Gemeenteblad van Zeist

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
ZeistGemeenteblad 2016, 96996Verordeningen



Gemeente Zeist – Bomenverordening Zeist 2016

De raad van de gemeente Zeist;

 

gelezen het voorstel van het college van Burgemeester & Wethouders;

 

besluit vast te stellen de Bomenverordening Zeist 2016:

 

 

ARTIKEL 1: Begripsomschrijvingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

 

  • a.

    bebouwde kom: -bebouwde kom vastgesteld in het kader van artikel 1 vijfde lid Boswet.

  • b.

    beheerplan: -een door het college goedgekeurd plan voor het beheer van houtopstanden in gemeentelijk eigendom.

  • c.

    Bomeneffect-analyse: -een beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor een houtopstand.

  • d.

    boom: -een levend houtig opgaand en overblijvend gewas met een omtrek van de stam van minimaal 80 cm gemeten op 1,30 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de stamomtrek van de dikste stam. In afwijking van deze minimale stamomtrek van 80 cm geldt geen minimale stamomtrek indien het bomen zijn, aangeplant op grond van de artikelen 6 en 7 en bij bomen als bedoeld in artikel 11 van deze verordening.

  • e.

    bosbeheer: -het beheren van percelen met houtopstand die een zelfstandige eenheid vormt van meer dan 250m2 en die een min of meer gesloten kroondek heeft.

  • f.

    bouwvlak: -een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid waar ingevolge het bestemmingsplan bepaalde gebouwen of bouwwerken zijn toegelaten.

  • g.

    college: -college van burgemeester en wethouders gemeente Zeist.

  • h.

    dunning bosbeheer: -een vorm van bosbeheer binnen de bebouwde kom, uitsluitend bedoeld als verzorgingsmaatregel ter bevordering van groei van overblijvende houtopstand, waarbij maximaal 60% van een areaal wordt geveld en waarbij de kronen van de overblijvende houtopstanden zich gewoonlijk binnen drie jaar aaneensluiten.

  • i.

    gemeentelijke bomen: -bomen die eigendom zijn van de gemeente Zeist.

  • j.

    Groene gebieden: -aangewezen gebieden waar het velverbod van artikel 3 van toepassing is.

  • k.

    Groene Kaart: -topografische kaart met daarop aangegeven Groene gebieden.

  • l.

    houtopstand: -houtachtig opgaand en overblijvend gewas.

  • m.

    hakhout: -één of meer bomen of boomvormers, die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen.

  • n.

    kandelaberen: -het terugsnoeien van de boomkroon tot een hoofdstam met takstompen.

  • o.

    knotten: -het afzagen van de kroon van de boom.

  • p.

    scheren: -periodiek wegnemen van nieuwe loten aan vormbomen.

  • q.

    vellen: -vellen, doen vellen of laten vellen. Dit is rooien; kappen; verplanten; het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood, ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de boom ten gevolge kunnen hebben.

  • r.

    Verklaring van geen bedenkingen: -verklaring van bij wet aangewezen orgaan.

 

ARTIKEL 2: Groene Kaart

  • 1.

    Het college stelt een Groene Kaart met Groene gebieden vast. De Groene Kaart wordt in elk geval eens per vijf jaar door het college vastgesteld.

 

ARTIKEL 3: Velverbod

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college, bomen die in de Groene gebieden staan, of gemeentelijke bomen, te vellen.

  • 2.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:

    • a.

      bomen die moeten worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving van het college;

    • b.

      het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

    • c.

      het periodiek scheren, knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij vormbomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

    • d.

      het verrichten van snoeiwerkzaamheden aan bomen met achterstallig onderhoud;

    • e.

      dunning bosbeheer;

    • f.

      berken;

    • g.

      populieren en wilgen voor zover niet geknot;

    • h.

      schubconiferen met een stamomtrek tot 150 cm gemeten op 1,30 meter hoogte zijnde:

      • -

        Chamaecyparis (schijncypres);

      • -

        xCupressocyparis (leylandcypres);

      • -

        Platycladus (Japanse levensboom);

      • -

        Thuja (levensboom);

      • -

        Thujopsis (Hiba cypres);

    • i.

      velling van gemeentelijke bomen indien sprake is van werkzaamheden in het kader van een beheerplan.

  • 3.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:

    • a.

      wegbeplanting en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot;

    • b.

      vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;

    • c.

      fijnsparren, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen;

    • d.

      kweekgoed;

    • e.

      bomen die gelegen zijn buiten de bebouwde kom Boswet, tenzij de bomen gelegen zijn in erven en tuinen of de bomen een zelfstandige eenheid vormen die:

      • -

        ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are;

      • -

        ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen, gerekend over het totale aantal rijen.

  • 4.

    Het in het eerste lid bedoelde verbod behoudens omgevingsvergunning geldt eveneens voor bomen die zijn aangeplant op basis van een herplant- en instandhoudingsplicht op grond van de artikelen 6 en 7 van deze verordening.

  • 5.

    Het college besluit, indien een boom direct gevaar oplevert die noodvelling noodzakelijk maakt, dat de omgevingsvergunning voor het vellen direct in werking treedt. Het besluit wordt zo spoedig mogelijk bekend gemaakt.

 

ARTIKEL 4: Criteria omgevingsvergunning

  • 1.

    Het college kan de omgevingsvergunning voor de activiteit vellen als bedoeld in artikel 3 weigeren dan wel onder voorschriften of beperkingen verlenen.

  • 2.

    De omgevingsvergunning voor het vellen van een boom als bedoeld in artikel 3 wordt geweigerd, indien de belangen van verlening niet opwegen tegen de belangen van behoud van de boom op basis van één of meer van de volgende waarden:

    • a.

      de natuurwaarden van de boom;

    • b.

      de landschappelijke waarden van de boom;

    • c.

      de cultuurhistorische waarden van de boom;

    • d.

      de beeldbepalende waarden van de boom;

    • e.

      de waarden van de boom voor stads- en dorpsschoon;

    • f.

      de waarden van de boom voor recreatie.

  • 3.

    De omgevingsvergunning voor de activiteit vellen wordt verleend indien:

    • a.

      de boom aantoonbaar een gevaar vormt voor bebouwing, bewoners, perceel- of weggebruikers en er geen alternatieven voor velling zijn, of;

    • b.

      de boom substantiële schade aan eigendom veroorzaakt, die niet is te voorkomen of met maatregelen op te lossen, of;

    • c.

      de kroonprojectie van de boom meer dan 50% van de oppervlakte van de voor-, zij- of achtertuin beslaat, of;

    • d.

      de boom jaarrond gemiddeld, tenminste 5 uur per dag het daglicht in het woonvertrek waar de aanvrager de meeste uren per dag doorbrengt, ontneemt, of;

    • e.

      de boom in een vastgesteld bouwvlak conform het vigerend bestemmingsplan staat en moet wijken voor een bouwinitiatief waarvoor omgevingsvergunning is verleend of verleend gaat worden en daarbij binnen 5 meter van mogelijke toekomstige bebouwing of binnen 3 meter van toekomstige infrastructuur staat.

    • f.

      de boom in het wijkontwikkelingsplan Kerckebosch staat en binnen 5 meter van mogelijke toekomstige bebouwing of binnen 3 meter van toekomstige infrastructuur, zoals aangegeven in een conceptbouwplan.

    •  

  • 4.

    In afwijking van het derde lid wordt geen omgevingsvergunning verleend indien:

    • a.

      een benodigde ontheffing Flora- en faunawet of benodigde vergunning Natuurbeschermingswet 1998 ontbreekt, of;

    • b.

      een benodigde Verklaring van geen bedenkingen ontbreekt.

 

ARTIKEL 5: Aanvraag

  • 1.

    De omgevingsvergunning moet schriftelijk en gemotiveerd worden aangevraagd, door of namens dan wel met toestemming van degene, die krachtens zakelijk recht of door publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de boom te beschikken.

  • 2.

    Een overzicht van de overige vergunningen, en eventuele toestemmingen die nodig zijn voor de realisatie van het project wordt bij aanvraag overlegd, of als te vergunnen activiteiten in de aanvraag verwerkt.

  • 3.

    Het college kan eisen dat bij de aanvraag een Bomeneffect-analyse wordt overgelegd.

 

ARTIKEL 6: Bijzondere voorschriften

  • 1.

    Tot de aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften, kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen moet worden herplant.

  • 2.

    In het voorschrift als bedoeld in het eerste lid wordt telkens bepaald binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant, moet worden vervangen.

  • 3.

    Tot de aan de omgevingsvergunning tot vellen te verbinden voorschriften, kan het voorschrift behoren dat pas tot vellen van de boom op en bij bouw- en aanlegwerken of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie mag worden overgegaan indien andere vergunningen of toestemmingen zijn verleend of ruimtelijke plannen zijn vastgesteld en de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende gewaarborgd is.

  • 4.

    Degene aan wie een voorschrift als bedoeld in het eerste tot het derde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

ARTIKEL 7: Herplant- /instandhoudingsplicht

  • 1.

    Indien een boom waarop het verbod tot vellen van artikel 3 van toepassing is, zonder omgevingsvergunning van het college is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het college aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de boom bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen en binnen een door hen te stellen termijn.

  • 2.

    Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan wordt daarbij tevens bepaald binnen welke termijn na herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen

  • 3.

    Indien een boom waarop het verbod tot vellen van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het college aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de boom bevindt dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om:

    • a.

      overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen;

    • b.

      een Bomeneffect-analyse op te stellen en aan te bieden aan het college.

  • 4.

    Degene aan wie de verplichting als bedoeld in het eerste tot het derde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

 

ARTIKEL 8: Beperking geldigheidsduur

  • 1.

    De omgevingsvergunning tot vellen als bedoeld in deze verordening vervalt, indien daarvan niet binnen maximaal drie jaar na het onherroepelijk zijn van de omgevingsvergunning gebruik is gemaakt.

  • 2.

    Als vergunning is verleend voor het vellen van meer dan één boom, is de omgevingsvergunning voor alle te vellen bomen slechts drie jaar geldig, ook als in fasen geveld wordt of één boom of enkele bomen al geveld zijn.

  • 3.

    In afwijking van het eerste en tweede lid, vervalt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3, in het wijkontwikkelingsgebied Kerckebosch, indien daarvan niet binnen maximaal vijf jaar na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning volledig gebruik is gemaakt.

 

ARTIKEL 9: Intrekking of wijziging

De omgevingsvergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd:

  • a.

    indien ter verkrijging onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

  • b.

    indien op grond van een verandering van omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de omgevingsvergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is, of is vereist vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de omgevingsvergunning is verleend;

  • c.

    indien de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet worden nagekomen;

  • d.

    indien de houder dit verzoekt.

 

ARTIKEL 10: Schadevergoeding

Het college beslist op een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 17 van de Boswet.

 

ARTIKEL 11: Afstand tot de erfgrenslijn

De afstand als bedoeld in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek, tot de grens tussen percelen in privaat eigendom, is vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heesters en heggen, en tot de grens tussen percelen in privaat en gemeentelijk eigendom, op nihil voor bomen, heesters en heggen.

 

ARTIKEL 12: Bestrijding van boomziekten

  • 1.

    Indien zich op een terrein één of meer houtopstanden bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn:

    • a.

      de houtopstand te vellen;

    • b.

      conform richtlijnen van het college de gevelde houtopstand direct zodanig de behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen.

  • 2.

    Het is verboden zonder vergunning van het college gevelde houtopstand of delen daarvan voor handen of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden.

  • 3.

    Het niet voldoen aan de in het eerste lid bedoelde aanschrijving biedt een basis voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden, voor risico en voor rekening van aangeschrevene, door of namens de gemeente kunnen worden verricht.

 

ARTIKEL 13: Bescherming gemeentelijke houtopstanden

  • 1.

    Het is verboden om houtopstanden, die eigendom van de gemeente Zeist zijn, te beschadigen, te bekladden, te vellen of te beplakken, daaraan snoeiwerk te verrichten behoudens door of in opdracht van ambtenaren ter uitoefening van de hun opgedragen boomverzorgende taak.

  • 2.

    Het is verboden om één of meer voorwerpen in of aan een houtopstand in eigendom van de gemeente Zeist aan te brengen of anderszins te bevestigen via voorwerpen behoudens na vergunning van het college.

 

ARTIKEL 14: Uitzicht belemmerende beplanting

De zakelijk gerechtigde van een houtopstand, heg, struik of andere beplanting die aan het wegverkeer het vrije uitzicht kan belemmeren of daarvoor op een andere wijze hinder of gevaar kan opleveren, is verplicht deze beplanting te snoeien of op te binden, of te verwijderen na aanschrijving door het college, binnen door haar te stellen termijn en overeenkomstig haar aanwijzingen.

 

ARTIKEL 15: Strafbepaling

Hij die handelt in strijd met artikel 12 of 13, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie.

 

ARTIKEL 16: Toezicht en opsporing

  • 1.

    Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van bevoegd gezag aangewezen personen.

  • 2.

    Met de opsporing van de in deze afdeling strafbaar gestelde feiten zijn behalve de ambtenaren, genoemd in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de daartoe door het bevoegde gezag aangewezen buitengewone opsporingsambtenaren

ARTIKEL 17: Overgangsbepaling

Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze Bomenverordening 2016 een aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van de Bomenverordening gemeente Zeist 2005 is ingediend en vóór de inwerkingtreding van deze Bomenverordening nog niet op die aanvraag is beslist, worden de bepalingen overeenkomstig de Bomenverordening gemeente Zeist 2005 toegepast, voor zover deze gunstiger is voor de aanvrager. Op een aanhangig bezwaar- of beroepschrift betreffende een omgevingsvergunning waarvan de aanvraag is ingediend ten tijde van de geldigheid van de Bomenverordening Zeist 2005 wordt beslist conform die verordening, voor zover deze gunstiger is voor de aanvrager.

 

ARTIKEL 18: Slotbepaling

  • 1.

    Deze verordening kan worden aangehaald als: "Bomenverordening Zeist 2016”.

  • 2.

    Tegelijkertijd met de inwerkingtreding van deze verordening wordt de Bomenverordening Zeist 2005 ingetrokken.

  • 3.

    Deze verordening treedt in werking de dag na bekendmaking en na vaststelling en onherroepelijk zijn van de Groene Kaart.

 

 

 

 

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 5 juli 2016.

De raad voornoemd,

mr. J. Janssen, griffier drs. J.J.L.M. Janssen, voorzitter

TOELICHTING Bomenverordening Zeist 2016

 

ARTIKEL 1: Begripsomschrijvingen

 

c. Bomeneffect-analyse

Waardevolle bomen worden regelmatig (ernstig) beschadigd of vernietigd door bouw en aanleg van huizen, wegen, rioleringen of kabels en leidingen. Vaak gebeurt dit ongewenst en onbedoeld, omdat er te laat is gekeken naar de gevolgen voor de bomen, waardoor ze niet ingepast of (onherstelbaar) beschadigd raken. De Bomeneffect-analyse (BEA) is een nauwgezette en onafhankelijke beoordeling, voorafgaand aan voorgenomen bouw of aanleg. De BEA waarborgt de boomtechnische kwaliteit en garandeert een goede beoordeling van alle effecten en mogelijke alternatieven. Een BEA dient uitgevoerd te worden door een deskundig boomverzorger of boomtechnisch adviseur. De resultaten van deze beoordeling kunnen vervolgens worden meegenomen in de besluitvorming rond bouw of aanleg.

 

d. boom

Afbakening van het begrip boom is van belang in verband met het aangeven van de ondergrens van het velverbod. Vanaf 80 cm stamomtrek op een hoogte van 1,30 meter boven het maaiveld kan een boom pas onder het velverbod vallen, behalve als sprake is van een boom aangeplant in het kader van een herplantplicht.

 

h. dunning bosbeheer

Dunning in het kader van bosbeheer is een vorm van vellen die slechts zo ver mag gaan dat hiermee de conditie en of groei van de overblijvende delen van de houtopstand zal verbeteren. Deze ‘dunning bosbeheer’ ziet slechts op dunning op percelen die een minimale omvang aan houtopstand hebben van 250 vierkante meter, met een bosachtig karakter en/of bosachtige beplanting en dus een min of meer gesloten kroondek. Worden bomen geveld op kleinere terreinen, dan is geen sprake van dunning bosbeheer en is er op die grondslag geen vrijstelling van het velverbod. Een voorbeeld is de velling van één van een drietal bomen die in een kleinere achtertuin staan. Op zich kan die velling nodig zijn om de groei en conditie van de overblijvende bomen te verbeteren. In dat geval valt die velling dan toch niet onder deze vrijstelling.

 

q. vellen

Elke wijze van het te gronde richten van een boom ongeacht of dit gedeeltelijk is, bijvoorbeeld bij snoeien, of volledig, zoals bij rooien (inclusief stobbe verwijderen). Ook ingrepen die een ingrijpende wijziging betekenen, zoals kandelaberen of het snoeien van meer dan twintig procent van het kroonvolume, vallen onder vellen. Dit om het ernstig beschadigen of ontsieren van een boomkroon tegen te kunnen gaan. Het in stand houden door periodieke snoei van de door kandelaberen of knotten ontstane kroonvorm is niet omgevingsvergunningplichtig. De eerste keer kandelaberen of knotten is wel omgevingsvergunningplichtig. Het verwijderen van hoofdwortels, waarvan kan worden aangenomen dat daardoor de boom ernstige schade oploopt, valt eveneens onder het begrip vellen.

 

ARTIKEL 3: Velverbod

Lid 1 : Het velverbod geldt - in beginsel- voor bomen met een minimale stamomtrek van 80 cm gemeten op 1,30 meter hoogte boven het maaiveld. Dit velverbod geldt voor dergelijke bomen indien zij staan in Groene gebieden zoals aangegeven op de Groene Kaart. Buiten de Groene gebieden geldt slechts een velverbod voor gemeentelijke bomen met een dergelijke omvang. Op het velverbod ten aanzien van beide groepen bomen, zijn verder de algemene vrijstellingen van artikel 3 tweede en derde lid van toepassing.

Lid 3 : Dit betreft een vrijstelling voor bepaalde soorten en categorieën bomen. De gemeenteraad mag daarvoor geen regels stellen als gevolg van artikel 15 tweede en derde lid Boswet.

Lid 5. Indien een boom direct gevaar oplevert kan het college besluiten dat de omgevingsvergunning voor het vellen direct in werking treedt. Dit houdt in dat dan direct tot velling overgegaan kan worden. Belanghebbenden hebben dan wel nog steeds de mogelijkheid tot het indienen van bezwaar. Dit is van belang omdat aan de verleende omgevingsvergunning voorschriften kunnen zijn verbonden.

 

ARTIKEL 4: Criteria omgevingsvergunning

Lid 3. De omgevingsvergunning voor de activiteit vellen wordt verleend indien sprake is van de omstandigheden als in dit derde lid. Is echter sprake van een meervoudige aanvraag dan kan als gevolg van samenhang met andere omgevingsvergunningsplichtige activiteiten, de omgevingsvergunning toch worden geweigerd. Bijvoorbeeld bij velling van een boom die staat in een erkend Rijks-, provinciaal of gemeentelijk monument (historische parkaanleg etc.) Velling betreft dan de activiteit vellen ex artikel 2.2 eerste lid onder g. en tegelijkertijd de activiteit wijzigen van een Rijks-, provinciaal of gemeentelijk monument ex artikel 2.1 eerste lid onder f. en artikel 2.2 eerste lid onder b. Wabo. De aanvraag zal dan op deze beide activiteiten worden beoordeeld.

 

ARTIKEL 11: Afstand tot de erfgrenslijn

Om te voorkomen dat van bomen die eigendom van de gemeente zijn, de verwijdering op grond van artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek gevorderd kan worden, is de afstand waarop deze bomen tot de erfgrens van een privaat perceel mogen staan op nihil gezet. Dit geldt ook voor gemeentelijke heesters en heggen. De reden hiervoor is dat deze houtopstanden een groot algemeen belang dienen en dat hun standplaats gerechtvaardigd is.

 

ARTIKEL 13: Bescherming gemeentelijke houtopstanden

Dit artikel is onder andere bedoeld om te voorkomen dat gemeentelijke houtopstanden beschadigd raken door voorwerpen zoals verlichtingsdraden. Deze blijven soms lange tijd in de houtopstanden hangen, hetgeen overlast veroorzaakt, houtopstanden afknelt en snoeiwerk onmogelijk maakt.