De leidinggevenden voldoen aan de volgende eisen:

    • a.

      zij hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt;

    • b.

      zij zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;

    • c.

      zij staan niet onder curatele.

  • 2.

    Het is verboden een openbare inrichting voor het publiek geopend te houden indien in de openbare inrichting niet aanwezig is:

    • a.

      een op de vergunning of het aanhangsel vermelde leidinggevende, of - indien de openbare inrichting wordt geëxploiteerd door een paracommerciële rechtspersoon - een barvrijwilliger;

    • b.

      een persoon wiens bijschrijving op grond van artikel 2:28c, eerste lid, van deze verordening is gevraagd, mits de ontvangst van die aanvraag is bevestigd, zolang nog niet op die aanvraag is beslist.

  • 3.

    Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op exploitatievergunningen, als bedoeld in artikel 2:28, eerste lid, aanhef en onder b., van deze verordening, die louter betrekking hebben op de exploitatie van een terras.

Artikel 2:28c Wijziging aanhangsel exploitatievergunning

  • 1.

    Een vergunninghouder meldt aan de burgemeester zijn wens om een persoon als leidinggevende te laten bijschrijven;

  • 2.

    Deze melding geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel.

  • 3.

    De burgemeester bevestigt onverwijld schriftelijk of elektronisch de ontvangst van de aanvraag.

  • 4.

    De burgemeester weigert de wijziging van het aanhangsel indien de persoon bedoeld in artikel 28c, eerste lid, van deze verordening niet voldoet aan de in artikel 2:28b van deze verordening gestelde eisen.

Artikel 2:28d Wijziging exploitatievergunning openbare inrichting

Indien een openbare inrichting een zodanige verandering ondergaat dat zij niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning gegeven omschrijving, is de vergunninghouder verplicht bedoelde wijziging binnen één maand bij de burgemeester te melden. De burgemeester verstrekt, indien aan de ten aanzien van de openbare inrichting gestelde eisen wordt voldaan, een gewijzigde vergunning, waarin de ingevolge artikel 2:28a van deze verordening vereiste omschrijving is aangepast aan de nieuwe situatie.

Artikel 2:28e Intrekkings-, wijzigings- en schorsingsgronden

In aanvulling op het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning intrekken, wijzigen of schorsen indien:

  • a.

    de vergunninghouder en/of leidinggevenden de bepalingen in deze afdeling overtreden;

  • b.

    aannemelijk is dat de vergunninghouder en/of leidinggevenden betrokken zijn, of hun ernstige nalatigheid kan worden verweten, bij activiteiten in of vanuit de inrichting die een gevaar opleveren voor de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid en/of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting;

  • c.

    de vergunninghouder en/of leidinggevenden toestaan of gedogen dat in de openbare inrichting strafbare feiten worden gepleegd;

  • d.

    de vergunninghouder en/of leidinggevenden zich schuldig maken aan discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of welke grond dan ook;

  • e.

    zich in of vanuit de inrichting feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het (ongewijzigd) geopend blijven van de openbare inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting.

  • f.

    een vergunninghouder in een periode van twee jaar ten minste drie maal op grond van artikel 2:28c, eerste lid van deze verordening om bijschrijving van een persoon op het aanhangsel bij de vergunning heeft verzocht en de burgemeester die wijziging van het aanhangsel ten minste driemaal heeft geweigerd op grond van artikel 2:28c, vierde lid van deze verordening.

Artikel 2:28f Terrassen

  • 1.

    Indien een aanvraag om een exploitatievergunning mede of uitsluitend betrekking heeft op een bij de inrichting behorend terras, kan de burgemeester aan de ingebruikname van het terras voorschriften en/of beperkingen verbinden, onder andere ten aanzien van:

    • a.

      de inrichting, situering en het gebruik van het terras;

    • b.

      gedragsregels die op het terras in acht moeten worden genomen;

    • c.

      de aanwezigheid en inrichting van tappunten op het terras;

    • d.

      de brandveiligheid.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 2:28 van deze verordening kan de burgemeester de ingebruikname van het terras weigeren:

    • a.

      als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;

    • b.

      als dat gebruik een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer, gebruik en onderhoud van de weg;

    • c.

      als dat gebruik afbreuk doet aan een publieke functie van de openbare ruimte, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan.

  • 3.

    Alle voorzieningen ten behoeve van het terras moeten semi-permanent zijn. Als voor het uitvoeren van openbare werken of om enigerlei andere reden verwijdering van het terras noodzakelijk is, zijn de vergunninghouder en de leidinggevenden verplicht dit terstond of binnen de door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn, op eigen kosten te verwijderen.

  • 4.

    Het is verboden op of in de omgeving van een terras dranken en/of eetwaren voor gebruik ter plaatse te verstrekken buiten dat deel van de weg waarvan het gebruik ingevolge het bepaalde in het eerste en tweede lid is toegestaan.

  • 5.

    Buiten de openingstijden van het terras zoals bepaald in artikel 2:29, eerste en het vierde tot het zesde lid en artikel 2:30, eerste en tweede lid, van deze verordening dient al het meubilair van het terras verwijderd te zijn, dan wel op zodanige wijze onderling met elkaar verbonden dat het niet te verplaatsen is.

  • 6.

    De burgemeester is bevoegd tot het stellen van nadere regels ten aanzien van het bepaalde in dit artikel.

Artikel 2:29 Sluitingstijd

  • 1.

    Openbare inrichtingen zijn dagelijks gesloten tussen 24 uur en 6 uur (sluitingstijd).

  • 2.

    Het in het eerste lid van deze verordening bepaalde is niet van toepassing tijdens de nacht van 31 december op 1 januari, onder de voorwaarde dat iedere vergunninghouder van een openbare inrichting dient te zorgen dat geen verstoring plaatsvindt van de openbare orde en veiligheid in relatie tot het woon- en leefklimaat.

  • 3.

    Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven gedurende de sluitingstijd

  • 4.

    De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd.

  • 5.

    De burgemeester kan nadere regels stellen ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid en daarbij bepalen dat andere sluitingstijden gelden.

  • 6.

    Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde lid onder a., gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.

  • 7.

    Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin is voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer.

Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting

  • 1.

    De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:29 van deze verordening geldende sluitingstijden vaststellen.

  • 2.

    De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijke sluiting bevelen. Deze bevoegdheid komt hem in elk geval toe indien sprake is van een van de in artikel 2:28e van deze verordening genoemde situaties waarin intrekking, wijziging of schorsing van de vergunning mogelijk is.

  • 3.

    Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet.

Artikel 2:31 Verboden gedragingen

Het is verboden in een openbare inrichting

  • a.

    de orde te verstoren;

  • b.

    zich te bevinden gedurende de sluitingstijd of de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste en tweede lid;

  • c.

    op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras;

Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen

  • 1.

    In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  • 2.

    De vergunninghouder van een openbare inrichting laat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.

Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan

Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30 op als bestuursorgaan.

Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan

[Vervallen]

Afdeling 8a. Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Drank- en horecawet

Artikel 2:34a Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • -

    alcoholhoudende drank: de drank die bij een temperatuur van twintig graden Celsius voor meer dan een half volumeprocent uit alcohol bestaat.

  • -

    paracommerciële rechtspersoon: een rechtspersoon niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich naast activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard richt op de exploitatie in eigen beheer van een horecabedrijf.

  • -

    horecabedrijf: de activiteit in ieder geval bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse.

  • -

    Omni-vereniging: een vereniging of stichting waar meer dan twee sporten worden beoefend. De verschillende sporttakken moeten formeel zijn aangesloten bij landelijk erkende bonden die vallen onder NOC*NSF.

Artikel 2:34b Schenktijden paracommerciële rechtspersonen

  • 1.

    Een paracommercieel rechtspersoon die zich voornamelijk richt op het organiseren van activiteiten van sportieve aard, kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken tijdens de volgende schenktijden:

    • a.

      Korfbal-, voetbal- en hockeyverenigingen

      • -

        maandag tot en met vrijdag vanaf 19.00 uur tot 24.00 uur.

      • -

        zaterdag en zondag vanaf 12.00 uur tot 19.00 uur, behoudens in gevallen waarin wedstrijden eindigen na 17.30 uur, in welk geval het is toegestaan om tot 1,5 uur na de wedstrijd alcoholhoudende drank te verstrekken met een uiterlijke schenktijd van 21.00 uur

    • b.

      Tennis-, jeu de boules-, petanque- en omni-verenigingen

      • -

        maandag tot en met vrijdag vanaf 12.00 uur tot 24.00 uur.

      • -

        zaterdag en zondag vanaf 12.00 uur tot 24.00 uur.

    • c.

      Overige rechtspersonen van sportieve aard

      • -

        maandag tot en met vrijdag vanaf 16.00 tot 24.00 uur.

      • -

        zaterdag en zondag vanaf 16.00 tot 24.00 uur.

  • 2.

    Overige paracommerciële rechtspersonen kunnen, onverminderd het bepaalde in artikel 2:29 (sluitingstijd), alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf één uur voor de aanvang en tot uiterlijk één uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon.

  • 3.

    Het is paracommerciële rechtspersonen, als bedoeld in het eerste lid, onder a., voor ten hoogste zestien dagen per jaar toegestaan om, onverminderd het bepaalde in artikel 2:29 (sluitingstijd) de in het eerste lid gestelde schenktijden te overschrijden tijdens bijeenkomsten voor leden of personen die rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.

  • 4.

    Het is paracommerciële rechtspersonen, als bedoeld in het eerste lid, onder b. en c., voor ten hoogste twaalf dagen per jaar toegestaan om, onverminderd het bepaalde in artikel 2:29 (sluitingstijd) de in het eerste lid gestelde schenktijden te overschrijden tijdens bijeenkomsten voor leden of personen die rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.

  • 5.

    Een paracommercieel rechtspersoon doet uiterlijk twee weken voor een bijeenkomst als bedoeld in het derde of vierde lid melding hiervan aan de burgemeester.

Artikel 2:34c bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen

  • 1.

    Een paracommercieel rechtspersoon die zich voornamelijk richt op het organiseren van activiteiten waarbij het faciliteren van sociale interactie een voorname rol speelt, gelegen in het dorp Austerlitz, kan alcoholhoudende drank verstrekken tijdens per jaar ten hoogste 10 bijeenkomsten van persoonlijke aard of bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.

  • 2.

    Overige paracommerciële rechtspersonen verstrekken geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn, als dit zou leiden tot oneerlijke mededinging.

  • 3.

    Het is niet toegestaan om bijeenkomsten van persoonlijke aard aan te prijzen, met uitzondering van bijeenkomsten als bedoeld in het eerste lid.

  • 4.

    Een paracommercieel rechtspersoon doet uiterlijk vier weken voor een bijeenkomst als bedoeld in het eerste lid melding hiervan aan de burgemeester.

Artikel 2:34d aanvullende vragen aan paracommerciële rechtspersonen

  • 1.

    Een paracommerciële rechtspersoon geeft bij de aanvraag voor het verkrijgen van een vergunning tot uitoefening van het horecabedrijf nadere informatie over de doelstelling van de paracommerciële rechtspersoon en de doelgroep waarop de rechtspersoon zich richt.

  • 2.

    Hiertoe verstrekt de paracommerciële rechtspersoon een afschrift van de statuten.

Artikel 2:34e Voorschriften horecabedrijven

De burgemeester kan aan een vergunning voor het uitoefenen van het horecabedrijf voorschriften verbinden. Deze voorschriften kunnen alleen worden gesteld in het kader van de volgende belangen:

  • a.

    ter bescherming van de volksgezondheid;

  • b.

    in het belang van de openbare orde.

Afdeling 8b. Bijzondere bepalingen over slijtersbedrijven als bedoeld in de drank- en horecawet

Artikel 2:34f Voorschriften slijterijen

De burgemeester kan aan een vergunning voor een slijtersbedrijf, verleend op grond van de Drank- en horecawet, of de wet die hiervoor in de plaats treedt, voorschriften verbinden. Deze voorschriften kunnen alleen aan de vergunning worden verbonden in het kader van de volgende belangen:

  • a.

    ter bescherming van de volksgezondheid;

  • b.

    in het belang van de openbare orde.

Afdeling 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf

Artikel 2:35 Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.

Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie

Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het houden van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.

Artikel 2:37 Nachtregister

[Vervallen]

Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister

[Vervallen]

Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden

Artikel 2:39 Speelgelegenheden

  • 1.

    Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.

  • 2.

    Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op:

    • a.

      speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend;

    • b.

      speelgelegenheden waarvoor de raad van bestuur van de kansspelautoriteit bevoegd is vergunning te verlenen; en

    • c.

      speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op kansspelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a., van de Wet op de kansspelen te verrichten.

  • 3.

    De burgemeester weigert de vergunning:

    • a.

      indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid;

    • b.

      indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit en geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend.

Artikel 2:40 Kansspeelautomaten

[Vervallen]

Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid

Artikel 2:41 Betreden gesloten woning, lokaal of erf

  • 1.

    Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

  • 2.

    Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

  • 3.

    Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.

  • 4.

    De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen.

Artikel 2:42 Plakken en kladden

  • 1.

    Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

  • 2.

    Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:

    • a.

      een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

    • b.

      met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

  • 3.

    Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

  • 4.

    Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  • 5.

    Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

  • 6.

    Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.

  • 7.

    De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.

  • 1.

    Het is verboden tussen 22.00 en 06.00 uur op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap.

  • 2.

    Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2.42.

Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen

  • 1.

    Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

  • 2.

    Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

  • 3.

    Het is verboden op een openbare plaats en/of in de nabijheid van winkels, gedurende de openingstijden daarvan, te vervoeren of aanwezig te hebben een tas of ander voorwerp die/dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken.

  • 4.

    Het in het derde lid gestelde verbod is niet van toepassing indien de tas het voorwerp niet bestemd of gebruikt is voor de in dat lid bedoelde handeling.

Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d.

[Vervallen]

Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d.

[Vervallen]

Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

  • 1.

    Het is verboden:

    • a.

      op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, heining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

    • b.

      zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:47A Skeeleren, skateboarden

  • 1.

    Burgemeester en wethouders kunnen openbare plaatsen aanwijzen, waar het skeeleren of skateboarden naar hun oordeel:

    • a.

      schade kan veroorzaken aan die plaatsen of aan de in de nabijheid van die plaatsen gelegen gebouwen of andere zaken en/of

    • b.

      voor de weggebruikers of voor de gebruikers van de in de nabijheid van die plaatsen gelegen gebouwen gevaarlijk of hinderlijk kan zijn.

  • 2.

    Het is verboden om op de in lid 1 aangewezen plaatsen te skeeleren of te skateboarden.

Artikel 2:48 Verboden drankgebruik

  • 1.

    In aanvulling op artikel 45, eerste lid, van de Drank- en horecawet is het voor personen van 18 jaar en ouder verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

  • 2.

    Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:

    • a.

      een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet, of de wet die hiervoor in de plaats treedt;

    • b.

      de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a., waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank en Horecawet;

    • c.

      een evenement voor een buurt- of straatfeest op een openbare plaats waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 2:25 van deze verordening is verleend.

Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen

  • 1.

    Het is verboden:

    • a.

      zich zonder redelijk doel in een portiek, poort of brandgang op te houden;

    • b.

      zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.

  • 2.

    Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw.

Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.

Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d.

[Vervallen]

Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt e.d.

Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.

Artikel 2:53 Bespieden van personen

[Vervallen]

Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur

[Vervallen]

Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren

[Vervallen]

Artikel 2:56 Alarminstallaties

[Vervallen]

Artikel 2:57 Loslopende honden

  • 1.

    Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

    • a.

      binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is;

    • b.

      op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

    • c.

      op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

  • 2.

    Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid onder a. niet geldt.

  • 3.

    De verboden genoemd in het eerste lid onder a. en b. gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

Artikel 2:58 Verontreiniging door honden

  • 1.

    De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet:

    • a.

      op een gedeelte van de weg dat bestemd is of mede bestemd voor het verkeer van voetgangers;

    • b.

      op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide;

    • c.

      op een andere door het college aangewezen plaats.

  • 2.

    Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid, onder a. niet geldt.

  • 3.

    De eigenaar of houder van een hond is, zodra hij zich met de hond op de openbare weg begeeft, verplicht een opruimzakje of ander soort opruimmiddel bij zich te dragen.

  • 4.

    De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.

  • 5.

    Het bepaalde in het eerste, tweede, derde en vierde lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.

Artikel 2:59 Gevaarlijke honden

  • 1.

    Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op een openbare plaats of op het terrein van een ander:

    • a.

      anders dan kort aangelijnd nadat de burgemeester aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat hij die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt;

    • b.

      anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat de burgemeester aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat hij die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn- en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt.

  • 2.

    Onverminderd artikel 2:57, eerste lid onder c., geldt voor de hond als bedoeld in het eerste lid bovendien dat de hond voorzien moet zijn van een optisch leesbaar, niet- verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of de buikwand.

  • 3.

    In het eerste lid wordt verstaan onder:

    • a.

      muilkorf: een muilkorf vervaardigd van stevig kunststof, of van stevig leer of van beide stoffen, die door middel van een stevige leren riem rond de hals zodanig is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is en die zodanig is ingericht dat de drager geen mens of dier kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn;

    • b.

      kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter.

Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren

  • 1.

    Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren:

    • a.

      aanwezig te hebben, of

    • b.

      aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels,

    • c.

      aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven, en/of

    • d.

      te voeren.

  • 2.

    Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben in een groter aantal dan door het college is aangegeven, dan wel te voeren.

  • 3.

    Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.

Artikel 2:61 Wilde dieren

[Vervallen]

Artikel 2:62 Loslopend vee

De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.

Artikel 2:63 Duiven

[Vervallen]

Artikel 2:64 Bijen

  • 1.

    Het is verboden bijen te houden:

    • a.

      binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven;

    • b.

      binnen een afstand van dertig meter van de weg.

  • 2.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.

  • 3.

    Het in het eerste lid, aanhef en onder a. gestelde verbod geldt niet voor zover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid.

  • 4.

    Het in het eerste lid, aanhef en onder b. gestelde verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de provinciale wegenverordening.

  • 5.

    Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

Artikel 2:65 Bedelarij

[Vervallen]

Afdeling 12. Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen

Artikel 2:66 Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

  • 1.

    De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld:

    • a.

      het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

    • b.

      de datum van verkoop of overdracht van het goed;

    • c.

      een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;

    • d.

      de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed.

  • 2.

    De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze verplichtingen.

Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

  • a.

    de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:

    • 1°.

      dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;

    • 2°.

      van een verandering van de onder a., sub 1°, bedoelde adressen;

    • 3°.

      als hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;

    • 4°.

      dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;

  • b.

    de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;

  • c.

    aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

  • d.

    een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste zeven dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen

[Vervallen]

Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven

(Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 (Toezicht op openbare inrichtingen) onder artikel 2:32).

Afdeling 13. Vuurwerk

Artikel 2:71 Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) of een regeling die daarvoor in de plaats treedt van toepassing is.

Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen

Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden gevestigd.

Artikel 2:73 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

  • 1.

    Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.

  • 2.

    Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te bezigen als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.

  • 3.

    De in het eerste en tweede lid gestelde verboden zijn niet van toepassing in situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

Afdeling 14. Drugsoverlast

Artikel 2:74 Drugshandel op straat

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg of andere openbare plaats post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Afdeling 15. Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen

Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in de artikelen 2:47, 2:48, 2:49, 2:50 en/of 2:73 van deze verordening groepsgewijs niet naleven.

Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen

  • 1.

    De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

  • 2.

    De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere voor het publiek toegankelijke door de gemeenteraad aan te wijzen plaatsen.

Afdeling 16 Voor publiek openstaande gebouwen

Artikel 2:78a Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen

  • 1.

    De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten.

  • 2.

    Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven, waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang(en) van het gebouw of het erf.

  • 3.

    Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

  • 4.

    Het is de rechthebbende op het gebouw en/of het erf, verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven.

  • 5.

    Het is een ieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven.

  • 6.

    Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien elders in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet.

Hoofdstuk 3. Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.

Afdeling 1. Begripsbepalingen

Artikel 3:1 Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

  • b.

    prostitue(e): degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

  • c.

    seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;

  • d.

    escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof hij bedrijfsmatig is prostitutie aanbiedt, die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;

  • e.

    sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd;

  • f.

    exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert, dan wel exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen;

  • g.

    beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent dan wel uitoefenen, in een seksinrichting of escortbedrijf;

  • h.

    bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van:

    • 1.

      de exploitant;

    • 2.

      de beheerder;

    • 3.

      de prostituee;

    • 4.

      het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;

    • 5.

      toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2 van deze verordening;

    • 6.

      andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.

Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.

Artikel 3:3 Nadere regels

Met het oog op de in artikel 3:13 genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden zoals genoemd in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen.

Afdeling 2. Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke

Artikel 3:4 Seksinrichtingen

  • 1.

    Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan.

  • 2.

    In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld:

    • a.

      de persoonsgegevens van de exploitant;

    • b.

      de persoonsgegevens van de beheerder; en

    • c.

      de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.

Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder

  • 1.

    De exploitant en de beheerder:

    • a.

      staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij;

    • b.

      zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en

    • c.

      hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.

  • 2.

    Naast de gestelde eisen in het eerste lid, zijn de exploitant en de beheerder niet:

    • a.

      met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld;

    • b.

      binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten;

    • c.

      binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a. van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:

      • bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen;

      • de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 252, 250a (oud), 273a, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht;

      • de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;

      • de artikelen 1, onder a., b. en d., 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen;

      • de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;

      • de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.

  • 3.

    Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld:

    • a.

      vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a. van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a. van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt;

    • b.

      een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf.

  • 4.

    De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:

    • a.

      bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning;

    • b.

      bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.

  • 5.

    De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die/dat voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft.

Artikel 3:6 Sluitingstijden

  • 1.

    Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven:

    • a.

      op maandag tot en met vrijdag tussen 0.00 en 8.00 uur;

    • b.

      op zaterdag en zondag tussen 0.00 en 12.00 uur.

  • 2.

    Het bevoegd bestuursorgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel 1:6 voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen.

  • 3.

    Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:7 eerste lid, gesloten dient te zijn.

  • 4.

    Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.

Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting

  • 1.

    Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan:

    • a.

      tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen;

    • b.

      van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder

  • 1.

    Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is.

  • 2.

    De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting:

    • a.

      geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie en

    • b.

      geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.

Artikel 3:9 Straatprostitutie

  • 1.

    Het is verboden door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken:

    • a.

      op of aan andere dan door het college aangewezen wegen of gebieden;

    • b.

      gedurende andere dan door het college vastgestelde tijden.

  • 2.

    Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

  • 3.

    Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen en gedurende de tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

  • 4.

    De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen, personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid, bij besluit verbieden zich gedurende bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen en op de tijden bedoeld in het eerste lid.

  • 5.

    De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.

  • 6.

    Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid.

Artikel 3:10 Sekswinkels

Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente.

Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke

  • 1.

    Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen:

    • a.

      indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt;

    • b.

      anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels.

  • 2.

    Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

Afdeling 3. Beslissingstermijn; weigeringsgronden

Artikel 3:12 Beslissingstermijn

  • 1.

    In afwijking van artikel 1:2 neemt het bevoegd bestuursorgaan het besluit op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.

  • 2.

    Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen.

Artikel 3:13 Weigeringsgronden

  • 1.

    De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt geweigerd indien:

    • a.

      de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:5 gestelde eisen;

    • b.

      de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan, voorbereidingsbesluit, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening en geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend;

    • c.

      er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 1:5 kan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, worden geweigerd dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, plaatsvinden in het belang van:

    • a.

      de openbare orde;

    • b.

      het voorkomen of beperken van overlast;

    • c.

      het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat;

    • d.

      de veiligheid van personen of goederen;

    • e.

      de verkeersvrijheid of veiligheid;

    • f.

      de gezondheid of zedelijkheid;

    • g.

      de arbeidsomstandigheden van de prostituee.

Afdeling 4. beëindiging exploitatie; wijziging beheer

Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie

  • 1.

    De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.

  • 2.

    Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 3:15 Wijziging beheer

  • 1.

    Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3:1, onder g, het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.

  • 2.

    Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:13, eerste lid, aanhef en onder a., is van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.

Afdeling 5. Overgangsbepaling

Artikel 3:16 Overgangsbepaling

  • 1.

    Op het exploiteren van een bestaande seksinrichting of escortbedrijf is het gestelde in artikel 3:4, eerste lid, niet van toepassing:

    • a.

      gedurende 26 weken na het in werking treden daarvan;

    • b.

      na afloop van de onder a. gestelde termijn, indien de exploitant binnen deze termijn een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, heeft ingediend, totdat op die aanvraag door het bevoegd bestuursorgaan een besluit is genomen.

  • 2.

    Gedurende de periode bedoeld in het eerste lid, kan het bevoegd bestuursorgaan met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen de exploitant aanschrijven tot het treffen van in die aanschrijving vermelde voorzieningen.

Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het Natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Afdeling 1. Geluidhinder en verlichting

Artikel 4:1 Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • b.

    inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit;

  • c.

    houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

  • d.

    collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

  • e.

    incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

  • f.

    geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting;

  • g.

    geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende inrichting;

  • h.

    onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten

[Vervallen]

Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten

  • 1.

    Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en van artikel 4:5 van deze verordening niet van toepassing zijn mits de houder van de inrichting het college daarvan ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit in kennis heeft gesteld.

  • 2.

    Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

  • 3.

    Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving.

  • 4.

    De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

  • 5.

    De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

  • 6.

    Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT en het maximale geluidsniveau LAmax veroorzaakt door de inrichting mag 20 dB(A) hoger zijn dan de reguliere geluidsnorm die op de inrichting van toepassing is conform de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit. Voor de beoordeling van de geluidsniveaus geldt de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, 1999.

  • 7.

    Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van een geluidsniveau – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening – uiterlijk om 02.00 uur beëindigd.

  • 8.

    Het college kan geluidsnormen stellen die afwijken van de in lid 6 genoemde waarden en kan afwijken van het tijdstip zoals aangegeven in lid 7.

Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten

[Vervallen]

Artikel 4:5 Onversterkte muziek

  • 1.

    Bij onversterkte muziek zoals bedoeld in artikel 2.18 lid 1f en artikel 2.18 lid 5 van het Besluit, bedragen de waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen niet meer dan 55 dB(A), 50 dB(A) en 40 dB(A) tussen respectievelijk 07.00-19.00 uur, 19.00-23.00 uur en 23.00-07.00 uur. De beoordeling vindt plaats aan de hand van de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, 1999. De bedrijfsduurcorrectie wordt op onversterkte muziek toegepast.

  • 2.

    Bij onversterkte muziek zoals bedoeld in artikel 2.18 lid 1f en artikel 2.18 lid 5 van het Besluit, bedragen de waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT in geluidsgevoelige ruimten niet meer dan 40 dB(A), 35 dB(A) en 25 dB(A) tussen respectievelijk 07.00-19.00 uur, 19.00-23.00 uur en 23.00-07.00 uur. De beoordeling vindt plaats aan de hand van de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, 1999. De bedrijfsduurcorrectie wordt op onversterkte muziek toegepast.

  • 3.

    Het bestuursorgaan kan geluidsnormen stellen die afwijken van de in lid 1 en 2 genoemde waarden.

  • 4.

    De in lid 1 aangegeven waarden gelden ook bij geluidgevoelige terreinen op de grens van het terrein.

  • 5.

    De in lid 1 en lid 2 aangegeven waarden gelden niet indien artikel 4.3 van deze verordening van toepassing is.

Artikel 4:6 Overige geluidhinder

  • 1.

    Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  • 2.

    Bij de beoordeling of sprake is van geluidhinder gelden de geluidsnormen conform de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit. De beoordeling vindt verder plaats aan de hand van de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, 1999.

  • 3.

    Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

  • 4.

    Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening.

Artikel 4:6a Mosquito

[Vervallen]

Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging

Artikel 4:7 Straatvegen

[Vervallen]

Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting of plaats.

Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Artikel 4.9z Gedogen bestrijding ongedierte

[Vervallen]

Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden

[Vervallen, geregeld in de bomenverordening]

Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast

Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.

  • 1.

    Het is verboden op een door het college aangewezen plaats buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de open lucht en buiten de weg, in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente en om overlast en schade aan de openbare gezondheid te voorkomen dan wel op te heffen, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

    • a.

      onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    • b.

      bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    • c.

      kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel;

    • d.

      mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

  • 2.

    Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben.

  • 3.

    Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid nadere regels stellen.

  • 4.

    Het in dit artikel bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien krachtens de Wet ruimtelijke ordening of door of krachtens de Landschapsverordening provincie Utrecht 2016, Lsv.

Artikel 4:14z Stankoverlast door gebruik van meststoffen

[Vervallen]

Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

[Vervallen]

Artikel 4:16 Vergunningsplicht lichtreclame

[Vervallen]

Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen

Artikel 4:17 Begripsbepaling

In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

  • 1.

    Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik op eigen terrein.

  • 3.

    Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.

  • 4.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5. kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de bescherming van natuur en landschap;

    • b.

      de bescherming van een dorps- of stadsgezicht;

    • c.

      de bescherming van de woon- en leefomgeving.

Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen

  • 1.

    Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod van artikel 4:18, eerste lid niet geldt.

  • 2.

    Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van de gronden, genoemd in artikel 4:18, vierde lid.

Afdeling 6. Bescherming van flora en fauna

Artikel 4:20z Bescherming groenvoorzieningen

[Vervallen]

Artikel 4:21z Beschermde planten; hout sprokkelen

[Vervallen]

Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente

Afdeling 1. Parkeerexcessen

Artikel 5:1 Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (Rvv 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;

  • b.

    parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (Rvv 1990).

Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.

  • 1.

    Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:

    • a.

      het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen

    • b.

      het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

  • 2.

    Tot de voertuigen bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:

    • a.

      voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, dit gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;

    • b.

      voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid genoemde persoon.

  • 3.

    Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:

    • a.

      meer dan 10 procent van de beschikbare totale openbare parkeercapaciteit per weggedeelte van 100 meter te gebruiken voor het parkeren van voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd; dan wel

    • b.

      de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

  • 4.

    Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.

Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen

  • 1.

    Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

  • 2.

    Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.

Artikel 5:4 Defecte voertuigen

Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

Artikel 5:5 Voertuigwrakken

  • 1.

    Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a.

  • 1.

    Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of op andere wijze voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:

    • a.

      langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente;

    • b.

      op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  • 2.

    Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a., gestelde verbod.

  • 3.

    Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de provinciale wegenverordening of de Landschapsverordening provincie Utrecht 2016, Lsv.

Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen

  • 1.

    Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

  • 2.

    Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen

[Vervallen]

Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen

  • 1.

    Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun op andere wijze hinder of overlast wordt aangedaan.

  • 2.

    Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen

[Vervallen]

Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

  • 1.

    Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.

  • 2.

    Dit verbod is niet van toepassing:

    • a.

      op de weg;

    • b.

      op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid;

    • c.

      op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

  • 3.

    Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets

Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.

Afdeling 2. Collecteren

Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden.

  • 2.

    Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten, aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

  • 3.

    Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt.

  • 4.

    Het college kan voor de inzameling van goederen een lotingssysteem hanteren. Hiervoor kan het college nadere regels vaststellen, die ook betrekking kunnen hebben op de beslistermijn.

Afdeling 3. Venten

Artikel 5:14 Begripsbepaling

  • 1.

    In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel aanbieden van diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis;

  • 2.

    Onder venten wordt niet verstaan:

    • a.

      het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;

    • b.

      het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet;

    • c.

      het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17.

Artikel 5:15 Ventverbod

  • 1.

    Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

  • 2.

    Het is verboden te venten op zondag van 00.00 tot 13.00 uur en tussen 19.00 uur en 24.00 uur en op maandag t/m zaterdag tussen 20.00 uur en 09.00 uur.

  • 3.

    Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuiting

  • 1.

    Het verbod als bedoeld in artikel 5:15, eerste lid geldt niet voor venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

  • 2.

    Het college kan de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in het eerste lid beperken door een verbod in te stellen:

    • a.

      op door het college aangewezen openbare plaatsen, of

    • b.

      voor bepaalde dagen en uren.

  • 3.

    Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het tweede lid.

Afdeling 4. Standplaatsen

Artikel 5:17 Begripsbepaling

  • 1.

    In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

  • 2.

    Onder standplaats wordt niet verstaan:

    • a.

      een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;

    • b.

      een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.

Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

  • 2.

    Het college kan locaties in de gemeente Zeist aanwijzen waar standplaats mag worden ingenomen. Per locatie en in totaal kan een maximum aantal standplaatsen worden vastgesteld. Tevens kan per locatie worden bepaald welke omvang de standplaats maximaal mag hebben.

  • 3.

    Het college kan nadere regels vaststellen over:

    • a.

      de toewijzing van standplaatsen, waarbij een wachtlijst kan worden gehanteerd;

    • b.

      het gebruik maken van de standplaatsvergunning;

    • c.

      het ten behoeve van het tijdelijk innemen van een standplaats afwijken van het bepaalde ingevolge lid 2.

  • 4.

    Het college kan de vergunning weigeren wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit, tenzij een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend.

  • 5.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 kan de vergunning worden geweigerd:

    • a.

      indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    • b.

      indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt;

Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende

Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.

Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen

  • 1.

    Het verbod van artikel 5:18, eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de provinciale wegenverordening.

  • 2.

    De weigeringsgrond van artikel 5:18, vijfde lid, onder a., geldt niet voor bouwwerken.

Artikel 5:20z Aanhoudingsplicht

[Vervallen]

Afdeling 5. Snuffelmarkten

Artikel 5:22 Begripsbepaling

[Vervallen] Is opgenomen in artikel 2:24 en 2:25.

Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt

[Vervallen] Is opgenomen in artikel 2:24 en 2:25.

Afdeling 6. Openbaar water

Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water

[Vervallen]

Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen

[Vervallen]

Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats

[Vervallen]

Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats

[Vervallen]

Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken

[Vervallen]

Artikel 5:29 Reddingsmiddelen

[Vervallen]

Artikel 5:30 Veiligheid op het water

[Vervallen]

Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen

[Vervallen]

Afdeling 7. Crossterreinen en verkeer in natuurgebieden

Artikel 5:32 Crossterreinen

  • 1.

    Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en/of een bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e van de wegenverkeerswet 1994 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

  • 2.

    Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:

    • a.

      in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;

    • b.

      in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;

    • c.

      in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

  • 3.

    Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.

  • 4.

    Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren.

Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden

  • 1.

    Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e van de wegenverkeerswet 1994 of met een fiets of een paard.

  • 2.

    Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen:

    • a.

      in het belang van het voorkomen van overlast;

    • b.

      in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden;

    • c.

      in het belang van de veiligheid van het publiek.

  • 3.

    Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden:

    • a.

      ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten;

    • b.

      die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    • c.

      die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

    • d.

      van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    • e.

      voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.

  • 4.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet:

    • a.

      op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;

    • b.

      binnen de bij of krachtens de provinciale Milieuverordening Utrecht 2013 aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'.

  • 5.

    Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Afdeling 8. Verbod vuur te stoken

Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

  • 1.

    Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of op andere wijze vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor zover het betreft:

    • a.

      verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

    • b.

      sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand;

    • c.

      vuur voor koken, bakken en braden, voor zover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert.

  • 3.

    Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.

  • 4.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.

  • 5.

    Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.

  • 6.

    Het gevaar bedoeld in het tweede lid, onderdeel c wordt in ieder geval geacht aanwezig te zijn in bos- en natuurgebieden en op erven en terreinen binnen 50 meter van een bos- of natuurgebied tijdens droge perioden waarbij de droogteindex (zoals vastgesteld door de Veiligheidsregio Utrecht) meer dan 55 bedraagt.

Afdeling 9. Verstrooiing van as

Artikel 5:35 Begripsbepaling

[Vervallen]

Artikel 5:36 Verboden plaatsen

[Vervallen]

Artikel 5:37 Hinder of overlast

[Vervallen]

Afdeling 10 Detecteren van voorwerpen

Artikel 5:37a Detectieverbod

  • 1.

    Het is verboden zich te bevinden met een metaaldetector of enig ander voorwerp, kennelijk bedoeld voor het opsporen van wapens, munitie, munten, explosieven, metalen voorwerpen en dergelijke in een door het college aangewezen gebied.

  • 2.

    Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op degene aan wie een certificaat als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de Erfgoedwet is verstrekt of degene die dit certificaat ingevolge de in artikel 5.1, tweede lid, van de Erfgoedwet bedoelde algemene maatregel van bestuur niet nodig heeft.

  • 3.

    Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een persoon of organisatie die in het bezit is van een procescertificaat opsporen conventionele explosieven dat is afgegeven door de bevoegde Minister of een certificerende instelling.

  • 4.

    Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  • 5.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 kan het college de ontheffing weigeren ter bescherming van:

    • a.

      de woon- en leefomgeving;

    • b.

      flora en fauna.

Hoofdstuk 6. Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Artikel 6:1 Strafbepaling

  • 1.

    Overtreding van het bij of krachtens de artikelen van deze Verordening bepaalde en de op grond van artikel 1:6 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening, als ook de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is.

Artikel 6:2 Toezichthouders

  • 1.

    Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast:

    • a.

      de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafvordering;

    • b.

      algemeen toezichthouders, tot wiens taak het Apv-toezicht behoort;

    • c.

      de functionarissen van de Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst (GGD) regio Utrecht, voor zover het toezicht betrekking heeft op de taken van de GGD;

    • d.

      milieu- en parkwachters voor zover het toezicht betrekking heeft op hun taken;

    • e.

      de marktmeester voor zover het toezicht betrekking heeft op zijn taken.

  • 2.

    Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.

Artikel 6:3 Binnentreden woningen

Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die waarop zij is bekendgemaakt.

  • 2.

    De Algemene plaatselijke verordening Zeist 2011 wordt ingetrokken als deze verordening in werking treedt.

Artikel 6:5 Overgangsbepaling

Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, tweede lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.

Artikel 6:6 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening Zeist 2017.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 06 juni 2017

mr. J. Janssen,

griffier

drs J.J.L.M. Janssen,

voorzitter

Toelichting Algemene plaatselijke verordening (Apv) 2017 (gewijzigd)  

Leeswijzer

In dit document zijn de wijzigingen ten opzichte van de huidige Algemene plaatselijke verordening (Apv) toegelicht. Eerst zijn in onderstaande inhoudsopgave alle wijzigingen opgesomd. Aangegeven is of een wijziging redactioneel of juridisch is en of deze betrekking heeft op openbare orde en veiligheid of het beheer van de openbare ruimte. Vervolgens zijn de wijzigingen per artikel gedetailleerd toegelicht. Als een bepaling niet is genoemd, betekent dit dat deze niet is gewijzigd.

 

B = beheer openbare ruimte

J = juridisch

O = openbare orde en veiligheid

R = redactioneel

Deze letters worden tussen haakjes achter de titel van de bepalingen geplaatst en geven aan om wat voor soort wijziging het gaat. De wijzigingen vallen vaak onder meerdere categorieën. Dan zijn meerdere letters vermeld.

 

Algemeen (R)

In de hele Apv is het woord “anderszins” vervangen door “op andere wijze”.

Voorts is de wijze waarop wordt aangegeven dat bepalingen uit de Apv niet van toepassing zijn als andere (hogere) regels gelden, veranderd. Hiervoor is de formulering gekozen, die ook in het VNG-model wordt toegepast en wordt geadviseerd in 100 Ideeën voor de

gemeentelijke regelgever, uitgegeven door de VNG.

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1:1 Begripsbepalingen (J R)

De begripsomschrijvingen zijn wat anders gerangschikt, zodat de volgorde wat logischer is.

Onder d is de begripsomschrijving van de bebouwde kom gewijzigd. In de huidige Apv wordt uitgegaan van de bebouwde kom zoals gedeputeerde staten deze op basis van de Wegenwet heeft aangewezen. Deze bebouwde kom is bedoeld om aan te geven welke wegen op de wegenlegger moeten worden vermeld, wie verantwoordelijk is voor het onderhoud van die wegen, hoe het onderhoud van de wegen geregeld is, wie aan het onderhoud moeten bijdragen en welk gezag ervoor moet zorgen dat de weg in een goede staat verkeert. Conform het VNG-model is het voorstel om in de Apv uit te gaan van de bebouwde kom, zoals de gemeenteraad die heeft vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994. Dit is de bebouwde kom, waarvan ook de verkeerswetgeving uitgaat en die met bebording is aangeduid. Het begrip “bebouwde kom” is van belang voor het verbod om een hond los te laten lopen (artikel 2:57) en het verbod om de natuurlijke behoefte te doen (Artikel 4:8). Het is van belang dat duidelijk is waar deze verboden gelden. Door uit te gaan van de bebouwde kom op grond van de verkeerswetgeving, die met borden is aangeduid, wordt hieraan voldaan.

Onder g (huidige Apv h) wordt “onder c” verwijderd. Deze verwijzing naar de Woningwet is daarmee weer correct. Het VNG-model bevat ook deze onjuiste verwijzing.

De begripsomschrijving van de burgemeester is toegevoegd. Dit is consequent, nu ook het college is gedefinieerd.

In de huidige Apv worden de begrippen “bevoegd gezag” en “bevoegd bestuursorgaan” beide gebruikt. “Bevoegd bestuursorgaan” wordt gebruikt als een bevoegdheid door meerdere bestuursorganen (bijvoorbeeld het college en de burgemeester) kan worden gehanteerd. “Bevoegd gezag” is de term die in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) wordt gebruikt voor het bestuursorgaan dat bevoegd is om te beslissen over omgevingsvergunningen. Het gebruik van deze verschillende termen is wat verwarrend. Daarom kiezen we ervoor om de term “bestuursorgaan” te gebruiken voor zowel “bevoegd bestuursorgaan” als “bevoegd gezag”. In de hele Apv, behalve hoofdstuk 3, zal dit worden gewijzigd.

Artikel 1:2 Beslistermijn (J R)

Lid 3 wordt gewijzigd. In de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is bepaald dat deze wet van toepassing is, als voor daar genoemde activiteiten in een gemeentelijke verordening een ontheffing of vergunning nodig is. Een voorbeeld hiervan is het maken, hebben of veranderen van een uitweg. In de Apv staat dat hiervoor een vergunning nodig is. Dit is dan een omgevingsvergunning op grond van de Wabo. Dan is ook de bepaling over beslistermijnen uit de Wabo van toepassing. Daarom is bepaald dat de leden 1 en 2 niet gelden als de Wabo van toepassing is. In de huidige Apv staat een opsomming van bepalingen, waarvoor de beslistermijn uit de Wabo geldt. De systematiek zoals voorgesteld is echter duidelijker en voorkomt omissies.

Artikel 1:3 Positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen (Paragraaf 4.1.3.3 Algemene wet bestuursrecht) (J R)

Dit artikel is verplaatst en vernummerd van artikel 1:9 en 1:10 naar artikel 1:3.

In het huidige artikel 1:9 zijn de vergunningen en ontheffingen opgenomen, waarop de lex silencio positivo van toepassing is. Deze vergunningen en ontheffingen zijn van rechtswege verleend, als niet binnen de beslistermijn van acht weken na de dag van ontvangst van de aanvraag is beslist. In artikel 1:10 staan de vergunningen en ontheffingen genoemd, die niet van rechtswege ontstaan als niet op tijd is beslist. Deze artikelen 1:9 en 1:10 zijn samengevoegd en vanwege de logica verplaatst naar artikel 1:3 leden 1 en 2. De artikelen zijn vernummerd.

In beide gevallen is bij de opsomming een letter toegevoegd, zodat citeren gemakkelijker is.

Tevens zijn redactionele wijzigingen aangebracht.

Van een aantal vergunningen en ontheffingen is in de huidige Apv niet aangegeven of de lex silencio positivo wel of niet van toepassing is. Om hierover meer duidelijkheid te geven is dit nu voor elke vergunning en ontheffing opgenomen. Ook voor vergunningen en ontheffingen die met deze Apv voor het eerst mogelijk worden, is aangegeven of de lex silencio positivo van toepassing is. Daarbij is zoveel mogelijk aangesloten bij het VNG-model.

Ten opzichte van lid 1 (artikel 1:9 huidig) is een aantal vergunningen en ontheffingen toegevoegd, die van rechtswege ontstaan, als niet tijdig op de aanvraag wordt beslist. Het betreft de volgende:

  • -

    Artikel 2:11 Vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg. In bepaalde gevallen kan het hier ook gaan om een omgevingsvergunning op grond van de Wabo. Deze vergunningen ontstaan van rechtswege als niet tijdig op de aanvraag wordt beslist. Het is overzichtelijk en consequent als dit ook geldt voor vergelijkbare vergunningen, waarop de Wabo niet van toepassing is. Dit is conform het VNG-model.

  • -

    Artikel 2:64 Ontheffing verbod houden Bijen. Conform het VNG-model is hier de lex silencio positivo van toepassing. Overwegingen daarbij zijn dat, hoewel overlast mogelijk is, het artikel al bepaalde eisen aan de bijenhouder stelt, waaraan in het gros van de gevallen wordt voldaan. De enkele keer dat van die eisen ontheffing wordt gevraagd zal daar tijdig op kunnen worden beslist. Ook het belang van de bijenhouderij en de moeilijke situatie waarin zij verkeert zijn een afweging.

  • -

    Artikel 2:67 Vrijstelling verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister. Conform het VNG-model wordt hier de lex silencio positivo van toepassing verklaard op de ontheffing van het tweede lid. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van één tot alle verplichtingen in dit artikel. Doorgaans zal daarvoor een praktische reden zijn.

  • -

    Artikel 5:7 Ontheffing verbod Parkeren van reclamevoertuigen. In dit geval is ervoor gekozen een lex silencio positivo op te nemen. Deze situatie is zeldzaam. Ook vergt het toekennen of afwijzen van deze ontheffing geen langdurige of complexe afweging.

  • -

    Artikel 5:16 Ontheffing verbod venten vrijheid van meningsuiting bepaalde openbare plaatsen of dagen en uren. Conform het VNG-model is hier de lex silencio positivo van toepassing. De vrijheid van meningsuiting is een zaak van belang en het is niet wenselijk dit te veel te beperken en te lang in het onzekere te laten.

  • -

    artikel 5:23: Vergunning organisatie snuffelmarkt” is verwijderd, omdat de vergunningplicht voor een snuffelmarkt onder de evenementenvergunning is gebracht.

 

Voorts is in lid 2 (artikel 1:10 huidig) een aantal vergunningen en ontheffingen toegevoegd die niet van rechtswege ontstaan, als niet tijdig op de aanvraag is beslist. De toevoegingen betreffen de volgende:

  • -

    Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden, Verbod begeven of bevinden afgezette openbare plaatsen. Conform het VNG-model kan deze ontheffing niet van rechtswege ontstaan.

  • -

    Artikel 2:10 Ontheffing plaatsen van voorwerpen op, aan of boven de weg in strijd met de publieke functie ervan. Er is o.a. ontheffing nodig als het anders gebruiken van de weg schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan. Het is niet wenselijk als een dergelijke ontheffing van rechtswege kan ontstaan. Als voor de activiteit een omgevingsvergunning nodig is, zal deze op basis van de Wabo wel van rechtswege ontstaan als niet tijdig op de aanvraag wordt beslist. Dat een omgevingsvergunning nodig is zal in de praktijk zeer zelden voor komen. Dit is alleen het geval als sprake is van het opslaan van roerende zaken in een aangewezen gedeelte van de provincie of de gemeente. Zo’n gedeelte is niet aangewezen. De keuze om de ontheffing niet van rechtswege te laten ontstaan is conform het VNG-model

  • -

    Artikel 2:22 Ontheffing verbod Objecten onder hoogspanningslijn. Conform het VNG-model is vanwege het gevaarsaspect bepaald dat de lex silencio positivo niet van toepassing is op de ontheffing bedoeld in het tweede lid.

  • -

    Artikel 2:28c Wijziging aanhangsel exploitatievergunning. De vergunning exploitatie openbare inrichting (artikel 2:28) kan ook niet van rechtswege ontstaan. Dit is conform het VNG-model, waar is toegelicht dat dit is toegestaan. Het is goed en overzichtelijk om voor alle besluiten die betrekking hebben op de exploitatie van openbare inrichtingen dezelfde procedure van toepassing te laten zijn.

  • -

    Artikel 2:28d Wijziging exploitatievergunning openbare inrichting. De vergunning exploitatie openbare inrichting (artikel 2:28) kan ook niet van rechtswege ontstaan. Dit is conform het VNG-model, waar is toegelicht dat dit is toegestaan. Het is goed en overzichtelijk om voor alle besluiten die betrekking hebben op de exploitatie van openbare inrichtingen dezelfde procedure van toepassing te laten zijn.

  • -

    Artikel 2:28f Besluit ingebruikname terras. De vergunning exploitatie openbare inrichting (artikel 2:28) kan ook niet van rechtswege ontstaan. Dit is conform het VNG-model, waar is toegelicht dat dit is toegestaan. Het is goed en overzichtelijk om voor alle besluiten die betrekking hebben op de exploitatie van openbare inrichtingen dezelfde procedure van toepassing te laten zijn.

  • -

    Artikel 2:29 Ontheffing Sluitingstijd. De vergunning exploitatie openbare inrichting (artikel 2:28) kan ook niet van rechtswege ontstaan. Dit is conform het VNG-model, waar is toegelicht dat dit is toegestaan. Het is goed en overzichtelijk om voor alle besluiten die betrekking hebben op de exploitatie van openbare inrichtingen dezelfde procedure van toepassing te laten zijn. Deze keuze is conform het VNG-model.

  • -

    Artikel 2:41 Ontheffing verbod betreden gesloten woning, lokaal of erf. Vanwege de redenen waarom een woning, lokaal of erf gesloten kan worden is het niet wenselijk dat een ontheffing om deze plaatsen te betreden van rechtswege kan ontstaan.

  • -

    Artikel 2:60 Ontheffing verbod Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren. Conform het VNG-model is hier de lex silencio positivo niet van toepassing. Gelet op de overlast die het houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren kan geven is het niet wenselijk dat een dergelijke ontheffing van rechtswege kan ontstaan.

  • -

    Artikel 2:72 Vergunning Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen. Conform het VNG-model is gezien de veiligheidsaspecten, de grote toeloop die een vuurwerkhandel doorgaans met zich meebrengt en de scherpe concurrentie in deze branche er van afgezien om hier een lex silencio positivo in te voeren.

  • -

    Artikel 2:78a Besluit Opheffing sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen. Gelet op de redenen waarom voor het publiek openstaande gebouwen gesloten kunnen worden is het niet wenselijk dat een opheffing van die sluiting van rechtswege kan ontstaan.

  • -

    Artikel 3:15 Besluit Wijziging beheer (seksinrichtingen). Omdat voor de vergunning voor een seksinrichting de lex silencio positivo ook niet geldt, is het wenselijk dat de wijziging van die vergunning eveneens niet van rechtswege kan ontstaan.

  • -

    Artikel 4:6 Ontheffing verbod Overige geluidhinder. Conform het VNG-model is hier de lex silencio positivo niet van toepassing. Dit artikel wordt vooral toegepast voor het gebruik van knalapparaten voor het verjagen van vogels. Gelet op de overlast die men hiervan kan ondervinden is het niet wenselijk dat deze ontheffing van rechtswege kan ontstaan.

  • -

    Artikel 5:2 Ontheffing verbod Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.. Conform het VNG-model is hier de lex silencio positivo niet van toepassing. Gezien de mogelijke milieugevolgen en overlast is het niet wenselijk dat deze ontheffing van rechtswege kan ontstaan.

  • -

    Artikel 5:3 Ontheffing verbod Te koop aanbieden van voertuigen. Conform het VNG-model wordt hier de lex silencio positivo niet toegepast. Dit artikel dient om te kunnen optreden tegen geïmproviseerde kleine automarkten op de openbare weg. Gezien de overlast die daarmee gepaard kan gaan is het niet wenselijk dat deze ontheffing van rechtswege kan ontstaan..

  • -

    Artikel 5:6 Ontheffing verbod plaatsen/hebben Kampeermiddelen e.a.. Conform het VNG-model geldt hier niet de lex silencio positivo. Het motief voor een aanwijzingsbesluit is doorgaans dat een toch al beperkte parkeerruimte door caravans e.d. overbelast zou raken. In die situatie zou het onwenselijk zijn dat een ontheffing zou ontstaan als er een beslistermijn wordt overschreden.

  • -

    Artikel 5:11 Ontheffing verbod Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen. Conform het VNG-model geldt hier niet de lex silencio positivo. Gezien het belang dat hier aan de orde is: het voorkomen van schade aan groenvoorzieningen, is het niet wenselijk dat deze ontheffing van rechtswege kan ontstaan.

  • -

    Artikel 5:13 Vergunning Inzameling van geld of goederen. In afwijking van het VNG-model is er voor gekozen deze vergunning niet van rechtswege te laten ontstaan als niet tijdig op de aanvraag is beslist. De vergunning voor het inzamelen van geld of goederen wordt afgegeven voor collectes en o.a. het inzamelen van kleding. De vergunningen voor collectes worden altijd binnen de termijn afgehandeld. Voor de inzameling van kleding hanteren we een lotingssysteem. Het hele jaar worden verzoeken verzameld. De verzoekers ontvangen een tussenbericht. Aan het eind van het jaar of begin van het volgend jaar wordt aan de hand van de CBF-rapportage nagegaan welke verzoeker een volledig positief rapport hebben gekregen. Onder hen wordt dan geloot. Zes instanties worden ingeloot. Verzoekers die geen positieve rapportage hebben en die niet zijn ingeloot krijgen een brief. Verzoekers die wel zijn ingeloot krijgen een vergunning voor het inzamelen van kleding. Doordat dit systeem al tientallen jaren wordt gehanteerd is dit een vaste gedragslijn geworden. Bij toepassing van lex silencio positivo zou dit systeem niet meer gehanteerd kunnen worden.

  • -

    Artikel 5:18 Standplaatsvergunning. Conform het VNG-model is hier de lex silencio positivo niet van toepassing.

  • -

    Artikel 5:33 Ontheffing verbod verkeer in natuurgebieden. Conform het VNG-model geldt hier niet de lex silencio positivo. Gezien de belangen die hier worden beschermd: de rust en recreatie in natuurgebieden, is het niet wenselijk om hier een ontheffing van rechtswege in het leven te roepen.

  • -

    Artikel 5:34 Ontheffing verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken. Conform het VNG-model wordt hier de lex silencio positivo niet toegepast. Gelet op het gevaar dat overtreding van dit verbod met zich kan brengen is het niet wenselijk dat een ontheffing van rechtswege kan ontstaan.

  • -

    Artikel 5:37a Ontheffing detectieverbod. Gelet op het gevaar dat ten grondslag ligt aan dit verbod is het niet wenselijk dat een ontheffing van rechtswege kan ontstaan. Ook in de Apv’s van Naarden en Oisterwijk, die als voorbeelden hebben gediend voor de Zeister bepaling, is de lex silencio positivo niet van toepassing verklaard.

Het kan zijn dat ook andere besluiten, die ingevolge de Apv genomen kunnen worden, worden aangevraagd. Het is duidelijk om ook voor deze aanvragen vast te leggen of de lex silencio positivo van toepassing is. Dat gebeurt in lid 3.

Artikel 1:4 Indiening aanvraag (J R)

Dit artikel is vernummerd van artikel 1:3 naar artikel 1:4. Conform het advies van de VNG in de zomerwijziging van 2016 komt dit artikel te vervallen. De wetgever heeft in de Algemene wet bestuursrecht een sluitend systeem neergelegd voor de afhandeling van aanvragen: die worden ingewilligd of geweigerd. In artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht is daarop één uitzondering gemaakt: een aanvraag die zo gebrekkig is dat die moet worden aangevuld voor ze kan worden afgehandeld kan buiten behandeling worden gelaten. Wel moet de aanvrager de kans krijgen om de aanvraag aan te vullen. In dat systeem past niet dat bij gemeentelijke verordening een aanvullende grond wordt geïntroduceerd waarmee een aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten. Daarom komt artikel 1:3 van de APV te vervallen. Een aanvraag die dusdanig laat wordt ingediend dat een volledige, goede en tijdige beoordeling niet mogelijk is zal moeten worden afgewezen in plaats van buiten behandeling worden gelaten. Zie in dit verband de toelichting bij de wijziging van artikel 1:5.

Artikel 1:5 Weigeringsgronden (J R)

Dit artikel is verplaatst en vernummerd van artikel 1:8 naar artikel 1:5. Dat is logischer. De artikelen 1:4, t/m 1:7 zijn daarom ook vernummerd.

In de aanhef is “daartoe bevoegde gezag” vervangen door het woord “bestuursorgaan”. Dit sluit beter aan bij de terminologie in de Algemene wet bestuursrecht, de Wabo en deze verordening.

Conform het advies van de VNG in de zomerwijziging van 2016 wordt een nieuw lid 2 ingevoegd. Zoals in de toelichting bij artikel 1:4 uiteen is gezet kunnen gemeenten bij verordening geen aanvullende gronden stellen waarmee een aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten, zoals voorheen was gedaan in artikel 1:4 ten aanzien van aanvragen die werden ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig had. Het is echter weinig zinvol – voor zowel de gemeente als de aanvrager – om te beginnen met een inhoudelijke toetsing van een aanvraag als door het (late) tijdstip van indienen van de aanvraag een – volledige en – goede beoordeling hiervan niet redelijkerwijs mogelijk is vóór de beoogde datum van de activiteit waarvoor de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft. Een vergunning of ontheffing zal in dergelijke gevallen niet (tijdig) verleend kunnen worden. Zie in dit verband ook artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Een (snelle) weigering schept (snel) duidelijkheid voor de aanvrager en voorkomt een onnodige inspanning aan de kant van de gemeente. Het tweede lid biedt nu een weigerings-grondslag voor dergelijke gevallen, voor zover de betreffende aanvraag is ingediend minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Artikel 1:6 Voorschriften en beperkingen (R)

Dit artikel is verplaatst en vernummerd van artikel 1:4 naar artikel 1:6.

Artikel 1:7 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing (J R)

Dit artikel is verplaatst en vernummerd van artikel 1:5 naar artikel 1:7.

Achter het tweede woord “vergunning” zijn de woorden “of ontheffing” toegevoegd. Ook de aard van een ontheffing zou zich tegen een persoonsgebonden karakter kunnen verzetten.

Artikel 1:8 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing (R)

Dit artikel is verplaatst en vernummerd van artikel 1:6 naar artikel 1:8.

Artikel 1:9 Geldigheidsduur vergunning of ontheffing (R)

Dit artikel is verplaatst van artikel 1:7 naar artikel 1:9.

De kop van deze bepaling is gewijzigd, (was voorheen termijnen) zodat deze beter aansluit bij de inhoud van het artikel.

Artikel 1:10a experimenteerartikel (J B O)

Zeist heeft deelgenomen aan de landelijke pilot ‘Verlichte regels winkelgebieden’ van Platform 31. Deze pilot is landelijk en lokaal geëvalueerd. Als gevolg hiervan hebben wij op 28 maart 2017 besloten over de wijze waarop Zeist invulling wenst te geven aan een regelluw centrum. Uit de lokale en landelijke evaluatie blijkt o.a. dat • een experimenteerartikel in de Apv kan worden opgenomen voor grotere flexibiliteit. Uit de landelijke evaluatie blijkt dat er een tweetal gemeenten zijn die dit hebben gedaan. Met het opnemen van een experimenteerartikel in de APV kan het college van B&W of de burgemeester beargumenteerd afwijken van regels in die Apv. Op die manier kunnen experimenten en pilots met regelgeving eenvoudiger en juridisch beter worden gedekt en uitgevoerd. Een experimenteerartikel biedt ook de mogelijkheid om afspraken te maken (over bijvoorbeeld tijdelijkheid en monitoring). Het maakt bovendien helder wie (college of burgemeester), waarom afwijkt van de regels. Zwolle en Rotterdam hebben nu een experimenteerartikel in hun Apv opgenomen. Op 28 maart 2017 hebben wij besloten om in te stemmen met het toevoegen van een experimenteerartikel in de Apv van Zeist. Daarom wordt nu voorgesteld deze bepaling op te nemen. Het artikel is gebaseerd op de bepalingen van Zwolle en Rotterdam.

In lid 3 is aangegeven van welke bepalingen het college of de burgemeester bij wijze van experiment niet kan afwijken.

Dit betreft de bepalingen in hoofdstuk 1 over begripsbepalingen, beslistermijn, positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen, weigeringsgronden, voorschriften en beperkingen, persoonlijk karakter van vergunning en ontheffing, intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing en geldigheidsduur vergunning of ontheffing. Ook kan niet worden afgeweken van hoofdstuk 3 over seksinrichtingen en straatprostitutie en hoofdstuk 6 waar de straf-, overgangs- en slotbepalingen staan.

Voorts kan niet worden afgeweken van de artikelen over samenscholing en ongeregeldheden, verstoring van de openbare orde, de verblijfsontzegging (hoofdstuk 2, afdeling 1,) en betoging (hoofdstuk 2, afdeling 2). Verder is geen afwijking mogelijk van bepalingen uit hoofdstuk 2, afdeling 6, over rookverbod in bossen en natuurterreinen, voorzieningen voor verkeer en verlichting, objecten onder hoogspanningslijn en veiligheid op het ijs. Tevens kan niet worden afgeweken van de bepalingen over toezicht op speelgelegenheden (hoofdstuk 2, afdeling 10), bepalingen over het betreden van een gesloten woning, lokaal of erf, vervoer plakgereedschap, vervoer inbrekerswerktuigen, hinderlijk gedrag op openbare plaatsen, skeeleren, verboden drankgebruik, verboden gedrag bij of in gebouwen, hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten, overlast van fiets of bromfiets, loslopende honden, gevaarlijke honden, houden of voeren van hinderlijke dieren, loslopend vee en bijen (hoofdstuk 2, afdeling 11). Verder kan niet worden afgeweken van bepalingen over vuurwerk (hoofdstuk 2, afdeling 13), drugsoverlast (hoofdstuk 2 afdeling 14), bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen (hoofdstuk 2, afdeling 15) en voor publiek openstaande gebouwen (hoofdstuk 2, afdeling 16).

Ook is geen afwijking mogelijk van bepalingen over incidentele festiviteiten, onversterkte muziek, natuurlijke behoefte doen en toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen (hoofdstuk 4, afdelingen 1 en 2).

Ten slotte is nog een tweetal losse bepalingen genoemd, waarvan afwijking vanwege een experiment niet mogelijk is. Het gaat dan om verboden gedragingen (artikel 2:31) en handel binnen openbare inrichtingen (artikel 2::32).

Hoofdstuk 2. Openbare orde

Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden

Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden (R)

Vanwege de leesbaarheid en redactionele overwegingen zijn de leden 2 en 3 van het model van de VNG overgenomen. Inhoudelijk is er geen verschil.

Artikel 2:1a verstoring van de openbare orde e.d. (O)

Op advies van de politie en met instemming van de medewerker veiligheid is artikel 2:2 van de Apv Utrecht hier overgenomen. Zo kan de politie in de horeca efficiënter optreden tegen personen die met elkaar (schijn)vechten.

Artikel 2:1b Verblijfsontzegging (J O R)

Dit artikel is verplaatst en vernummerd van artikel 2:31z naar artikel 2:1b. De bepaling stond in de afdeling over openbare inrichtingen, maar hoort thuis bij de afdeling over bestrijding van ongeregeldheden. In de Apv Utrecht staat een vergelijkbare bepaling ook op deze plek.

In lid 2 is toegevoegd: “of van dreiging van ernstige verstoring van de openbare orde” en in lid 3: “of dreigen te verstoren”. Zo kan de burgemeester ook handelen als de verstoring van de openbare orde zich niet daadwerkelijk heeft voorgedaan, maar wel dreigt.

In lid 3, onder a, zijn twee tikfouten hersteld.

Lid 4 is redactioneel aangepast.

In lid 5 wordt “het bevolkingsregister” vervangen door: “de basisregistratie personen”. Dit is de correcte term voor het register van ingezetenen en niet ingezetenen. Ook is deze bepaling redactioneel aangepast.

Afdeling 2. Betoging

Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen (R)

In lid 2, aan het einde van onderdeel e is het woordje “en” toegevoegd. Hiermee is duidelijker dat alle genoemde informatie moet worden verstrekt.

In de leden 3 en 4 is duidelijker tot uitdrukking gebracht dat het tijdstip waarop de kennisgeving is gedaan van belang is.

Afdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien van de weg

Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op, aan of boven de weg in strijd met de publieke functie ervan (B J)

Voor het plaatsen van voorwerpen op, aan of boven een weg is een heel nieuw artikel gemaakt. In de huidige bepaling staan onjuiste verwijzingen en bij de uitvoering van deze bepaling lopen de medewerkers tegen problemen aan. Zo geldt het verbod als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. Van dit verbod kan dan ontheffing worden verleend, maar dat gebeurt meestal niet, als van die situaties sprake is. Daarom is in de nieuwe versie als hoofdregel een verbod opgenomen met de mogelijkheid om daarvan ontheffing te verlenen of als sprake is van een activiteit zoals bedoeld in de Wabo een omgevingsvergunning.

Door expliciet op te nemen dat het ook kan gaan om voorwerpen boven de weg is duidelijk dat het ophangen van spandoeken of kerstverlichting hier ook onder valt.

Op 6 november 2012 heeft de gemeenteraad besloten het plaatsen van aankondigingsborden, reclameborden en andere borden weer te reguleren. De mogelijkheid om ongelimiteerd borden te plaatsen, had tot ongewenste situaties geleid. Ook in de nieuwe Apv is het plaatsen van deze borden gereguleerd met een verbod en een ontheffingsmogelijkheid.

Met de weigeringsgronden in lid 4 is aangesloten bij het amendement dat de raad hierover destijds heeft aangenomen. In de praktijk is gebleken dat hier nog een aantal weigeringsgronden wordt gemist. Ook deze zijn toegevoegd.

In lid 5 is de mogelijkheid opgenomen om voor alle voorwerpen op aan of boven de weg nadere regels vast te stellen. Zo kunnen bijvoorbeeld (veiligheids)voorschriften worden opgenomen voor het legen van glascontainers of het plaatsen van verwijsborden.

Met lid 6 wordt het mogelijk gemaakt dat ons college bepaalt dat het verbod niet geldt als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Dan is geen ontheffing of vergunning nodig. Zo kan voor uitstallingen, terrassen, borden of spandoeken waarvoor toch vaak ontheffing of vergunning wordt verleend de administratieve last voor zowel aanvragers als medewerkers van de gemeente worden beperkt. Als in de praktijk blijkt dat in bepaalde situaties steeds ontheffing of vergunning wordt verleend kunnen de nadere regels hierop gemakkelijk worden aangepast, zodat ook die administratieve last komt te vervallen.

In lid 7 is bepaald dat dit artikel niet van toepassing is voor evenementen, terrassen bij openbare inrichtingen en standplaatsen. Hiervoor gelden afzonderlijke regels.

Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg (R)

In lid 1 is een redactionele wijziging aangebracht.

In lid 4 is een onjuiste verwijzing hersteld. Naar aanleiding van de Ronde Tafel van 09 mei 2017 lichten wij het volgende aanvullend toe:

Lid 2 van deze bepaling is bedoeld om aan te geven welk bestuursorgaan bevoegd is om te beslissen op de aanvraag om een vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg. Als voor deze activiteiten op grond van een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit een vergunning nodig is, dan valt dit onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en is op grond van die wet een omgevingsvergunning nodig. Op basis van de Wabo kunnen naast het college van burgemeester en wethouders ook gedeputeerde staten van de provincie of een minister bevoegd zijn om te beslissen op een aanvraag om omgevingsvergunning. Dit is afhankelijk van de specifieke situatie. In de Wabo wordt daarom steeds gesproken van “bevoegd gezag”. Hiermee wordt bedoeld: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning. In de huidige Apv sluiten wij hierbij aan. Als een omgevingsvergunning aan de orde is, spreken we ook van “bevoegd gezag”.

Bestuursorganen die op grond van de Apv kunnen beslissen zijn het college en de burgemeester. In bepalingen die voor beide bestuursorganen gelden spreken we in de huidige Apv van “bevoegd bestuursorgaan”. Dit is verwarrend naast de term “bevoegd gezag”. Daarom hebben we ervoor gekozen om voor de termen “bevoegd gezag” en “bevoegd bestuursorgaan” één term te hanteren: “bestuursorgaan” (zie artikel 1:1, aanhef en onder k van de vast te stellen Apv).

Met artikel 2:11, tweede lid, onder a van de vast te stellen Apv wordt aangegeven dat de vergunning moet worden verleend als omgevingsvergunning, als het aanleggen, beschadigen of veranderen van een weg zonder vergunning verboden is in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Als de vergunning moet worden verleend als omgevingsvergunning dan moet dit gebeuren door het bevoegd gezag, in de terminologie van de vast te stellen Apv “bestuursorgaan”. Dor aan te geven dat de vergunning als omgevingsvergunning moet worden verleend, is ook al duidelijk dat het bevoegde bestuursorgaan moet beslissen. Daarom is dit hier weg gelaten.

Voor de leesbaarheid van de bepaling is het echter duidelijker om dit wel te vermelden en deze anders te redigeren.

Omdat een aanvraag om vergunning voor het aanleggen, beschadigen of veranderen van een weg niet altijd verleend zal worden dient ook de aanhef van artikel 2:11, tweede lid, gewijzigd te worden.

Artikel 2:11, tweede lid is daarom gewijzigd.

Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg (J R)

Lid 2 wordt verwijderd De verwijzing naar de definitie van weg is overbodig, omdat deze in de begripsomschrijving in artikel 1:1 is opgenomen. Als gevolg van deze verwijdering worden de navolgende leden vernummerd.

In het nieuwe lid 2 (lid 3 huidig), onder e, wordt “indien een uitwegvergunning wordt aangevraagd door een bewoner woonachtig in een woonstraat waar de bezettingsgraad op enig dagdeel hoger is dan 90%, wordt, onverminderd het gestelde in lid 1 en 2, geen uitwegvergunning verleend” verwijderd. Bij de behandeling van aanvragen uitwegvergunningen en bezwaarschriften hierover is gebleken dat deze bepaling te strikt is. Het is niet mogelijk om rekening te houden met bijzondere omstandigheden. Het is bijvoorbeeld niet mogelijk de vergunning bij een hoge bezettingsgraad toch te verlenen, als de parkeerplaats die komt te vervallen gecompenseerd kan worden.

Ons college heeft in 2012 beleidsregels over de uitwegvergunning opgesteld. Hierin is aangegeven hoe de weigeringsgronden worden toegepast. Hierin is ook een bepaling opgenomen over het weigeren van de vergunning bij een bezettingsgraad hoger dan 90 procent. Deze bepaling is minder strikt dan die in de Apv en komt daar niet geheel mee overeen.

In 2017 herzien wij dit beleid. Ter invulling van het criterium “parkeren” wordt wederom een bepaling opgenomen, op basis waarvan de vergunning kan worden geweigerd bij een hoge bezettingsgraad. Door deze in het beleid op te nemen en iets flexibeler te maken, is het beter mogelijk om maatwerk toe te passen.

In lid 3 (lid 4 huidig) wordt “het Provinciaal wegenreglement” vervangen door: “de provinciale wegenverordening”, zodat naar de correcte regeling wordt verwezen.

Afdeling 6. Veiligheid op de wegArtikel 2:14 Winkelwagentjes (J R)

In lid 1 wordt “die” vervangen door “dat”. Vanwege de leesbarheid zijn de twee verplichtingen met letters opgesomd.

In lid 2 wordt “Burgemeester en wethouders kunnen” vervangen door “Het college kan”. Tevens is duidelijk gemaakt dat het ook in lid 2 om een opruimplicht voor winkelwagentjes gaat.

Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen (R)

In lid 3 is een redactionele wijziging aangebracht, zodat duidelijk is dat de beide verboden in lid 1 en 2 niet van toepassing zijn als artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van strafrecht toepasbaar is.

In lid 4 is voor het woord “aangrenzende” het woordje “op” toegevoegd. Dit is taalkundig juist.

Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting (R)

In lid 2 is een redactionele wijziging aangebracht, die het artikel verduidelijkt en beter leesbaar maakt..

Afdeling 7. EvenementenArtikel 2:24 Begripsbepaling (J O)

Op verzoek van de medewerker vergunningen van het Ondernemersplein komt in het eerste lid, onder b, “en artikel 5:22 van deze verordening” te vervallen. Hiermee worden de snuffelmarkten, die in de huidige Apv in de artikelen 5:22 en 5:23 geregeld zijn, onder de evenementen gerangschikt. Voor een snuffelmarkt is dan geen vergunning voor het organiseren van een snuffelmarkt meer nodig, maar een evenementenvergunning. Een snuffelmarkt is een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats. Zodra deze activiteit dus buiten plaatsvindt is dit niet meer in een voor het publiek toegankelijk gebouw en is sprake van een evenement. Het is niet duidelijk waarom dit onderscheid nodig is. De toetsingscriteria zijn nagenoeg gelijk. Voor andere evenementen is niet van belang of deze binnen of buiten plaatsvinden. Als een rommelmarkt zowel binnen als buiten plaatsvindt is op grond van de huidige Apv een vergunning nodig voor het organiseren van een snuffelmarkt en een vergunning voor het houden van een evenement. Dit is dubbelop en niet nodig. Zowel voor aanvragers als voor medewerkers bij de gemeente is het duidelijker en eenvoudiger om de snuffelmarkt onder de evenementenvergunning te laten vallen.

Voor de snuffelmarkt is als weigeringsgrond ook “strijd met een geldend bestemmingsplan” opgenomen. Deze weigeringsgrond komt te vervallen. Als een evenement niet past binnen de bestemming kan voor strijdig gebruik met het bestemmingsplan een omgevingsvergunning worden aangevraagd. Als een activiteit op grond van ruimtelijke ordeningsargumenten niet wenselijk is, dan is het goed om een eventuele weigering via dat kanaal te laten lopen.

In het eerste lid, onder f wordt de verwijzing naar artikel 2:9 van deze verordening verwijderd, omdat deze bepaling is vervallen.

Bij lid 2, onder d, wordt duidelijk gemaakt dat een straat- of buurtfeest ook een evenement is. Lid 2, onder e en lid 3 komen te vervallen. Zie voor een verdere uitleg onder artikel 2:25.

Aan lid 2 wordt een nieuw onderdeel e toegevoegd, waarmee duidelijk wordt dat een snuffelmarkt een evenement is.

Artikel 2:25 Evenement (J O)

Het tweede en derde lid komen te vervallen. Lid 4 wordt vernummerd naar lid 2.

Met artikel 2:24, tweede lid onder e en lid 3 alsmede artikel 2:25, tweede en derde lid is in de huidige Apv geregeld dat voor kleine evenementen kan worden volstaan met een melding. Deze meldingsplicht komt te vervallen, zodat voor alle evenementen een vergunning moet worden aangevraagd.

Onder klein evenement wordt verstaan een straatfeest of buurtbarbecue op één dag. Elk jaar wordt voor ongeveer 50 straatfeesten vergunning aangevraagd of een melding gedaan. In de praktijk kan echter slechts voor drie kleine evenementen per jaar worden volstaan met een melding. Voor de andere straatfeesten is toch een vergunning nodig, omdat de straat wordt afgesloten. Regulering van deze evenementen is wel nodig in verband met afstemming met andere feesten en veiligheid.

Administratief maakt het zowel voor de aanvrager als voor de medewerkers bij de gemeente niet uit of een melding moet worden gedaan of een vergunning moet worden aangevraagd. Voor het aanvragen van de vergunning voor een buurt- of straatfeest wordt een eenvoudig formulier gehanteerd.

In lid 3 is opgenomen dat geen evenementenvergunning nodig is voor een snuffelmarkt in een winkel. Voor zulke snuffelmarkten is op grond van de huidige Apv ook geen snuffelmarktvergunning nodig.

Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen

Artikel 2:27 Begripsbepalingen (J O R)

Op advies van de medewerker horeca zijn definities toegevoegd voor: vergunninghouder, leidinggevende en barvrijwilliger. Deze definities sluiten aan bij die in de Drank- en horecawet en maken handhaving gemakkelijker. In alle bepalingen over openbare inrichtingen is exploitant vervangen door vergunninghouder, zodat consequent met de definities wordt omgegaan. Dit sluit ook aan bij de Drank- en horecawet. Verder zijn redactionele wijzigingen aangebracht en is het woord horecabedrijf waar nodig vervangen door openbare inrichting, zie ook onder artikel 2:28.

Artikel 2:28 exploitatie openbare inrichting (J O R)

De titel van dit artikel wordt gewijzigd. “Horecabedrijf” wordt gewijzigd in: “openbare inrichting”. Dit is omdat deze bepaling ook geldt voor horeca-inrichtingen, die niet onder de Drank- en horecawet vallen. Onder de Drank- en horecawet vallen horecabedrijven, waar alcoholhoudende drank wordt verstrekt.

Lid 1 wordt zo gewijzigd dat ook een exploitatievergunning nodig is voor terrassen bij openbare inrichtingen waarvoor geen exploitatievergunning nodig is, zie lid 4. Dat deze inrichtingen zomaar een terras kunnen plaatsen kan in bepaalde gevallen onwenselijk zijn. Om deze reden adviseert de horecamedewerker hiervoor een vergunningplicht op te nemen..

In lid 2 wordt aan het eind toegevoegd: “beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit en geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend.”. Dit is gedeeltelijk conform het VNG-model en sluit aan bij de Wabo. Ook in een beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit kan horeca niet zijn toegestaan. De zinsnede “en geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend” is een toevoeging ten opzichte van het VNG-model en maakt het mogelijk om een exploitatievergunning te verlenen, als horeca met een afwijking van het planologisch kader is toegestaan. Deze bepaling houdt een weigeringsplicht van de exploitatievergunning in, als het ruimtelijk kader geen horeca toelaat.

In lid 3 wordt de verwijzing naar artikel 1:8 gewijzigd in artikel 1:5, omdat daar nu de algemene weigeringsgronden komen. Verder wordt lid 3 voor de leesbaarheid en om gemakkelijker te kunnen citeren redactioneel aangepast en per weigeringsgrond wordt een letter toegevoegd.

In lid 3 wordt “het horecabedrijf” gewijzigd in “de openbare inrichting”.

In lid 3 wordt “of de openbare Orde” verwijderd. Deze weigeringsgrond staat al in artikel 1:5.

In lid 3 is “houder” gewijzigd in “aanvrager”. Dit is conform het VNG-model en sluit beter aan bij de terminologie van de Awb. Ook is conform het VNG-model toegevoegd dat de verklaring omtrent het gedrag betrekking moet hebben op de leidinggevende van de inrichting. Zo wordt voorkomen dat de exploitatievergunning moet worden verleend met een niet relevante verklaring omtrent gedrag.

Op advies van de medewerker horeca wordt het met lid 3, aanhef en onderdeel c, ook mogelijk gemaakt de vergunning te weigeren als de leidinggevende niet aan de gestelde eisen voldoet.

Op advies van de medewerker horeca is een weigeringsgrond toegevoegd. Met het bepaalde in lid 3, aanhef en onder d, kan de exploitatievergunning worden geweigerd als sprake is van een schijnconstructie/schijnbeheer. De Drank- en horecawet kent ook zo’n bepaling voor de drank- en horecavergunning. Met deze weigeringsgrond wordt voorkomen dat wel een exploitatievergunning moet worden verleend, terwijl de drank- en horecavergunning wordt geweigerd omdat sprake is van een schijnconstructie/schijnbeheer.

De VNG en enkele gemeenten zijn een tijdelijke proef met mengvormen van winkels en horeca gestart. Met deze pilot worden tijdelijk en onder strikte voorwaarden enkele gemengde ondernemersactiviteiten toegestaan, waarbij het schenken van alcohol wordt gecombineerd met detailhandel of slijten. De rechtbank Midden-Nederland heeft de burgemeester van Nieuwegein hierin teruggefloten. Deze uitspraak gaat over de handhaving van de Drank- en horecawet en is voor de Apv niet van belang.

Leden 5 en 6 komen te vervallen. Hier staat een alternatief voor de openbare inrichtingen die onder de Drank- en Horecawet vallen, de zogenaamde "natte horeca". Indien deze inrichtingen in de afgelopen zes maanden geen ernstige overlast gegeven hebben, verleent de burgemeester aan dergelijke bedrijven ambtshalve of op verzoek een vrijstelling, zodat geen exploitatievergunning nodig is. Deze vrijstellingsmogelijkheid is echter nooit toegepast. Voorts zou toepassing ervan, als er problemen zijn met een horecainrichting, meerdere besluiten vragen: de intrekking van de vrijstelling en het al dan niet verlenen van een exploitatievergunning. Dit is niet wenselijk.

Artikelen 2:28a t/m 2:28d (J O)

Op advies van de medewerker horeca worden vier artikelen toegevoegd, waarmee de systematiek van de exploitatievergunning gelijk wordt getrokken met die van de Drank- en Horecavergunning. Dit betekent dat alle leidinggevenden op het aanhangsel van de vergunning vermeld moeten staan. Dit maakt controle door de toezichthouders gemakkelijker en de burgemeester kan regie houden op de personen die leiding geven in de openbare inrichting. In de huidige situatie wordt alleen de aanvrager getoetst en in de vergunning vermeld. Andere leidinggevenden kunnen zo niet gecontroleerd worden. Met de nieuwe bepalingen kan getoetst worden op crimineel gedrag, verklaring omtrent gedrag, curatele en leeftijd.

De leidinggevenden kunnen worden vermeld op een aanhangsel. Als dan de leiding van de inrichting wijzigt, behoeft niet een hele nieuwe exploitatievergunning aangevraagd te worden en kan worden volstaan met een aanvraag tot wijziging van het aanhangsel. Om flexibiliteit te bevorderen is het mogelijk gemaakt dat de inrichting open blijft als daar een leidinggevende aanwezig is, voor wie om bijschrijving is gevraagd maar waarover nog niet is beslist. Als duidelijk is dat deze leidinggevende niet aan de eisen voldoet, zal zo snel mogelijk de wijziging van het aanhangsel geweigerd moeten worden.

Voor een openbare inrichting als nevenactiviteit bij een winkel, een zorginstelling, een museum of een bedrijfskantine of –restaurant is geen exploitatievergunning nodig. Voor bij deze inrichting behorende terrassen geldt wel een vergunningsplicht. Het is mogelijk om deze vergunning te weigeren als de leidinggevende niet over een recente verklaring omtrent gedrag beschikt. Verder gelden voor de leidinggevenden bij deze terrassen geen eisen, zie artikel 2:28b, derde lid. Een vergunning voor deze terrassen is van belang om te voorkomen dat een wildgroei aan terrassen ontstaat. Het gaat vooral om het ruimtelijke effect van het terras voor de woon- en leefomgeving. Ten aanzien van de terrassen wordt een simpele toetsing uitgevoerd, die betrekking heeft op de locatie: bestemmingsplan, bruikbaarheid van de weg. Persoonlijkheidseisen van leidinggevenden worden niet getoetst. Persoonlijkheidseisen worden wel getoetst als een Drank- en horecavergunning wordt aangevraagd (alcohol wordt geschonken).

Met artikel 2:28d behoeft voor een wijziging van de exploitatievergunning, bijvoorbeeld toevoeging van een terras, niet een hele nieuwe exploitatievergunning aangevraagd, getoetst en betaald te worden.

Artikel 2:28e Intrekkings-, wijzigings- en schorsingsgronden (J O)

Op advies van de medewerker horeca wordt een artikel toegevoegd, waarmee een aantal gronden wordt toegevoegd om de exploitatievergunning te kunnen intrekken, wijzigen of schorsen. Naast de algemene intrekkingsgronden in artikel 1:8 van de Apv bestaat voor de exploitatievergunning behoefte aan meer intrekkings- of wijzigingsgronden. Deze kunnen handhavingsprocedures vereenvoudigen.

Net als voor de drank- en horecavergunning wordt ook voor de exploitatievergunning een schorsing mogelijk gemaakt. Zo kunnen, indien nodig, voor beide vergunningen dezelfde maatregelen getroffen worden.

Artikel 2:28f Terrassen (J O B)

Op advies van de medewerker horeca is een artikel toegevoegd met regels voor terrassen. In de huidige Apv zijn naast de algemene weigeringsgronden in artikel 1:8 (huidig) geen aanvullende bepalingen voor terrassen opgenomen. De toegevoegde bepaling geeft meer kaders mee voor de verlening van de exploitatievergunning. Deze bepaling komt ook overeen met de huidige praktijk, die niet in de Apv is vastgelegd.

Ten opzichte van het advies van de medewerker horeca is nog toegevoegd dat ook bij sluiting op grond van artikel 2:30, eerste en tweede lid, al het meubilair van het terras verwijderd dient te zijn, dan wel op zodanige wijze onderling met elkaar verbonden moet zijn dat het niet te verplaatsen is

Artikel 2:29 Sluitingstijd (J O R)

Na lid 1 wordt een nieuw lid 2 toegevoegd, waarmee de sluitingstijd niet geldt voor de nacht van oud en nieuw. In de huidige praktijk wordt voor de oud-en-nieuw-nacht een algemene ontheffing sluitingstijd aan ondernemers verleend. Feitelijk is deze algemene ontheffing een vrijstelling. Ontheffingen zijn bedoeld voor individuele gevallen en niet voor situaties die elk jaar standaard worden toegepast. Zowel voor exploitanten van openbare inrichtingen als voor de burgemeester leidt dit tot vermindering van administratieve lasten. De ontheffing behoeft niet meer aangevraagd te worden en de burgemeester behoeft hierop niet meer te beslissen.

De leden 2 en 3 worden vernummerd naar 3 en 4.

In lid 3 (lid 2 huidig) wordt “na” gewijzigd in: “gedurende de”. Bij een letterlijke lezing van de huidige bepaling mogen bezoekers nadat inrichting weer open mag zijn niet aanwezig zijn. Dat zal niet de bedoeling zijn. Ook het VNG-model maakt deze vergissing.

Na lid 4 wordt een vijfde lid toegevoegd, waarmee aan de burgemeester de bevoegdheid wordt gegeven nadere regels te stellen over de sluitingstijd. Volgens het Uitvoeringskader horeca 2015 mogen terrassen in Zeist bij warm weer een uur langer open zijn. Dit is nu in strijd met de Apv. Door dit via nadere regels te regelen, kan gemakkelijk en snel ingespeeld worden op nieuwe ontwikkelingen.

De leden 5 en 6 worden vernummerd naar 6 en 7.

In lid 6 is voor openbare inrichtingen in winkels bepaald dat daar dezelfde sluitingstijden gelden als voor de winkel. Het is niet nodig om voor de openbare inrichtingen bij zorginstellingen, musea en bedrijfskantines of –restaurants andere sluitingstijden op te nemen. Voor de hoofdactiviteiten gelden geen wettelijke sluitingstijden, zodat daar de algemene sluitingstijden voldoende zijn.

Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting (J R)

In lid 1 wordt “horecabedrijven” gewijzigd in ““openbare inrichtingen”. De bepaling geldt immers ook voor openbare inrichtingen, die niet onder de Drank- en horecawet vallen. De Drank- en horecawet geldt voor horecabedrijven waar alcoholhoudende drank wordt verstrekt.

Op advies van de medewerker horeca wordt voor de tijdelijke sluiting van openbare inrichtingen een apart lid opgenomen, waarin de gronden tot sluiting specifieker zijn opgenomen. Dit maakt handhavend optreden gemakkelijker.

Lid 2 wordt vernummerd naar lid 3.

Artikel 2:31 Verboden gedragingen (J R)

Onder b wordt “na” gewijzigd in “gedurende de” en het woord “gedurende” wordt verwijderd.

Voorts wordt conform het VNG-model voor de woorden “eerste lid” het woord “het” verwijderd en “artikel 2:30,” toegevoegd. Zo is de verwijzing correct.

Tevens wordt “en tweede lid” van artikel 2:30 toegevoegd, zodat het ook verboden is zich te bevinden in een inrichting die tijdelijk is gesloten.

Onder c wordt conform het VNG-model “de zitplaatsen die aanwezig zijn op” verwijderd. Anders geldt het verbod ook voor bezoekers, die gebruik maken van staplaatsen op het terras.

Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen (J R)

In lid 2 worden conform het VNG-model de woorden “een horecabedrijf” en “dat bedrijf” gewijzigd in: “een openbare inrichting” en “die inrichting”. Zo geldt deze bepaling niet alleen voor horecabedrijven zoals bedoeld in de Drank- en horecawet.

Afdeling 8a. Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de drank- en horecawet

De horecamedewerker adviseert om voor para-commerciële instellingen met een drank- en horecavergunning geen exploitatievergunning te eisen. De bepalingen over para-commerciële instelling met een drank- en horecavergunning zijn vastgesteld op 11 november 2014. Na twee jaar zouden deze geëvalueerd worden. Het lijkt ons beter om eventuele ingrijpende aanpassingen na deze evaluatie vast te stellen.

Artikel 2:34b Schenktijden paracommerciële rechtspersonen (J R)

Leden 3 en 4 zijn redactioneel gewijzigd, zodat ze beter leesbaar zijn.

In lid 5 wordt na het woord “derde” “of vierde” toegevoegd. Zo moeten ook de bijeenkomsten, zoals bedoeld in lid 4, vooraf gemeld worden.

Artikelen 2:34e en 2:34f (J O)

Op advies van de medewerker horeca wordt de mogelijkheid opgenomen om aan de Drank- en horecavergunning en de vergunning voor het slijtersbedrijf nog extra voorschriften te verbinden.

Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden

Artikel 2:39 Speelgelegenheden (J O R)

In lid 2, onder a, wordt conform het VNG-model “onder c” vervangen door: “onder b”. Zo is de verwijzing correct.

In lid 2, onder b, wordt conform de laatste zomerwijziging van het VNG-model “minister van Justitie” gewijzigd in: “de raad van bestuur van de kansspelautoriteit”. Zo is de verwijzing correct.

In overleg met de medewerker horeca wordt in lid 2, onder c, het woord “speelautomaten” vervangen door “kansspelautomaten”. Zo is ook een vergunning nodig voor speelgelegenheden waar met behendigheidsautomaten kan worden gespeeld. Volgens artikel 30, aanhef en onder b, van de Wet op de kansspelen is een behendigheidsautomaat een speelautomaat waarvan het spelresultaat uitsluitend kan leiden tot een verlengde speelduur of het recht op gratis spellen en het proces, ook nadat het in werking is gesteld, door de speler kan worden beïnvloed en het geheel of vrijwel geheel van zijn inzicht en behendigheid bij het gebruik van de daartoe geboden middelen afhangt of en in welke mate de spelduur verlengd of het recht op gratis spelen verkregen wordt. Een voorbeeld van een behendigheidsautomaat is een flipperkast. Op grond van de Wet op de kansspelen is voor een behendigheidsautomaat geen aanwezigheidsvergunning nodig. Wel is voor het exploiteren van zo’n apparaat een vergunning van de raad van bestuur van de kansspelautoriteit nodig. Deze vergunningsplicht geldt niet voor behendigheidsautomaten die zonder middellijke of onmiddellijke betaling of inworp door de speler of een derde in werking kunnen worden gesteld en waarvan het spelresultaat niet kan leiden tot de onmiddellijke uitkering van prijzen of premies. Een voorbeeld hiervan zijn computerspelletjes als xboxes. De Wet op de kansspelen richt zich met name op de bescherming van de speler en het voorkomen en tegengaan van problematisch speelgedrag en gokverslaving. Naar ons oordeel bieden artikel 121 en 122 van de Gemeentewet dan nog ruimte om met het oog op de woon- en leefsituatie in de omgeving of de openbare orde voor een speelgelegenheid met ook behendigheidsautomaten een vergunningplicht op te nemen. Een hal met bijvoorbeeld 100 behendigheidsautomaten kan een nadelige invloed hebben op de woon- en leefsituatie in de omgeving of de openbare orde. Het is wenselijk als dit gereguleerd kan worden.

In lid 3, onder b, wordt aan het einde van de zin ingevoegd: “, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit en geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend”. Dit sluit aan bij de Wabo. Ook in een beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit kan een speelgelegenheid niet zijn toegestaan. De zinsnede “en geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend” maakt het mogelijk om een exploitatievergunning te verlenen, als een speelgelegenheid met een afwijking van het planologisch kader is toegestaan. Deze bepaling houdt een weigeringsplicht van de vergunning in, als het ruimtelijk kader geen speelgelegenheid toelaat.

Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid

Artikel 2:41 Betreden gesloten woning, lokaal of erf (R)

De kop van deze bepaling wordt gewijzigd, door ook “erf” daarin op te nemen, zodat deze beter aansluit bij de inhoud.

Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen (O R)

Op verzoek van de politie en met instemming van de medewerker veiligheid wordt hier artikel 2:44 van de Apv Amersfoort overgenomen. De Apv van Zeist is de enige binnen het politiedistrict Oost-Utrecht die het verbod op het vervoer van inbrekerswerktuig beperkt tot het 'vervoeren op de weg'. Dit betekent concreet dat de politie niet conform dit artikel kan optreden indien een persoon met inbrekerswerktuig zich niet op de weg bevindt, maar bijvoorbeeld op een openbaar grasveld. Volgens de Apv Amersfoort geldt het verbod op “een openbare plaats”, waarmee dus meer mogelijkheden bestaan om op te treden.

Dit geldt ook voor lid 3, waar het verbod op geprepareerde tassen is opgenomen. Volgens de Apv Amersfoort geldt dit verbod alleen gedurende de openingstijden van winkels, dat is in de huidige Apv niet het geval, maar lijkt ons voldoende. Ten opzichte van de Apv Amersfoort is na de woorden “openbare plaats” toegevoegd “en/of”. Zo geldt het verbod zowel op een openbare plaats als in de nabijheid van winkels. Bij lid 3 is ten opzichte van de Apv van Amersfoort na het woord “tas” toegevoegd “of ander voorwerp”. Zo kan ook opgetreden worden als men andere voorwerpen dan tassen bij zich heeft die het plegen van een winkeldiefstal kunnen vergemakkelijken. Zo worden de goede elementen uit de huidige Apv Zeist en die van Amersfoort gecombineerd.

Verder zijn ten opzichte van de Apv Amersfoort wat redactionele wijzigingen aangebracht.

Artikel 2:47A Skeeleren, skate boarden (R)

De nummering van dit artikel is gewijzigd. Het was de bedoeling om met de letter “z” aan te geven dat het om een Zeister bepaling gaat, die afwijkt van het VNG-model. Dit is echter niet meer consequent toegepast, zodat we dit uitgangspunt los laten.

Artikel 2:48 Verboden drankgebruik (J O)

Conform het advies van de medewerker Horeca en het VNG-model wordt het eerste lid van deze bepaling aangepast. De huidige versie is in strijd met de Drank- en Horecawet, omdat het verbod nu ook geldt voor jongeren onder de 18 jaar. Dat is al in de Drank- en Horecawet geregeld en mag de gemeenteraad dus niet regelen. Deze bepaling geldt in aanvulling op artikel 45, eerste lid, van de Drank- en horecawet.

Voorts is in lid 2, onder c, een uitzondering toegevoegd voor buurt- en straatfeesten op een openbare plaats, waarvoor een evenementenvergunning is verleend.

Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen (J)

In lid 1, onder a, is “brandgang” aan de opsomming toegevoegd, zodat duidelijk is dat het ook verboden is zich daar zonder redelijk doel op te houden.

Artikel 2:57 Loslopende honden (J R)

In lid 3 wordt conform het VNG-model achter het woord “geleidehond” in beide gevallen “of sociale hulphond” toegevoegd. Zo geldt de uitzondering ook voor deze honden.

Artikel 2:58 Verontreiniging door honden (J R)

Lid 5 is aangepast met als inspiratie lid 2 van het VNG-model. Zo is eenvoudiger aangegeven voor welke honden de bepalingen over hondenpoep niet gelden en wordt gewaarborgd dat de uitzondering geldt voor alle hulphonden die worden gebruikt i.v.m. een handicap.

Artikel 2:59 Gevaarlijke honden (J R)

Omdat een dergelijk besluit een sterk openbare orde-karakter heeft en daarbij vaak een snel handelen naar aanleiding van een incident vraagt, is geïnspireerd door het VNG-model (aanpassing van 2015) besloten om deze bevoegdheid bij de burgemeester te beleggen (was voorheen het college).

In lid 1, onder b, wordt uit redactionele overwegingen aan het woord “aanlijn” een – toegevoegd.

In lid 2 wordt uit juridische en redactionele overwegingen “In afwijking van” vervangen door: “Onverminderd”.

In lid 2 wordt uit redactionele overwegingen “het bepaalde” vervangen door: “voor de hond als bedoeld”.

Omdat de Regeling agressieve dieren niet meer bestaat is lid 4 verwijderd.

Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren (B R)

De kop van deze bepaling wordt gewijzigd in: “Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren”.

In lid 1 wordt het woord “of” aan het einde van b verplaatst naar het einde van c. Voorts wordt toegevoegd: “d. te voeren.” De mogelijkheid om het voeren van bijvoorbeeld meeuwen of duiven op bepaalde plaatsen te verbieden om daar zo nodig handhavend tegen te kunnen optreden wordt soms gemist. Daarom is deze mogelijkheid nu toegevoegd.

In verband hiermee wordt ook aan lid 2 toegevoegd: “en/of te voeren”.

Uit redactionele overwegingen is in lid 2, onder b, “hen” vervangen door “het college”.

Artikel 2:64 Bijen (J R)

In lid 4 wordt “het Provinciaal wegenreglement” vervangen door: “de provinciale wegenverordening”, zodat naar de correcte regeling wordt verwezen.

Afdeling 13. Vuurwerk

Artikel 2:71 Begripsbepalingen (J R)

Na het woord “Vuurwerkbesluit) wordt toegevoegd: “of een regeling die daarvoor in de plaats treedt”. Zo wordt ingespeeld op eventuele toekomstige regelingen over dit onderwerp.

 

Afdeling 12. Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen (O)

Steeds meer gemeenten in Midden Nederland hebben bepalingen over heling van goederen in hun Apv. Op ambtelijk niveau is afgesproken dat Zeist deze ook voor zou stellen. In het kader van bestrijding van woninginbraak wordt het toezicht op de naleving van de bepalingen geïntensiveerd; dit in samenwerking met ketenpartners veiligheid en de betreffende handelaren.

De bepalingen uit Amersfoort (artikelen 2:66, 2:67 en 2:68) zijn opgenomen. Deze komen nagenoeg overeen met die uit het VNG-model.

Afdeling 15. Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen

Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding (J)

Hier wordt de verwijzing naar de artikelen 2:10 en 2:11 verwijderd. Als de in dit artikel genoemde bepalingen groepsgewijs worden overtreden kan de burgemeester groepen van personen tijdelijk doen ophouden. De te verwijderen bepalingen gaan over Het plaatsen van voorwerpen op, aan of boven de weg in strijd met de publieke functie ervan en (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg. Ze lenen zich minder goed voor toepassing van deze bevoegdheid.

Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen (J O R)

Conform de laatste zomerwijziging van het VNG-model wordt in het eerste lid het woord “vaste” verwijderd. Zo wordt aangesloten bij het te wijzigen artikel 151c van de gemeentewet, dat naast het plaatsen van vaste camera’s ook gebruik van flexibele camera’s mogelijk maakt. De gemeenteraad van Soest heeft deze wijziging op 30 juni 2016 ook vastgesteld. Ook op verzoek van de medewerker veiligheid is dit overgenomen.

Geïnspireerd door het VNG-model wordt in lid 2 het woord “openbare) vervangen door: “voor het publiek toegankelijke”. Zo heeft lid 2 een meerwaarde t.o.v. lid 1, omdat ook op niet openbare, maar wel voor het publiek toegankelijke plaatsen cameratoezicht kan plaatsvinden.

Verder is lid 2 redactioneel aangepast.

 Afdeling 16 Voor publiek openstaande gebouwenArtikel 2:78a Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen (O)

Op verzoek van de politie en op advies van de medewerker horeca wordt een bepaling toegevoegd, waarmee overlast gevende panden kunnen worden gesloten. Hierbij kan worden gedacht aan (bel)winkels waar sprake is van heling. Hiervoor bestaan nu bijna geen mogelijkheden. De Utrechtse bepaling wordt overgenomen. Deze heeft recent de rechterlijke toets doorstaan (zie ECLI:NL:RBMNE:2015:7641).

Hoofdstuk 3. Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.

In 2009 is het wetsvoorstel voor de Wet regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche(: (Wrp) ingediend bij de Tweede Kamer. De inwerkingtreding van deze wet laat echter nog enige tijd op zich wachten. Omdat een groot aantal gemeenten een nieuw of verbeterd vergunningenstelsel voor seksbedrijven wil invoeren, heeft de VNG vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Wrp de modelverordening aangepast. Het vergunningenstelsel in het VNG-model sluit nauw aan bij het wetsvoorstel, zoals dat nu luidt.

Voorstel is om deze nieuwe modelbepalingen nog niet over te nemen en hiermee te wachten totdat duidelijk is wanneer inwerkingtreding van wetsvoorstel Wrp zal plaatsvinden. Met de huidige Apv-bepalingen en bestemmingsplannen kunnen de seksinrichtingen voldoende gereguleerd worden. Inhoudelijke wijzigingen worden daarom nu niet voorgesteld. Wel is een aantal redactionele wijzigingen aangebracht.

Artikel 3:6 Sluitingstijden (R)

In lid 2 is de verwijzing naar artikel 1.4 gewijzigd in artikel 1:6, omdat daar nu de voorschriften en beperkingen die aan een vergunning of ontheffing kunnen worden verbonden geregeld zijn.

Artikel 3:12 Beslissingstermijn (R)

Om duidelijk te maken dat deze beslistermijn afwijkt van die in artikel 1:2 is dit expliciet toegevoegd.

Artikel 3:13 Weigeringsgronden (J R)

In lid 1, onder b, wordt na het woord “bestemmingsplan” de zinsnede “beheersverordening, exploitatieplan, voorbereidingsbesluit, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening en geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend” opgenomen. Zo wordt beter aangesloten bij de Wabo en zo is het mogelijk om een vergunning te verlenen, als een seksinrichting of escortbedrijf met een afwijking van het planologisch kader is toegestaan.

In lid 2 wordt de verwijzing naar artikel 1:8 gewijzigd in artikel 1:5, omdat daar nu de algemene weigeringsgronden staan. Verder worden in lid 2 de woorden “worden geweigerd” geplaatst voor de woorden “dan wel” en wordt achter het woord “3:9, eerste lid,” het woord “plaatsvinden” toegevoegd. Zo klopt de bepaling taalkundig beter.

Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het Natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Afdeling 1. Geluidhinder en verlichtingArtikel 4:1 Begripsbepalingen (J R)

Onder a wordt conform het VNG-model “Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer” vervangen door “Activiteitenbesluit milieubeheer”. Zo wordt de juiste citeertitel van het besluit waar het om gaat gehanteerd.

Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten (J O R)

De Omgevingsdienst Regio Utrecht heeft geadviseerd om het aantal dagen waarop de geluidsnormen overschreden mogen worden te verminderen van 12 naar 8. Op advies van de medewerker veiligheid en de medewerker horeca is dit voorstel niet overgenomen.

In lid 1 is een redactionele wijziging aangebracht.

In lid 2 wordt “artikel 4.113, eerste lid” conform het VNG-model vervangen door: “artikel 3.148, eerste lid”. Zo is de verwijzing correct.

Op verzoek van de ODRU en met instemming van de medewerker veiligheid wordt een nieuw lid 7 ingevoegd. Hiermee wordt voor de dagen waarop de geluidsnormen overschreden mogen worden een eindtijd vastgelegd. In de APV’s van andere gemeenten is dit vaak ook opgenomen. In de buurgemeenten Bunnik en Utrechtse Heuvelrug is het eindtijdstip 01.00 uur, in de Bilt is het eindtijdstip 02.00 uur. In de huidige APV Zeist is geen specifiek eindtijdstip genoemd. Voorstel is een eindtijdstip aan te houden van 02.00 uur. Wanneer sprake is van een rustige woonomgeving of specifieke situaties bestaat de mogelijkheid om in een individueel geval af te wijken van dit tijdstip (zie lid 8).

Lid 7 is vernummerd naar lid 8 en aangepast aan lid 7. Tevens is daar “burgemeester en wethouders” vervangen door “het college”.

In het nieuwe lid 8 is een tikfout hersteld.

Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast

Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. (J R)

De aanhef van lid 1 is redactioneel gewijzigd, zodat dit beter leesbaar is. Dit leidt er tevens toe dat de plaats waar het verboden is de materialen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben ook kan worden aangewezen om schade aan de openbare gezondheid op te heffen

In lid 1, onderdeel c wordt “artikel 4:22” gewijzigd in: “artikel 4:17”. Zo is de verwijzing correct.

Lid 4 is zo gewijzigd dat de verwijzingen correct zijn. Dit is conform het VNG-model.

Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen

Artikel 4:17 Begripsbepaling (J R)

Het zinsdeel: “bouwvergunning in de zin van artikel 40 van de Woningwet” wordt conform het VNG-model gewijzigd in: “omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht”. Zo is de Apv ook op dit punt aangepast aan de Wabo.

Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen (B J R)

In lid 1 wordt conform het VNG-model na het woord “bestemmingsplan” toegevoegd: “, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit”. Zo is de tekst aangepast aan de Wabo.

Lid 2 is zo aangepast dat het niet meer voor meerdere uitleg vatbaar is.

In lid 4 is de verwijzing naar artikel 1:8 gewijzigd in artikel 1:5, omdat daar nu de algemene weigeringsgronden staan.

In lid 4, onder b, is “dorps-”gezicht toegevoegd, zodat ook ter bescherming daarvan de ontheffing voor het plaatsen van kampeermiddelen kan worden geweigerd.

Verder is onderdeel “c. de bescherming van de woon- en leefomgeving” als weigeringsgrond voor de ontheffing toegevoegd, dit op advies van een van de juristen.

Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente

Afdeling 1. Parkeerexcessen

Artikel 5:1 Begripsbepalingen (J R)

Onder a en b, wordt na het woord “verkeerstekens” toegevoegd “1990”. Zo is de verwijzing correct.

Onder a wordt “onder al,” verwijderd zodat de verwijzing correct is.

Onder b wordt "onder ac,” verwijderd zodat de verwijzing correct is.

Tevens zijn redactionele wijzigingen aangebracht.

Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. (B J R)

In de aanhef van lid 2 wordt conform het VNG-model “het eerste lid” vervangen door “dit artikel”. Zo is de verwijzing correct.

In lid 2 onder b, wordt conform het VNG-model “eerste lid” vervangen door “derde lid”. Zo is de verwijzing correct.

Lid 3, onder a is gewijzigd. In de praktijk is gebleken dat de huidige beschrijving van wat verboden is tot onduidelijkheid leidt. Een suggestie van de adviseur mobiliteit is bewerkt en overgenomen, dit in overleg met de coördinator stadstoezicht.

Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a. (J R)

In lid 1 zijn redactionele wijzigingen aangebracht.

In lid 3 wordt “het Provinciaal wegenreglement” vervangen door: “de provinciale wegenverordening”, zodat naar de correcte regeling wordt verwezen. Ook de juiste landschapsverordening van de provincie wordt genoemd.

Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen (R)

In lid 1 is een redactionele wijziging aangebracht.

Afdeling 2. Collecteren

Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen (J)

Aan dit artikel is een lid 4 toegevoegd. Voor de vergunning voor het inzamelen van kleding wordt al jarenlang een lotingsysteem gehanteerd. Met lid 4 wordt hiervoor een juridische basis gelegd.

Afdeling 3. Venten

Artikel 5:14 Begripsbepaling (J R)

Lid 1 is redactioneel gewijzigd, zodat dit beter leesbaar is.

In lid 2 komt te vervallen: “of op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5:22”. Dit artikel is vervallen, de snuffelmarkt is ondergebracht bij de evenementenvergunning. Voorts is het niet nodig om aan te geven dat verkoop e.d. vanuit een snuffelmarkt geen venten is. Venten vindt namelijk volgens de definitie plaats op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis, terwijl een snuffelmarkt plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw. Dit sluit elkaar uit, behalve voor zover het venten of de snuffelmarkt plaatsvindt aan huis in een voor het publiek toegankelijk gebouw.

Artikel 5:15 Ventverbod (J O)

Lid 2 is zo gewijzigd dat op zondagmiddag ook gevent kan worden met bijvoorbeeld ijs. Dit is in overeenstemming met de Zondagswet.

In lid 3 wordt na het woord “Wegenverkeerswet” toegevoegd: “1994”. Zo is de verwijzing correct.

Afdeling 4. Standplaatsen

Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden (J R)

Aan dit artikel worden twee nieuwe leden (lid 2 en 3) toegevoegd. Hierdoor worden de daaropvolgende leden vernummerd. Hiermee wordt een juridische basis gelegd voor de standplaatsregels die al sinds lange tijd naar tevredenheid worden gehanteerd. Hierin heeft het college locaties aangewezen, waar standplaats kan worden ingenomen en een maximum aantal vastgesteld. Ook zijn regels opgenomen over de omvang van de standplaatsen. Verder is de toewijzing van de standplaatsen geregeld en is bepaald welke regels gelden bij het innemen van een standplaats. Voorts zijn regels opgenomen voor tijdelijke standplaatsen.

In lid 4 (lid 2 huidig) worden de woorden “weigert de vergunning” vervangen door: “kan de vergunning weigeren”. Zo is er nog ruimte voor afweging, als het ruimtelijke ordeningskader geen standplaats toelaat en afwijking hiervan mogelijk is.

In lid 4 (lid 2 huidig) wordt deels conform het VNG-model na het woord “bestemmingsplan” toegevoegd: “, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit, tenzij een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend.”. Zo is de Apv ook op dit punt aangepast aan de Wabo. De zinsnede “tenzij een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend” is een toevoeging ten opzichte van het VNG-model. Als het ruimtelijk kader de standplaats toe laat, kan de vergunning niet worden geweigerd op die grond.

In lid 5 (lid 3 huidig) wordt de verwijzing naar artikel 1:8 gewijzigd in artikel 1:5, omdat daar nu de algemene weigeringsgronden staan.

Verder worden in lid 5 (lid 3 huidig), onder a de woorden “eisen van redelijke welstand” vervangen door: “redelijke eisen van welstand”. Zo is een foutje gecorrigeerd.

Uit jurisprudentie volgt dat de nadere regels de belangen moeten dienen, die met de weigeringsgronden worden beschermd. De nadere regels, zoals die nu gelden en mogelijk zijn gemaakt met de leden 2 en 3 passen binnen de belangen die worden gediend met de weigeringsgronden in artikel 1:5 en artikel 5:18, vijfde lid.

Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen (J)

In lid 1 wordt “het Provinciaal wegenreglement” vervangen door: “de provinciale wegenverordening”, zodat naar de correcte regeling wordt verwezen.

Afdeling 5. Snuffelmarkten

Artikel 5:22 Begripsbepaling (J)

Deze bepaling komt te vervallen. De snuffelmarkt is onder de evenementenvergunning gebracht.

Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt (J)

Deze bepaling komt te vervallen. De snuffelmarkt is onder de evenementenvergunning gebracht.

Afdeling 7. Crossterreinen en verkeer in natuurgebieden (R)

In de kop zijn de woorden “gemotoriseerd en ruiter” verwijderd, zodat de titel de lading dekt.

Artikel 5:32 Crossterreinen (J R)

In lid 1 worden de woorden “als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990” vervangen door: “als bedoeld in artikel 1, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en/of een bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e van de wegenverkeerswet 1994”.

Zo zijn de verwijzingen correct en geldt het verbod ook voor motorvoertuigen en bromfietsen afzonderlijk.

In lid 3 wordt het woord “dat” verwijderd. Zo is een foutje hersteld.

In lid 4 is “Besluit geluidproductie sportmotoren” conform de citeertitel gespeld.

Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden (J R)

In lid 1 worden de woorden “als bedoeld in artikel 1, onder z, reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990” vervangen door: “als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e van de wegenverkeerswet 1994”. Zo zijn de verwijzingen correct.

In lid 3, onder a, wordt een redactionele wijziging aangebracht.

In lid 3, onder a, worden de woorden “minister van Verkeer en Waterstaat” vervangen door: “bevoegde minister”. Zo wordt voorkomen dat bij overgang van bevoegdheden van de ene naar de andere minister de bepaling niet meer klopt.

In lid 4, onder b, wordt “Provinciale verordening 'Stiltegebieden' gewijzigd in: “provinciale Milieuverordening Utrecht 2013”. Zo is de verwijzing correct.

Afdeling 8. Verbod vuur te stoken

Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken (R)

In lid 1 is een redactionele wijziging aangebracht.

In lid 4 wordt de verwijzing naar artikel 1:8 gewijzigd in artikel 1:5, omdat daar nu de algemene weigeringsgronden staan.

In lid 6 worden de woorden “als bedoeld onder” vervangen door: “bedoeld in het”. Dit is taalkundig beter.

Afdeling 10 Detecteren van voorwerpen

Artikel 5:37a Detectieverbod (O)

Op verzoek van de Adviseur Crisisbeheersing – Openbare Orde & Veiligheid is de mogelijkheid opgenomen om gebieden aan te wijzen waar een detectieverbod geldt. Als bijvoorbeeld bij de voormalige vliegbasis Soesterberg blijkt dat nog explosief materiaal in de grond zit, bestaat hiermee de mogelijkheid om gevaarlijke situaties te voorkomen. Waarschijnlijk zal in de Apv van Soest dezelfde bepaling worden opgenomen. Voor de inhoud van de bepaling is gebruik gemaakt van voorbeelden van de Apv’s van de gemeenten Naarden en Oisterwijk. Verwijzingen zijn geactualiseerd.

Hoofdstuk 6. Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Artikel 6:1 Strafbepaling (J R)

De verwijzing naar artikel 1.4 wordt gewijzigd in artikel 1:6, omdat daar nu de voorschriften en beperkingen die aan een vergunning of ontheffing kunnen worden verbonden geregeld zijn.

Geïnspireerd door het VNG-model wordt een lid toegevoegd, waarmee duidelijk wordt dat de strafmaat anders is als de Wabo van toepassing is.

Artikel 6:2 Toezichthouders (J R)

In lid 1 wordt “§ de functionarissen van het Korps Regiopolitie Utrecht” vervangen door: “a. de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafvordering”. Sinds de afschaffing van de regionale politiekorpsen op 1 januari 2013 bestaat het Korps Regiopolitie Utrecht niet meer. Door te verwijzen naar het Wetboek van Strafvordering zijn de politiefunctionarissen, onafhankelijk van de organisatievorm bevoegd om toezichthoudende bevoegdheden uit te oefenen. Dit is conform het voorstel van het Regionaal Informatie en Expertise Centrum Midden Nederland ((RIEC MN).

In lid 1 wordt “§ de functionarissen van de GGD midden Utrecht” vervangen door: “b. de functionarissen van de Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst (GGD) regio Utrecht;”. Zo is de naam van de GGD correct. Voor de volgende opsommingen in lid 1 worden respectievelijk de letters c., d. en e. geplaatst. Zo is het gemakkelijker om de desbetreffende bepaling aan te halen.

In lid 1, onder e, wordt “APV toezicht” vervangen door: “Apv-toezicht”. Dit is taalkundig beter.

Naar aanleiding van de Ronde Tafel op 09 mei geven wij de volgende aanvullende toelichting:

In deze bepaling is een aantal functionarissen aangewezen als toezichthouder voor alle domeinen. Dit is overgenomen uit de huidige Apv, maar is niet logisch.

Artikel 6:2, eerste lid, is dan ook gewijzigd.

Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening (J R)

De leden 1 en 2 worden omgedraaid. Dit is logischer.

In het nieuwe lid 1 wordt “8e” vervangen door: “achtste”. Dit is iets duidelijker.

Aan het nieuwe lid 2 wordt toegevoegd dat de Apv 2011 wordt ingetrokken als de nieuwe Apv in werking treedt. Zo kan hierover geen onduidelijkheid bestaan.

Artikel 6:5 Overgangsbepaling (R)

Vanwege de wijziging van artikel 6:4 is “eerste” vervangen door “tweede”.