Gemeenteblad van Opmeer
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Opmeer | Gemeenteblad 2016, 65213 | Verordeningen |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Opmeer | Gemeenteblad 2016, 65213 | Verordeningen |
Sociaal statuut gemeente Opmeer 2016
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opmeer
gelet op het gestelde in artikel 160 van de Gemeentewet, de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling (CAR) en de Uitkeringsovereenkomst (UWO);
gezien de bereikte overeenstemming in de commissie voor het Georganiseerd Overleg op 4 februari 2016
tot vaststelling van het navolgende
sociaal statuut gemeente Opmeer 2016
De gemeentelijke organisatie staat niet stil en verandert zoals ook omgevingsfactoren veranderen. Als gevolg daarvan kan het voorkomen dat medewerkers of organisatieonderdelen een andere plaats krijgen toebedeeld. In het algemeen heeft dit vaak geen grote personele consequenties. De medewerker gaat met (een groot deel van) zijn taak over naar een andere afdeling of eenheid. Vaak verandert alleen de werkomgeving van de medewerker. Dat neemt niet weg dat ook deze processen zorgvuldig moeten gebeuren. De medewerkers hebben recht op een aantal waarborgen. In het sociaal statuut zijn deze vastgelegd voor de medewerkers van de gemeente Opmeer.
Dit sociaal statuut heeft als doel de uitgangspunten en de rechtspositionele waarborgen vast te leggen die nodig zijn om de personele gevolgen van een belangrijke organisatiewijziging op een zorgvuldig en sociaal verantwoorde wijze te laten verlopen. Hierin zijn de uitgangspunten opgenomen die in acht worden genomen en de kaders waarbinnen de rechten en plichten van zowel de werknemer als de werkgever zijn vastgelegd bij organisatiewijzigingen.
Gedurende de looptijd van dit sociaal statuut hanteert de gemeente Opmeer in haar rol als werkgever drie belangrijke uitgangspunten:
• een inspanningsverplichting van de werkgever om bij een belangrijke organisatiewijziging boventalligheid van medewerkers te voorkomen. Indien desondanks medewerkers boventallig worden, dan is het een gezamenlijke verantwoordelijkheid van werkgever en de betrokken medewerker om er voor te zorgen dat de medewerker zo spoedig mogelijk aan de slag kan op een andere arbeidsplaats binnen of buiten de gemeentelijke organisatie, of om een andere (maatwerk) oplossing te realiseren, en
• een werk- en salarisgarantie voor de medewerkers.
Voor de toepassing van het sociaal statuut wordt verstaan onder:
De situatie waarin er meer medewerkers (uitgedrukt in fte) zijn dan formatieplaatsen zonder dat dit leidt tot de aanwijzing van boventallige medewerkers.
De situatie dat een medewerker wegens een organisatiewijziging niet kan terugkeren in de formatie na de organisatiewijziging.
c. Boventallig verklaarde medewerker
De medewerker in dienst van de gemeente die als gevolg een organisatiewijziging zijn/haar functie heeft verloren en die (nog) niet is geplaatst of herplaatst in de formatie van de nieuwe organisatie.
De Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst voor de sector gemeenten.
Formeel vastgesteld samenstel van functies met waarderingsniveaus en het aantal plaatsen, uitgedrukt in fte, binnen (een onderdeel van) de gemeente Opmeer.
Een inventarisatie van de beschikbare formatie en functies van de organisatie, inclusief het organogram van de organisatie na de organisatiewijziging.
Het geheel van werkzaamheden dat de medewerker volgens zijn taakinventarisatie verricht.
Een functie die niet valt onder het begrip passende functie, maar die de medewerker bereid is te vervullen. Er is geen sprake van acceptatieplicht. Bij inpassing in een lager functieniveau is het streven binnen twee jaar de medewerker minimaal op het oude functieniveau geplaatst te hebben.
Een functie die meer dan 25% in taakinhoud en tijdsbesteding wijzigt ten opzichte van de functie die de medewerker voor de organisatiewijziging vervulde.
Het georganiseerd overleg als bedoeld in artikel 121a, tweede lid, Ambtenarenreglement.
Het na een organisatiewijziging plaatsen van een boventallig verklaarde medewerker in een passende of geschikte functie binnen of buiten de organisatie.
De periode van aanvang tot eind van het Sociaal Statuut.
Het managementteam van de gemeente Opmeer, bestaande uit de gemeentesecretaris en de sectorhoofden.
De ambtenaar in de zin van artikel 1:1, lid 1 sub a van de CAR-UWO.
Een functie die voor de organisatiewijziging niet voorkwam binnen de organisatie.
Een functie die in belangrijke mate, ten minste 75% in taakinhoud en tijdsbesteding, gelijk is aan de functie die de medewerker voor de organisatiewijziging vervulde.
Een belangrijke wijziging in de organisatiestructuur, reductie van de formatieomvang, een wijziging van het organogram en/of een wijziging van het takenpakket (van een deel) van de organisatie, zoals bedoeld in artikel 25 van de Wet op de Ondernemingsraden en tenminste 3 fte betreft, en die nadelige gevolgen heeft – of kan hebben – voor medewerkers.
Of de wijziging belangrijk is, kan afgemeten worden aan:
Een functie van gelijkwaardig werk- en denkniveau, die de medewerker redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen. Een passende functie is doorgaans van hetzelfde functieniveau als de oude functie, dan wel maximaal twee salarisschalen hoger, of één salarisschaal lager dan de oude functieschaal. Hierbij worden de tussenschalen (10a en 11a) buiten beschouwing gelaten.
Bij de inpassing bij een lagere salarisschaal is het streven binnen twee jaar de medewerker minimaal op het oude functieniveau te hebben. Hiervoor gelden inspanningsverplichtingen van zowel werkgever als werknemer.
Het proces waarbij de medewerker wordt overgeplaatst naar een nieuw organisatieonderdeel of uit dienst treedt bij de huidige werkgever en in dienst komt bij een andere werkgever die de gemeentelijke taken heeft overgenomen.
Een inventarisatie van de bemensing van een organisatorische eenheid of de organisatie van een andere werkgever en de rechtspositie van de individuele medewerkers (inpassing); een was – wordt- lijst.
Een unieke functie die (met instemming van de ondernemingsraad) is aangewezen als zijnde van vitaal belang voor de organisatie en waarvoor specifieke kennis dan wel specifieke kwaliteiten vereist zijn. Deze functies nemen een sleutelpositie binnen de organisatie in en worden op basis van geschiktheidseisen ingevuld.
In dit document is uitbesteding de verzamelterm voor privatiseringen, verzelfstandigen en publiekrechtelijke taakoverhevelingen.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opmeer.
Dit sociaal statuut is van toepassing op medewerkers met een vaste aanstelling of arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst van de gemeente Opmeer. Het is ook van toepassing op medewerkers met een tijdelijke aanstelling bij wijze van proef, die een schriftelijk vooruitzicht hebben gekregen op een vaste aanstelling en daarbij voldoende functioneren.
Artikel 5 Bevoegde overlegorganen
Ten aanzien van de medezeggenschap van medewerkers en vakcentrales geldt het algemene uitgangspunt dat onderwerpen die gedurende het proces van organisatiewijziging aan bod komen, primair door één orgaan worden behandeld. 1 Hiertoe worden voor zover vereist en of door partijen gewenst regelingen opgesteld voor de OR en het GO evenals een convenant over de taakverdeling tussen het bestuur, de OR en GO.
Voorbereiding organisatiewijziging
Artikel 6 Onderzoek naar organisatiewijziging
1.De werkgever stelt, in overleg met het GO een sociaal plan op als uit de adviesaanvraag van de bestuurder aan de ondernemingsraad over de organisatiewijziging blijkt dat een sociaal plan opgesteld moet worden. Indien dit niet het geval is, voorzien artikel 20 tot en met artikel 28 van dit Sociaal Statuut en paragraaf 5 van hoofdstuk 10d van de CAR-UWO daarin.
1 In de gemeente Opmeer is dat, voor zover het GO niet wordt ingeschakeld door de ondernemingsraad, conform afspraak altijd de ondernemingsraad.
Artikel 8 Adviesaanvraag ondernemingsraad
De adviesaanvraag aan de ondernemingsraad bevat:
• een duidelijke omschrijving van het voorgenomen besluit;
• de eindrapportage van het onderzoek naar de organisatiewijziging als bedoeld in artikel 6;
• de beweegredenen van het besluit;
• de personele gevolgen van het besluit, en
• de naar aanleiding van het besluit te nemen personele maatregelen.
De adviesaanvraag wordt op een zodanig tijdstip gedaan, dat deze nog van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit.
Artikel 9 Kennisgeving en uitvoering besluit
Als het college van burgemeester en wethouders een definitief besluit tot wijziging van de organisatie hebben genomen, worden de ondernemingsraad en de betrokken medewerkers zo spoedig mogelijk van dit besluit en de personele gevolgen daarvan op de hoogte gebracht.
Plaatsingsprocedure bij organisatiewijzigingen
Artikel 10 Plaatsing en werkingssfeer
De plaatsing van medewerkers bij organisatiewijzigingen vindt plaats op grond van het bepaalde in de hierna volgende artikelen 12 tot en met 28.
Artikel 12 Voorkeursvolgorde bij plaatsing
Ongewijzigde functie met gelijke formatie.
Indien een medewerker een ongewijzigde functie bekleedt, dan wordt hij geplaatst op de ongewijzigde functie. Bij het nemen van het besluit tot plaatsing als bedoeld in artikel 20 hanteert de werkgever in beginsel het ‘mens–volgt–werk’ principe. Dit houdt in dat de medewerkers, zo mogelijk, wordt geplaatst in de eigen, ongewijzigde functie.
Ongewijzigde functie met minder formatie.
Indien een medewerker een ongewijzigde functie bekleedt met minder formatie, en plaatsing op grond van het ‘mens – volgt – werk’ principe niet mogelijk is, volgt plaatsing in een passende functie met in achtneming van de criteria zoals genoemd bij de definitie ‘passende functie’ en op basis het afspiegelingsbeginsel. Voor dit laatste geldt het volgende:
er wordt gestreefd naar een evenredige vertegenwoordiging vanuit de volgende leeftijdscategorieën: 17 tot 27 jaar, van 27 tot 37 jaar, van 37 tot 47 jaar, van 47 tot 57 jaar, van 57 jaar en ouder tot de AOW- gerechtigde leeftijd. Binnen elke leeftijdsgroep komt de medewerker met de langste diensttijd als eerste voor plaatsing in aanmerking;
voor het bepalen van de langste diensttijd wordt uitgegaan van het aantal jaren, maanden en dagen dat een medewerker bij werkgever werkt. Als twee of meer medewerkers even lang bij de werkgever werken, wordt het aantal jaren, maanden en dagen in overheidsdienst in aanmerking genomen. Bij een gelijk aantal werkgeversjaren en overheidsjaren wordt gekeken naar de leeftijd. Degene met de hoogste leeftijd heeft in dat geval de hoogste anciënniteit.
Gewijzigde functies en nieuwe functies.
Om de uitgangspunten en doelstellingen te kunnen realiseren is het van groot belang de plaatsingsprocedure te volgen die er voor zorgt dat plaatsing gebeurt op basis van geschiktheid, waarbij de meest geschikte medewerker, voorrang krijgt. Deze procedure wordt ingezet voor de gewijzigde en nieuwe functies die op basis van geschiktheidseisen worden ingevuld, met inachtneming van het gestelde in artikel 14.
Artikel 13 Plaatsingsprocedure
Artikel 14 Selectieprocedure gewijzigde en nieuwe functies
Artikel 15 Selectiecommissie gewijzigde en nieuwe functies
Het management maakt met de P&O- adviseur van de betreffende afdelingen een plaatsingsplan op grond van het bepaalde in artikel 13.
Artikel 17 Plaatsingscommissie
Dit advies is schriftelijk en gemotiveerd. Een eventueel minderheidsstandpunt wordt expliciet vermeld.
De plaatsingscommissie hoort in ieder geval de medewerker voor wie in de nieuwe organisatie geen passende functie aanwezig is of lijkt te zijn, en de medewerker die op het belangstellingsregistratieformulier gemotiveerd heeft aangegeven door de commissie gehoord te willen worden. De plaatsingscommissie beslist op basis van deze motivering of de betreffende medewerker daadwerkelijk wordt gehoord; zij is daartoe niet verplicht.
Artikel 18 Advies plaatsingscommissie
De werkgever neemt binnen zes weken na ontvangst van de zienswijze, zoals beschreven in lid 1 van dit artikel, een besluit over de ingediende zienswijze en deelt dit besluit aan de medewerker schriftelijk en gemotiveerd mede. Hierbij wordt tevens een afschrift van het advies van de plaatsingscommissie gevoegd.
Artikel 20 Besluit tot plaatsing, bovenformatief of boventallig verklaring
1.De werkgever neemt het besluit tot plaatsing, bovenformatief of boventallig verklaren van de betrokken medewerker. De werkgever neemt bij het nemen van het besluit tot plaatsing,
2 Eventuele kosten voor het bijstaan van de medewerker komen voor eigen rekening.
bovenformatief of boventallig verklaren, met inachtneming van het advies van de plaatsingscommissie, de voorkeursvolgorde als bedoelt in artikel 12 van dit Sociaal Statuut in acht. In geval van een besluit tot boventallig verklaren, is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 10d:2, aanhef en sub d CAR-UWO.
Artikel 21 Geen passende of geschikte functie
De medewerker ten aanzien van wie is besloten dat hij boventallig is, die ten tijde van de boventallig verklaring een dienstverband heeft bij werkgever van ten minste twee jaren, heeft recht op een Van werk naar werk-traject op grond van het vermelde in artikel 10d:12 en verder CAR-UWO. Op deze medewerker, zijn de bepalingen van paragraaf 5 van hoofdstuk 10d CAR-UWO van toepassing. In verband hiermee wordt door de medewerker en de werkgever gezamenlijk een Van werk naar werk-onderzoek verricht in de zin van artikel 10d:15 CAR-UWO, waarna partijen een Van werk naar werk-contract opstellen, zoals bepaald in artikel 10d:16 CAR-UWO.
De paritaire toetsingscommissie als bedoeld in artikel 10d:24 van de CAR-UWO voor het toezicht op Van werk naar werk-trajecten ziet, desgevraagd, toe op de individuele toepassing van de bepalingen van paragraaf 5 van hoofdstuk 10d CAR-UWO betreffende het Van werk naar werk-contract. Op de paritaire toetsingscommissie is het Reglement paritaire toetsingscommissie van toepassing.
Als het Van werk naar werk-traject na 24 maanden niet wordt voortgezet, wordt aan de medewerker eervol ontslag verleend op grond van artikel 8:3 CAR-UWO. Dit ontslagbesluit kan vanaf 21 maanden na aanvang van het Van werk naar werk-traject worden genomen. Dit ontslagbesluit wordt genomen nadat de medewerker in de mogelijkheid is gesteld om mondeling en/of schriftelijk zijn zienswijze te geven.
Op de medewerker aan wie eervol ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:3 CAR-UWO na het doorlopen van een Van werk naar werk-traject zijn de bepalingen van paragraaf 6 en 7 van hoofdstuk 10d CAR-UWO van toepassing, tenzij sprake is van tussentijdse beëindiging van het Van werk naar werk-traject (zoals bedoeld in artikel 10d:19 CAR-UWO).
Artikel 22 Verplichtingen medewerker
geschikte functie te aanvaarden binnen de organisatie van de werkgever, en/of zich anderszins niet voldoende inspant, en/of zich overigens niet houdt aan de afspraken vastgelegd in het Van werk naar werk-contract, kan de werkgever overgaan tot tussentijdse beëindiging van het Van werk naar werk-contract en vervolgens ontslag (artikel 10d:19 CAR-UWO). Alsdan wordt ontslag verleend op grond van artikel 8:3 CAR-UWO met ingang van de dag volgend op die waarop het Van werk naar werk-traject is beëindigd.
b.Wanneer de medewerker weigert een hem met inachtneming van de plaatsingsprocedure toegewezen passende functie te aanvaarden en/of te vervullen, wordt dit aangemerkt als ernstig plichtsverzuim. De werkgever meldt in dat geval bij de instelling die de Werkloosheidswet uitvoert, dat sprake is van verwijtbare werkloosheid. De instelling bepaalt vervolgens of er inderdaad sprake is van verwijtbare werkloosheid. De medewerker kan hierdoor de uitkering verliezen.
Artikel 24 Functie gebonden toelagen
Voor de medewerker die wordt herplaatst in een functie binnen de gemeentelijke organisatie vervallen de functie gebonden toelagen uit de vervallen functie tenzij in een andere regeling een afbouw is opgenomen.
Artikel 25 Persoonlijke toelage
De medewerker die wordt herplaatst in een functie binnen de organisatie verliest zijn recht op zijn persoonlijke toelage, tenzij bij de toekenning van de persoonlijke toelage andere afspraken zijn gemaakt.
Artikel 26 Opleidingsvergoedingen
Artikel 27 Omscholing/bijscholing
Als dit voor het vervullen van de functie noodzakelijk is, wordt de herplaatste medewerker in de gelegenheid gesteld tot het volgen van omscholing/bijscholing. De kosten hiervan zijn voor rekening van de werkgever.
3 De medewerker houdt recht op alle verhogingen tot en met het maximum van de schaal
4 Salarisverhogingen vanuit de LOGA-onderhandelingen zijn ook van toepassing op deze medewerker
Artikel 28 Ontheffing terugbetalingsverplichtingen bij aanvaarden externe functie
De medewerker, van wie het Van werk naar werk- traject eerder eindigt dan na afloop van de volgens de CAR-UWO geldende reguliere termijn, wegens het aanvaarden van een passende of geschikte functie buiten de organisatie, wordt – behoudens afwijkende afspraken in het Van werk naar werk- contract – ontheven van eventuele terugbetalingsverplichtingen die voortvloeien uit de opleidingsregeling van de gemeente Opmeer, bepalingen met betrekking tot de verhuiskostenvergoeding en het betaald ouderschapsverlof.
Volgens voorstel door burgemeester en wethouders besloten op 23 februari 2016.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-65213.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.