Gemeenteblad van Delft
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Delft | Gemeenteblad 2016, 5792 | Beleidsregels |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Delft | Gemeenteblad 2016, 5792 | Beleidsregels |
Beleidsregel Prestatiesubsidies gemeente Delft
Artikel 2. Doel van deze beleidsregel
De in het eerste lid bedoelde activiteiten zullen vooral door professionele organisaties worden uitgevoerd. De gemeente maakt met organisaties afspraken over de te leveren producten, prestaties en kwaliteit, waar het betreft activiteiten, maatschappelijke effecten en resultaat. Daartoe kan gebruik worden gemaakt van een uitvoeringsovereenkomst.
Artikel 4. Vereisten subsidieaanvraag.
Aanvragen worden gedaan met gebruikmaking van een door de gemeente beschikbaar gesteld aanvraagformulier en dienen opgave te bevatten van de volgende gegevens:
Indien het een rechtspersoon betreft: de rechtsvorm, de statutaire naam, vestigingsadres en de handtekeningen van degene(n) die bevoegd is/zijn de rechtspersoon te vertegenwoordigen. Een afschrift van de statuten alsmede een bankafschrift, waaruit de relatie tussen naam en rekeningnummer van de rechtspersoon blijkt, dient meegestuurd te worden.
Artikel 5 Toetsing subsidieaanvraag (criteria)
Aanvragen voor een prestatiesubsidie worden getoetst aan de doelstellingen van gemeentelijk beleid, de Algemene wet bestuursrecht, de Kaderverordening, het Beleidskader subsidies en de nader gestelde criteria in het tweede, derde en vierde lid. Tevens worden aanvragen getoetst aan de voor gemeentebesturen bestaande wettelijke mogelijkheden waar het betreft normering top-inkomens.
Getoetst wordt in elk geval aan het criterium welke subsidieaanvraag of combinatie van aanvragen tegen aanvaardbare kosten het meest bijdraagt respectievelijk bijdragen aan de gemeentelijke beleidsdoelen en of er sprake is van deskundigheid. Aanvragen van professionele organisaties worden daarnaast eveneens getoetst aan eisen van Goed Bestuur en Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen.
Subsidie kan, met inachtneming van het bepaalde in artikel 7 lid 2 van de Kaderverordening, slechts worden verleend voor zover een budget beschikbaar is gesteld en dit budget toereikend is.
Onverminderd het bepaalde in artikel 5 en 6 van deze beleidsregel, en artikel 11 van de Kaderverordening, vindt subsidieverstrekking niet of slechts gedeeltelijk plaats indien de aanvrager over voldoende gelden, hetzij uit eigen middelen, hetzij uit middelen van derden, kan beschikken om de kosten van de activiteiten te dekken. Tevens wordt een subsidieaanvraag in elk geval geweigerd wanneer de aard en inhoud van de te leveren prestaties en de daarvan te verwachten concrete resultaten in het licht van de gemeentelijke doelstellingen niet voldoende zijn aangegeven.
Artikel 8 Verlenen en vaststellen
In afwijking van het vorige lid hoeft voor prestatiesubsidies tot een maximumbedrag van € 2.500 in de regel geen verzoek tot vaststelling van de subsidie te worden ingediend. In deze situatie worden de betreffende subsidies op grond van artikel 4:43 van de Awb direct vastgesteld zonder voorafgaande verleningsbeschikking. Het college kan bepalen dat op basis van een te trekken steekproef de subsidieaanvrager alsnog een verzoek tot vaststelling moet indienen.
De subsidieaanvrager heeft de plicht om bij het niet (of niet volledig) doorgaan van de activiteit of het project, waarvoor de subsidie is verleend, dit direct schriftelijk bij het college of de betreffende contactambtenaar te melden. De subsidieverlening kan in deze situatie geheel of gedeeltelijk ingetrokken worden.
Bij de aanvraag tot vaststellen van de verleende subsidie worden tenminste de volgende bescheiden meegezonden:
Indien de subsidieontvanger op jaarbasis een subsidie tussen € 50.000 en €100.000 ontvangt, dient het financieel verslag en het activiteitenverslag voorzien te zijn van een bestuursverklaring als bedoeld in onderdeel c alsmede van een beoordelingsverklaring, opgesteld door een accountant. Deze beoordelingsverklaring dient uiterlijk op 1 juni van het jaar, volgend op het subsidiejaar, ingediend te worden.
Indien de subsidieontvanger op jaarbasis een subsidie van meer dan € 100.000 ontvangt, dient het financieel verslag uiterlijk op 1 juni van het jaar volgend op het subsidiejaar, dan wel zes maanden na afloop van de periode waarvoor subsidie werd verleend, voorzien te zijn van een getrouwheidsverklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, vijfde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Art 4:78 Awb is van overeenkomstige toepassing. Artikel 8 lid 4 sub c is eveneens van toepassing.
Artikel 9 Criteria voor verschillende soorten subsidies
Wanneer er, gelet op het karakter van de aanvraag om een prestatiesubsidie, naast het bepaalde in de Beleidsregel Prestatiesubsidies voor de beoordeling nog een of meer andere subsidieregelingen van hogere overheden van toepassing zijn, wordt de aanvraag aan het samenstel van deze regelingen getoetst en prevaleert bij strijdigheid hetgeen bepaald is bij genoemde een of meer andere subsidieregelingen.
Artikel 11 Relatie prestatiesubsidie en stimuleringssubsidie
Een verleende stimuleringssubsidie wordt niet automatisch gevolgd door een prestatiesubsidie. Een dergelijke aanvraag wordt in elk geval getoetst aan de daartoe in de Beleidsregel Prestatiesubsidies opgenomen criteria.
Artikel 12 Intrekken en terugvorderen
Ingeval van niet naleving van één of meer bepalingen van deze beleidsregel kan het college, met inachtneming van de artikelen 12, 13 en 14 van de Kaderverordening reeds verleende subsidie intrekken of wijzigen en terugvorderen.
Artikel 14 Slotbepalingen en overgangsrecht
De Beleidsregel Maatschappelijke Activiteiten is niet langer van toepassing per 1 januari 2016 voor zover het betreft het indienen en beoordelen van aanvragen voor een prestatiesubsidie . Voor het intrekken en terugvorderen van een prestatiesubsidie als genoemd en verleend op basis van de Beleidsregel Maatschappelijke Activiteiten blijft het regiem van deze regeling onverkort van toepassing.
De hierna volgende tekst is gebaseerd op het Beleidskader Subsidies 2014-2018 Gemeente Delft zoals door de raad vastgesteld.
Het beleidskader subsidies, de Kaderverordening, en de beleidsregels voor specifieke voorzieningen/activiteiten vormen samen het subsidiestelsel van de gemeente Delft. Het beleidskader en de Kaderverordening behoren tot de (kaderstellende) bevoegdheid van de raad. De beleidsregels voor de uitvoeringspraktijk zijn een collegebevoegdheid.
Aanpassing Beleidsregels in tranches
Het tot 2015 geldende Delftse subsidiesysteem bestond uit prestatiesubsidies, waarderingssubsidies en incidentele subsidies. In het nieuwe beleidskader zijn beide laatstgenoemde subsidievormen vervallen en is in de eerste tranche van aanpassingen de stimuleringssubsidie geïntroduceerd. Deze wordt in het derde kwartaal 2015 geëvalueerd. In de tweede tranche krijgt de beleidsregel prestatiesubsidies gestalte. Overwogen wordt de dan nog resterende subsidieregelingen die op de leefbare stad betrekking hebben (monumenten, monumentale bomen, wonen boven winkels, etc.) in één beleidsregel te bundelen. De beleidsregel referendum behoudt zijn afzonderlijke status.
In de visie van het gemeentebestuur op de stimuleringssubsidie wordt nadrukkelijk de verbinding gelegd met de visie op de stad met de twee pijlers participatiesamenleving en innovatieve stad. De praktijk was, dat er in het kader van waarderingssubsidies en incidentele subsidies veel afzonderlijke (sub-) regelingen bestonden. Deze regelingen zijn nu samengevoegd tot één beleidsregel, te weten de Beleidsregel Participatie en Innovatie, waar nog slechts enkele uitzonderingen (in deze beleidsregel) op bestaan voor specifieke subsidies (bijv. straatfeesten, oud papier) die rechtstreeks verstrekt kunnen worden zonder die in het grotere geheel te moeten afwegen.
De beleidsregel prestatiesubsidies
De prestatiesubsidie heeft de intentie om een relatie te leggen tussen de door de gemeente essentieel geachte activiteiten die bijdragen aan het realiseren van de hoofddoelstelling en of daarvan afgeleide beleidsdoeleinden. De beleidsregel maatschappelijke activiteiten bevatte zowel regels met betrekking tot waarderingssubsidies, incidentele subsidies als prestatiesubsidies. Inmiddels is de beleidsregel voor stimuleringssubsidies van kracht. Voor de regels met betrekking tot de prestatiesubsidies komt de nieuwe Beleidsregel Prestatiesubsidies in de plaats. Deze omzetting is beleidsarm. Het regiem dat tot nu toe gold wordt in een nieuw jasje gestoken. Het door de raad vastgestelde beleidskader gaat uitvoerig in op de toepassing van prestatiesubsidies. Dit is leidend voor de inrichting van deze nieuwe beleidsregel.
Dit laat onverlet dat bij prestatiesubsidies over enige tijd een grote verandering zal plaatsvinden, niet zozeer in de regelgeving maar voor de werking in de praktijk. Dit geldt met name voor die activiteiten waar er meerdere potentiële partijen zijn die een subsidieaanvraag kunnen of zullen indienen.
Passend bij de ingezette lijn om als gemeente meer een regierol naar maatschappelijke instellingen te vervullen wordt de werkwijze van het inkoopproces zoveel mogelijk geadopteerd in het subsidieproces. De gemeente zal in jaarlijkse subsidieprocessen nadrukkelijk moeten kiezen voor vormen van inkoop of aanbesteding (bijv. via een subsidietender) waar meerdere partijen op in kunnen schrijven.
Binnen de beleidsdoelstellingen van de gemeentelijke beleidsterreinen kunnen zowel voor bestaand als nog te ontwikkelen nieuw beleid voorzieningen en activiteiten worden bekostigd door middel van subsidieverlening. Het inhoudelijk kader voor de subsidieverstrekking komt tot uitdrukking in:
In termen van maatschappelijke effecten gaat het om de volgende zaken, die we als gemeente willen bereiken:
Vanuit de gemeentelijke beleidsvelden worden via beleidsdocumenten activiteiten en prestaties gedefinieerd die van belang zijn om de gemeentelijke doelen te realiseren. De prestaties zijn de meest concrete vertaling waarop effecten gerealiseerd kunnen worden. Waar mogelijk wordt in het gemeentelijk beleid aangesloten op landelijke geharmoniseerde outcomecriteria. Per groep van prestaties in een beleidsveld verschilt de context, zijn er verschillen in doelgroepen en zijn er verschillen in betrokken instellingen.
Onderscheid in omvang/soorten prestaties
Globaal gesproken zijn er vier soorten van prestatiesubsidies:
In het beleidskader subsidies wordt in het kader van administratieve vereisten nog het volgende onderscheid gemaakt: tot euro 10.000, tussen euro 10.000 en 50.000, tussen euro 50.000 en 100.000 en tenslotte boven 100.000.
Professionele organisaties, vrijwilligersorganisaties en nieuwkomers.
Het aanvragen van een prestatiesubsidie staat voor iedereen open. Ook voor de vrijwilligersorganisaties in de stad. De beleidsregel geeft ook ruimte aan nieuwe partijen.
In artikel 4.21 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)wordt een subsidie als volgt gedefinieerd: “De aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt, met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen en diensten”.
De hoofddoelstelling en/of beleidsdoelen van geformuleerd en vastgesteld inhoudelijk beleid - op basis van beleidsnota’s en programmabegroting - bepalen uiteindelijk waar subsidieverlening van toepassing kan zijn.
Zie de toelichting bij het eerste lid van artikel 4.
Het college is belast met de uitvoering van het door de raad vastgestelde subsidiebeleid en derhalve bevoegd de Kaderverordening en de daarop gebaseerde beleidsregels uit te voeren.
Subsidierondes zijn zowel voor het college als voor subsidieaanvragers een nuttig instrument uit een oogpunt van planning, budgettering en evenwichtige verdeling van de beschikbare subsidiebudgetten. De bevoegdheid van het college om speciale thema’s of accenten te benoemen respectievelijk aan te brengen heeft zijn nut wanneer er sprake is van meerdere subsidieaanvragers die alle aan diverse subsidiecriteria voldoen en er, binnen het beschikbare budget, door het college toch een keuze gemaakt moet worden aan wie uiteindelijk wel en aan wie geen subsidie verleend zal worden.
Het bepaalde in het vierde lid, sub a is voor de adequate beoordeling van een subsidieaanvraag belangrijk. Aard en inhoud van de te leveren prestaties moeten in een subsidieaanvraag vermeld worden. Dat geldt ook voor de concreet te verwachten resultaten van die prestaties tegen de achtergrond van de gemeentelijke subsidiedoeleinden. Het betreft hier, wat wel aangeduid wordt als, de outcome-dimensie. Niet altijd zal dat laatste voor een aanvrager van subsidie eenvoudig in beeld te brengen zijn. Toch is het noodzakelijk dat er op dit punt inzicht geboden wordt voor de beoordeling van een subsidieaanvraag. Vage of te vage bewoordingen zullen in de praktijk tot een afwijzing moeten leiden. Met het mede toetsen op outcome zal ervaring opgedaan moeten worden en zullen een bestendige uitvoeringspraktijk gestalte moeten krijgen. Daarbij zal aansluiting gezocht worden bij elders in het land bij gemeenten of anderszins opgedane ervaring en beproefde systemen. Na verloop van tijd, wanneer de opgedane ervaring is uitgekristalliseerd, is het mogelijk – wanneer beleid en uitvoeringspraktijk daar bij gebaat zijn – te bezien of een en ander uit een oogpunt van rechtszekerheid nader gecodificeerd moet worden. Indien het antwoord bevestigend luidt zal de Beleidsregel Participatie daartoe aangepast worden. Een weigering kan plaatsvinden op basis van de subsidiedoeleinden zoals die zijn vastgesteld door of namens het bevoegde bestuursorgaan maar zal vanzelfsprekend gemotiveerd moeten worden gelet op de eisen die voortvloeien uit de Awb.
Het vereiste sub b is nodig i.v.m. betrouwbare vindbaarheid en de mogelijkheid van bereikbaarheid en correspondentie. Tevens is het belangrijk te weten wie de adressant is bij verdere stappen in het subsidieproces.
Voor het gestelde sub c geldt m.m. hetzelfde als hiervoor vermeld maar dan waar de aanvrager een rechtspersoon betreft.
Financieel-administratieve aspecten worden geregeld in het bepaalde sub d.
Sub e bevat eisen, ingeval van een rechtspersoon, waar het betreft het jaarverslag, respectievelijk de jaarrekening van het voorafgaande jaar. Inclusief een toelichting.
Voor prestatiesubsidies is het doorgaans regel om voor de beoordeling van de omvang van de eigen middelen (reserve/vermogen) een balans van het voorafgaande jaar ter beschikking te stellen.
Subsidierondes zijn een belangrijk instrument binnen de subsidiepraktijk. Het bepaalde in het derde lid vormt daarvoor de basis.
Het betreft hier aanvullende voorwaarden op het gebied van eisen die gesteld kunnen worden in administratief opzicht. Het vereiste sub c duidt op de situatie dat als een activiteit wordt verricht door een commerciële onderneming er meestal sprake is van een vergoeding van een winstmarge en daarmee valt de activiteit/prestatie onder de noemer inkoop in plaats van subsidie.
Artikel 1 geeft de algemene toetsingscriteria aan. Voor topinkomens geldt het volgende. Een gemeente mag niet aan inkomenspolitiek doen. Dat is al vele jaren een vast uitgangspunt van regering en wetgever. Toch bestaat er in de praktijk behoefte aan een antwoord op de vraag wat de mogelijkheden zijn voor een gemeentebestuur op subsidiegebied maatregelen te kunnen treffen om te voorkomen dat bijvoorbeeld instellingen gesubsidieerd worden die bestuurders en/of directie hoge salarissen betalen. Dat zou in het gemeentelijke politieke gremium en lokaal maatschappelijk op onbegrip stuiten. De gedachtevorming op landelijk niveau samen met gemeenten - als gevolg van ontwikkelingen in de jurisprudentie (ABRvS inzake Eindhoven) - is gaande. Wanneer daar resultaten van bekend zijn zullen die nader worden bezien en wanneer deze door het gemeentebestuur beleidsmatig en juridisch adequaat geoordeeld worden, op een nader te bepalen moment in een beleidsregel opgenomen worden. Dat kan de Beleidsregel Prestatiesubsidies zijn.
Een subsidieaanvraag wordt in elk geval op zichzelf beoordeeld en getoetst aan de geldende en van toepassing zijnde criteria. Maar ook wordt deze gelegd naast andere aanvragen voor dezelfde subsidie. Het vergelijkende perspectief wordt door of namens het gemeentebestuur eveneens in acht genomen alvorens beslist wordt op een of meerdere subsidieaanvragen.
Voor elke subsidieverlening is van belang hoe de kosten daarvan zich verhouden tot de te leveren prestaties. Voor grotere subsidieverlening vindt een meer diepgaande (maatschappelijke) kosten-/batenanalyse plaats. Voor een deel van de subsidieverlening is sprake van inkoop of aanbesteding (subsidietenders). Er is dan sprake van meerdere partijen die de gevraagde prestatie(s) kunnen leveren. In aanbestedingstermen is voor gunning het begrip Economisch Meest Voordelige Aanbieding van belang. De subsidiegever (tevens opdrachtgever) beoordeelt de inschrijvingen niet alleen op prijs, maar ook op aangeboden kwaliteit. Tot de aangeboden kwaliteit behoren in deze beleidsregel prestatiesubsidies die bijdragen aan de beleidsdoelstellingen als genoemd in lid 1 en de overige in lid 3 en 4 genoemde criteria. Zie ook de toelichting bij artikel 10.
Het hier genoemde criterium heeft betrekking op een ander onderwerp dan dat zoals genoemd sub a. Deelname aan het Delftse netwerk zal een positieve bijdrage leveren aan het op zo adequaat mogelijke wijze oppakken en organiseren van activiteiten. Gedacht moet worden aan aspecten als kennis uitwisselen en ervaringen delen. Een van de gevolgen zal zijn dat men onder omstandigheden minder subsidie zal behoeven aan te vragen dan oorspronkelijk gedacht en vermoed. Bijvoorbeeld omdat men ook bestaande fondsen kan benaderen.
Een subsidieplafond kan slechts bij of krachtens wettelijk voorschrift worden vastgesteld. Een subsidie wordt geweigerd voor zover door verstrekking van subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden. Het begrip subsidieplafond is geregeld en vastgelegd in de Kaderverordening. Dat betekent dat wanneer het beschikbare budget (het door de raad via de begroting vastgestelde subsidieplafond) uitgegeven is, dit een wettelijke grond oplevert om geen subsidie te verstrekken.
Artikel 7 is voor de subsidiepraktijk een belangrijk artikel. Immers, wanneer een subsidie wordt aangevraagd en deze wordt geweigerd dan is dat in de eerste plaats een teleurstelling voor de aanvrager. Wanneer die aanvrager dan vervolgens gebruik wil maken van ter beschikking staande rechtsmiddelen (een bezwaarschrift al dan niet tegelijk met een verzoek om voorlopige voorziening bij de Voorzieningenrechter) dan moet een weigeringsbesluit in rechte verdedigbaar zijn en stand kunnen houden. Dat zijn de rechtsstatelijke spelregels.
Door in artikel 7 te verwijzen naar de artikelen 5 en 6 van deze beleidsregel, alsmede naar artikel 11 van de Kaderverordening, is er sprake van een evenwichtig stelsel van weigeringsgronden. Deels procedureel, deels inhoudelijk gelet op de vastgestelde subsidiedoeleinden.
In de procedurele gronden ligt de objectieve dimensie besloten. In de inhoudelijke gronden is sprake van een zo objectief mogelijke dimensie. Immers, of een bepaalde voorgenomen activiteit past binnen de vastgestelde subsidiedoeleinden zal noodzakelijkerwijs altijd een zekere subjectiviteit inhouden. Een subjectiviteit waar het gemeentebestuur, in dit geval het college van burgemeester en wethouders, verantwoordelijkheid voor draagt.
Ook wanneer een subsidie geweigerd is door een ambtenaar namens het college, dus in mandaat, blijft het college uiteindelijk verantwoordelijk. De wel gehoorde opvatting dat een subsidieaanvrager tevoren 100 % zekerheid moet hebben, kijkend naar Beleidskader, Kaderverordening en Beleidsregel, dat een subsidieverzoek gehonoreerd zal worden, kan niet in regelgeving verwoord worden. Hoewel, zoals hiervoor opgemerkt, procedureel objectieve maatstaven gehanteerd worden en inhoudelijk zo objectief mogelijk, zal er bij weging onontkoombaar sprake zijn van een zekere subjectiviteit. Daarbij moet die subjectiviteit wel in rechte verdedigbaar zijn en stand kunnen houden in een bezwaarschriftprocedure en / of ten overstaan van de rechter.
Wat onder ‘eigen middelen’ moet worden verstaan zal ervaren moeten worden via ontwikkeling en toepassing van uitvoeringsbeleid op subsidiegebied. Daarbij is een rijke casuïstiek denkbaar. In het beleidskader wordt aangegeven dat voor organisaties die overwegend van gemeentelijke subsidie afhankelijk zijn de zogeheten ‘eigen vermogenstoets’ geldt. Vuistregel is dat de vrij besteedbare middelen aan het einde van het subsidiejaar maximaal 10 % zijn van de subsidie van dat jaar. Voor de normering van het weerstandsvermogen kan, gelet op de verplichtingen van de organisatie een afwijkend percentage worden vastgesteld. Bij een meer dan toereikend reservevermogen kan de subsidietoekenning bij de aanvraag voor een subsidiejaar overeenkomstig verlaagd worden.
Belangrijk is het tenslotte oog te hebben voor het speelveld. Grofweg kan gesteld worden dat er als uitersten sprake is van óf subsidie óf inkoop. Deze typologische duiding is ook belangrijk voor de rechtsbescherming. Bij subsidie staan de bezwaar- en beroepsmogelijkheden van de Awb open. In geval van inkoop niet. Daar is het civiele recht van toepassing met de daar bij behorende fora. Lastiger is de tussencategorie. Dat wil zeggen dat bij subsidie mechanismen technieken ontleend aan de inkoop- en aanbestedingswereld analoog worden toegepast om een goed aanbod uit de ‘markt’ te krijgen. Een aanbod waar op verantwoorde wijze een positieve subsidiebeschikking op kan volgen. Maar ook daar is er sprake van subsidie in de zin van de Awb met de daarbij open staande bezwaar- en beroepsmogelijkheden. Zie ook de toelichting bij artikel 10.
Of tussentijds een verslag verlangd wordt, waarbij in dat verslag ook vooruitgekeken mag worden, zal mede van de omstandigheden van het geval afhangen. Daarbij zullen in elk geval van belang zijn de soort activiteiten en de hoogte van het subsidiebedrag.
Het betreft hier, evenals in het eerste lid, een administratief, procedureel aspect.
Om praktische redenen is er voor gekozen dat voor subsidies tot een maximumbedrag van € 2.500,- in beginsel geen verzoek tot vaststelling van de toegekende subsidie behoeft te worden ingediend. In deze situatie worden de betreffende subsidies op grond van artikel 4:43 van de Algemene wet bestuursrecht direct vastgesteld zonder voorafgaande verleningsbeschikking Dit om in bepaalde gevallen niet strikt noodzakelijke procedurevereisten niet te hanteren. Dit betekent ook dat er geen (financiële) verantwoording achteraf behoeft plaats te vinden.
Bij het niet of niet volledig doorgaan van de activiteit waarvoor subsidie is gevraagd moet dit schriftelijk gemeld worden bij het college of de betrokken contactambtenaar. Immers, dit niet of niet volledig doorgaan heeft gevolgen voor de toegekende subsidie. De gevolgen kunnen verschillend zijn, variërend van geheel of gedeeltelijke intrekking, alsnog indienen van een verzoek tot vaststelling en terugvordering.
De mate waarin een subsidieontvanger zich achteraf dient te verantwoorden wordt bepaald door het Beleidskader. Hierin (in bijlage I) wordt afhankelijk van de hoogte van het verleende subsidiebedrag, aangegeven welke soort verklaring noodzakelijk is. Artikel 8 van deze beleidsregel volgt deze onderverdeling.
Deze grondslag is vereist om het college in de praktijk de mogelijkheid te bieden in bepaalde gevallen nadere voorwaarden te kunnen stellen bij het vaststellen van subsidies.
Gewenst is het over een grondslag te beschikken om naast de in de wet in bepaalde gevallen een subsidie lager te kunnen vaststellen. Het betreft hier artikel 4:46, lid 2 en 3 van de Awb.
Wanneer vaststelling van de definitieve subsidie vereist is, vindt deze plaats na ontvangst van de betreffende aanvraag tot vaststelling.
In de praktijk kan zich de situatie voordoen dat er ook een subsidie van hogere overheden verleend wordt. Ook wel bekend onder de naam ‘koppelsubsidie’. Die betreffende subsidie is na aanvraag getoetst aan de subsidieregeling van de betreffende entiteit. Wanneer de gemeente daarnaast voor dezelfde activiteit een subsidieaanvraag heeft ontvangen en bereid is mede te subsidiëren, dan kan er sprake zijn van collisie, oftewel een botsing van regelingen. Daar mag de aanvrager van de subsidie niet de dupe van worden. Het zou ook ten koste gaan van maatschappelijk gewenste activiteiten die tot uitdrukking komen in de subsidiedoeleinden van zowel de gemeente als die van de hogere overheid., bijvoorbeeld de provincie of het Rijk. Vandaar dat de voorkeur wordt gegeven aan het doorslaggevende gewicht van die ‘andere’ regeling. Er kan ook sprake zijn van subsidies voor het uitvoeren van wettelijke taken. Te denken valt aan decentralisatiesubsidies.
Het tweede lid ziet op de situatie dat er sprake is van een zogeheten ‘doorgeefsubsidie’. Het college heeft dan weliswaar de bevoegdheid te beslissen op de betreffende subsidieaanvraag maar zal daarbij slechts kunnen toetsen aan de subsidieregeling van de subsidiegever. De betreffende subsidiegever zal dit ook veelal vooraf bedingen. Ook hier kan sprake zijn van wettelijke taken waarvoor subsidie is verleend.
Hetgeen hierna volgt is ontleend aan het door de raad vastgestelde Beleidskader Subsidies 2014-2018 Gemeente Delft, met name onderdeel 2.2 en heeft in het bijzonder betrekking op het bepaalde in het eerste lid van artikel 10.
Naast het verstrekken van subsidies heeft de gemeente een vastgesteld inkoopbeleid (het plaatsen van een opdracht). In hoofdstuk 2.1 van het Beleidskader wordt een subsidie als volgt gedefinieerd: “De aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt, met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen en diensten”.
Inkoop: De kenmerken van een inkoopopdracht zijn dat de “ene partij bepaalde verrichtingen aan de andere partij opdraagt”. De opdrachtnemer is vervolgens verplicht tot het verrichten van die overeengekomen werkzaamheden.
Subsidie: Bij subsidie liggen de zaken soms genuanceerder en ingewikkelder. Bekend is dat een subsidiebeschikking gepaard kan gaan met een zogeheten uitvoeringsovereenkomst. Dat is een mogelijkheid die de Awb kent in art. 4:36. Een uitvoeringsovereenkomst moet geen doublure zijn van de beschikking. Essentiële elementen van de subsidieverhouding moeten in de beschikking staan, zoals een aanduiding van de activiteiten, eventuele verplichtingen, het subsidiebedrag of de berekeningswijze daarvan. Denkbaar is ook dat deze elementen in de beschikking in meer algemene zin worden aangeduid en in de uitvoeringsovereenkomst verder worden uitgewerkt. Aard en doel van de overeenkomst zijn eveneens belangrijk. Als een overeenkomst mede ten doel heeft de subsidieontvanger te verplichten om een project daadwerkelijk uit te voeren, zullen bepalingen over aard en inhoud van het project in de overeenkomst worden opgenomen. Subsidie is een bestuursrechtelijke aangelegenheid, een uitvoeringsovereenkomst een privaatrechtelijke.
De vraag of er sprake is van inkoop of subsidie of wellicht van subsidie waarbij elementen uit de inkooppraktijk analoog worden toegepast (subsidietender) is niet altijd eenvoudig te beantwoorden is. Op dit moment is dit een actueel thema bij de stelselwijzigingen in het Sociaal Domein. Leidraad bij de beantwoording van deze vraag zal in elk geval kunnen zijn of er sprake is van concurrentievervalsing wanneer het gemeentebestuur zonder meer een subsidie zou toekennen aan een aanvrager, zonder het bredere perspectief te willen zien. De datum 1 april 2016 is wat dat betreft belangrijk omdat er dan, naar verwachting, een duidelijke(r) context zal zijn in de vorm van een nieuwe Aanbestedingswet .
In het beleidskader staan twee vragen centraal:
Op basis van deze twee kernvragen kan voor de financiële relatie met maatschappelijke instellingen een consistente redenering opgebouwd worden om tot de conclusie te kunnen komen of naar beste inzicht sprake is van subsidie of inkoop.
De gemeente zal in het kader van jaarlijkse subsidieprocessen nadrukkelijk moeten gaan kiezen voor vormen van inkoop of aanbesteding, (bijvoorbeeld via een subsidietender als eerder genoemd) waar meerdere partijen op in kunnen schrijven. In de huidige praktijk van verlenen prestatiesubsidies wordt daar geen gebruik van gemaakt. Dit wordt echter onder impuls van de drie decentralisaties een noodzakelijk mechanisme. Een mechanisme dat ook van belang is in het kader van de Mededingingswet. De Autoriteit Consument en Markt (in 2014 ingesteld) zal hier gemeentes op toetsen. De gemeente is/wordt gehouden aan zorgvuldige processen van inkoop en aanbesteding; een goed model kan zijn de aanbesteding eens in de paar jaar te herhalen. Een jaarlijks aanbestedingsproces zou een te zware belasting zijn.
Deze ontwikkelingen van de komende jaren kunnen er toe leiden, dat op enig moment er alsnog een verschuiving plaatsvindt tussen wat wij nu typeren als `(prestatie)subsidie met gebruikmaking van inkoop/aanbesteding’ tot `zuivere inkoop’.
De wijze waarop de aanbestedingsprocedure wordt ingericht hangt af van de omstandigheden van het geval. Dat kan variëren van tamelijk strak en gedetailleerd tot soepel en eenvoudig afhankelijk van de te subsidiëren activiteit waar het om gaat. Voor eenvoudige situaties moet een passende procedure gevolgd worden. Dat is ook een wens van de raad. Om tot een zorgvuldige en faire beslissing te kunnen komen hanteert het college in elk geval per geval gunningscriteria. Gebruikelijk is daarbij dat ook die tijdig bekend gemaakt worden. In de aanbestedingspraktijk bestaat er op dit punt een ruime ervaring.
Om op een verantwoorde manier om te gaan met gemeenschapsgelden moeten verwachtingen gemanaged worden bij de aanvragers van subsidie. In artikel 11 is geregeld dat een verleende stimuleringssubsidie niet automatisch gevolgd wordt door het verlenen van een daarop volgende, op basis van de Beleidsregel prestatiesubsidies aangevraagde, prestatiesubsidie. Een dergelijke wordt in elk geval getoetst aan de criteria die in de Beleidsregel prestatiesubsidies zijn opgenomen. Het ligt in de rede dat bij de totale beoordeling het eerder verleend zijn van een stimuleringssubsidie mee te laten wegen. Maar zeker zal ook een rol spelen of betrokkene voldoende inspanning heeft geleverd om bijvoorbeeld cofinanciering of andere financiële middelen te vinden voor een meer structureel verder verloop van de te verrichten activiteiten. Ook een eenmaal verleende prestatiesubsidie is niet voor altijd. De ontvanger van de subsidie zal inspanningen moeten blijven verrichten om fasegewijs uiteindelijk onafhankelijk te worden van een gemeentelijke subsidie. Naast cofinanciering kan respectievelijk moet ook gedacht worden aan meer of minder ver gaande vormen van samenwerking. Dit alles tegen de achtergrond dat de gemeente op termijn wil toegroeien naar het werken in een regierol.
Deze grondslag is onontbeerlijk wil er sprake zijn van een procedureel sluitend geheel van subsidieverlening en het onder omstandigheden kunnen intrekken en terugvorderen van een toegekende subsidie. De Awb artikelen die genoemd worden vormen het wettelijk kader.
De praktijk van feiten en omstandigheden waarin een subsidieaanvraag of een subsidieverlening en alles wat daar mee samenhangt zich afspelen is gevarieerd. Om daar beleidsmatig adequaat mee om te kunnen gaan is het noodzakelijk dat het college over de bevoegdheid beschikt om van deze beleidsregel te kunnen afwijken. Daarbij zullen met name de redelijkheid en de proportionaliteit als belangrijke toetsingscriteria gelden. Niet snel zal het college van essentialia van deze beleidsregel kunnen afwijken.
Er kan in de subsidiepraktijk sprake zijn van gevallen waar de beleidsregel niet in voorziet en waaraan bij het vaststellen ook niet gedacht is. Om dan toch een besluit te kunnen nemen heeft het college de bevoegdheid nodig om dit te kunnen doen. Dat is een nuanceverschil met de bevoegdheid als genoemd in artikel 13.
Het tweede lid bepaalt dat het oude regiem voor prestatiesubsidies per 1 januari 2016 vervalt voor het aanvragen en beoordelen van deze subsidies. Een uitzondering is vanzelfsprekend noodzakelijk voor zover het betreft het intrekken en terugvorderen van een prestatiesubsidie als genoemd en verleend op basis van de Beleidsregel Maatschappelijke Activiteiten. In dat opzicht geldt nog het oude regiem.
Vanaf 2016 kunnen prestatiesubsidies worden aangevraagd op basis van de Beleidsregel prestatiesubsidies.
Met de aanduiding ‘op de gebruikelijke wijze’ wordt bedoeld op basis van het samenstel van subsidieregelingen dat op dat moment van toepassing is. Dat zullen doorgaans zijn de beleidsregel maatschappelijke activiteiten of opvolgend de Beleidsregel Prestatiesubsidies in samenhang met de betreffende subsidieregeling van hogerhand.
Dit lid bevat de inwerkingtredingsdatum van de Beleidsregel Prestatiesubsidies.
Zoals te doen gebruikelijk wordt aan het slot van een regeling de formeel te hanteren citeertitel vermeld.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-5792.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.