Gemeenteblad van Rhenen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Rhenen | Gemeenteblad 2016, 99779 | Beschikkingen | afhandeling |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Rhenen | Gemeenteblad 2016, 99779 | Beschikkingen | afhandeling |
Gemeente Rhenen - BESLUIT Kampjesweg 15
Op 22 januari 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rhenen een aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen van Bouwman Romijn beheer b.v., gevestigd aan de Esvelderweg 32, 3774 PD KOOTWIJKERBROEK voor het wijzigen van dieraantallen en stalsysteem op het perceel kadastraal bekend als gemeente Rhenen, sectie A, nummer 1274, plaatselijk bekend als Kampjesweg 15 in Rhenen. De aanvraag is geregistreerd onder nummer Z-160391. De aanvraag, bestaande uit het gewaarmerkte aanvraagformulier met bijbehorende gewaarmerkte bijlagen, maakt deel uit van de vergunning.
Gelet op artikel 2.1, lid 1, sub e, en artikel 2.14 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de overwegingen genoemd in de bijlagen, besluit het college van burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning te verlenen ten aanzien van de in de aanhef genoemde aanvraag. De omgevingsvergunning wordt verleend onder de bepaling dat de gewaarmerkte stukken deel uitmaken van de vergunning. De omgevingsvergunning wordt verleend voor de activiteit “inrichting of mijnbouwwerk oprichten of veranderen”.
Aan de omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden, zoals genoemd in het onderdeel “voorschriften” in de bijlagen.
De besluitvormingsprocedure is uitgevoerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.10 van de Wabo. De aanvraag is beoordeeld voor de activiteit “inrichting of mijnbouwwerk oprichten of veranderen” aan artikel 2.14 van de Wabo. Verder is de aanvraag getoetst aan het Bor en de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor). Uit de beoordeling van de aanvraag is gebleken is dat de aanvraag aan de wettelijk gestelde eisen voldoet. Daarom verlenen wij de omgevingsvergunning.
De aanvraag en de ontwerpbeschikking met bijbehorende stukken zijn op grond van de Algemene wet bestuursrecht met ingang van maandag 9 mei 2016 tot en met maandag en met maandag 20 juni 2016 ter inzage gelegd. Gedurende deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen kenbaar te maken. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
Tegen de definitieve beschikking kan tijdens de termijn dat de aanvraag ter inzage ligt beroep worden ingesteld door:
De beschikking wordt kracht nadat de omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden tenzij beroep is ingesteld en een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan. De beschikking wordt niet van kracht voordat op dat verzoek is beslist. Het beroepschrift moet in tweevoud worden ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, o.v.v. bodemzaken, Postbus 16005, 3500 DA in Utrecht. Het verzoek om voorlopige voorziening moet worden gericht aan de Rechtbank Midden-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, o.v.v. voorlopige voorzieningen, Postbus 16005, 3500 DA in Utrecht.
Het college burgemeester en wethouders van gemeente Rhenen,
coördinator omgevingsvergunningen
De volgende documenten maken deel uit van de aanvraag:
De inrichting omvat een pluimveehouderij. Het bedrijf is een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, lid 1, Wet milieubeheer (Wm). Deze inrichting valt onder categorie 1 (elektromotorisch vermogen), 7 (opslag van mest) en 8.1, onder a (het houden van dieren) van bijlage I, onderdeel C, behorende bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) en is derhalve ingevolge artikel 1.1, lid 3 Wabo juncto 1.1, lid 3, Wm aangewezen als inrichting die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Het bedrijf is vergunningplichtig op grond van artikel 2.1, lid 2 van het Bor (IPPC-installatie).
Voor het bedrijf is op 8 april 2011 een revisievergunning ingevolge de Wet milieubeheer verleend voor een pluimveehouderij. Daarnaast zijn op 17 september 2012 en 16 april 2014 omgevingsvergunningen (veranderen) verleend.
Op 1 oktober 2010 is de Wabo in werking getreden. Op grond van paragraaf 1.2 Overgangsrechtelijke bepalingen, artikel 1.2, lid 1 onder e, wordt een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer die vóór 1 oktober 2010 van kracht en onherroepelijk is, gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit.
De aanvraag is ingediend vanwege wijziging in dieraantallen en stalsystemen.
De veebezetting van de aangevraagde situatie ten opzichte van de bestaande situatie is in onderstaande tabel vermeld.
TOESTEMMINGEN DIE VALLEN ONDER DE OMGEVINGSVERGUNNING
De aanvrager vraagt toestemming voor het volgende project:
Het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, lid 1 onder e van de Wabo.
Bij definitieve vergunning indien er sprake is van wijzigingDe beschikking is ten opzichte van de ontwerpbeschikking gewijzigd. Het gaat om
Vanuit de inrichting vindt geen lozing plaats waarvoor een watervergunning nodig is, als bedoeld in artikel 6.2 van de Waterwet. Van coördinatie overeenkomstig paragraaf 3.5 van de Wabo is daarom geen sprake.
Verordening veehouderij, stikstof en Natura 2000 Utrecht
Op 7 februari 2011 hebben Provinciale Staten van Utrecht ingestemd met de Verordening veehouderij, stikstof en Natura 2000 (hierna: Stikstofverordening). De verordening is op 1 maart 2011 in werking getreden en is van toepassing op alle veehouderijbedrijven in de provincie. Deze in het kader van de Natuurbeschermingswet vastgestelde verordening verplicht een veehouder die voornemens is een nieuwe stal te bouwen of een stal geheel of gedeeltelijk te renoveren, dit te melden bij de provincie. Als de melding is ingediend voordat de aanvraag omgevingsvergunning is ingediend, haakt de Natuurbeschermingswet niet aan. Als de melding tegelijk is ingediend, kan de omgevingsvergunning niet worden verleend zonder een verklaring van geen bedenkingen afgegeven door de provincie. De melding is eerder ingediend (14 januari 2016) dan de aanvraag omgevingsvergunning, hierdoor is er geen verklaring van geen bedenkingen nodig.
Gelet op de aangevraagde veebezetting is de omvang van de uitbreiding van het bedrijf niet dusdanig dat de drempelwaarden van de MER-plicht of MER-beoordelingsplicht worden overschreden. De factoren genoemd in bijlage III van richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 en bij richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 (o.a. cumulatie van stank, omvang van de uitbreiding, ligging in de nabijheid van een natuurgebied) geven ook geen aanleiding tot het opstellen van een MER.
Richtlijn Industriële Emmissies (IED)
De Richtlijn Industriële Emissies (2010/75/EU, RIE, of Industrial Emissions Directive, IED) is op 1 januari 2013 geïmplementeerd in Nederlandse wet- en regelgeving. Deze richtlijn omvat onder andere een integratie van de IPPC-richtlijn. Op grond van bijlage 1 van de IED is sprake van een IPPC-installatie bij intensieve varkens- en pluimveehouderijen met meer dan 40.000 plaatsen voor pluimvee, 2.000 plaatsen voor mestvarkens (> 30 kg) of 750 plaatsen voor zeugen. De drempelwaarde voor het aantal stuks pluimvee wordt overschreden, zodat sprake is van een IPPC-installatie.
De IPPC-richtlijn is geïmplementeerd in artikel 22.1a Wm. Uit dit artikel vloeit voort dat door het bedrijf alle passende preventieve maatregelen (moeten) worden getroffen om verontreiniging van bodem, water en lucht te voorkomen dan wel te beperken door het toepassen van BBT, met inbegrip van maatregelen betreffende afvalpreventie en energiebesparing om aldus een hoog niveau van bescherming van het milieu te waarborgen. Voor de bepaling van BBT is rekening gehouden met de documenten genoemd in tabel 1 van de bijlage van de Regeling aanwijzing BBT-documenten. Verderop in deze considerans wordt dieper ingegaan op dit onderwerp.
(alleen opnemen indien er adviezen zijnnaar aanleiding van de aanvraag; anders kopje verwijderen)
Naar aanleiding van de of ontwerpbeschikking of ontwerpbeschikking of ontwerpbeschikking zijn zienswijzen ingebracht door:
De zienswijzen kunnen als volgt worden samengevat:
Naar aanleiding van de ingebrachte zienswijzen overwegen wij het volgende:
Bij de beslissing zijn betrokken: de bestaande toestand van het milieu, de gevolgen voor het milieu die het bedrijf kan veroorzaken, toekomstige ontwikkelingen en de mogelijkheden de gevolgen voor het milieu zoveel mogelijk te beperken, voorzover zij niet voorkomen kunnen worden. Bij de beslissing is rekening gehouden met geldende richtwaarden en zijn grenswaarden, regels en aanwijzingen in acht genomen.
Er zijn met betrekking tot de locatie en de omgeving van de locatie in de toekomst geen significante wijzigingen te verwachten.
In deze considerans zijn alleen de relevante onderwerpen ten aanzien van de aangevraagde veranderingen binnen de inrichting beschreven.
Naar aanleiding van de aanvraag is in het bijzonder aandacht besteed aan:
Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten opgenomen in het Activiteitenbesluit. De voorschriften voor de activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit zijn opgenomen zijn rechtstreeks van toepassing op vergunningplichtige (type C) bedrijven. Voor dit bedrijf houdt dit in dat, naast de in deze vergunning opgenomen voorschriften, de volgende voorschriften toepassing zijn:
Daarnaast zijn de voorschriften uit hoofdstuk 2 en 6 van het Activiteitenbesluit van toepassing voor zover deze van toepassing zijn op genoemde activiteiten. Voor deze activiteiten zijn daarom geen voorschriften in deze vergunning opgenomen. De aanvraag omgevingsvergunning is voor deze activiteiten aangemerkt als een melding op grond van het Activiteitenbesluit.
De voorschriften in deze vergunning zijn er op gericht dat in het bedrijf ten minste de daarvoor in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast (artikel 2.22, lid 3, Wabo juncto artikel 5.3 Bor). De term BBT staat voor de meest doeltreffende technieken ter voorkoming van emissies en effecten op het milieu, waarvan de praktische bruikbaarheid is aangetoond en die economisch en technisch haalbaar zijn.
In artikel 9.2 van de Regeling omgevingsrecht (MOR) staat dat het bevoegd gezag bij de bepaling van beste beschikbare technieken (BBT) in het kader van de vergunningverlening rekening moet houden met de relevante BBT-conclusies en Nederlandse informatiedocumenten over BBT. De Nederlandse informatiedocumenten over BBT zijn opgenomen in de bij de MOR behorende bijlage. BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, vijfde en zevende lid van de Richtlijn industriële emissies en van toepassing voor IPPC-installaties. Deze BBT-conclusies zijn vastgesteld door de Europese commissie en bekengemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. Het hoofdstuk beste beschikbare technieken (BAT) uit de BREF Intensieve pluimvee- en varkenshouderij geldt per januari 2013 als BBT-conclusies.
Bij de verschillende onderwerpen worden de relevante documenten genoemd. Uitgegaan is van de meest recente versies van deze documenten.
In de voorschriften is met het voorgaande rekening gehouden.
Voor het beoordelen van het aspect ammoniak afkomstig van dierenverblijven van veehouderijen, is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) het toetsingskader. Onderdeel van de Wav is de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) waarin de ammoniakuitstoot per diersoort en stalsysteem staat aangegeven. De Wav maakt onderscheid in de ligging binnen of buiten een zone van 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied. Op grond van artikel 2, eerste lid, Wav wijzen de Provinciale Staten de gebieden aan die als zeer kwetsbaar gebied worden aangemerkt. Op 31 mei 2010 hebben Provinciale Staten de zeer kwetsbare gebieden vastgesteld. Dit besluit is op 13 oktober 2010 in werking getreden.
Het bedrijf is gelegen buiten een zone van 250 meter van een kwetsbaar gebied. Het meest nabijgelegen kwetsbare gebied ligt op circa 500 meter van het bedrijf.
Bij ligging buiten een zone van 250 meter kan de vergunning alleen worden geweigerd vanwege de ammoniakemissie op grond van directe ammoniakschade aan planten, indien een milieueffectrapport moet worden gemaakt of vanwege het niet toepassen van BBT (artikel 3 Wav). Als sprake is van een bedrijf dat valt onder de IPPC-richtlijn moet de vergunning geweigerd worden indien niet kan worden voldaan aan voorschriften die vanwege de plaatselijke milieuomstandigheden moeten worden gesteld, maar niet met toepassing van BBT kunnen worden gerealiseerd (artikel 3, derde lid Wav).
Vanaf 1 augustus 2015 geldt het Besluit emissiearme huisvesting. Dit besluit vervangt het ‘oude’ Besluit huisvesting. Het Besluit emissiearme huisvesting bepaalt dat dierenverblijven emissiearm moeten zijn, als er emissiearme huisvestingssystemen beschikbaar zijn. Het besluit heeft tot doel de emissie uit dierenverblijven zoveel mogelijk te beperken.
Het besluit bevat maximale emissiewaarden: alleen huisvestingssystemen met een emissiefactor die lager is dan of gelijk aan de maximale emissiewaarden, zijn toegestaan. Deze maximale emissiewaarden zijn genoemd in bijlage I van het besluit en kunnen per stal en/of diercategorie verschillen.
Hieronder is in tabel aangegeven welke dieren in welke stal worden gehouden en onder welke kolom van bijlage I de maximale emissiewaarden te vinden is:
Uit bovenstaande tabel blijkt dat u wel voldoet aan het Besluit emissiearme huisvesting.
Voor het bepalen van BBT van stalsystemen bij IPPC-bedrijven is tevens het BBT-referentiedocument (BREF) intensieve veehouderijen relevant. Dit document is uitgewerkt in de Oplegnotitie bij de BREF voor de intensieve pluimvee- en varkenshouderij d.d. 30 juli 2007.
Het stalsysteem voor legkippen is het volièresysteem BWL 2004.10.V2. Voor de eisen aan de uitvoering van het stalsysteem wordt verwezen naar de leaflets van de stalbeschrijvingen.
IPPC-richtlijn: omgevingstoets
Het bedrijf valt onder de IPPC-richtlijn, zodat moet worden beoordeeld of technische kenmerken, de geografische ligging of plaatselijke milieuomstandigheden aanleiding geven om verdergaande eisen te stellen. Hiervoor is de Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij gebruikt.
Voor de uitbreiding van een IPPC-veehouderij geldt de volgende beleidslijn:
Bij uitbreiding kan worden volstaan met toepassing van BBT zolang de emissie niet meer bedraagt dan 5000 kg ammoniak per jaar.
Bedraagt de jaarlijkse ammoniakemissie na uitbreiding bij toepassing van BBT meer dan 5000 kg dan dient boven het meerdere een extra reductie ten opzichte van BBT te worden gerealiseerd. De hoogte daarvan hangt af van de uitgangssituatie (de mate waarin de ammoniakemissie reduceert) en de beschikbaarheid van verdergaande technieken in de betreffende diercategorie.
Bedraagt de jaarlijkse ammoniakemissie na uitbreiding met toepassing van BBT (tot 5000 kg) en verdergaande technieken dan BBT (vanaf 5000 kg) daarna nog meer dan 10.000 kg, dan dient boven het meerdere een reductie van circa 85% te worden gerealiseerd.
Het bedrijf is gelegen in een concentratiegebied op een afstand van circa 500 meter van een (zeer) kwetsbaar gebied. In onderstaande tabel is de is de ammoniakemissie met toepassing van BBT van de vergunde en aangevraagde veebezetting vermeld.
De ammoniakemissie neemt toe tot net boven de grens van 5000 kilogram per jaar. Omdat de ammoniakemissie van de toegepaste stalsystemen lager is dan BBT+ (0,110) en zelfs lager of gelijk is aan BBT++ (0,055), wordt ruimschoots voldaan aan de beleidslijn en is er sprake van voldoende verdergaande maatregelen dan BBT. Op grond van artikel 3, lid 3 Wav is er geen reden is om nog verdergaande eisen te stellen.
Voor wat betreft de emissie van ammoniak kan de vergunning worden verleend.
Voor het beoordelen van het aspect geur afkomstig van dierenverblijven van veehouderijen, is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het toetsingskader. De Wgv maakt onderscheid in dieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld en dieren waarvoor geen emissiefactor is vastgesteld. Daarnaast maakt de wet onderscheid in de ligging van de veehouderij in of buiten een concentratiegebied en de ligging van de geurgevoelige objecten binnen of buiten de bebouwde kom. De gemeente Rhenen is gelegen in concentratiegebied Oost.
In de omgeving van de veehouderij zijn de volgende geurgevoelige objecten gelegen:
Dieren met geuremissiefactoren
Op grond van artikel 3, eerste lid, Wgv moet worden bepaald of wordt voldaan aan de waarde voor de geurbelasting. In een concentratiegebied geldt ter plaatse van een geurgevoelig object een waarde voor de geurbelasting van 3,0 odour units/m3 binnen de bebouwde kom en een waarde van 14,0 odour units/m3 buiten de bebouwde kom. De geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. De geuremissie per dierenverblijf van de aangevraagde veebezetting is berekend (zie onderstaande tabel).
Met het verspreidingsmodel ‘V-Stacks vergunning’, versie 3,0 , is berekend of aan de waarde voor de geurbelasting wordt voldaan. De invoergegevens en het resultaat van de berekening zijn in onderstaande tabellen vermeld. onderstaande tabellen uit de berekening hier plakken
Uit de berekening blijkt dat aan de waarde voor de geurbelasting wordt voldaan. Op grond van artikel 3, vierde lid, Wgv kan de vergunning worden verleend.
Voor alle stallen gelden minimumafstanden tussen de buitenzijde van het dierenverblijf en de gevel van het geurgevoelig object (artikel 5 Wgv). Voor buiten de bebouwde kom gelegen geurgevoelig object geldt een minimumafstand van 25 meter en voor binnen de bebouwde kom gelegen geurgevoelig object geldt een minimumafstand van 50 meter. Binnen 50 meter is geen sprake van een bebouwde kom. De afstand tussen de dichtstbijzijnde woning en de buitenzijde van het meest nabijgelegen dierenverblijf bedraagt 113 meter, zodat aan de vereiste afstand wordt voldaan.
Voor wat betreft de emissie van geur vanuit dierenverblijven kan de vergunning worden verleend.
Het houden van vee leidt tot de uitstoot van fijn stof. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen (Wet luchtkwaliteit), waaronder een grenswaarde voor zwevende deeltjes (fijn stof = PM10). De volgende grenswaarden voor fijn stof zijn opgenomen:
De jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes is maximaal 40 microgram/m3;
De daggemiddelde concentratie van 50 microgram/m3, mag maximaal 35 maal per kalenderjaar worden overschreden.
Als een activiteit in betekenende mate (IBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging moeten de emissieconcentraties getoetst worden aan deze grenswaarden. Er is sprake van niet in betekenende mate (NIBM) als de 3% grens niet wordt overschreden of de activiteit genoemd is in de Regeling NIBM. De 3% grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor PM10.
De emissie van fijn stof is bepaald aan de hand van de door het ministerie van VROM gepubliceerde emissiefactoren.
De grenswaarden zijn niet van toepassing binnen de grenzen van het bedrijf en direct op de openbare weg. Er wordt getoetst op plaatsen die vrij toegankelijk zijn en waar significante blootstelling kan plaatsvinden. In de omgeving zijn uitsluitend woningen en weilanden gelegen. Ter plaatse van weilanden hoeft niet te worden getoetst, zodat getoetst is ter plaatse van de woningen. Met het verspreidingsmodel ISL3a is een berekening uitgevoerd.
De resultaten zijn in onderstaande tabel vermeld.
Hieruit blijkt dat de grenswaarden niet worden overschreden.
Wet en regelgeving met rechtstreekse werking
Op het bedrijf is voor een aantal onderwerpen wet- en regelgeving rechtstreeks van toepassing.
De daarin opgenomen voorschriften/eisen zijn direct werkend, zodat voor deze onderwerpen in deze vergunning geen voorschriften zijn opgenomen.
Voorschriften/eisen die op basis van wet- en regelgeving rechtstreeks van toepassing zijn op het bedrijf zijn onder andere:
Gezien het voorgaande concluderen wij dat door het stellen van voorschriften de nadelige gevolgen voor het milieu door de verandering van het bedrijf in voldoende mate kunnen worden voorkomen dan wel beperkt.
Vanwege de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu, de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu en de bescherming van het milieu worden voorschriften aan de vigerende milieuvergunning toegevoegd.
VERVANGENDE TEKST BIJ DEFINITIEVE BESCHIKKING:
BEROEP, SCHORSING, INWERKINGTREDING
Gedurende zes weken na de dag dat de definitieve beschikking ter inzage is gelegd staat bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beroep open voor belanghebbenden.
Het beroepsschrift moet voor het einde van deze termijn worden gezonden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 AE 's-Gravenhage.
Tegelijk met of na het instellen van beroep kan worden verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Daartoe moet een verzoek worden ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Deze beschikking wordt van kracht met ingang van de dag na de dag waarop de beroepstermijn afloopt.
Indien gedurende de beroepstermijn bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, wordt de beschikking niet van kracht voordat op het verzoek is beslist.
Indien de betrokken bouwvergunning na de hiervoor genoemde termijnen wordt verleend, is deze beschikking niet eerder van kracht dan nadat deze bouwvergunning is verleend.
Voor het instellen van beroep en/of het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zijn griffiekosten verschuldigd. U wordt hiervan door de Raad van State op de hoogte gesteld.
De ontwerpbeschikking wordt bekendgemaakt op woensdag ** 2007 in de plaatselijke pers.
De ontwerpbeschikking met bijlagen liggen gedurende een periode van zes weken met ingang van donderdag ** 2007 ter inzage in het gemeentehuis, Nieuwe Veenendaalseweg 75 te Rhenen. De openingstijden zijn van 8.30 uur tot 12.30 uur.
Daarnaast wordt de ontwerpbeschikking op het publicatiebord van het gemeentehuis gepubliceerd.
Indien daarom vooraf wordt verzocht kunnen de stukken gedurende bovengenoemde periode, buiten kantooruren worden ingezien op zaterdagmiddag van 14.00 uur tot 17.00 uur in het Gemeentemuseum Het Rondeel, Kerkstraat 1 te Rhenen.
Naar aanleiding van de bekendmaking van de ontwerpbeschikking kunnen binnen de
bovengenoemde periode van zes weken schriftelijke zienswijzen door belanghebbenden worden ingediend.
Indien daarom wordt verzocht kan er binnen de bovengenoemde periode een gedachtewisseling met de aanvrager van de vergunning en de gemeente plaatsvinden waarin mondelinge zienswijzen kunnen worden ingebracht en/of aanvullende informatie kan worden gegeven.
-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
De volgende voorschriften zijn van toepassing:
De vergunninghouder is verplicht de in het bedrijf werkzame personen te instrueren over de voor hen van toepassing zijnde voorschriften van deze vergunning.
De voorschriften uit de revisievergunning van 8 april 2011 zijn voor zover relevant van toepassing op de aangevraagde veranderingen voor zover niet gewijzigd door deze voorschriften.
In het bedrijf mogen ten hoogste de navolgende aantallen dieren aanwezig zijn:
Bestuursorgaan dat bevoegd is tot het geven van een beschikking of het nemen van een ander besluit.
Een veehouderij die niet direct aan gras- of bouwland is gebonden.
Een gebouw of deel van een gebouw dat voor bewoning gebruikt wordt of daartoe is bestemd.
Voor zover een DIN-, NVN-, NEN-, NEN-EN- of NEN-ISO-norm of richtlijn,
waarnaar in een voorschrift verwezen wordt, betrekking heeft op de uitvoering van gebouwen, constructies, toestellen en apparaten, wordt bedoeld de voor de datum waarop deze vergunning van kracht is geworden, laatst uitgegeven norm of richtlijn met de daarop tot die datum uitgegeven aanvullingen of correctiebladen, dan wel voorzover het op voornoemde datum reeds bestaande gebouwen, constructies, toestellen en apparaten betreft - de norm of richtlijn die bij de aanleg en/of installatie van die gebouwen, constructies, toestellen en apparaten is toegepast, tenzij in het voorschrift anders is bepaald.
NVN-, NEN-, NEN-EN-, NEN-ISO-normen zijn te verkrijgen bij het NEN, Vlinderweg 6 te Delft, Postbus 5059, 2600 GB te Delft, tel. 015-2690390. (www.nen.nl)
CUR/PBV-Aanbeveling 44 is te verkrijgen bij Stichting civieltechnisch centrum uitvoering, research en regelgeving/Projectbureau Plan Bodembeschermende Voorzieningen, Postbus 420, 2800 AK Gouda, tel. 0182-540600, fax 0182-540601. (www.cur.nl)
PGS-richtlijnen zijn te downloaden van de website van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM). (www.vrom.nl , dossier Externe Veiligheid, Publicaties). De PGS-bladen zijn niet te bestellen.
Stichting Bouwresearch, Postbus 1819, 3000 BV ROTTERDAM, - telefoon 010- 4117276/4123528, Telefax 010-4130175.
BRL Richtlijnen (mbt bodembeheer) zijn te downloaden op de website van www.sikb.nl
Ter informatie wijzen wij u op het volgende:
Indien veranderingen niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die het bedrijf ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken, kan indien aan een aantal voorwaarden wordt voldaan, volstaan worden met een vereenvoudigde procedure om de omgevingsvergunning aan te passen. Bij deze beperkte aanpassing moet op grond van artikel 2.1, lid 1, juncto artikel 3.10, lid 3, Wabo een aanvraag te worden ingediend. Deze wordt vervolgens afgehandeld volgens de reguliere vergunningprocedure. Dit betekent dat binnen acht weken een besluit moet worden genomen. Eenmalige verlenging van deze termijn met zes weken is mogelijk. Als niet binnen de termijn een besluit is genomen, geldt de lex silencio positivo. Dit betekent dat de vergunning dan van rechtswege is verleend.
Alle ongewone voorvallen die nadelige gevolgen voor het milieu (kunnen) veroorzaken moeten worden gemeld bij het bevoegd gezag. Als bodemverontreiniging ontstaat of dreigt te ontstaan moet dit, op grond van de Wet bodembescherming, eveneens worden gemeld bij de provincie (artikel 17.1 Wet milieubeheer en artikel 30 Wet bodembescherming).
Bij een dergelijk voorval dienen onmiddellijk maatregelen te worden getroffen om verdere verontreiniging te voorkomen. Tevens dienen de nadelige gevolgen voor het milieu zo mogelijk op milieuhygiënisch verantwoorde wijze ongedaan gemaakt te worden dan wel beperkt. Vergunninghouder dient leidingen die met verontreinigende stoffen in aanraking zijn geweest, te (laten) controleren op aantasting en, indien nodig, (laten) herstellen of vervangen (artikel 17.2 Wet milieubeheer).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-99779.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.