Gemeenteblad van Berg en Dal

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Berg en DalGemeenteblad 2016, 86972Beleidsregels



Beleidsregels bijzondere bijstand 2016

Juni 2016

 

De inhoud van de beleidsregels

De Beleidsregels bijzondere bijstand 2016 zijn beleidsregels in de zin van titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht en geven aan in welke situaties bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet verstrekt kan worden en welke voorwaarden hieraan worden verbonden.

Deze beleidsregels hebben betrekking op de bevoegdheid genoemd in:

  • artikel 35 Participatiewet

De voorbereiding

Deze beleidsregels zijn in concept opgesteld in overleg met consulenten en de coördinator van het cluster inkomen, Afdeling Sociale Zaken van de gemeente Berg en Dal. De beleidsregels hebben ter inzage gelegen van 15 april tot 27 maart. Er zijn twee zienswijzen ingediend, door de Seniorenraad en door de cliëntenraad Werk en Inkomen en de WMO-Adviesraad samen. De zienswijzen gaan in op artikel 16 en 16a, de maaltijdvoorziening en de personenalarmering. De organisaties spreken hun zorgen uit over het stoppen van de subsidie aan SWG voor een korting op de kosten van deze voorzieningen. Mensen moeten daardoor bijzondere bijstand hiervoor aanvragen. We nemen deze zorgen serieus. Het gaat niet inhoudelijk over de beleidsregels.

Er is één aanpassing gedaan naar aanleiding van de zienswijzen. Artikel 16 lid 3 is geschrapt. Hier stond in dat voor maximaal 4 maaltijden per week bijzondere bijstand wordt toegekend, behalve als het noodzakelijk is om meer maaltijden te bezorgen. Door lid 3 te schrappen is dat losgelaten.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

  • 1.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het Burgerlijk Wetboek (BW) en de Wet op de huurtoeslag.

  • 2.

    Voor de toepassing van deze beleidsregels wordt verstaan onder:

     

    • belanghebbende:

    de alleenstaande of het gezin die in aanmerking wenst te komen voor bijzondere bijstand;

     

    • beleidsregels:

    Beleidsregels bijzondere bijstand 2016 gemeente Berg en Dal;

     

    • bijstandsniveau:

    100% van de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm;

     

    • bijstandsnorm

    de op grond van paragraaf 3.2 van de Participatiewet op de belanghebbende van toepassing zijnde norm, verminderd met de op grond van paragraaf 3.3 van de Participatiewet vastgestelde verlaging. In afwijking van de Participatiewet is de kostendelersnorm (artikel 22a van de Participatiewet) niet van toepassing;

     

    • college:

    het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berg en Dal;

     

    • draagkracht:

    het gedeelte van het inkomen en/of vermogen dat aangewend dient te worden voor financiering van de bijzondere kosten;

     

    • draagkrachtperiode:

    de periode waarover de draagkracht van een belanghebbende wordt vastgesteld;

     

    • duurzame gebruiksgoederen:

    goederen behorend tot de gebruikelijke huisraad, met uitzondering van vervoermiddelen;

     

    • Gemeente zorgverzekering:

    de collectieve ziektekostenverzekering voor inwoners van de gemeente Berg en Dal met een inkomen tot 120% van de voor belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm en een vermogen tot € 50.000;

     

    • inkomen:

    het inkomen volgens artikel 32 van de Participatiewet. De middelen als bedoeld in artikel 31 lid 2 en artikel 33 lid 5 van de Participatiewet worden niet tot het inkomen van belanghebbende gerekend;

     

    • medische kosten:

    noodzakelijk te maken kosten welke vallen binnen de reikwijdte van de kostensoorten waarover de Zorgverzekeringswet (hierna Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz) zich uitspreekt;

     

    • meerinkomen:

    het inkomen boven het minimuminkomen;

     

    • minimuminkomen:

    110 % van de voor belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm;

     

    • vermogen:

    het in aanmerking te nemen vermogen volgens artikel 34 van de Participatiewet;

     

    • verhuiskosten:

    de kosten die belanghebbende maakt voor het overbrengen van de inboedel van de oude naar de nieuwe woning;

     

    • voorliggende voorziening:

    elke voorziening buiten de wet, zoals bedoeld in artikel 15 van de Participatiewet, waarop de persoon of gezin aanspraak kan maken dan wel een beroep kan doen ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven;

     

    • de wet:

    de Participatiewet;

     

    • woonkosten eigen woning:

    de tot een bedrag per maand omgerekende som van de verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten, minus het verschil tussen de hypotheekrente-aftrek en het eigenwoningforfait per maand;

     

    • woonkosten huurwoning:

    de op de aanvangsdatum van het lopende huurtoeslagtijdvak per maand geldende huurprijs als omschreven in de Wet op de huurtoeslag.

Artikel 2 Beoordeling (stappenplan) voordat de kosten zijn gemaakt

  • 1.

    Een aanvraag voor bijzondere bijstand moet in beginsel worden ingediend vóórdat de kosten zijn gemaakt.

  • 2.

    Bij de beoordeling van de bijzondere bijstand moet worden vastgesteld of aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    • a.

      De kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd doen zich voor;

    • b.

      De kosten zijn in het individuele geval noodzakelijk;

    • c.

      De kosten vloeien voort uit bijzondere individuele omstandigheden;

    • d.

      De kosten kunnen niet worden voldaan uit de bijstandsnorm, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

    • e.

      er is geen voorliggende voorziening op grond van artikel 15 van de wet.

  • 3.

    Als niet aan de voorwaarden genoemd in lid 2 van dit artikel is voldaan, wordt de aanvraag bijzondere bijstand afgewezen.

Artikel 3 Beoordeling (stappenplan) nadat de kosten zijn gemaakt

  • 1.

    Indien de bijzondere bijstand is aangevraagd nadat de kosten zijn gemaakt, dan wordt de aanvraag voor bijzondere bijstand enkel in behandeling genomen als:

    • a.

      Deze wordt ingediend tot en met één jaar na het moment waarop de kosten zijn gemaakt, en

    • b.

      De noodzakelijkheid van de kosten nog kan worden vastgesteld.

  • 2.

    De aanvraag moet voldoen aan dezelfde voorwaarden als gesteld in artikel 2, lid 2.

Artikel 4 Aanleveren bewijsstukken

  • 1.

    Belanghebbende levert, tezamen met de aanvraag bijzondere bijstand, bewijsstukken aan welke aantonen dat belanghebbende de kosten op korte termijn zal maken.

  • 2.

    Als de kosten nog moeten worden gemaakt, levert belanghebbende binnen twee weken na ontvangst van de bijzondere bijstand een betalingsbewijs, tenzij anders is afgesproken.

  • 3.

    Als de kosten al zijn gemaakt levert belanghebbende bij de aanvraag bewijsstukken aan die aantonen dat de kosten zijn gemaakt.

  • 4.

    Als belanghebbende geen uitkering heeft op grond van de wet levert belanghebbende bewijsstukken aan die aantonen wat zijn inkomen en vermogen zijn op de datum van de aanvraag. Als belanghebbenden een uitkering hebben op grond van de IOAW/IOAZ dan zijn bewijsstukken over het vermogen voldoende. (dit is toegevoegd)

  • 5.

    Belanghebbende levert op verzoek aanvullende bewijsstukken aan als deze noodzakelijk zijn voor de vaststelling van het recht op bijzondere bijstand.

Artikel 5 Draagkracht

  • 1.

    De ingangsdatum draagkrachtperiode wordt vastgesteld op de eerste dag van de maand waarin de kosten worden gemaakt.

  • 2.

    De draagkrachtperiode geldt voor de duur van twaalf maanden, gerekend vanaf de eerste dag van de maand waarin de kosten worden gemaakt.

  • 3.

    Voor de volgende groepen is er geen sprake van draagkracht:

    • a.

      personen met een uitkering krachtens de Participatiewet;

    • b.

      belanghebbenden met een aantoonbaar minnelijke of wettelijke schuldregeling;

    • c.

      belanghebbenden met een minimuminkomen en lager

  • 4.

    Voor de volgende groepen hoeft de draagkracht niet jaarlijks opnieuw te worden vastgesteld, maar geldt deze totdat er een wijziging in inkomen, vermogen, leefsituatie of woonsituatie optreedt: pensioengerechtigden, mensen met een Wajong-uitkering, WIA-uitkering, Anw-uitkering.

  • 5.

    Voor de 18, 19 of 20 jarige met bijzondere bijstand voor levensonderhoud wordt bij het bepalen van de draagkracht voor bijzondere bijstand, niet zijnde bijzondere bijstand voor levensonderhoud, uitgegaan van de jongerennorm plus de bijzondere bijstand voor levensonderhoud als genoemd in artikel 9 van deze beleidsregel. Voor de 18, 19 of 20 jarige in een inrichting met bijzondere bijstand voor levensonderhoud wordt bij het bepalen van de draagkracht uitgegaan van de bijzondere bijstand als genoemd in artikel 10 van deze beleidsregel.

  • 6.

    Voor personen met een IOAW- of IOAZ –uitkering moet de draagkracht uit vermogen beoordeeld worden.

  • 7.

    De draagkracht bedraagt:

    • a.

      35% van het meerinkomen en

    • b.

      100% van het vermogen boven het vrij te laten vermogen op de eerste dag van de maand waarin de kosten worden gemaakt.

  • 8.

    Voor de volgende kosten bedraagt de draagkracht, in afwijking van lid 7, sub a, 100% van het inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm:

    • a.

      Woonkostentoeslag;

    • b.

      Toeslagen voor voormalig alleenstaande ouders;

    • c.

      Bijzondere bijstand voor levensonderhoud voor 18- tot 21-jarigen,

    • d.

      Beschermingsbewind, bewindvoeringskosten, budgetbeheer, curatele en mentorschap;

  • 9.

    Bij het vaststellen van het vermogen voor bijzondere bijstand kan een extra vrijlating worden toegepast voor belanghebbenden die aan kunnen tonen dat zij niet beschikken over een adequate uitvaartverzekering, maar waarbij sprake is van een levensverzekering of spaarrekening die alleen bij overlijden uitkeert en niet tussentijds opvraagbaar of afkoopbaar is en waarvan de waarde overeenkomt met de kosten van een gangbare uitvaart.

  • 10.

    Indien binnen de vastgestelde draagkrachtperiode sprake is van een inkomensstijging of daling, of een wijziging in de leefsituatie die leidt tot een andere bijstandsnorm waar het inkomen tegen wordt afgezet, dan wordt de draagkracht per de eerste van de maand waarin de wijziging plaatsvindt gewijzigd, als het een wijziging betreft van 15% of meer.

  • 11.

    Indien een roerend goed deel uitmaakt van het vermogen van de aanvrager dan:

    • a.

      wordt bij een eerste auto of motor jonger dan 7 jaar de dagwaarde meegenomen in het vermogen als deze hoger of gelijk is aan € 4.500,– Bij een auto/motor van 7 jaar of ouder wordt het vermogen in de auto niet meegenomen, behalve als de auto/motor een duidelijk objectief vast te stellen dagwaarde heeft boven € 4.500,–

    • b.

      wordt de dagwaarde van overige roerende goederen volledig meegenomen in de vermogensvaststelling als deze vanwege hun aard niet algemeen gebruikelijk zijn.

Artikel 6 Periodieke bijzondere bijstand

  • 1.

    Indien de bijzondere bijstand wordt toegekend in de vorm van een periodiek terugkerend bedrag, dan wordt deze toegekend voor maximaal één jaar.

  • 2.

    In afwijking van lid 1 van dit artikel kan, afhankelijk van de voorziening, de periodieke bijzondere bijstand worden toegekend voor langer dan een jaar, als belanghebbende een uitkering heeft op grond van de wet of op grond van de IOAW/IOAZ (artikel 5, lid 6 van deze beleidsregel is wel van toepassing) of als belanghebbende tot de doelgroep behoort waarvan de draagkracht wordt vastgesteld voor een langere periode: zie artikel 5 lid 4

Artikel 7 Hoogte van de bijzondere bijstand

  • 1.

    Bij het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand wordt, tenzij anders vermeld, maximaal aangesloten bij de normbedragen zoals opgenomen in de NIBUD prijzengids.

  • 2.

    Op de verstrekking van de bijzondere bijstand worden, indien van toepassing, kosten die voor een ieder algemeen gebruikelijk zijn, in mindering gebracht.

  • 3.

    Er wordt geen drempelbedrag gehanteerd voor de kosten voor bijzondere bijstand.

Artikel 8 Vorm van de bijzondere bijstand

Tenzij anders vermeld, is de bijzondere bijstand om niet.

Hoofdstuk 2 Bepalingen ten aanzien van specifieke kosten

Artikel 9 Aanvullende bijstand 18,19,20 jarigen niet in inrichting verblijvend

  • 1.

    Indien en voor zover een persoon van 18, 19 of 20 jaar die niet in een inrichting verblijft hogere algemeen noodzakelijke kosten van bestaan heeft dan waarin zijn van toepassing zijnde norm in het kader van de Participatiewet voorziet en de middelen van zijn ouders hiertoe ontoereikend zijn of hij redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken, komen deze kosten in aanmerking voor bijzondere bijstand.

  • 2.

    Voor de hoogte van de bijzondere bijstand voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder wordt in afwijking van het gesteld in artikel 1, lid 2, definitie bijstandsnorm van de beleidsregel, aansluiting gezocht bij de van toepassing zijnde normen voor 21 jaar en ouder.

  • 3.

    Voor de hoogte van de bijzondere bijstand voor gehuwden wordt in afwijking van het gestelde in artikel 1, lid 2, definitie bijstandsnorm van de beleidsregel, aansluiting gezocht bij de van toepassing zijnde normen voor gehuwden van 21 jaar en ouder

Artikel 10 aanvullende bijstand 18,19,20 jarigen in inrichting verblijvend

  • 1.

    Indien en voor zover een persoon van 18, 19 of 20 jaar, in een inrichting verblijvend, hogere algemeen noodzakelijke kosten van bestaan heeft dan waarin de middelen van zijn ouders voorzien of hij redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken, komen deze kosten in aanmerking voor bijzondere bijstand.

  • 2.

    Voor de hoogte van de bijzondere bijstand wordt aansluiting gezocht bij de normen als bedoeld in artikel 20 van de Participatiewet.

Artikel 11 Toeslag voormalig alleenstaande ouder

  • 1.

    De voormalige alleenstaande ouder kan in aanmerking komen voor bijzondere bijstand indien het jongste thuiswonende ten laste komend kind de leeftijd van 18 jaar bereikt en tot het huishouden blijft behoren.

  • 2.

    De hoogte van de toeslag is gedurende de eerste 12 maanden € 100,00 per maand en aansluitend voor 12 maanden € 50,00 per maand. De toeslag wordt ambtshalve toegekend.

Artikel 12 Medische kosten

  • 1.

    Op grond van artikel 15 van de Participatiewet komen medische kosten in beginsel niet in aanmerking voor bijzondere bijstand. De Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg en gerelateerde regelingen zijn toereikende voorliggende voorzieningen.

  • 2.

    In afwijking van lid 1 komt een eigen bijdrage op grond van de basisziektekostenverzekering of de Wet langdurige zorg, in aanmerking voor bijzondere bijstand, voor zover deze niet worden vergoed vanuit een aanvullende ziektekostenverzekering.

  • 3.

    In afwijking van lid 2 komt een eigen bijdrage, of een deel van een eigen bijdrage, waaraan een besparing op reguliere kosten ten grondslag ligt, niet voor bijzondere bijstand in aanmerking.

Artikel 13 Fysiotherapie

  • 1.

    In afwijking van artikel 12 van deze beleidsregel, komen de kosten voor fysiotherapie voor de eerste 20 behandelingen in aanmerking voor bijzondere bijstand indien:

    • a.

      belanghebbende 18 jaar of ouder is; en

    • b.

      er sprake is van één van de aandoeningen die voorkomen op de lijst met aandoeningen zoals aangegeven in de 'chronische' lijst van bijlage 1 bij artikel 2.6 lid 2 Besluit zorgverzekering.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt de feitelijke kosten van de eerste 20 behandelingen.

  • 3.

    Indien er een vergoeding is vanuit de aanvullende verzekering wordt deze in mindering gebracht op de toe te kennen bijzondere bijstand.

Artikel 14 Reiskosten in verband met ziekenhuisbezoek

Vervallen (reiskosten zijn samengevoegd in artikel 36)

Artikel 15 Meerkosten als gevolg van ziekte of handicap

  • 1.

    Meerkosten van een medisch noodzakelijk dieet komen in aanmerking voor bijzondere bijstand.

  • 2.

    Meerkosten van bewassing of slijtage van kleding en beddengoed als gevolg van een handicap of langdurige ziekte komen in aanmerking voor bijzondere bijstand.

  • 3.

    Meerkosten van verwarming als gevolg van een handicap of langdurige ziekte komen in aanmerking voor bijzondere bijstand.

  • 4.

    De hoogte van de meerkosten is maximaal conform de bedragen van de NIBUD prijzengids en wordt als bijzondere bijstand verstrekt.

Artikel 16 Meerkosten bestelde maaltijden

  • 1.

    Meerkosten van bestelde maaltijden komen in aanmerking voor bijzondere bijstand, als belanghebbende niet meer zelf kan koken en er geen mantelzorger is die kan koken voor belanghebbende.

  • 2.

    De meerkosten bedragen per dag maximaal 1,5 maal de kosten van een warme maaltijd, zoals aangegeven in tabel 23 (kosten van voeding per persoon per dag) van de NIBUD prijzengids. Hierbij wordt uitgegaan van een warme maaltijd bij man en vrouw 65+, plus 10% ophoging wegens een eenpersoonshuishouden. Dit is ongeacht leeftijd en leefsituatie

Artikel 16a Kosten personenalarmering

  • 1.

    De kosten van personenalarmering komen in aanmerking voor bijzondere bijstand als belanghebbende alleen woont, en de noodzaak van de personenalarmering is aangetoond door de zorgverzekeraar, middels een medisch advies of een advies van het sociaal team. Als belanghebbende 80 jaar of ouder is, wordt de noodzaak vastgesteld door de consulent Inkomen.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand betreft de kosten van personenalarmering die niet vergoed worden door de zorgverzekeraar.

Artikel 17 Medisch advies

  • 1.

    Een medisch advies kan worden aangevraagd om de noodzakelijkheid van bepaalde kosten vast te stellen tenzij de kosten van de voorziening minder bedragen dan € 500,00 en middels een verklaring van huisarts, tandarts of behandelend specialist de medische noodzakelijkheid afdoende kan worden vastgesteld.

  • 2.

    Indien geen bedrag kan worden aangegeven, wordt een medisch advies opgevraagd.

Artikel 18 Gemeente zorgverzekering

  • 1.

    In afwijking van artikel 5 van de beleidsregels komt belanghebbende op grond van artikel 35, lid 3 van de Participatiewet in aanmerking voor deelname aan de Gemeente zorgverzekering als hij een inkomen heeft dat niet hoger is dan 120% van de bijstandsnorm en een vermogen dat niet hoger is dan € 50.000. Hierbij wordt het vermogen in de eigen woning waarin men woont buiten beschouwing gelaten.

  • 2.

    Belanghebbende die gebruikt maakt van de Gemeente zorgverzekering komt op grond van artikel 35, lid 3 van de Participatiewet in aanmerking voor een maandelijkse tegemoetkoming in de premie van € 17,– per maand, of € 37,– per maand, afhankelijk van het pakket dat hij kiest.

    • a.

      Bij pakket gemeenten Extra van CZ of gemeentepakket Compleet van VGZ: € 17

    • b.

      Bij het gemeentepakket Compleet + herverzekeren Eigen Risico van VGZ : € 37

    • c.

      Bij het Pakket gemeenten Extra Uitgebreid, de module Eigen bijdrage Wmo en het verplicht gespreid betalen Eigen risico van CZ: € 37

Artikel 19 Computer/laptop/tablet schoolgaande kinderen

  • 1.

    De kosten van een computer/laptop/tablet voor een gezin met kind (eren) van 10 jaar of ouder maar jonger dan 18 jaar, komen in aanmerking voor bijzondere bijstand.

  • 2.

    De bijzondere bijstand voor een computer / laptop / tablet wordt één keer per kind verstrekt in de gehele schoolcarrière tot een maximum van twee kinderen per huishouden

  • 3.

    In afwijking van lid 2 is het verstrekken van meer dan 2 computers / laptops / tablets per huishouden mogelijk als er meer dan twee kinderen van 10 jaar tot 18 jaar zijn en de aanschaf noodzakelijk is omdat de computer/laptop/tablet op school moet worden gebruikt.

  • 4.

    De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt maximaal € 500,– voor een computer / laptop met Office pakket

  • 5.

    De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt maximaal € 400,– voor een tablet

Artikel 20 Vervanging duurzame gebruiksgoederen

  • 1.

    Kosten voor vervanging van duurzame gebruiksgoederen komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand, omdat zij behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.

  • 2.

    In afwijking van lid 1 kan belanghebbende in aanmerking komen voor bijzondere bijstand in de vorm van leenbijstand voor de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen wegens vervanging als:

    • het duurzaam gebruiksgoed plotseling kapot is gegaan, en

    • de vervanging van het duurzaam gebruiksgoed niet op een andere manier kan gebeuren, en

    • deze noodzakelijk is voor het functioneren van het huishouden, en

    • belanghebbende geen aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening in de vorm van een lening bij de GKB.

  • 3.

    In afwijking van lid 2 en 3 kan belanghebbende in aanmerking komen voor bijzondere bijstand om niet als belanghebbende drie jaar of langer op bijstandsniveau leeft, voor de aanschaf van de volgende duurzame gebruiksgoederen wegens vervanging: wasmachine, koelkast, kookplaat of gasfornuis, matras.

  • 4.

    Bij de hoogte van de leenbijstand of bijstand om niet, van de in het derde lid genoemde duurzame gebruiksgoederen, wordt maximaal uitgegaan van de normbedragen zoals opgenomen in de prijzengids van het NIBUD.

  • 5.

    Bij de hoogte van de leenbijstand van overige duurzame gebruiksgoederen wordt maximaal uitgegaan van 70% van de normbedragen zoals opgenomen in de prijzengids van het NIBUD.

Artikel 20a Baby-uitzet

  • 1.

    De kosten voor een babyuitzet komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand, omdat zij behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.

  • 2.

    In afwijking van lid 1 kan belanghebbende in aanmerking komen voor bijzondere bijstand in de vorm van leenbijstand voor de aanschaf van een baby-uitzet, als:

    • Belanghebbende niet heeft kunnen reserveren voor de baby-uitzet;

    • belanghebbende geen aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening in de vorm van een lening bij de GKB.

  • 3.

    Bij de hoogte van een baby-uitzet wordt maximaal uitgegaan van het basispakket baby-uitzet zoals aangegeven in de prijzengids van het NIBUD.

Artikel 21 Kosten vloerbedekking, gordijnen, verf en behang bij vervanging of eerste inrichting

  • 1.

    De kosten van vloerbedekking, gordijnen, verf en behang kosten komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand, omdat zij behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.

  • 2.

    In afwijking van lid 1 komen de kosten van vloerbedekking, gordijnen, verf en behang in aanmerking voor bijzondere bijstand om niet als er sprake is van eerste inrichting van een woning in de gevallen zoals aangegeven in artikel 22, lid 2 van deze beleidsregel of onder de voorwaarden zoals aangegeven in artikel 20, lid 2 van deze beleidsregel.

Artikel 22 Kosten eerste inrichting woning of eerste aanschaf duurzaam gebruiksgoed

  • 1.

    De kosten van eerste inrichting van een woning of eerste aanschaf van een duurzaam gebruiksgoed komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand omdat zij behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.

  • 2.

    In afwijking van lid 1 komen de kosten van eerste inrichting van een woning of eerste aanschaf van een duurzaam gebruiksgoed in aanmerking voor bijzondere bijstand in de vorm van leenbijstand in de volgende gevallen:

    • a.

      belanghebbende heeft een verblijfsvergunning gekregen en betrekt voor het eerst een eigen woning;

    • b.

      belanghebbende moet een nieuwe woning inrichten als gevolg van een scheiding;

    • c.

      belanghebbende leeft op straat en krijgt een eigen woning toegewezen.

  • 3.

    Bij de hoogte van de bijzondere bijstand wordt uitgegaan van een kosten overzicht die door belanghebbende wordt overlegd. De maximale vergoeding is 70% van de inventarispakketen zoals aangegeven in de prijzengids van het NIBUD, of lager als de feitelijke kosten lager uitvallen. Als belanghebbende al een gedeeltelijke inboedel heeft , dan wordt 35% van de NIBUD-normbedragen van deze inboedel in mindering gebracht op de te verstrekken leenbijstand. In het individuele geval kan hiervan worden afgeweken, als hiervoor zwaarwegende redenen zijn aan te voeren.

Artikel 23 Eerste huur en waarborgsom

  • 1.

    De kosten van de eerste maand huur en waarborgsom komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand, omdat zij behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.

  • 2.

    In afwijking van lid 1 komen de kosten voor eerste huur en waarborgsom in aanmerking voor bijzondere bijstand indien belanghebbende vanuit een niet verwijtbare inkomens-loze situatie niet heeft kunnen reserveren voor deze kosten. De bijzondere bijstand voor eerste huur is om niet en de bijzondere bijstand voor de waarborgsom is in de vorm van leenbijstand.

  • 3.

    In afwijking van lid 2 komen de kosten voor de eerste maand huur niet in aanmerking voor bijzondere bijstand indien belanghebbende een overbruggingsuitkering heeft ontvangen.

Artikel 23a Vooraf betalen tweede maand huur

Indien belanghebbende meer dan één maand huur vooraf moet betalen komen de kosten voor de tweede maand huur in aanmerking voor bijzondere bijstand in de vorm van leenbijstand.

Artikel 24 Verhuiskosten

  • 1.

    De kosten van verhuizing komen in aanmerking voor bijzondere bijstand voor verhuiskosten als de verhuizing noodzakelijk is in het geval van:

    • a.

      een medische noodzaak;

    • b.

      een echtscheiding;

    • c.

      een verhuizing wegens het nakomen van de verhuisplicht (bij zeer hoge woonlasten) op grond van de Participatiewet.

  • 2.

    Indien belanghebbende verhuist naar een andere gemeente, dan wordt de aanvraag bijzondere bijstand beoordeeld door de gemeente van waaruit belanghebbende vertrekt.

  • 3.

    In geval van verhuizing wegens een echtscheiding moeten eventuele gelden uit de boedelscheiding worden ingezet voor de verhuizing.

  • 4.

    Bij de hoogte van de bijzondere bijstand wordt uitgegaan van de meest goedkope en adequate oplossing, waarbij ook wordt gekeken in hoeverre verhuiswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd door belanghebbende, het gezin, familie en vrienden.

Artikel 25 Woonkosten huurwoning

  • 1.

    Woonkosten van een huurwoning komen in aanmerking voor bijzondere bijstand, indien belanghebbende een huurwoning bewoont, waarvan de hoogte van de huur niet hoger is dan de maximale huurgrens ingevolge artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag, maar hij door omstandigheden buiten zijn schuld nog geen aanspraak kan maken op huurtoeslag. De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan het bedrag aan huurtoeslag op grond van de Wet op de huurtoeslag, die, gelet op zijn financiële situatie, voor de woonkosten per maand ontvangen zou worden, wanneer hierop wel recht zou hebben bestaan;

  • 2.

    Woonkosten van een huurwoning komen in aanmerking voor bijzondere bijstand, indien er aanspraak bestaat op huurtoeslag berekend naar een inkomen dat voor de aanvraag van bijstandsverlening hoger was dan de laagste inkomenscategorie volgens de Wet op de huurtoeslag. De hoogte van de bijzondere bijstand is in dat geval gelijk aan het bedrag dat volgens de berekening van de Wet op de huurtoeslag per maand zou worden toegekend, wanneer hierop wel volledig recht zou bestaan, verminderd met de daadwerkelijk ontvangen huurtoeslag.

Artikel 26 Woonkosten eigen woning tot de maximale huurgrens

  • 1.

    De woonkosten van een eigen woning (waar belanghebbende in woont) komen in aanmerking voor bijzondere bijstand, indien de woonkosten niet hoger zijn dan de maximale huurgrens ingevolge artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan het bedrag aan huurtoeslag op grond van de Wet op de huurtoeslag, die voor overeenkomstige woonkosten van een huurwoning, per maand zou kunnen worden ontvangen.

Artikel 27 Woonkosten (eigen woning of huur) boven de maximale huurgrens

  • 1.

    Woonkosten (eigen woning of huur) komen in aanmerking voor bijzondere bijstand indien de woonkosten hoger zijn dan de maximale huurgrens als bepaald in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag.

  • 2.

    Aan de toekenning van de bijzondere bijstand zoals bedoeld in lid 1 wordt met toepassing van artikel 55 van de wet de verplichting verbonden dat een belanghebbende alles in het werk stelt om een goedkopere woonruimte te verkrijgen;

  • 3.

    De bijzondere bijstand zoals bedoeld in lid 1 wordt toegekend voor de periode van maximaal één jaar. Verlenging van deze termijn is telkens met een periode van één jaar mogelijk, indien belanghebbende redelijkerwijs nog niet kan beschikken over huisvesting waarvan de woonkosten lager zijn dan de maximale huurgrens.

  • 4.

    De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de woonkosten per maand, minus de eigen bijdrage die verschuldigd zou zijn bij een huur gelijk aan de maximum huurgrens.

Artikel 28 Kosten van beschermingsbewind en bewindvoering in het kader van de WSNP

  • 1.

    Kosten van beschermingsbewind komen in aanmerking voor bijzondere bijstand, indien de rechter heeft vastgesteld dat beschermingsbewind noodzakelijk is.

  • 2.

    In afwijking van lid 1 komen kosten van bewindvoering in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) niet in aanmerking voor bijzondere bijstand.

  • 3.

    De hoogte van de bijzondere bijstand zoals bedoeld in lid 1 is gelijk aan het bedrag overeenkomstig de beloningsafspraken van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren (kortweg Regeling beloning)

  • 4.

    In het geval bijzondere bijstand wordt gevraagd voor een hoger bedrag dan de bedragen overeenkomstig de beloningsafspraken van de Regeling beloning, dient om vaststelling en goedkeuring van de toezichthoudende kantonrechter te worden gevraagd, waaruit blijkt dat de rechter deze hogere beloning heeft vastgesteld.

  • 5.

    De kosten van extra werkzaamheden bij beschermingsbewind komen alleen in aanmerking voor bijzondere bijstand indien hiervoor goedkeuring is gegeven door de toezichthoudende kantonrechter.

Artikel 29 Kosten budgetbeheer

  • 1.

    De kosten van budgetbeheer komen in aanmerking voor bijzondere bijstand.

  • 2.

    De hoogte van de te verlenen bijzondere bijstand is gelijk aan de feitelijk gemaakte kosten voor budgetbeheer.

Artikel 30 Kosten van curatele

  • 1.

    De kosten van curatele komen in aanmerking voor bijzondere bijstand, indien de rechter heeft vastgesteld dat curatele noodzakelijk is.

  • 2.

    De hoogte van de te verlenen bijzondere bijstand voor de kosten van curatele, is gelijk aan het bedrag overeenkomstig de beloningsafspraken van de Regeling beloning. In het geval bijzondere bijstand wordt gevraagd voor een hoger bedrag dan de bedragen overeenkomstig de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren (kortweg Regeling beloning), dient om vaststelling en goedkeuring van de toezichthoudende kantonrechter te worden gevraagd, waaruit blijkt dat de rechter deze hogere beloning heeft vastgesteld.

  • 3.

    De kosten van extra werkzaamheden komen alleen in aanmerking voor bijzondere bijstand indien hiervoor goedkeuring is gegeven door de toezichthoudende kantonrechter.

Artikel 31 Kosten van mentorschap

  • 1.

    De kosten van mentorschap komen in aanmerking voor bijzondere bijstand indien de rechter een mentor heeft benoemd.

  • 2.

    De hoogte van de te verlenen bijzondere bijstand voor kosten van mentorschap, is gelijk aan het bedrag overeenkomstig de beloningsafspraken van de Regeling beloning. In het geval bijzondere bijstand wordt gevraagd voor een hoger bedrag dan de bedragen overeenkomstig de beloningsafspraken van de Regeling beloning, dient om vaststelling en goedkeuring van de toezichthoudende kantonrechter te worden gevraagd, waaruit blijkt dat de rechter deze hogere beloning heeft vastgesteld.

  • 3.

    De kosten van extra werkzaamheden komen alleen in aanmerking voor bijzondere bijstand indien hiervoor goedkeuring is gegeven door de toezichthoudende kantonrechter.

Artikel 32 Kosten van rechtsbijstand

  • 1.

    De kosten van rechtsbijstand komen in aanmerking voor bijzondere bijstand indien er op grond van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) een toevoeging rechtsbijstand wordt verleend. Belanghebbende dient de toevoeging van de Raad voor de rechtsbijstand te overleggen. De kosten van rechtsbijstand zijn: de eigen bijdrage rechtsbijstand, de kosten van griffierecht en de kosten van een uittrekstel GBA.

  • 2.

    In afwijking van lid 1 komen de kosten van rechtsbijstand niet in aanmerking voor bijzondere bijstand, indien een beroep kan worden gedaan op een van onderstaande voorliggende voorzieningen:

    • a.

      Wet griffierechten in burgerzaken (Wgbz). Op grond van deze regeling kan worden volstaan met de betaling van een lager griffierecht. Voor zover belanghebbende op deze regeling een beroep kan doen, geldt deze regeling als een voorliggende voorziening en is alleen bijzondere bijstand mogelijk voor de lagere kosten;

    • b.

      Een rechtsbijstandverzekering, voor zover belanghebbende deze heeft afgesloten.

  • 3.

    De volgende kosten komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand:

    • a.

      Vertaalkosten;

    • b.

      Reiskosten voor het bijwonen van rechtszittingen;

    • c.

      De kosten gemaakt in de bezwaarfase (anders dan de eigen bijdrage o.g.v. de Wrb);

    • d.

      Proceskosten van de wederpartij.

  • 4.

    De hoogte van de te verlenen bijzondere bijstand voor de kosten rechtsbijstand is gelijk aan de werkelijk gemaakte kosten betreffende de eigen bijdrage rechtsbijstand, de kosten van griffierecht en uittreksel van het GBA.

Artikel 33 Ouderbijdrage Jeugdwet

  • 1.

    De ouderbijdrage Jeugdwet komt niet in aanmerking voor bijzondere bijstand

  • 2.

    In afwijking van lid 1 komt de ouderbijdrage Jeugdwet eenmalig in aanmerking voor bijzondere bijstand, als:

    • Geen kwijtschelding van de ouderbijdrage kan worden verkregen, en;

    • Het vooraf voldoen van de ouderbijdrage, om aanspraak te kunnen maken op kinderbijslag, problematisch is.

  • 3.

    De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de werkelijk te betalen ouderbijdrage voor het uit huis geplaatste kind.

Artikel 34 Legeskosten voor verblijfsvergunning en naturalisatie

  • 1.

    Legeskosten voor een verblijfsvergunning komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand aangezien deze kosten behoren tot de incidenteel voorkomende algemene noodzakelijke kosten van bestaan.

  • 2.

    In afwijking van lid 1 komen legeskosten voor een verblijfsvergunning in aanmerking voor bijzondere bijstand indien sprake is van omstandigheden waardoor niet gereserveerd kon worden en voor deze kosten geen beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening.

  • 3.

    De hoogte van de bijzondere bijstand voor legeskosten voor een verblijfsvergunning, is gelijk aan de werkelijk te maken (leges)kosten vermindert met de leges kosten van een ID kaart.

  • 4.

    Legeskosten van naturalisatie komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand, aangezien deze kosten niet behoren tot de noodzakelijke kosten van het bestaan.

Artikel 35 Kosten peuterspeelzaal, kinderopvang, BSO en TSO in bijzondere situaties

Vervallen

Artikel 36 Reiskosten

  • 1.

    Reiskosten komen tijdelijk in aanmerking voor bijzondere bijstand in de volgende situaties:

    • a.

      om het ziekenhuis of een andere medische instelling te bezoeken, indien er sprake is van veelvuldig ziekenhuisbezoek voor een noodzakelijke medische behandeling, en er geen reisvergoeding is vanuit de zorgverzekering.

    • b.

      zieken (1e en 2e graad) te bezoeken op hun verpleegadres;

    • c.

      uit huis geplaatste kinderen naar hun opvangadres te brengen en te halen;

    • d.

      uit huis geplaatste kinderen te bezoeken op hun opvangadres;

    • e.

      partner, ouders of kinderen in detentie te bezoeken.

    • f.

      naar een onderwijsinstelling te gaan buiten de gemeente, bij kinderen tot 18 jaar, indien er sprake is van bijzondere omstandigheden.

  • 2.

    De frequentie van de bijstand wordt afgestemd op de situatie.

  • 3.

    De hoogte van de bijstand wordt afgestemd op de goedkoopste vervoermogelijkheid, openbaar vervoer.

  • 4.

    In afwijking van lid 3 kan op (medische) indicatie taxivervoer of eigen vervoer vergoed worden.

  • 5.

    Voor taxivervoer moet een nota overgelegd worden.

  • 6.

    Voor eigen vervoer geldt een vergoeding per gereden kilometer van € 0,19 per kilometer tussen huis en instelling (kortste route).

  • 7.

    De bijzondere bijstand wordt verstrekt voor maximaal twee personen indien het bijzondere bijstand betreft voor de in lid 1 genoemde kosten.

  • 8.

    De bijstand moet aangevraagd worden door:

    • a.

      persoon die behandeling ondergaat of, als deze persoon minderjarig is, de ouder, bij de in lid 1 sub a genoemde kosten;

    • b.

      Verwant in de 1e of 2e graad bij de in lid 1 sub b genoemde kosten;

    • c.

      Ouders bij de in lid 1 sub c genoemden kosten;

    • d.

      Ouders bij de in lid 1 sub d genoemde kosten;

    • e.

      Partner, ouders of kinderen bij de in lid 1 sub e genoemde kosten.

    • f.

      De ouder van het kind, bij de in lid 1 sub f genoemde kosten

Artikel 37 Uitvaartkosten

  • 1.

    Uitvaartkosten komen in aanmerking voor bijzondere bijstand naar rato van het erfrechtelijke deel van belanghebbende, indien deze kosten niet uit de nalatenschap of uit een uitvaartverzekering voldaan kunnen worden.

  • 2.

    De kosten die worden vergoed betreffen kosten voor een sobere begrafenis dan wel crematie.

Hoofdstuk 3 Slotbepalingen

Artikel 38 Inwerkingtreding.

Deze beleidsregels treden in werking op de dag na de dag van bekendmaking en vervangen de beleidsregel bijzondere bijstand 2015 Gemeente Groesbeek. Bijzondere bijstand die is aangevraagd vóór de inwerkingtreding van deze beleidsregels wordt beoordeeld op grond van de voorgaande beleidsregel bijzondere bijstand.

Artikel 39 Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als ‘Beleidsregels bijzondere bijstand 2016’.

 

Aldus besloten door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berg en Dal, op 21 juni 2016.

De secretaris,

De burgemeester,

Toelichting

Aanleiding

Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van de door de Rijksoverheid vastgestelde Participatiewet (voorheen Wet werk en bijstand (WWB)). Dit is het wettelijke kader voor de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand. Specifieker staat in artikel 35 lid 1 Participatiewet:

 

Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voorzover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voorzover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen

 

Het college dient de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de betrokken persoon.

 

Uit oogpunt van een eenduidige en rechtmatige uitvoering van de bijzondere bijstand is het raadzaam om beleidsregels vast te stellen met betrekking tot de beoordeling van aanvragen bijzondere bijstand.

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijving

Lid 2c: Bij het begrip bijstandsnorm zoals gebruikt in deze beleidsregel is ervoor gekozen geen rekening te houden met de kostendelersnorm. De reden hiervoor is dat belanghebbende bijzondere kosten, waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd, vaak niet kan delen.

Artikel 4 Aanleveren bewijsstukken

Welke bewijsstukken aangeleverd moeten worden is afhankelijk van de situatie en voor welke kosten een aanvraag ingediend wordt. Uitgangspunt is dat:

  • 1.

    de hoogte van de kosten aantoonbaar moet zijn (bijvoorbeeld pro forma nota of factuur als de aanvraag achteraf wordt ingediend);

  • 2.

    de hoogte van het inkomen en vermogen aantoonbaar moet zijn.

Artikel 5 Draagkracht

In dit artikel is de draagkracht geregeld. In lid 1 tot en met 7 zijn de algemene bepalingen van de draagkracht opgenomen.

 

In lid 7 is bepaald dat de draagkracht 35% van het meerinkomen is. Het minimum inkomen is 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Het meerinkomen is het inkomen dat boven deze 110% zit.

 

Rekenvoorbeeld meerinkomen en een draagkracht van 35%

 

Belanghebbende heeft een inkomen van € 1.200 per maand en dient een aanvraag periodiek bijzondere bijstand in voor extra stookkosten. Gebleken is dat de kosten noodzakelijk zijn en € 125 per maand bedragen.

 

Stel de van toepassing zijnde bijstandsnorm is € 1.000 per maand. Het minimum inkomen is 110% en in dit voorbeeld € 1.100 per maand. Het meerinkomen is € 100 (€ 1.200 minus € 1.100).

 

De draagkracht van belanghebbende is 35% van dit verschil, te weten € 35 per maand.

 

De kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd is € 125 per maand. Toe te kennen bijzondere bijstand wordt € 90 per maand (€ 125 minus € 35).

 

Wat betreft het vermogen wordt 100% van het vermogen boven de van toepassing zijnde vermogensgrens zoals deze is genoemd in artikel 34 van de Participatiewet meegenomen in de draagkracht berekening.

 

 

Rekenvoorbeeld vermogen en een draagkracht van 100%

 

Belanghebbende heeft een IOAW uitkering en dient een aanvraag periodiek bijzondere bijstand in voor extra stookkosten. Gebleken is dat de kosten noodzakelijk zijn en € 125 per maand bedragen.

 

Stel het vermogen van betrokkene wordt bij de aanvraag vastgesteld op € 7.000. De toegestane vermogensgrens is € 5.920 (alleenstaande en bedragen 2016).

 

De draagkracht van belanghebbende is 100% van het verschil in de vrijlating van het vermogen en het daadwerkelijke vermogen, te weten € 1.180 (€ 7.000 minus € 5.920) per jaar. Omgerekend is dit € 98,33 per maand.

 

De kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd is € 125 per maand. Toe te kennen bijzondere bijstand wordt € 26,67 per maand (€ 125 minus € 98,33).

 

In lid 8 zijn enkele uitzonderingen genoemd. Bij de in dit lid genoemde kosten wordt uitgegaan van een draagkracht van 100% van het inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm.

 

Rekenvoorbeeld inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm en een draagkracht van 100%

 

Belanghebbende heeft een IOAW uitkering en dient een aanvraag periodiek bijzondere bijstand in voor extra stookkosten. Gebleken is dat de kosten noodzakelijk zijn en € 125 per maand bedragen.

 

Stel de van toepassing zijnde bijstandsnorm is € 1.000 per maand. Het inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm is in dit voorbeeld € 200 per maand (€ 1.200 minus € 1.000).

 

De draagkracht van belanghebbende is 100% van dit verschil, te weten € 200 per maand.

 

De kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd is € 225 per maand. Toe te kennen bijzondere bijstand wordt € 25 per maand (€ 225 minus € 200).

 

Lid 9 geeft aan dat een spaarrekening of levensverzekering niet buitensporig hoog mag zijn, maar voldoende om een gangbare uitvaart te kunnen financieren.

 

Lid 10 geeft aan dat tussentijds de draagkracht aangepast kan worden. Indien dit aan de orde is wordt de draagkracht opnieuw voor een periode van 12 maanden vastgesteld. Ook de periodiek bijzondere bijstand wordt opnieuw voor een periode van 12 maanden toegekend (of korter indien de kosten niet meer gemaakt worden).

 

Voorbeeld opnieuw vaststellen van de draagkracht

 

Belanghebbende ontvangt bijzondere bijstand voor de kosten van bewassing. De aanvraag was toegekend voor de periode van 1 maart 2015 tot en met 28 februari 2016. De draagkracht van betrokkene is over deze periode vastgesteld op € 40,00 per maand. Op 15 augustus 2015 blijkt dat belanghebbende per 1 september 2015 een inkomstendaling heeft van 18%. Ingaande deze datum is de draagkracht € 12,00 per maand.

 

De bijzondere bijstand en draagkracht wordt opnieuw vastgesteld en toegekend voor de periode van 1 september 2015 tot en met 31 augustus 2016.

 

lid 11 sub a. Let er op dat een auto of motor van meer dan 7 jaar niet altijd een lage dagwaarde heeft. Bijvoorbeeld een oldtimer of grote Mercedes kan boven de grens van € 4.500 uitkomen.

Artikel 7 Hoogte van de bijzondere bijstand

Het tweede lid regelt dat algemeen gebruikelijke kosten in mindering worden gebracht op de hoogte van de bijzondere bijstand. Dit betekent dat alleen eventuele meerkosten voor bijzondere bijstand in aanmerking komen (het zogenaamde besparingsmotief). Dit is van toepassing op bijvoorbeeld maaltijdenvoorziening, meerkosten voor een medisch noodzakelijk dieet, meerkosten van bewassing en slijtage van kleding en beddengoed.

In lid 3 staat dat is afgezien van het hanteren van een drempelbedrag.

Hoofdstuk 2 Bepalingen ten aanzien van specifieke kosten

Artikel 9 aanvullende bijstand 18,19,20 jarigen niet in inrichting verblijvend

In principe kunnen jongeren van 18, 19 en 20 jaar voor hun algemeen noodzakelijke bestaanskosten een beroep doen op de algemene bijstand. De Participatiewet kent voor jongeren van 18, 19 en 20 jaar aparte (lage) normen. Deze zijn afgeleid van de niveaus van de Algemene Kinderbijslagwet. Dit artikel is dus van toepassing op zowel de alleenstaande, de alleenstaande ouder als de gehuwden.

 

Indien de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan (lees levensonderhoud) van de jongere hoger zijn dan de toepasselijke bijstandsnorm, is aanvulling mogelijk in de vorm van bijzondere bijstand. Daarbij geldt, dat het recht op bijzondere bijstand voor een jongere van 18, 19 en 20 jaar alleen maar bestaat voor zover ze de ouders niet kunnen aanspreken voor deze kosten.

Artikel 10 aanvullende bijstand 18,19,20 jarigen in inrichting verblijvend

Indien een jongere van 18, 19 en 20 jaar in een inrichting verblijft bestaat geen recht op algemene bijstand voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten (lees levensonderhoud). Bijzondere bijstand is in bepaalde gevallen wel mogelijk. Daarbij geldt, dat het recht op bijzondere bijstand voor een jongere van 18, 19 en 20 jaar alleen maar bestaat voor zover ze de ouders niet kunnen aanspreken voor deze kosten.

Artikel 11 Toeslag voormalig alleenstaande ouder

Het bereiken van de 18-jarige leeftijd door het jongste ten laste komende kind heeft voor een alleenstaande ouder financiële gevolgen. De alleenstaande ouder kop van het kind gebonden budget valt weg. Het heeft niet de voorkeur om deze inkomensdaling volledig te compenseren middels de bijzondere bijstand. De ouder zal moeten wennen aan een lager inkomen. Een afbouw en gewenningsperiode is wel sterk aan te raden. Zie hiervoor de bedragen in het tweede lid.

Als het meerderjarige kind het huis verlaat en binnen 3 maanden weer terugkeert, wordt de toeslag weer toegekend. Als het meerderjarige kind langer dan drie maanden uit huis gaat en daarna weer thuis komt wonen, wordt de toeslag niet meer toegekend.

Artikel 12 Medische kosten

In dit artikel is geregeld dat bijzondere bijstand voor medische kosten in principe niet mogelijk is. In lid 2 en 3 wordt de eigen bijdrage genoemd als uitzondering op lid 1. De eigen bijdrage is hier de eigen bijdrage die wordt opgelegd door de zorgverzekeraar of vanuit de Wet Langdurige zorg. Soms wordt deze vergoed vanuit de aanvullende verzekering. Als dat niet het geval is, komt de eigen bijdrage in aanmerking voor bijzondere bijstand.

Met de eigen bijdrage wordt uitdrukkelijk niet bedoeld de kosten die overblijven na vergoeding door de zorgverzekering. Een voorbeeld is tandartskosten die vaak niet volledig worden vergoed door de zorgverzekeraar.

Artikel 13 Fysiotherapie

Opgemerkt wordt dat dit artikel buitenwettelijk begunstigend beleid is. De gemeente ziet deze kosten als noodzakelijk en vindt het nadeel dermate groot voor belanghebbende dat voor deze kosten een uitzondering wordt gemaakt. Hierbij gelden wel de beperkingen die worden genoemd in het artikel.

Artikel 15 Meerkosten als gevolg van ziekte of handicap

In dit artikel wordt met meerkosten bedoeld: de extra noodzakelijke kosten van bestaan die iemand maakt omdat hij een ziekte of handicap heeft, en die gezonde mensen niet maken.

Dat zijn de kosten die in het artikel staan, zoals extra bewassingskosten, extra kleding kosten, extra stookkosten, extra kosten voor eten. Het gaat hier niet om medische kosten voor medicijnen, ziekenhuisbezoek of hulpmiddelen.

Artikel 16 Meerkosten bestelde maaltijden

lid 1. Als de noodzaak onvoldoende kan worden aangetoond, kan een medisch advies worden opgevraagd of een advies van het sociaal team.

lid 2. Voorbeeld: een alleenstaande man van 85 vraagt bijzondere bijstand voor bestelde maaltijden. De maximale vergoeding per dag is dan 1,5 * (het bedrag dat staat in tabel 23 bij warme maaltijd voor man of vrouw 65+, plus de toeslag van 10% wegens eenpersoonshuishouden). Deze toeslag wordt er ook bij gedaan als het niet gaat om een eenpersoonshuishouden. In 2016 is de maximale vergoeding per dag:

1,5 * (2,00 (prijs warme maaltijd)+ 10 %) = 1,5 * 2,2 = € 3,30

Artikel 16a Kosten personenalarmering

Lid 1. De zorgverzekeraar vergoedt een deel van de kosten, als de zorgverzekeraar de personenalarmering noodzakelijk acht. Daarom moet eerst een aanvraag worden gedaan bij de zorgverzekeraar. Als de zorgverzekeraar de alarmering niet noodzakelijk vindt, en de aanvrager vindt het wel noodzakelijk, dan moet een medische advies worden opgevraagd, of moet het sociaal team de noodzaak beoordelen.

Artikel 18 Gemeente zorgverzekering

Op grond van artikel 35 lid 3 van de Participatiewet en dit artikel 18 van deze beleidsregel kan belanghebbende gebruik maken van de collectieve verzekering. Lid 1 geeft de voorwaarde van het inkomen en vermogen aan. De gemeente heeft een contract met VGZ en CZ. Voor belanghebbende is een keuze vrijheid omtrent een van deze verzekeringen. De vermogenstoets wijkt af van de algemene vermogenstoets in artikel 5. De reden hiervoor is om de toegang te vergroten voor chronisch zieken en gehandicapten.

 

Lid 2. Vanaf 1 januari 2015 zijn er meerdere pakketten waaruit de klant kan kiezen, met bijbehorend bedrag aan bijzondere bijstand.

Sub c: in 2016 kunnen mensen niet kiezen voor dit pakket.

Artikel 19 Computer/tablet schoolgaande kinderen.

In dit artikel wordt uitdrukkelijk aangegeven dat het onwenselijk is dat meer dan twee computers / laptops / tablets binnen een huishouden zijn. Echter het kan voorkomen dat er meer dan twee schoolgaande kinderen zijn en de laptop of tablet dagelijks mee naar school genomen moet worden. In dergelijke situaties moet het huishouden aantonen dat dit aan de orde is en kan overwogen worden om ook een derde of volgend apparaat toe te kennen. Overigens ook bij de eerste twee moet deze noodzaak aangetoond worden. Echter bij de derde en volgende speelt meer dat kinderen bijvoorbeeld ook samen gebruik kunnen maken van het apparaat. Enkel de noodzaak voor het maken van verslagen thuis is dan niet meer voldoende.

 

Indien belanghebbende kiest voor een tablet dient deze er uitdrukkelijk op gewezen te worden dat een tablet beperkte mogelijkheden heeft in vergelijking met een laptop. Uiteindelijk is het de keus aan belanghebbende.

Artikel 20 Vervanging duurzame gebruiksgoederen

Lid 2: De noodzaak van de vervanging van het gebruiksgoed moet voldoende zijn aangetoond. Het ontbreken van een gebruiksgoed in een huishouden betekent niet per definitie dat de aanschaf noodzakelijk is. Het hangt af van de situatie per persoon of gezin. Gebruiksgoederen als een televisie, computer, geluidsapparatuur en andere luxe apparaten worden als niet noodzakelijk aangemerkt in het kader van de bijzondere bijstand. Daarnaast wordt ervan uitgegaan dat reeds is nagegaan of gebruik kan worden gemaakt van een voorliggende voorziening in de vorm van een lening bij een gemeentelijke kredietbank. Hierbij wordt opgemerkt dat als de gemeente op voorhand weet dat de lening bij de gemeentelijke kredietbank afgewezen zal worden (bijvoorbeeld door een schulden situatie) wij mensen niet onnodig gaan verwijzen.

 

Lid 5: Indien belanghebbende aangeeft toe te kunnen met een lager bedrag dan aangegeven door het NIBUD, moet de hoogte van de leenbijstand daarop worden vastgesteld. Dit is ook in het voordeel van de klant, die daarmee een lagere lening aangaat.

Artikel 22 Kosten eerste inrichting of eerste aanschaf duurzaam gebruiksgoed.

Lid 2: In dit lid staan de drie uitzonderingen waarbij bijzondere bijstand mogelijk is voor de kosten van eerste inrichting. Dit betekent dat de kosten van inrichting van een eerste woning na het verlaten van het ouderlijk huis uitdrukkelijk niet in aanmerking komen voor bijzondere bijstand.

 

Lid 3: Bij de hoogte van de leenbijstand wordt uitgegaan van maximaal 70% van de inventarispakket van het NIBUD, omdat kan worden aangenomen dat niet alle producten die worden aangegeven in de inventarispakket in dezelfde mate en voor dezelfde prijs nodig zijn. Belanghebbende gaat hierdoor ook een minder hoge schuld aan. Ook moet rekening worden gehouden met wat een klant al heeft.

 

Het inventarispakket is inclusief een bedrag voor stoffering van de woning. Bij de toekenning dient dan ook een deel in de vorm van leenbijstand verstrekt te worden en een deel om niet omdat dit stoffering betreft (zie artikel 21).

Artikel 23 Eerste huur en waarborgsom

Lid 2: de bijstand wordt om niet verstrekt met uitzondering van de waarborgsom. Deze kosten kan belanghebbende namelijk terug krijgen bij het verlaten van de woning.

Artikel 25 Woonkosten huurwoning

Zoals aangegeven in het eerste lid is de Wet op de huurtoeslag (WHT) aan te merken als een voorliggende voorziening. De bijzondere bijstand vult als het ware de gaten in, die de huurtoeslag (op grond van de Wet op de huurtoeslag), laat vallen. Hiermee wordt uitdrukkelijk niet bedoeld de situatie dat geen huurtoeslag wordt ontvangen door nalatigheid / verwijtbaarheid van een belanghebbende.

 

In het geval de huur pas halverwege de maand ingaat, bestaat er over die maand nog geen recht op huurtoeslag. Voor het gemis aan huurtoeslag over de periode waarin een belanghebbende wel al huurt, maar nog geen recht heeft op huurtoeslag, kan bijzondere bijstand toegekend worden tot de datum met ingang van wanneer er wel recht bestaat.

Bepaalde groepen huurders die uitdrukkelijk buiten de werkingssfeer van de WHT zijn gelaten, bijvoorbeeld huurders van een kamer, hebben ook geen recht op bijzondere bijstand.

 

Lid 2 geeft aan dat de Belastingdienst Toeslagen de hoogte van het maandelijkse voorschot afstemt op een schatting van het jaarinkomen en niet rekent met het actuele inkomen per maand. Indien een wijziging in het inkomen die bij de Belastingdienst wordt doorgegeven, herberekent de Belastingdienst het jaarinkomen en wordt de hoogte van het voorschot aangepast. Bij een inkomensdaling – en een ongewijzigde huurprijs – kan op grond van deze bepaling bijzondere bijstand worden toegekend voor woonkosten. De hoogte is dan gelijk aan het bedrag dat volgens de berekening van de WHT zou worden toegekend, wanneer hierop wel volledig recht zou bestaan, verminderd met de daadwerkelijk ontvangen huurtoeslag.

Artikel 26 Woonkosten eigen woning tot de maximale huurgrens

Hypotheekrenteaftrek is een aftrekpost voor een eigenaar van een eigen huis die hypotheekrente betaald. In het geval belanghebbende bij de Belastingdienst om een voorlopige teruggaaf heeft verzocht, ontvangt deze maandelijks de uitbetalingen van de Belastingdienst. Deze voorlopige teruggaaf wordt, voor de berekening van de woonkosten, op de te betalen woonkosten (hypotheekrente – eigenwoningforfait) in mindering gebracht.

 

Het kan ook zijn dat belanghebbende deze voorlopige teruggave niet heeft aangevraagd en dit bedrag bij de Belastingaangifte in eens terug krijgt. In deze gevallen wordt de bijzondere bijstand verstrekt met de verplichting de voorlopige teruggave aan te vragen. Na overlegging van de voorlopige teruggave wordt de bijzondere bijstand definitief berekend en een deel teruggevorderd.

 

Voor de berekening van de bijzondere bijstand wordt verwezen naar Schulinck. Hier is een berekeningsformulier aanwezig dat ingevuld kan worden.

Artikel 27 Woonkosten (eigen woning of huur) boven de maximale huurgrens

In lid 1 is aangegeven dat indien de woonkosten hoger zijn dan de maximale huurgrens zoals aangegeven in de Wet op de huurtoeslag (artikel 13) in individuele omstandigheden bijzondere bijstand toegekend kan worden.

 

Lid 2: Tegelijkertijd met de toekenning wordt de verplichting opgelegd tot aanvaarding van een goedkopere woonruimte, waarvan de lasten minder bedragen dan de maximale huurgrens. Let op de mogelijkheden van het aanvragen van een urgentieverklaring.

 

In het geval de woning een eigen woning betreft, geldt dat de woning zo spoedig mogelijk te koop wordt aangeboden, tenzij zwaarwegende belangen zich daartegen verzetten. Het opleggen van deze verplichting dient expliciet te gebeuren in de beschikking waarin de bijzondere bijstand wordt toegekend. Van zwaarwegende belangen die zich verzetten tegen het zo spoedig mogelijk te koop aanbieden van de eigen woning kan bijvoorbeeld sprake zijn bij personen met een beperking, als de hoge kosten veroorzaakt wordt door voorzieningen die in de woning aangebracht zijn vanwege de beperking.

 

Lid 3 stelt dat de bijzondere bijstand toegekend wordt voor de periode van maximaal 1 jaar. De periode waarover de woonkostentoeslag is toegekend kan na afloop met een periode van telkens met één jaar worden verlengd, indien het feit dat de belanghebbende nog niet over goedkopere woonruimte beschikt, hem niet te verwijten valt.

 

In lid 4 is aangegeven dat de bijzondere bijstand gelijk is aan de woonkosten per maand minus de maximale huurtoeslag waar recht op zou zijn als het een huurwoning zou betreffen.

Artikel 28 Kosten van beschermingsbewind en bewindvoering in het kader van de WSNP

Lid 1: Beschermingsbewind is een maatregel, die kan worden ingesteld door de kantonrechter, waarbij goederen van betrokkene geheel of gedeeltelijk onder bewind worden gesteld van een bewindvoerder. Beschermingsbewind is bedoeld voor mensen die door hun lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of blijvend niet in staat zijn om hun financiële belangen te behartigen. De wettelijke bepalingen inzake het zogenaamde beschermingsbewind zijn opgenomen in artikel 1:431 BW e.v.

 

Zoals aangegeven in lid 1 bestaat er recht op bijzondere bijstand voor de kosten van beschermingsbewind, indien de goederen van een meerderjarige door de Kantonrechter onder bewind zijn gesteld en de kosten van bewindvoering door de Kantonrechter afwijkend van de hoofdregel zijn vastgesteld.

 

De hoofdregel zegt dat de kosten 5% van de netto opbrengst van de onder bewind staande goederen beslaat. In de praktijk wordt door kantonrechters en bewindvoerders de 5%-regel als ‘achterhaald’ beschouwd. Indien de Kantonrechter de beloning van bewindvoerder afwijkend van de hoofdregel vaststelt, betreft dit over het algemeen een eenmalige vergoeding voor de intake en maandelijkse vergoeding voor de kosten. Hiervoor hanteert de Kantonrechter in beginsel de zogeheten REGELING BELONING tarieven. In dat geval is sprake van bijzondere kosten van bestaan waarvoor bijzondere bijstand mogelijk is.

 

Bij een aanvraag voor bijzondere bijstand moet het vonnis van de Kantonrechter als bewijsstuk overlegd worden. De vergoeding wordt pas uitbetaald als de bewindvoerder heeft aangetoond, dat hij daadwerkelijk kosten heeft gemaakt.

 

Als blijkt dat er meer werkzaamheden moeten worden verricht door de bewindvoerder, dan zal de bewindvoerder vooraf aan de Kantonrechter toestemming moeten vragen om extra uren in rekening te mogen brengen. Het kan dan gaan om activiteiten zoals deze staan in de lijst van niet tot de normale werkzaamheden behorende activiteiten van de bewindvoerder, bijvoorbeeld het regelen van zeer problematische schulden. Wanneer om die reden bijzondere bijstand wordt gevraagd voor een hoger bedrag dan de hierboven genoemde bedragen, dan zal om vaststelling en goedkeuring van de toezichthoudende kantonrechter moeten worden gevraagd waaruit blijkt dat de rechter deze hogere beloning heeft vastgesteld. In dat geval komen de kosten in verband met deze extra werkzaamheden in aanmerking voor bijzondere bijstand.

 

Lid 2: De WSNP (Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen) is een wet die de rechter gebruikt om schulden te saneren. Dit kan pas worden ingesteld als blijkt dat er geen regeling kan worden getroffen met schuldeisers. De WSNPis bedoeld voor degenen die buiten hun schuld (te goeder trouw) in een problematische schuldsituatie terecht zijn gekomen. Indien een belanghebbende in een schuldsaneringstraject wordt geplaatst onder de WSNP is hij salaris voor de bewindvoerder verschuldigd. Dit salaris moet met voorrang worden betaald uit de boedel. Voor zover het salaris van WSNP-bewindvoerder uit de boedel kan worden betaald, is in deze kosten voorzien en is er om die reden in beginsel geen aanleiding om bijzondere bijstand te verlenen voor deze kosten (lid 2).

 

De CRvB heeft bepaald dat indien de rechter het salaris van de WSNP-bewindvoerder hoger heeft vastgesteld dan het bedrag dat uit de boedel kan worden betaald, de WSNP-bewindvoerder het gedeelte van zijn salaris dat niet uit de boedel kan worden betaald, niet bij belanghebbende in rekening mag brengen. Om die reden is er geen aanleiding om bijzondere bijstand te verlenen voor de kosten bij bewindvoering in het kader van de WSNP, voor zover dat niet uit de boedel kan worden betaald.

 

Lid 3 bepaald dat de hoogte van de bijzondere bijstand conform de REGELING BELONING richtlijnen vastgesteld moet worden. Indien hiervan afgeweken wordt is een goedkeuring van de toezichthoudende kantonrechter noodzakelijk. Voor de beloningsafspraken van het REGELING BELONING wordt verwezen naar het handboek Schulinck: ‘Aanbevelingen meerderjarigenbewind’.

 

Lid 4 Voor de extra werkzaamheden die in rekening gebracht worden is bijzondere bijstand mogelijk. Voorwaarde is wel dat de rechter toestemming heeft gegeven voor deze werkzaamheden.

Artikel 29 Kosten budgetbeheer

Lid 1: Als in een schuldhulpverleningstraject bij PLANgroep budgetbeheer ingezet wordt, dan wordt het budgetbeheer vergoed uit het budget schuldhulpverlening. Als belanghebbende niet in een traject schuldhulpverlening zit, loopt de vergoeding via de bijzondere bijstand (als er een noodzaak is).

Artikel 30 Kosten van curatele

Een meerderjarige kan onder curatele worden gesteld, indien hij wegens een geestelijke stoornis, al dan niet met tussenpozen, niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen behoorlijk waar te nemen. Bij het bepalen van het recht op bijzondere bijstand voor de kosten van curatele, zijn de regels en toelichting van artikel 28 van deze beleidsregel overeenkomstige van toepassing.

Artikel 31 Kosten van mentorschap

Lid 1: Mentorschap is bedoeld voor mensen die hun persoonlijke belangen (belangen van niet-vermogensrechtelijke aard) niet meer kunnen behartigen. Indien de rechter een mentor heeft benoemd, bestaat er recht op bijzondere bijstand voor kosten van mentorschap.

Lid 2: In het geval de rechter geen beloning heeft vastgesteld, dan is belanghebbende de mentor geen beloning verschuldigd en is er in dat opzicht dus geen sprake van noodzakelijke kosten.

Artikel 32 Kosten van rechtsbijstand

Lid 1: Een toevoeging (van een advocaat) vindt slechts plaats als de Raad voor de Rechtsbijstand de rechtsprocedure noodzakelijk acht. Indien de Raad voor de Rechtsbijstand de rechtsprocedure noodzakelijk acht, dan vergoedt de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) de kosten van een op grond van deze wet toegevoegde advocaat. Indien een belanghebbende gebruik maakt van een advocaat, is een eigen bijdrage verschuldigd en soms komen daar ook nog andere kosten bij zoals griffierecht en uittreksel GBA.

De hoogte van de eigen bijdrage die wordt opgelegd is afhankelijk van het inkomen en vermogen van belanghebbende. Uit vaste jurisprudentie van de CRvB volgt dat de noodzaak voor het verlenen van rechtsbijstand en het maken van kosten van griffierecht in beginsel kan worden aangenomen, indien er op grond van de Wrb een advocaat is toegevoegd.

 

Lid 2 Er bestaat geen (volledig) recht op bijzondere bijstand indien een beroep gedaan kan worden op een voorliggende voorziening, Wet griffierechten in burgerzaken en een rechtsbijstandsverzekering.

Lid 3: De volgende kosten komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand:

  • a.

    Vertaalkosten: advocaten kunnen namelijk kosteloos gebruik maken van een gesubsidieerd tolkencentrum;

  • b.

    Reiskosten voor het bijwonen van rechtszittingen: in beginsel is het niet noodzakelijk dat belanghebbende in persoon aanwezig is op de rechtszitting, zodat reiskosten ten behoeve van belanghebbende niet noodzakelijk zijn;

  • c.

    Kosten gemaakt in de bezwaarfase (anders dan de eigen bijdrage op grond van Wrb).

  • d.

    Proceskosten van de wederpartij.

Lid 4: Opgemerkt wordt dat indien belanghebbende zich eerst meldt bij het juridisch loket, belanghebbende een korting van € 53 krijgt. Wij mogen dit niet zien als voorliggende voorziening. Wel mogen we de bijzondere bijstand afstemmen, wat betekent dat de bijzondere bijstand wordt verminderd met € 53. De afstemmingsverordening moet hier dan wel in voorzien. Ten tijde van het schrijven van deze beleidsregel voorziet de afstemmingsverordening hier nog niet in en kan belanghebbende enkel gewezen worden op deze mogelijkheid.

Artikel 34 Legeskosten voor verblijfsvergunning en naturalisatie

Hoofdregel is, zoals aangegeven in lid 1, dat legeskosten voor een eerste aanvraag van een verblijfsvergunning of voor de verlenging van een verblijfsvergunning behoren tot de incidenteel voorkomende algemene noodzakelijke kosten van bestaan. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB dient belanghebbende deze kosten in beginsel te voldoen uit de bijstandsnorm, hetzij door middel van reservering dan wel gespreide betaling. Indien er sprake is van een kredietmogelijkheid, zoals bijvoorbeeld bij een gemeentelijke kredietbank, dan moet deze mogelijkheid op grond van jurisprudentie als voorliggende voorziening worden beschouwd (zie CRvB 22-05-2007, nr. 06/4109 WWB).

Lid 2 bepaalt dat bij afwezigheid van de mogelijkheid om voor de legeskosten voor een verblijfsvergunning te reserveren en er geen mogelijkheid is om voor deze kosten een lening af te sluiten, het mogelijk is om bijzondere bijstand te verlenen (zie CRvB 24-01-2006, nr. 04/6902 NABW). Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan verlening van verblijfsvergunningen van een groot gezin of een verlenging vlak na het verlaten van een asielzoekerscentrum. Indien het ontbreken van reserveringsruimte verband houdt met schulden, dan is bijzondere bijstand niet mogelijk (zie CRvB 26-10-2010, nrs. 09/2436 WWB e.a.).

Lid 3: De kosten van een ID kaart worden in mindering gebracht op de kosten. Deze kosten zijn namelijk algemene kosten die iedereen heeft.

lid 4: de legeskosten die zijn verbonden aan naturalisatie behoren niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan. Aangezien een (legale) vreemdeling ten aanzien van zijn recht op inkomensvoorziening dezelfde rechten en plichten heeft als een Nederlander, is het om die reden voor een vreemdeling niet noodzakelijk om zich te laten naturaliseren. Een belanghebbende kan zich legitimeren met een verblijfsdocument waarover hij beschikt en heeft hiervoor niet perse een Nederlands paspoort nodig. In dat opzicht is er eveneens geen sprake van een noodzaak tot naturalisatie (zie CRvB 23-08-2011, nr. 09/5008 WWB).

Artikel 36 Reiskosten

Lid 1: In het eerste lid wordt gesproken van het tijdelijk verstrekken van bijzondere bijstand voor reiskosten Hiermee wordt bedoelt dat als bijvoorbeeld de uithuisplaatsing van het kind permanent is, denk hierbij aan verstandelijk gehandicapte kinderen, bijzondere bijstand in beginsel niet mogelijk is. Een dergelijke situatie is namelijk vergelijkbaar met een kind dat zelfstandig gaat wonen. Voor het bezoeken van deze kinderen is ook geen bijzondere bijstand mogelijk, dit zijn reguliere kosten.

Lid 2: In het tweede lid wordt gesproken over de frequentie en dat deze passend moet zijn bij de situatie. Hiermee wordt bedoelt dat als een kind in het ziekenhuis ligt het begrijpelijk is dat de ouder hier dagelijks op bezoek komt. Echter indien een kind in detentie zit is bijvoorbeeld een bezoek van eens per twee weken passend bij de situatie. In bepaalde situaties kan het zijn dat bijvoorbeeld een externe organisatie aangeeft wat passend is, denk bijvoorbeeld aan uithuisplaatsingen (lid 1 sub c), hier zal jeugdzorg een rol spelen. Per situatie moet dus bekeken worden wat redelijk is (individualiseren).

Artikel 37 Uitvaartkosten

Het tweede lid geeft aan dat uitgegaan moet worden van een sobere crematie of begrafenis. Kosten die in aanmerking kunnen komen voor bijzondere bijstand zijn hieronder aangegeven.

  • a.

    Uittrekstel overlijdensregister en wettelijke registratie

  • b.

    Vervoer naar het rouwcentrum

  • c.

    Rouwcentrum

  • d.

    Verzorging

  • e.

    Hygiënische benodigdheden

  • f.

    Kist (normale prijs)

  • g.

    Rouwauto

  • h.

    Uitvaartdienst

  • i.

    Medewerker uitvaart

  • j.

    Begraafplaats en grafzerk / crematorium

  • k.

    Verzorging ondernemer

Kosten die uitdrukkelijk niet in aanmerking komen zijn kosten als volgauto’s, drukwerk en consumpties.