Beleidsregels Gehandicaptenparkeerkaarten en gehandicaptenparkeerplaatsen 2016 gemeente Súdwest-Fryslân

HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN SÚDWEST-FRYSLÂN

HEEFT BESLOTEN:

gezien de Regeling Gehandicaptenparkeerkaart, die gebaseerd is op de Wegenverkeerswet 1994 (artikel 13, tweede lid en artikel 18 lid 1), het Besluit administratieve bepalingen (artikel 12 en 49 tot en met 55) en het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (artikel 85, 86 en 86);

gelet op het bepaalde in titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht;

“Beleidsregels Gehandicaptenparkeerkaarten en Gehandicaptenparkeerplaatsen 2016” met ingang van 1 april 2016 vast te stellen, welke in acht dienen te worden genomen bij het beoordelen van aanvragen voor gehandicaptenparkeerkaarten en gehandicaptenparkeerplaatsen.

1. Inleiding

1.1. Aanleiding

De gemeente Súdwest-Fryslân ontvangt regelmatig aanvragen voor gehandicaptenparkeerkaarten en het realiseren van een (gereserveerde) gehandicaptenparkeerplaats. In 2015 waren dat 315 Gehandicaptenparkeerkaartaanvragen en 6 Gehandicaptenparkeerplaatsaanvragen.

Er is in de wetgeving geregeld dat gemeenten aan gehandicapten een gereserveerde parkeerplaats kunnen toekennen, maar er is geen inhoudelijke invulling gegeven aan criteria om de aanvragen te beoordelen. In de gemeente Súdwest-Fryslân kan de aanvraag voor een gehandicaptenparkeerplaats tot dusver niet getoetst worden aan beleidsregels in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Wel worden momenteel de aanvragen getoetst aan een bestendige bestuurspraktijk.

1.2. Visie

De gemeente Súdwest-Fryslân wil gehandicapten de mogelijkheid bieden deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer. Vaak zijn zij daarvoor afhankelijk van de auto. Andere vervoermiddelen, zoals de fiets, het openbaar vervoer en “de benenwagen” zijn voor mensen met een beperking immers niet altijd een alternatief. Ons gehandicaptenparkeerbeleid is dan ook gericht op het bieden van parkeerfaciliteiten aan gehandicapten.

Wij willen de beschikbare parkeerruimte zo optimaal mogelijk verdelen tussen alle verschillende doelgroepen. Daarbij maken wij uiteraard afwegingen over het nut en de noodzaak om een bepaalde doelgroep de mogelijkheid te bieden ergens te parkeren.

Leeswijzer

In bijlage 1 treft u de begripsomschrijvingen aan. Hoofdstuk 2 is gewijd aan het proces rond de gehandicaptenparkeerkaart (GPK) en hoofdstuk 3 beschrijft het proces rond de gehandicaptenparkeerplaats (GPP). Hoofdstuk 4 bevat de slotbepalingen.

2. Gehandicaptenparkeerkaart

2.1 Inleiding

De wettelijke regels over het verstrekken en het gebruik van de gehandicaptenparkeerkaart zijn opgenomen in:

  • -

    de artikelen 49 tot en met 55 van het Besluit Administratieve Bepalingen inzake hetWegverkeer (hierna: het BABW),

  • -

    de artikelen 85 en 86 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) en

  • -

    de Ministeriële Regeling Gehandicaptenparkeerkaart d.d. 2 juli 2001 (hierna: Regeling Gehandicaptenparkeerkaart).

 

Er zijn vier verschillende type kaarten:

  • -

    bestuurderskaart voor degene die zelf autorijdt;

  • -

    passagierskaart voor degene die vervoerd moet worden;

  • -

    combinatiekaart bestuurder/passagier;

  • -

    kaart voor instellingen die intramurale zorg leveren.

 

2.2 Gehandicaptenparkeerkaart voor bestuurders of combikaart bestuurder/passagier

Bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen komen in aanmerking voor een gehandicaptenparkeerkaart als zij:

  • 1.

    in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven staan;

  • 2.

    in het bezit zijn van een geldig rijbewijs voor een personenauto of brommobiel;

  • 3.

    ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking van langdurige aard (tenminste 6 maanden) hebben, waardoor zij met de gebruikelijke loophulpmiddelen in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan één stuk te voet te overbruggen;

  • 4.

    en/of permanent rolstoelgebonden zijn;

  • 5.

    en/of ten gevolge van een aandoening of gebrek aantoonbare ernstige beperkingen, anders dan loopbeperkingen, hebben.

Een medisch advies moet duidelijk maken of een aanvrager aan een of meer criteria (3 tot met 5) voldoet. Dit geneeskundige onderzoek wordt verricht door een bevoegde en onafhankelijke keuringsinstantie. De gemeente verstrekt een gehandicaptenparkeerkaart voor bestuurders of een combikaart voor bestuurder/passagier als de aanvrager voldoet aan criterium 1 én 2 en criterium 3 en/of 4 en/of 5.

Het is niet vereist dat aanvragers van een gehandicaptenparkeerkaart voor bestuurders of een combikaart voor bestuurder/passagier ook beschikken over een eigen motorvoertuig op meer dan twee wielen of een brommobiel. Zij kunnen immers ook gebruik maken van bijvoorbeeld een huurauto, leenauto of deelauto.

 

2.3 Gehandicaptenparkeerkaart voor passagiers

Passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen komen in aanmerking voor een gehandicaptenparkeerkaart als zij:

  • 1.

    in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven staan;

  • 2.

    voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk zijn van de hulp van de bestuurder;

  • 3.

    ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking van langdurige aard (tenminste 6 maanden) hebben, waardoor zij met de gebruikelijke loophulpmiddelen in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan één stuk te voet te overbruggen;

  • 4.

    en/of permanent rolstoelgebonden zijn;

  • 5.

    en/of ten gevolge van een aandoening of gebrek aantoonbare ernstige beperkingen, anders dan loopbeperkingen, hebben.

Een medisch advies moet duidelijk maken of een aanvrager aan een of meer criteria (2 tot en met 5) voldoet. Een gehandicaptenparkeerkaart voor passagiers kan worden verstrekt als de aanvrager voldoet aan criterium 1 én 2 en criterium 3 en/of 4 en/of 5.

 

2.4 Gehandicaptenparkeerkaart voor instellingen

Voor het al dan niet collectief vervoer van gehandicapten die in instellingen verblijven die intramurale zorg bieden kan een GPK verstrekt worden aan instellingen. Dergelijke instellingen hebben vaak de beschikking over een of meer voertuigen waarmee bewoners worden vervoerd. Met een GPK voor instellingen is het niet meer noodzakelijk om voor iedere bewoner afzonderlijk een GPK aan te vragen (artikel 49, tweede lid BABW).

Aangezien de bewoners van dergelijke instellingen over het algemeen voldoen aan de gestelde criteria, kan deze kaart zonder tussenkomst van een keurende instantie worden afgegeven.

Op de GPK wordt aangegeven dat het een kaart voor een instelling betreft. De kaart kan ook worden gebruikt wanneer bewoners met een personenauto worden vervoerd.

Instellingen waar gehandicapten verblijven, komen voor het vervoer van bewoners in aanmerking voor een gehandicaptenparkeerkaart als deze bewoners:

  • 1.

    ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking van langdurige aard (tenminste 6 maanden) hebben, waardoor zij met de gebruikelijke loophulpmiddelen in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan één stuk te voet te overbruggen en voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk zijn van de hulp van de bestuurder;

  • 2.

    en/of permanent rolstoelgebonden zijn;

  • 3.

    en/of ten gevolge van een aandoening of gebrek aantoonbare ernstige beperkingen, anders dan loopbeperkingen, hebben.

De gemeente verstrekt een gehandicaptenparkeerkaart voor instellingen als een of meer bewoners van een instelling voldoen aan criterium 1 én criterium 2 en/of 3. Het gaat hierbij nadrukkelijk om instellingen die intramurale zorg verlenen. Dit zijn bijvoorbeeld instellingen voor gehandicapten en verzorgingshuizen, waar de cliënten dag en nacht verblijven.

Taxibedrijven, busbedrijven, vrijwilligers, Rode Kruis en dergelijke vallen hier niet onder.

Zij kunnen wel gebruik maken van de gehandicaptenparkeerkaart van de instelling waarvoor zij vervoeren of van de gehandicaptenparkeerkaart van de passagier (niet zijnde een bestuurderskaart) die zij vervoeren.

Bij de aanvraag voor een gehandicaptenparkeerkaart dient de betreffende instelling te onderbouwen over hoeveel kaarten de instelling wenst te beschikken. Omdat de gehandicaptenparkeerkaart voor instellingen ook gebruikt mag worden voor individueel vervoer, kunnen dat meer kaarten zijn dan het aantal voertuigen dat de instelling tot haar beschikking heeft voor collectief vervoer. De gemeente verstrekt maximaal 1 kaart per 25 bewoners.

 

2.5 Geneeskundigonderzoek

Een GPK wordt niet afgegeven alvorens een geneeskundig onder­zoek met betrekking tot de handicap van de aanvrager heeft plaatsgevonden. Het geneeskundig onderzoek wordt, indien nodig, verricht door een onafhankelijke keuringsinstantie, op basis van een medisch protocol. Bij het onderzoek wordt rekening gehouden met de gebruikelijke loophulpmiddelen en vervoersvoorzieningen welke de aanvrager ter beschikking heeft.

Het medische advies kan tevens worden gebruikt voor aanvragen in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) gericht op vervoersvoorzieningen en rolstoelen. En er kan worden afgezien van het vragen van een medisch advies als het afhandelend team al over de benodigde medische gegevens beschikt.

 

2.6 Aanvraagprocedure

Personen die in aanmerking willen komen voor een GPK dienen een ingevuld en ondertekend 'Aanvraagformulier Gehandicaptenparkeerkaart (GPK)'  in te dienen bij de gemeente.

De aanvraag dient vergezeld te gaan van twee recente identieke pasfoto's.

De gemeente gebruikt dit formulier tevens om medisch advies te vragen (indien nodig).

Als een bestuurderskaart wordt aangevraagd, moet tevens het kenteken van de auto of brommobiel worden vermeld, tenzij de aanvrager niet beschikt over een eigen auto of brommobiel. Dit is om (digitale) controle mogelijk te maken door de parkeerwacht. De parkeerwacht scant het kenteken van het voertuig en controleert of deze correspondeert met de gegevens in de database.

Per persoon wordt slechts één GPK verstrekt. De GPK is een persoons­gebonden recht dat niet overgaat op de rechtsopvolgers onder algemene of bijzondere titel.

Bij nieuwe (eerste) aanvragen voor een GPK is altijd een geneeskundig onderzoek verplicht, tenzij de afdeling Wmo al over voldoende medische gegevens beschikt. Bij verlengingen van een GPK is niet altijd een nieuw geneeskundig onderzoek noodzakelijk.

De houder van de GPK dient zelf voor een tijdige aanvraag van een nieuwe kaart zorg te dragen.

 

2.7 Model van de gehandicaptenparkeerkaart

De GPK dient aan de voorzijde te worden voorzien van een vervaldatum en de naam van de instantie die de kaart heeft afgegeven. De GPK wordt voorzien van het type kaart: Bestuurderskaart, Passagierskaart, Bestuurder/passagierskaart of Instellingenkaart. Aan de voorzijde wordt vermeld “deze kant boven”. Dit is bedoeld om correct gebruik van de kaart te kunnen controleren.

Aan de achterzijde moet de kaart worden voorzien van naam, voornaam, handtekening en pasfoto van de gebruiker.

Indien de kaart wordt verstrekt aan een instelling wordt geen pasfoto op de kaart aang­ebracht.

Bij >Naam = moet in dat geval de naam van de directeur van de instelling worden vermeld.

Bij >Voornaam = de naam van de instelling.

De kaart is pas geldig indien deze volledig is ingevuld en ondertekend door de houder of gemachtigde of, indien het om een kind gaat, door een van de ouders of verzorgers.

 

2.8 Gebruiksvoorschrift

De GPK moet bij gebruik goed zichtbaar achter de voorruit van het motorvoertuig geplaatst worden. Op de kaart staat vermeld wat de voorzijde is.

Op grond van het bepaalde in artikel 50 BABW mag de houder van een GPK daarvan geen gebruik laten maken indien het parkeren niet rechtstreeks verband houdt met het vervoer van hemzelf of bewoners van de instelling aan wie de kaart is verstrekt. Laat de houder van een GPK dit gebruik wel toe, dan kan de kaart ongeldig worden verklaard door het gezag dat de GPK heeft afgegeven (artikel 53, derde lid BABW). Het gebruik van een passagierskaart is alleen geldig wanneer de houder van deze kaart daadwerkelijk aanwezig is in geval van controle.

 

2.9 Geld igheidsduur

De geldigheidsduur van de gehandicaptenparkeerkaart is op grond van het bepaalde in artikel 51, eerste lid BABW in beginsel vijf achtereenvolgende jaren, gerekend vanaf de dag van afgifte. Indien daartoe redelijke grond bestaat, kan de geldigheidsduur van de kaart worden beperkt, met een minimale gel­digheidsduur van zes maanden. Daarnaast wordt de geldigheidsduur gekoppeld aan de vervaldatum van het rijbewijs. Dit is om veiligheidsredenen voor zowel de bestuurder als het overige verkeer.

Het recht op de kaart vervalt wanneer:

  • -

    een einde komt aan de handicap;

  • -

    als het rijbewijs is vervallen;

  • -

    of bij overlijden.

Als het recht op een combikaart bestuurder/passagier vervalt vanwege het vervallen van het rijbewijs, wordt de kaart automatisch omgezet naar een passagierskaart.

 

2.10 Vervangend exemplaar

De gemeente geeft een vervangend exemplaar af:

  • -

    als de GPK is versleten,

  • -

    als de GPK geheel of gedeeltelijk onleesbaar is geworden,

  • -

    als de GPK verloren geraakt of gestolen is.

Indien de GPK is verstrekt door een andere gemeente, dient daar het dossier van de aanvrager te worden opgevraagd.

Als de houder van de GPK de kaart verliest of vermist tijdens de geldigheidsduur dient hij/zij aangifte te doen bij de politie wegens vermissing of verlies/diefstal. Met een kopie van het proces verbaal kan een nieuwe kaart worden aangevraagd.

Bij het verstrekken van een nieuw exemplaar wordt de geldigheidsduur niet aangepast; de oorspronkelijke vervaldatum blijft dus gehandhaafd. De kwijtgeraakte, verloren of gestolen kaart wordt tevens als ongeldig aangemerkt.

Conform de legesverordening zijn er kosten verschuldigd voor de nieuwe kaart.

 

2.11 Intrekken en inleveren gehandicaptenparkeerkaart

In artikel 53 van het BABW is geformuleerd wanneer de gehandicaptenparkeerkaart zijn geldigheid verliest. Dit betreft:

 

  • -

    het verstrijken van de geldigheidsduur;

  • -

    het verstrijken van de geldigheidsduur van het rijbewijs of bromfietscertificaat in het geval van een bestuurderskaart;

  • -

    de afgifte van een nieuwe gehandicaptenparkeerkaart, waarbij de oude moet worden ingeleverd;

  • -

    het onbevoegd aanbrengen van wijzigingen;

  • -

    het overlijden van de houder;

  • -

    ongeldigverklaring (zie toelichting).

De gemeente die de gehandicaptenparkeerkaart heeft afgegeven heeft de mogelijkheid om de kaart ongeldig te verklaren indien hij is afgegeven op grond van door de houder van de GPK verschafte onjuiste gege­vens en niet zou zijn afgegeven indien de onjuistheid van die gegevens ten tijde van de aanvraag bekend zou zijn geweest. Daarnaast is het mogelijk om de gehandicaptenparkeerkaart ongeldig te laten verklaren indien het gebruik van de gehandicaptenparkeerkaart geen verband houdt met het vervoer van de houder/passagier/instelling waaraan de vergunning is verstrekt.

Een GPK die zijn geldigheid heeft verloren moet zo spoedig mogelijk worden ingeleverd door de kaarthouder bij de gemeente die de kaart heeft verstrekt (artikel 54 BABW). Overtreding hiervan is een strafbaar feit (artikel 59 BABW).

Indien de kaarthouder is overleden, geldt deze verplichting voor degene die de GPK onder zich heeft (artikel 54 BABW).

Door middel van een schriftelijk verzoek van de gemeente zullen de nabestaanden worden gevraagd om de kaart binnen een redelijke termijn in te leveren bij de gemeente.

 

2.12 Kosten

Voor het behandelen van een aanvraag voor een gehandicaptenparkeerkaart worden, conform de legesverordening, leges geheven. Bij het verstrekken van een gehandicaptenparkeerkaart zijn er twee momenten waarop leges gevraagd kunnen worden: bij de eerste verlening en bij verlenging. Dat betekent dat er geen legeskosten verschuldigd zijn bij het aanvragen van een duplicaat wegens vermissing of diefstal of vanwege verlenging van het rijbewijs.

Daarnaast betalen gehandicapten bij de afgifte eenmalig een borg van € 50,00 voor de gehandicaptenparkeerkaart. Deze borg stimuleert het inleveren van de gehandicaptenparkeerkaart als deze niet meer geldig of niet meer nodig is.

Een gehandicaptenparkeerkaart geeft vrijstelling op het betalen van parkeergelden (afhankelijk van gemeentelijk beleid), uitgezonderd parkeergelegenheden die zijn afgesloten met een slagboom.

 

2.13 Verlenging

De gemeente is bij de verlenging van een gehandicaptenparkeerkaart niet verplicht een geneeskundig onderzoek uit te voeren. Wanneer is te voorzien dat de gehandicapte ook in de toekomst blijft voldoen aan de criteria voor een gehandicaptenparkeerkaart, bijvoorbeeld in geval van een chronische handicap, neemt een keuringsarts dit in zijn eerste adviesrapport op.

Bij een verlenging beoordeelt de keuringsarts op basis van het dossier of herkeuring wenselijk is. Daarbij weegt hij of zij ook mee of veranderingen in de medische wereld kunnen leiden tot een ander oordeel dan destijds is afgegeven. Bij deze beoordeling kan de keuringsarts ook bijvoorbeeld gegevens uit het Wmo-dossier betrekken.

 

2.14 Gebruik

Het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) bevat alle verkeersregels en verkeerstekens die in Nederland van toepassing zijn. Artikel 85 en 86 bevatten de bijzondere bepalingen ten behoeve van gehandicapten. Daarin wordt een aantal verkeersregels niet of beperkt van toepassing verklaard voor motorvoertuigen op meer dan twee wielen waarin een gehandicaptenparkeerkaart is aangebracht.

Gemeenten hebben tot op zekere hoogte beleidsvrijheid om binnen de eigen gemeente specifieke criteria te hanteren. Zo mag bijvoorbeeld bepaald worden dat houders van een gehandicaptenparkeerkaart het reguliere parkeertarief moeten betalen of dat de parkeerduur aan een maximum wordt gebonden.

Binnen de grenzen van de gemeente Súdwest-Fryslân gelden de volgende parkeerregels voor houders van een gehandicaptenparkeerkaart. Parkeren mag:

 

  • -

    op een algemene gehandicaptenparkeerplaats;

  • -

    in een parkeerschijfzone (ook buiten de vakken);

  • -

    buiten de vakken in een woonerf;

  • -

    In een parkeerzone voor vergunninghouders;

  • -

    op plaatsen waar een parkeerverbod geldt;

  • -

    langs een gele onderbroken streep.

Mensen met een gehandicaptenparkeerkaart betalen in Súdwest-Fryslân geen parkeerkosten.

De gehandicaptenparkeerkaart kan in de gehele Europese gemeenschap worden gebruikt. De voorwaarden kunnen per land verschillen, deze staan vermeld in de bijsluiter "Europe­se gehandicaptenparkeerkaart, hoe en waar deze in 18 landen kan worden gebruikt".

3. Gehandicaptenparkeerplaatsen

3.1 Inleiding

Er zijn verschillende soorten gehandicaptenparkeerplaatsen: algemene gehandicaptenparkeer- plaatsen en individuele gehandicaptenparkeerplaatsen (op kenteken).

Voor het realiseren van een gehandicaptenparkeerplaats moet minimaal één paal met een verkeersbord worden geplaatst. Uit artikel 12 van het BABW volgt dat hieraan een verkeersbesluit ten grondslag moet liggen.

Artikel 18 van de Wegenverkeerswet (hierna: WVW) kent de bevoegdheid dit verkeersbesluit te nemen toe aan burgemeester en wethouders. De teammanager van het team dat deze aanvragen afhandelt (dat is nu het Team Beschikken) is op grond van het Mandaatbesluit gemandateerd de verkeersbesluiten over gehandicaptenparkeerplaatsen te nemen.

 

3.2 Algemene gehandicaptenparkeerplaatsen

Een algemene gehandicaptenparkeerplaats is bestemd voor het parkeren van voertuigen met een gehandicaptenparkeerkaart voor bestuurders, passagiers of instellingen. Om gehandicapten te laten deelnemen aan het maatschappelijk verkeer moeten verspreid over de hele gemeente voldoende algemene gehandicaptenparkeerplaatsen beschikbaar zijn. Extra aandacht vragen specifieke bestemmingen in steden, zoals de binnenstad, winkelvoorzieningen, station, publieke voorzieningen en zorgvoorzieningen.

Er is geen wetgeving ten aanzien van het aantal algemene gehandicaptenparkeerplaatsen. Gemeenten zijn derhalve vrij in het bepalen van de criteria die worden gehanteerd. Aanleg van gehandicaptenparkeerplaatsen vindt plaats volgens de richtlijnen opgesteld door het CROW (onafhankelijke kennisorganisatie op het gebied van infrastructuur, openbare ruimte en verkeer en vervoer). Momenteel is de richtlijn bij grote terreinen minimaal één algemene gehandicaptenparkeerplaats per 50 gewone parkeerplaatsen. Bij andere voorzieningen wordt uitgegaan van 5% van het aantal parkeerplaatsen, uitgezonderd bij aangepaste wooncomplexen en zorginstellingen. Bij een nieuw flatgebouw, of appartementencomplex of soortgelijke voorziening wordt rekening gehouden met minimaal één algemene gehandicaptenparkeerplaats per 25 woningen, dit komt bovenop de bestaande parkeernorm.

Naast het bieden van voldoende algemene gehandicaptenparkeerplaatsen is het belangrijk dat deze parkeerplaatsen goed bruikbaar zijn. Dit betekent niet alleen dat de maatvoering ruimer moet zijn dan van reguliere parkeerplaatsen, maar ook op maximaal 100 meter afstand ligt tot de ingang van het gebouw. Voor de maatvoering van algemene gehandicaptenparkeerplaatsen sluit de gemeente aan bij de NEN 2443 en de richtlijnen vanuit de CROW.

Het aanwijzen van een algemene gehandicaptenparkeerplaats gebeurt middels een Verkeersbesluit als bedoeld in artikel 12 van het BABW. Algemene gehandicaptenparkeerplaatsen dienen aangeduid te worden met minimaal een bord (E6).

Algemene gehandicaptenparkeerplaatsen worden minimaal aangegeven door een bord E6 als bedoeld in bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens. Alleen personen met een GPK mogen hier parkeren.

 

3.3 Individuele gehandicaptenparkeerplaatsen

Een individuele gehandicaptenparkeerplaats (op kenteken) is bedoeld om gehandicapten de mogelijkheid te bieden dicht bij de woning of het werkadres te parkeren. Dit betekent dat de gemeente alleen een individuele gehandicaptenparkeerplaats aanlegt als de gehandicapte beperkt is in de mogelijkheden om de afstand tussen parkeerplaats en bestemming zelfstandig te overbruggen en de kans op een vrije parkeerplaats op beperkte afstand van de bestemming klein is, bijvoorbeeld doordat het druk is met parkeren op straat.

De gemeente stelt niet op voorhand een maximum aan het aantal gehandicaptenparkeerplaatsen op kenteken in een straat of een gebied. De parkeermogelijkheid voor gehandicapten prevaleert dan boven het minder flexibele gebruik van de beschikbare parkeerruimte voor anderen.

Het aanwijzen van een individuele gehandicaptenparkeerplaats gebeurt middels een Verkeersbesluit als bedoeld in artikel 12 van het BABW. Individuele gehandicaptenparkeerplaatsen worden aangegeven door minimaal een bord E6 als bedoeld in het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens met daarop of onder vermeld het kenteken van de auto van de bestuurder .

Voor de aanleg is een verkeersbesluit vereist, hierbij hoort een vastgestelde openbare procedure, conform de eisen die daaraan worden gesteld in het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) en de Algemene wet bestuursrecht.

 

3.3.1 Criteria afgifte individuele gehandicapten parkeerplaats

  • 1.

    De aanvrager is woonachtig op het aangevraagde adres conform de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA);

  • 2.

    De aanvrager beschikt over een geldige gehandicaptenparkeerkaart (bestuurder of passagier/bestuurder) zoals beschreven in hoofdstuk 2;

  • 3.

    De aanvrager beschikt over een verklaring die de medische noodzaak van een individuele parkeerplaats aantoont (niet in staat om met gebruikelijke loophulpmiddelen zelfstandig een afstand van 50 meter te overbruggen);

  • 5.

    De aanvrager beschikt niet over de mogelijkheid voor een eigen parkeergelegenheid zoals hieronder toegelicht;

  • 6.

    De aanvraag wordt gedaan voor het eigen voertuig van de aanvrager. De aanvrager is in het bezit van een geldig rijbewijs. Indien men het voertuig niet in eigendom heeft, dient men  

    door een kopie van lease- of gebruiksovereenkomst aan te tonen dat men de vaste bestuurder van het voertuig is;

  • 7.

    Indien de individuele gehandicaptenparkeerplaats wordt aangevraagd ten behoeve van iemand die een passagierskaart bezit, dient de auto waarvoor de individuele gehandicaptenparkeerplaats in het bezit te zijn van de echtgeno(o)t(e), partner of huisgenoot;

  • 8

    De parkeerdruk in de omgeving is dusdanig dat de aanvrager niet altijd een parkeerplaats kan vinden op maximaal 100 meter van de woning. Dit is theorie in de praktijk gaan we er vanuit dat men alleen een plaats aanvraagt als de parkeerdruk hoog is.

  • 9

    Bij het werk is de werkgever verantwoordelijk voor een parkeerplek voor gehandicapte werknemers. Gehandicapten hebben, volgens het ASVV, recht op een individuele parkeerplaats op het terrein van de werkgever, dus niet in de openbare ruimte.

  • 10

    Wanneer de aanvrager woonachtig is in een flatgebouw, appartementencomplex of soortgelijk gebouw wordt er een (extra) algemene gehandicaptenparkeerplaats gerealiseerd. Hier worden in nieuwe situaties geen individuele plaatsen meer gerealiseerd.

Medische noodzaak (criterium 3)

Een eerste belangrijke voorwaarde voor het aanvragen van een individuele gehandicaptenparkeerplaats is het in het bezit zijn van een geldige gehandicaptenparkeerkaart of een combikaart bestuurder/passagier. In dit kader heeft reeds een geneeskundig onder­zoek met betrekking tot de handicap van de aanvrager plaatsgevonden. Indien nodig wordt een aanvullend  geneeskundig onder­zoek uitgevoerd, met name gericht op de beoordeling van de maximale loopafstand.

Het medisch toetsingskader van een gehandicaptenparkeerkaart verschilt namelijk met die van een

gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats. Immers het medische onderzoek voor de

gehandicaptenparkeerkaart kent slechts één maatgevende afstand (meer of minder dan 100

meter), terwijl voor de gehandicaptenparkeerplaats een gedetailleerdere afstand belangrijk

is. Maar voor de plaats is daarnaast de meer specifieke maximale loopafstand belangrijk, omdat deze gekoppeld kan worden aan het bepalen van de parkeerdruk binnen het gebied van de maximale loopafstand.

Het medische advies kan tevens worden gebruikt voor aanvragen in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) gericht op vervoersvoorzieningen en rolstoelen. En er kan worden afgezien van het vragen van een medisch advies als de afdeling Wmo al over de benodigde medische gegevens beschikt.

Parkeergelegenheid op eigen terrein (criterium 5)

Wanneer een aanvrager over eigen parkeergelegenheid kan beschikken, kent de gemeente geen individuele gehandicaptenparkeerplaats toe. Men wordt dan geacht om op eigen terrein te parkeren. Dit geldt voor een oprit, een garage met oprit, een garage (met minimale breedte van 3,5 meter), het eigen erf of een losse garagebox (binnen een afstand van 100 meter van de woning). Dit geldt ook bij een voor de aanvrager toegankelijk privéparkeerterrein, bijvoorbeeld achter een flat.

Passagier die parkeerplaats aanvraagt (criterium 7)

Naast de eerder vermelde criteria gelden voor passagiers die een individuele gehandicaptenparkeerplaats aanvragen aanvullende criteria. Indien uit het oogpunt van verkeersveiligheid en doorstroming van het verkeer het niet mogelijk is dat de bestuurder van het motorvoertuig in de directe omgeving van de woning van de gehandicapte passagier stopt om deze te ondersteunen bij het in- en uitstappen en zo nodig te begeleiden naar zijn/haar woning wordt een individuele gehandicaptenparkeerplaats toegekend. Daarnaast moet uit het medisch onderzoek blijken dat de passagier niet een korte tijd (waarin de auto wordt geparkeerd) alleen kan worden gelaten.

Gehandicapte werknemer en gehandicapte parkeerplaats (criterium 9)

Wanneer een aanvrager een gehandicaptenparkeerplaats aanvraagt voor bij zijn werk, dan zal aanvrager erop gewezen worden dat hij dit moet aanvragen via zijn werkgever. Vanuit de gemeente zal contact worden gezocht met de desbetreffende werkgever over de mogelijkheden. Indien een gehandicaptenparkeerplaats noodzakelijk is, zullen de kosten voor rekening zijn van de werkgever.

 

3.3.2 Aanvraagprocedure

Personen die in het bezit zijn van een geldige gehandicaptenparkeerkaart en in aanmerking willen komen voor een individuele gehandicaptenparkeerplaats (GPP) dienen een ingevuld en ondertekend 'Aanvraagformulier Gehandicaptenparkeerplaats' in te dienen bij de gemeente.

De gemeente gebruikt dit formulier tevens om medisch advies te vragen en kan een verkeerstechnisch advies vragen aan politie als sprake is van bijzondere omstandigheden.

Bij een positief medisch advies en eventueel een positief politie advies neemt de gemeente een verkeersbesluit ten behoeve van de inrichting van de GPP. Het verkeersbesluit wordt gepubliceerd waarna een ieder die door dit besluit rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen, hiertegen binnen zes weken na de datum van bekendmaking schriftelijk en gemotiveerd bezwaar kan indienen bij burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân. Na deze termijn van zes weken en indien geen bezwaarschriften zijn ingediend wordt de GPP aangelegd. Indien wel bezwaarschriften zijn ingediend wordt een heroverwegingsbesluit genomen.

De GPP is een persoons­gebonden recht dat niet overgaat op de rechtsopvolgers onder algemene of bijzondere titel.

 

3.3.3 Geldigheidsduur

De gemeente wijst een individuele gehandicaptenparkeerplaats toe voor de periode dat de gehandicaptenparkeerkaart nog geldig is. Wanneer de geldigheidsduur van de gehandicaptenparkeerkaart wordt verlengd, wordt automatisch de geldigheidsduur van de individuele gehandicaptenparkeerplaats verlengd. Dit betekent ook dat wanneer een gehandicaptenparkeerkaart wordt ingetrokken, de geldigheid van de individuele gehandicaptenparkeerplaats vervalt.

 

3.3.4 Kosten

De aanvrager betaalt alle kosten die de gemeente maakt voor aanleg van de individuele gehandicaptenparkeerplaats. Dit betreft het plaatsen van de paal met het verkeersbord, onderbord met kentekennummer en het verwijderen ervan. Daarnaast betaalt de aanvrager een bedrag aan leges. Bij vervanging van de kentekenplaat als gevolg van wijziging van het kenteken is ook leges verschuldigd. Bij verhuizing binnen de gemeente hoeft niet opnieuw te worden betaald voor de aanleg van een individuele parkeerplaats. Hiervoor moet wel een nieuwe aanvraag worden ingediend, omdat opnieuw (deels) aan de criteria moet worden getoetst.

 

3.3.5 Handhaving

Als op een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken een voertuig met een afwijkend kenteken geparkeerd staat, wordt er gehandhaafd met een bekeuring. In 2016 gaat het hierbij om een bekeuring van € 370,00.

De gehandicapte, de familie van de gehandicapte of het bedrijf waar de gehandicapte werkzaam is, is verantwoordelijk om aan te geven dat de gehandicaptenparkeerplaats op kenteken kan worden opgeheven. Een periodieke check tussen de gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie en de gehandicaptenparkeerplaatsen op kenteken brengt tevens een aantal situaties waarbij de gehandicaptenparkeerplaats op kenteken moet worden opgeheven, zoals een verhuizing of overlijden, aan het licht.

 

3.3.6 Intrekken individuele gehandicaptenparkeerplaats

Een individuele gehandicaptenparkeerplaats kan worden ingetrokken als er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Hierbij moet worden gedacht aan het verlies van het recht op een gehandicaptenparkeerkaart, het niet meer in bezit hebben van het voertuig waarvoor de parkeerplaats bedoeld is of bij het overlijden van de aanvrager. Of als de gezondheidstoestand van de betrokkene of de parkeer- of verkeerssituatie dusdanig is gewijzigd dat de parkeerplaats niet zou zijn toegewezen en bij misbruik van de gehandicaptenparkeerplaats.

Een individuele gehandicaptenparkeerplaats wordt ook ingetrokken als de begunstigde verhuist. Indien men op het nieuwe woonadres ook over een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats wenst te beschikken, moet een nieuwe aanvraag worden ingediend. Als de betrokkene verhuist binnen dezelfde gemeente moet wel een nieuwe aanvraag worden ingediend in verband met een nieuw te nemen verkeersbesluit, maar mag de paal worden meeverhuisd als de betrokkene nog steeds voldoet aan de voorwaarden voor een gehandicaptenparkeerplaats.

Specifiek voor een individuele parkeerplaats bij een werkgever geldt dat deze wordt ingetrokken als de betrokkene zijn baan verliest of de werkplek wordt verplaatst.

De gebruiker van de GPP of rechtsopvolgers onder algemene titel hebben de verplichting om dit zo spoedig mogelijk te melden aan de gemeente en, indien nodig mee te werken aan het feitelijk opheffen van de voorziening. Er wordt geen restitutie op aanlegkosten verleend.

Het opheffen van een individuele gehandicaptenparkeerplaats gebeurt middels een Verkeersbesluit als bedoeld in artikel 12 van het BABW.

 

4. Algemene slotbepalingen

Het college van burgemeester en wethouders kan in bijzondere gevallen afwijken van bovenstaande beleidsregels.

Het Wmo-platform en de CIG worden actief betrokken bij het opstellen van de evaluatiecriteria en betrokken bij de evaluatie van het beleid, waarbij dit beleid eventueel herzien, dan wel aangepast kan worden. Als evaluatiecriteria worden minimaal opgenomen:

 

  • -

    ervaren knelpunten bij de uitvoering van het beleid, waarbij in ieder geval aandacht geschonken wordt aan:

    • -

      Welke parkeerplaatsen voor mensen met een beperking, waar en qua uitvoering het meest gewenst zijn?

    • -

      Of het criterium van 5% voor het aantal parkeerplaatsen voor mensen met beperking niet te algemeen is gesteld.

  • -

    koppeling keuring rijbewijs en geldigheidsduur gehandicaptenparkeerkaart.

  • -

    noopt een eventuele toename van autogebruik tot een ander criterium bij het beoordelen van de verkeerskundige component.

  • -

    toename parkeerdruk in combinatie met de bezetting van de gehandicaptenparkeerplaats.

 

De evaluatie vindt uiterlijk 2 jaar na inwerkingtreding van de beleidsregels plaats.

Het beleid kan in de navolgende gevallen worden aangepast, voordat het evaluatiemoment

daar is:

  • 1.

    bij wijziging van wet- en regelgeving

  • 2.

    indien het beleid en de daaruit voortvloeiende richtlijnen of voorwaarden in de

praktijk niet (meer) werken of niet (meer) toe te passen zijn.

 

Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als: Beleidsregels Gehandicaptenparkeerkaarten en Gehandicaptenparkeerplaatsen 2016 en treden in werking met ingang van 1 april 2016.

Aldus besloten in de collegevergadering van 29 maart 2016.

 

 

Bijlage 1 Begripsomschrijvingen

Gehandicaptenparkeerkaart

de kaart als bedoeld in artikel 49 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer en waarmee geparkeerd kan worden op gehandicaptenparkeerplaatsen;

Regeling gehandicaptenparkeerkaart

de regeling waarin bepaald wordt wie voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking kan komen en aan welke voorwaarden moet worden voldaan;

Kenteken

kenteken als bedoeld in artikel 36 of artikel 37, derde lid van de wegenverkeerswet 1994;

Bestuurderskaart

gehandicaptenparkeerkaart voor de bestuurder als bedoeld in de Regeling gehandicaptenparkeerkaart;

Passagierskaart

gehandicaptenparkeerkaart voor de passagier als bedoeld in de Regeling gehandicaptenparkeerkaart;

Instellingskaart

gehandicaptenparkeerkaart die is verstrekt aan een intramurale zorginstelling voor het (collectief) vervoer van mensen met een handicap die verblijven in de instelling;

Gehandicaptenparkeerplaats

een parkeerplaats die is aangeduid met het bord E6 van bijlage I van het RVV 1990 en waar motorvoertuigen, brommobielen en gehandicaptenvoertuigen, voorzien van een gehandicaptenparkeerkaart, mogen parkeren;

Individucele gehandicaptenparkeerplaats

een individuele parkeerplaats die is aangeduid met het bord E6 van bijlage I van het RVV 1990 en een onderbord waarop het kenteken is vermeld van degene die de desbetreffende parkeerplaats heeft toegewezen gekregen;

Stoppen in tweede linie

het stil laten staan van een voertuig op de rijbaan naast geparkeerde voertuigen, teneinde de gehandicapte persoon kort te begeleiden bij het in- of uitstappen;

Eigen parkeergelegenheid

mogelijkheid om over een eigen parkeerplaats te beschikken;

CROW

onafhankelijke kennisorganisatie op het gebied van infrastructuur, openbare ruimte en verkeer & vervoer;

ASVV

aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (uitgave CROW);

Voertuig

motorvoertuig op 4 wielen. In deze beleidsregels vallen, in tegenstelling tot wat in artikel 1 RVV 1990 is bepaald, ook brommobielen en gehandicaptenvoertuigen onder de term voertuig;

Gehandicaptenvoertuig

voertuig dat is ingericht voor het vervoer van een gehandicapte, niet breder is dan 1,10 meter en niet is uitgerust met een motor, dan wel is uitgerust met een motor waarvan de door de constructie bepaalde maximumsnelheid niet meer dan 45 km/uur bedraagt en geen bromfiets is (artikel 1 RVV 1990);

Brommobiel

Bromfiets op meer dan twee wielen, die is voorzien van een carrosserie (artikel 1 RVV 1990).

 

Bijlage 2 Landelijke Regeling Gehandicaptenparkeerkaarten

2 juli 2001/Nr. CDJZ/WBI/2001-829

Centrale Directie Juridische Zaken

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op artikel 13, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, de artikelen 49 en 55 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer en de artikelen 85 en 86 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

Besluit:

Paragraaf 1. Criteria voor de afgifte van gehandicaptenparkeerkaarten

Artikel 1

1. Voor een gehandicaptenparkeerkaart kunnen in aanmerking komen:

  • a.

    bestuurders van motorvoertuigen op

  • b.

     meer dan twee wielen en van

    brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij – met de gebruikelijke

    loophulpmiddelen – in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen;

     

    b. passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij – met de gebruikelijke loophulpmiddelen – in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen en die voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk zijn van de hulp van de bestuurder;

     

    c. bestuurders en passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek permanent rolstoelgebonden zijn;

     

    d. bestuurders en passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, andere dan bedoeld onder a en b, die ten gevolge van een aandoening of gebrek aantoonbare ernstige beperkingen, andere dan loopbeperkingen hebben;

     

    e. het bestuur van instellingen ten behoeve van het personeel belast met het vervoer van bewoners die voldoen aan de criteria onder b, c of d.

     

    2. Op de gehandicaptenparkeerkaart wordt met een hoofdletter B aangegeven of het een gehandicapte bestuurder betreft en een hoofdletter P of het een gehandicapte passagier betreft. Een combinatie van beide is mogelijk.

    Een gehandicaptenparkeerkaart, bestemd voor een instelling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, wordt aangeduid met een hoofdletter I.

     

    Paragraaf 2. Geneeskundig onderzoek

     

    Artikel 2

    1. Een gehandicaptenparkeerkaart wordt niet afgegeven alvorens een geneeskundig onderzoek heeft plaatsgehad met betrekking tot de handicap van de aanvrager.

     

    2. Een geneeskundig onderzoek kan achterwege worden gelaten, indien:

    a. aan de aanvrager eerder een gehandicaptenparkeerkaart

    is verstrekt en de keurende instantie van oordeel is dat de aanvrager nog steeds voldoet aan de in artikel 1 omschreven criteria;

    b. op grond van artikel 49, derde lid, van het BABW een gehandicaptenparkeerkaart wordt verstrekt in verband met een kortstondig verblijf.

     

    3. Een geneeskundig onderzoek wordt achterwege gelaten indien een gehandicaptenparkeerkaart is aangevraagd door het bestuur van een instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e..

     

    Artikel 3

    1. Ingeval de gehandicaptenparkeerkaart wordt afgegeven door het gemeentelijk gezag, bedoeld in artikel 49 van het BABW, wordt het geneeskundig onderzoek verricht door de Gemeentelijke Gezondheidsdienst dan wel – bij externe advisering – door een vanwege het gemeentelijk gezag aangewezen deskundige als bedoeld in artikel 7 van de Wet voorzieningen gehandicapten.

     

    2. Ingeval de gehandicaptenparkeerkaart wordt afgegeven door de Minister van Verkeer en Waterstaat, wordt het onderzoek verricht door een door de Minister van Verkeer en Waterstaat aan te wijzen arts, die niet de behandelend arts van de aanvrager is.

     

    Paragraaf 3. Wijze van aanbrengen van de gehandicaptenparkeerkaart

     

    Artikel 4

    De gehandicaptenparkeerkaart moet op zodanige wijze bij de voorruit worden aangebracht, dat de voorzijde ervan buiten het voertuig behoorlijk leesbaar is.

     

    Paragraaf 4. Model van de gehandicaptenparkeerkaart

     

    Artikel 5

    1. Als model van de gehandicaptenparkeerkaart wordt vastgesteld het in de bijlage bij deze regeling opgenomen model.

     

    2. Blanco gehandicaptenparkeerkaarten worden door de met de afgifte van gehandicaptenparkeerkaarten belaste autoriteiten rechtstreeks besteld bij CIB verkoop en advies BV, onderdeel van VNG Diensten BV.

     

    Paragraaf 5. Gelijkstelling van in het buitenland afgegeven gehandicaptenparkeerkaart

     

    Artikel 6

    Met een ingevolge artikel 49 BABW afgegeven gehandicaptenparkeerkaart wordt gelijkgesteld:

    a. een gehandicaptenparkeerkaart overeenkomstig het communautair model, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;

    b. een gehandicaptenparkeerkaart, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, voor zover aan de voorzijde van de kaart het in de bijlage bij deze regeling opgenomen symbool of een nagenoeg daaraan gelijk symbool voorkomt.

     

    Paragraaf 6. Slotbepalingen

     

    Artikel 7

    De regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 1 oktober 1991, nr. RVR 103389, houdende vaststelling van regels betreffende de invalidenparkeerkaart (Stcrt. 202), wordt ingetrokken.

     

    Artikel 8

    Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2001.

     

    Artikel 9

    Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling gehandicaptenparkeerkaart.

    Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

     

    De Minister van Verkeer en Waterstaat,

    T. Netelenbos.

     

    Bijlage

    • Indien de kaart wordt verstrekt aan een instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, wordt: geen pasfoto op de kaart aangebracht.

    Voorts wordt in dat geval bij ‘Naam’ de naam van de directeur van de instelling, en bij ‘Voornaam’ de naamvan de instelling vermeld.

     

    • De kaart is pas geldig indien hij volledig is ingevuld en ondertekend door de houder of, indien het om een kind gaat, door een van de ouders of verzorgers.

     

    Toelichting

     

    Algemeen

    De Raad van de Europese Unie heeft op 4 juni 1998 een aanbeveling gedaan om te komen tot een parkeerkaart van uniform communautair model voor mensen met een handicap (98/376/EG; PbEG 12 juni 1998, L167). De begrijpelijkheid en de wederzijdse erkenning van het communautair model is voor de gebruikers van de kaart van groot belang. Het vrije verkeer van mensen met een handicap wordt hierdoor vergemakkelijkt.

    Verder draagt een uniform model bij aan de herkenbaarheid van de parkeerkaart voor de met handhaving belaste ambtenaren. Tenslotte wordt ook belang gehecht aan beveiligingselementen om vervalsing of namaak van de parkeerkaart te verhinderen.

    Invoering van het communautair model parkeerkaart voor mensen met een handicap, kortweg ‘gehandicaptenparkeerkaart’, gaf aanleiding de criteria waaraan moet worden voldaan om voor een parkeerkaart in aanmerking te kunnen komen, grondig te herzien. Dit heeft geresulteerd in de Regeling gehandicaptenparkeerkaart.

     

    Criteria

    In overleg met diverse organisaties, zoals de Federatie Nederlandse Gehandicaptenraad (thans: de Chronisch zieken en Gehandicapten Raad Nederland), de Vereniging van Indicerende en adviserende Artsen (VIA), het Coördinatieorgaan Samenwerkende Ouderenorganisaties (CSO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn de criteria aangepast.

    Er is naar gestreefd om de criteria zo te formuleren dat deze met name voor de keurende instanties duidelijk en goed hanteerbaar zijn.

    Voor zowel bestuurders als passagiers die in aanmerking menen te komen voor een gehandicaptenparkeerkaart geldt dat men ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking moet hebben van langdurige aard. Onder ‘van langdurige aard’ moet men verstaan: ten minste zes maanden, waar het tijdsbeslag van de afhandelingsprocedure nog moet worden bijgeteld. Hiermee wordt aangesloten op hetgeen binnen het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten is ontwikkeld. Bij de keuring moet voorts rekening gehouden worden met de gebruikelijke loophulpmiddelen welke men ter beschikking heeft.

    De aanvrager moet voorts in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen. De keuring blijft een momentopname.

    Door ervaring weet de keurende arts over het algemeen heel goed of bij een aanvrager sprake is van ‘in redelijkheid’. Dit laatste is uiteraard afhankelijk van de in het geding zijnde aandoening of gebrek.

    Om voor een passagierskaart in aanmerking te kunnen komen dient de aanvrager voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk zijn van de hulp van de bestuurder.

    Bij de keuring dient derhalve te worden beoordeeld of de aanvrager afhankelijk is van de hulp van de bestuurder om zich te verplaatsen. Wanneer deze hulp niet noodzakelijk is, komt de aanvrager niet voor een passagierskaart in aanmerking. De hulp die men nodig heeft van de bestuurder maakt het mogelijk om ook voor een passagierskaart een afstand van 100 meter op te nemen.

    In tegenstelling tot de oude terminologie van ‘niet of nauwelijks te voet kunnen voortbewegen’ is een afstandscriterium van 100 meter voor de keurende instanties goed meetbaar.

    Voor gehandicapten die ten gevolge van een aandoening of gebrek permanent rolstoelgebonden zijn blijft de mogelijkheid bestaan om voor zowel een bestuurderskaart als een passagierskaart (of beide) in aanmerking te kunnen komen.

    Nieuw is dat, overigens zonder tussenkomst van een keurende instantie, een gehandicaptenparkeerkaart kan worden afgegeven voor het (collectief) vervoer van mensen met een handicap die verblijven in ingevolge artikel 8 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten toegelaten instellingen.

    Met het kunnen afgeven van een gehandicaptenparkeerkaart aan de betrokken instellingen wordt in een zekere behoefte voorzien. Hiermee wordt bovendien voorkomen dat voor iedere bewoner individueel een kaart wordt aangevraagd.

     

    Keuring

    De keuring wordt uitgevoerd door een arts van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) aan de hand van een medisch protocol.

     

    Hardheidsclausule

    De nieuwe regeling bevat voorts een hardheidsclausule. Deze hardheidsclausule kan worden toegepast indien de aanvrager van de kaart ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare ernstige beperking heeft, anders dan een loopbeperking, die het hebben van een gehandicaptenparkeerkaart rechtvaardigt. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan ernstige complexe incontinentieproblemen.

    Overigens is de gehandicaptenparkeerkaart bedoeld voor de maatschappelijke en beroepsintegratie en het vergroten van de mobiliteit van gehandicapten. Het verstrekken van de kaart kan dus niet worden beperkt tot de groep die ‘alledag’ gebruik maakt van de gehandicaptenparkeerkaart. Bij de keuring dient hiermee rekening te worden gehouden.

     

    Instantie belast met de geneeskundige beoordeling

    In de toekomst zal de keuring uitsluitend plaatsvinden bij het Regionaal Indicatieorgaan (RIO). Het indicatieorgaan geeft een integraal, objectief en onafhankelijk medisch advies, onder andere op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten.

    Hierdoor wordt de één loket gedachte, om de procedures voor gehandicapten te vergemakkelijken, verder uitgebreid. Zodra de RIO’s landelijk zijn ingevoerd, zal in het kader van de één loket gedachte, de keuring bij andere instanties komen te vervallen.

     

    Herkeuring

    Na afloop van de geldigheidsduur van de gehandicaptenparkeerkaart moet de gehandicapte een nieuwe aanvraag indienen en in beginsel een nieuwe keuring ondergaan. Het laatste is in verband met de stand van de medische wetenschap zeer wenselijk.

    Het onder de indicerende en adviserende artsen vigerende medisch protocol houdt rekening met ontwikkelingen in de stand van de geneeskunde. De houder van de gehandicaptenparkeerkaart dient zelf voor een tijdige aanvraag van een nieuwe kaart zorg te dragen.

    Daarnaast is herkeuring mogelijk wanneer gerede twijfel bestaat omtrent de juistheid van de verstrekte gegevens die tijdens de keuring tot afgifte van de kaart hebben geleid.

Naar boven