Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Enkhuizen 2016

De verordening Jeugdhulp is per 1 januari 2016 aangepast. Aan de hand van deze aangepaste verordening moesten de beleidsregels ook geactualiseerd worden. Deze Beleidsregels Jeugd gemeente Enkhuizen 2016 zijn een uitwerking van de Verordening Jeugdhulp Enkhuizen 2016.

Hieronder leest u de nieuw vastgestelde Beleidsregels:

 

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Enkhuizen:

Besluit in te trekken de Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Enkhuizen 2015 en

Besluit vast te stellen de Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Enkhuizen 2016.

 

 

Hoofdstuk 1 Inleiding

 

De verordening Jeugdhulp 2016 en deze beleidsregels geven uitvoering aan de Jeugdwet.

Deze wet maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten van de provinciale (geïndiceerde) jeugdzorg, de gesloten jeugdzorg, geestelijke gezondheidszorg voor kinderen en jongeren (jeugd-ggz), zorg voor jeugd met een licht verstandelijke beperking (jeugd-lvb), ggz in het kader van het jeugdstrafrecht (forensische zorg), Jeugdbescherming en jeugdreclassering. Daarnaast wordt met deze wet een omslag gemaakt van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg (aanspraak), naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten (voorziening). Dit vindt plaats op een wijze zoals eerder is gebeurd met de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

Het wettelijke recht op jeugdzorg en individuele aanspraken op jeugdzorg worden hierbij vervangen door een voorzieningenplicht waarvan de aard en omvang in beginsel door de gemeente worden bepaald.

Het doel van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd overeind: jeugdigen en ouders krijgen waar nodig bij hun situatie passende hulp, met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jongere en het probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken.

Met deze stelselwijziging streven we naar een grotere inzet op preventie, tijdige ondersteuning en het versterken van eigen kracht van jeugdigen en hun ouders. Door gemeenten verantwoordelijk te maken voor alle taken op het gebied van jeugdhulp, krijgen zij de mogelijkheid om een samenhangend stelsel te realiseren. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten:

  • Preventie en vroege signalering van opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen.

  • De-medicaliseren, ontzorgen en normaliseren door onder meer het opvoedkundig klimaat te versterken in gezinnen, wijken, buurten, scholen en voorzieningen als kinderopvang en peuterspeelzalen.

  • Het bevorderen van de opvoedvaardigheden van ouders en de sociale omgeving, zodat de ouders zoveel mogelijk in staat worden gesteld om zelf de verantwoordelijkheid voor de opvoeding te dragen.

  • Het inschakelen, herstellen en versterken van het eigen probleemoplossend vermogen van de jeugdige, zijn ouders en zijn sociale omgeving (eigen kracht).

  • Het bevorderen van de veiligheid van de jeugdige in de opvoedsituatie waarin hij opgroeit.

  • Het bieden van integrale hulp aan gezinnen volgens het uitgangspunt: één gezin, één plan, één regisseur.

Anders dan bij de overige transities, komen hulpvragen van jeugdigen en ouders in het kader van de Jeugdwet daarom ook via verschillende routes binnen. Er werken veel professionals in het voorveld die het eerste contact en de eerste ondersteuning laagdrempelig kunnen bieden. Indien er meer hulp nodig is dan kan er altijd worden ‘opgeschaald’. Een aantal voorbeelden:

  • Ouders met een kind dat tekenen van angst vertoont, gaan voor advies naar de huisarts, de schoolmaatschappelijk werker of naar de jeugdverpleegkundige. Vervolgens kan door de huisarts en de praktijkondersteuner GGZ worden besloten om het kind door de praktijkondersteuner te laten behandelen, of bij meer zorgen van één van de professionals door te verwijzen naar het Stadsteam of een psycholoog in de basis GGZ voor een nadere diagnose op een stoornis.

  • Een gezin met problemen op meerdere gebieden (schulden, verslaving, mogelijk een beperking) en zorgen voor hun autistisch kind zoekt contact met de gemeente, al dan niet in combinatie met de begeleider die al actief was in het gezin. Het gezin kan vervolgens worden besproken in een casusoverleg van het Stadsteam om de hulp af te stemmen en het daarmee overzichtelijk te houden voor de ouders en het kind. Na dit casusoverleg blijkt dat de veiligheid in het gezin zorgelijk is en dat het kind door de problemen van de ouders, niet de volledige aandacht in de opvoeding kan krijgen waardoor het ondervoed is geraakt. Het Stadsteam probeert samen met de ouders, de ambulante begeleider en jeugdbescherming een oplossing te vinden voor deze situatie.

  • Wanneer een ouder van een kind met een licht verstandelijke beperking ervoor kiest om informatie in te winnen of een diagnose te laten stellen naar het IQ van het kind, komt hij/zij terecht bij het Stadsteam. De gedragsdeskundige stelt een diagnose en er wordt naar een maatwerk voorziening gezocht, bijvoorbeeld een vorm van begeleiding voor ouders en kind specifiek gericht op het leren omgaan met de beperking.

  • Tot slot is een casus denkbaar waarbij het kind op school zit en de leerkracht, na overleg met de intern begeleider of de zorg coördinator, tot de conclusie komt dat er meer ondersteuning nodig is voor dit kind vanwege het onvermogen tot concentratie. De school bespreekt het kind in het ondersteuningsteam en bekijkt welke aanvullende ondersteuning er vanuit passend onderwijs beschikbaar is. Na deze aanvulling blijkt na een aantal maanden dat het kind toch teveel problemen thuis heeft vanwege de vechtscheiding tussen de ouders. Er wordt voor gekozen om samen met school, de schoolmaatschappelijk werker en het Stadsteam een traject in te zetten dat zowel de thuissituatie (ambulante jeugdhulp) als de schoolsituatie ondersteunt voor dit kind en het gezin.

De gemeente wil samen met de partners in het jeugddomein een nauwe samenwerking nastreven om een dekkende en passende vorm van (al dan niet gemeenschappelijke) hulp te kunnen bieden. Dat geldt specifiek voor de huisarts, jeugdarts en de medisch specialist, omdat zij op basis van de wet direct kunnen verwijzen naar specialistische jeugdhulp. Dit gaat meestal om verwijzingen naar de (basis) geestelijke gezondheidszorg.

De gemeente kiest er niet voor om een eigen gemeentelijk indicatieorgaan in te richten dat volledig los staat van de hulpverlening, zoals in het verleden het geval is geweest. Het uitgangspunt is dat iedereen gebruik kan maken van de algemene voorzieningen en dat daar ook de nadruk wordt gelegd op het eerste contact en het inzichtelijk maken van de hulpvraag. Voor gezinnen met geen of verminderde regie en problemen op meerdere leefdomeinen kan vervolgens intensieve ondersteuning worden geboden door het Stadsteam. Wanneer deze professionals constateren dat aanvullende hulp nodig is die zij zelf niet kunnen bieden, dan kunnen zij een maatwerkvoorziening via een eenvoudige procedure met behulp van de Wmo/ Jeugdconsulenten van de gemeente toekennen.

De stappen die de professional heeft gezet met het betreffende gezin zullen hier worden meegenomen in de beoordeling. Zo kan zoveel mogelijk worden voorkomen dat er een voorziening wordt gecreëerd die losstaat van het werk dat daarvoor al is gedaan binnen het gezin.

Het uitgangspunt hierbij is om adequate hulp snel en laagdrempelig in de omgeving van de jeugdige en zijn ouders aan te kunnen bieden. Goed luisteren naar de hulpvraag van de ouders zodat ingeschat wordt wat wel én wat niet nodig is, of wat zelf kan worden opgepakt in het gezin, is de norm. Daar zijn vervolgens meerdere instrumenten voor: zorg in natura of een persoonsgebonden budget.

De Jeugdwet en de Verordening Jeugdhulp leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat), door het Stadsteam (alleen voorbereiding) en/of consulenten (voorbereiding, toetsing en toekenning).

Hoofdstuk 2 Het afwegingskader – de niveaus van hulp

 

In de toegangsprocedure wordt onderscheid gemaakt in zorg en ondersteuning op drie niveaus:

  • Sociale infrastructuur (eigen netwerk, informele zorg en ondersteuning);

  • Overige voorzieningen (algemene);

  • Individuele maatwerkvoorzieningen in het kader van specialistische jeugdhulp.

Artikel 2.1 Sociale infrastructuur

Het eerste niveau vormt de basis van de sociale infrastructuur. Binnen het jeugdbeleid van de gemeente wordt ernaar gestreefd om ouders zoveel mogelijk zelf verantwoordelijk te houden voor de opvoeding van hun kind. Daar zijn echter meer mensen bij betrokken, want een kind groeit immers niet op in een geïsoleerde omgeving. Naast de eigen netwerken van mensen zijn er allerlei particuliere initiatieven en vrijwilligersorganisaties, die een belangrijke bijdrage leveren aan onderlinge hulp- en dienstverlening en het versterken van de sociale cohesie. Denk bijvoorbeeld aan de vrijwillige hulpdiensten en burenhulp. Ook scholen en sportverenigingen vormen een netwerk.

Artikel 2.2 Overige voorzieningen (algemene)

Deze voorzieningen zijn voor iedereen toegankelijk. Ouders en kinderen die een lichte, eenvoudige ondersteuningsvraag hebben, kunnen terecht bij het CJG, het maatschappelijk werk en bij de gemeente. In de verordening Jeugdhulp 2016 en het besluit staat beschreven wat hieronder wordt verstaan. Daarnaast is er nog een voorziening die voor alle burgers vrij toegankelijk is:

Veilig Thuis is het nieuwe advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling waar iedereen (zowel burger als professional) terecht kan voor het melden van zorgen om kinderen en/of hun ouders bij vermoedens van kindermishandeling of andere vormen van huiselijk geweld. Burgers kunnen hier ook terecht voor het inwinnen van advies. Veilig Thuis zal bij een vermoeden van relevante problematiek een vervolgonderzoek starten en contact opnemen met het Stadteam om actie te ondernemen.

Artikel 2.3 Individuele maatwerkvoorzieningen in het kader van specialistische hulp

Niet alle problemen zijn in de buurt en via de inzet van het eigen netwerk, informele zorg of algemene voorzieningen op te lossen. Soms hebben inwoners specifieke, specialistische en/of intensieve ondersteuning nodig. Het gaat om voorzieningen die vaak bovenlokaal, regionaal of soms zelfs landelijk zijn georganiseerd, zoals crisisopvang, pleegzorg, jeugdbescherming. Ook als deze ‘zwaardere’ vormen van hulp nodig zijn, blijft het uitgangspunt van nabijheid overeind.

In situaties waar de basis niet voldoende ondersteuning biedt, moet snel en dichtbij ondersteuning vanuit maatwerkvoorzieningen worden ingezet. Deze hulp ‘moet in een keer goed zijn’. Dat wil zeggen zo licht als het kan en zo zwaar als nodig. In de verordening Jeugdhulp 2016 wordt weergegeven welk individuele maatwerk voorzieningen in het kader van specialistische hulp beschikbaar zijn.

Tijdens de procedure bekijkt het Stadsteam en/of de consulent, al dan niet aangevuld met de analyse van overige professionals die al contact hebben gehad met het gezin, welke (combinatie) van zorg en ondersteuning passend is bij de hulpvraag van de cliënt. De gemeente zorgt voor de uitvoering met het oog op de wet, zoals het opstellen van de beschikking en/of de PGB afspraken.

De beslissing of iemand voor specialistische hulp in aanmerking komt, is naast het team voorbehouden aan de huisarts, kinderarts of jeugdarts. De inzet van specialistische jeugdhulp zal altijd worden gebaseerd op het oordeel van deskundigen.

Leeftijdsgrens

De inzet van jeugdhulp vindt plaats op basis van de Jeugdwet en het burgerlijk wetboek, waarbij de leeftijdsgrens van 18 jaar wordt gehanteerd. Indien er binnen 6 maanden nadat een kind 18 jaar is geworden wordt geconstateerd dat er aanvullende hulp noodzakelijk is, kan de hulp worden verlengd totdat de jongvolwassene 23 jaar is geworden.

Alle aanvullende hulp na die leeftijd zal in principe worden gecontinueerd op basis van de beschikbare Wmo voorzieningen.

Hoofdstuk 3 De toegang tot jeugdhulp via de gemeente, indiening hulpvraag

 

Voor de artikelen over de procedurele toegang en de betrokken partijen verwijzen wij u naar artikel 4 t/m 8 van de Verordening Jeugdhulp 2016. Voor de volledigheid geven wij hieronder een samenvatting van het hele proces van de melding van een hulpvraag tot het afgeven van een beschikking.

Woonplaatsbeginsel

In de Jeugdwet is uitgewerkt hoe het woonplaatsbeginsel dient te worden toegepast bij de inzet van deze voorzieningen. Hiermee wordt helderheid verschaft welke gemeente verantwoordelijk is voor de in te zetten hulp in bijzondere of onduidelijke gevallen. In de bijlage worden deze kaders per situatie verder beschreven.

Artikel 3.1 Melding hulpvraag

Wanneer een inwoner behoefte heeft aan ondersteuning in het kader van jeugdhulp, kan hij of zij, of een derde, bij het consultatiebureau, schoolmaatschappelijk werk, het CJG of de gemeente de hulpvraag persoonlijk, telefonisch of schriftelijk melden. In een gesprek wordt de cliënt geïnformeerd over de gang van zaken na de melding.

Degene die zich met een ondersteuningsvraag meldt, wordt gewezen op de mogelijkheid om zich bij het onderzoek desgewenst bij te laten staan door iemand uit het eigen netwerk of een onafhankelijke cliëntondersteuner en de mogelijkheid voor het opstellen van een familiegroepsplan.

Soms blijkt na een korte vraagverkenning dat informatie en advies voldoende is voor de cliënt om het ondervonden probleem op te lossen. Wanneer verdere vraagverheldering of verdieping nodig blijkt, wordt er een onderzoek uitgevoerd.

Het Stadsteam/ de consulent zal daarnaast met instemming van de jeugdige en/of zijn ouders informatie inwinnen bij andere instanties, zoals de professionals die algemene voorzieningen uitvoeren, en met deze in gesprek gaan over de meest aangewezen hulp.

Dat betekent in de praktijk dat het Stadsteam zoveel mogelijk gebruik maakt van de bestaande expertise en kennis bij de professionals die bekend zijn met het gezin en/of de problematiek.

De gemeente kiest er nadrukkelijk niet voor om professionals direct de toegang tot individuele maatwerkvoorzieningen te geven. Deze besluiten zullen altijd voor een beschikking via de gemeente (m.b.v. analyse van het Stadsteam) dienen te lopen.

De uitzonderingen op bovenstaand proces zijn:

  • De huisarts, jeugdarts en kinderarts: zij mogen op basis van de Jeugdwet direct doorverwijzen naar specialistische jeugdhulp. De gemeente maakt uiteraard wel afspraken met deze partijen over de gecontracteerde hulp en de wijze van registratie van doorverwijzen.

  • Veilig thuis: indien er een zorgmelding bij Veilig Thuis binnen komt kan er onafhankelijk worden besloten om actie te ondernemen in een gezin. De gemeente maakt uiteraard wel afspraken met Veilig Thuis om een route af te spreken waarin deze hulp gezamenlijk kan worden ingezet.

  • De kinderrechter/strafrechter: de kinderrechter en strafrechter leggen kinderbeschermings- en/of strafmaatregelen op, nadat de Raad voor de Kinderbescherming advies heeft uitgebracht, die de gemeente dient uit te voeren. Denk hierbij aan maatregelen in het zogenaamde gedwongen kader, zoals een ondertoezichtstelling of een jeugdreclasseringstraject.

  • Jeugdbescherming en de gecertificeerde instellingen (GI): indien de GI constateert dat er aanvullende hulp noodzakelijk is binnen het kader van de hierboven genoemde gedwongen maatregelen, dan is de gemeente verplicht deze hulp in te zetten. De gemeente maakt uiteraard wel afspraken met de GI over de samenwerking in een dergelijk traject.

  • De burgemeester: indien de Raad voor de Kinderbescherming niet tot indiening van een verzoek tot ondertoezichtstelling overgaat nadat hij een melding van de burgemeester van de woonplaats van de minderjarige heeft ontvangen dat een maatregel met betrekking tot het gezag dient te worden overwogen, kan de burgemeester de Raad voor de Kinderbescherming vragen het verzoek alsnog aan de rechter voor te leggen.

Artikel 3.2 Vooronderzoek

Het college verzamelt in overleg met de jeugdige en/of zijn ouders en/of de betrokken professionals, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig in het kader van de hulpvraag, de noodzakelijke en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie.

Voor het onderzoek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument ter inzage.

Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een ondersteuningsplan op te stellen en stelt hem gedurende zeven werkdagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen. In dit plan staat gemotiveerd aangegeven welke ondersteuning volgens de cliënt nodig is.

Tijdens het onderzoek wordt ook rekening gehouden met de volgende factoren:

  • Als de cliënt een ondersteuningsplan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek;

  • Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken;

  • Het aanvragen van een onafhankelijk sociaal medisch advies kan onderdeel uitmaken van het onderzoek;

  • Indien de cliënt of de ondersteuningsvraag genoegzaam bekend is, kan in overleg met de cliënt worden afzien van het onderzoek.

Artikel 3.3 Vraagverheldering

Voor zover noodzakelijk onderzoekt het college zo spoedig mogelijk na de gespreksvoorbereiding in een vraagverhelderingsgesprek met deskundigen, de jeugdige, de ouders en mogelijk andere betrokkenen:

  • a.

    De behoeften, persoonskenmerken, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem of de hulpvraag;

  • b.

    het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;

  • c.

    het vermogen van de jeugdige en/of zijn ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving/ sociaal netwerk een oplossing voor de jeugdhulpvraag te vinden;

  • d.

    de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening;

  • e.

    de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een overige voorziening;

  • f.

    de mogelijkheid om een individuele voorziening te verstrekken;

  • g.

    de wijze waarop de individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen, en

  • h.

    hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders;

  • i.

    de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een persoonsgebonden budget, waarbij de jeugdige of zijn ouder (s) conform artikel 8.1.6 van de wet in voor hen begrijpelijke bewoordingen worden ingelicht over de gevolgen van die keuze.

Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een familiegroepsplan op te stellen en stelt hem gedurende zeven werkdagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen. In dit plan staat gemotiveerd aangegeven welke ondersteuning volgens de cliënt nodig is.

Opstellen van een gezinsplan

Het ondersteuningsplan wordt opgesteld vanuit het kader: een gezin, een plan, een regisseur. Het familiegroepsplan kan onderdeel uitmaken van het ondersteuningsplan. Het familiegroepsplan is een plan van aanpak opgesteld door de ouder(s), samen met bloedverwanten, of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren. In het ondersteuningsplan wordt vermeld van welke vrij toegankelijke jeugdhulpvoorzieningen de jeugdige en/of de ouders gebruik gaan maken en/of voor welke individuele jeugdhulp voorzieningen de jeugdige en/of de ouders een aanvraag indienen bij het Stadsteam.

Ernsttaxatiemodel

De toeleiding naar specialistische zorg vanuit de gebiedsteams gaat in West-Friesland aan de hand van het Ernsttaxatiemodel.

De 'Standaard Taxatie Ernst Problematiek' (STEP) is een kort instrument waarmee een snelle taxatie is te maken van de ernst van de problematiek van cliënten. Naast een ernsttaxatie van de huidige situatie, wordt het risico van een toename van de ernst getaxeerd.

Op basis van dit model kan een inschatting gemaakt worden welke zorg er nodig is en hoe snel die zorg geboden moet worden.

Artikel 3.4 Verslag

Het onderzoek wordt door de hulpverlener uitgewerkt tot een verslag. In dit verslag komt een uitwerking van de hulpvraag, het onderzoek en de daartoe verzamelde informatie en het arrangement aan ondersteuning te staan. Binnen zes weken na de melding verstrekt het college een verslag van de uitkomsten van het onderzoek. De cliënt tekent het verslag voor gezien of akkoord- en zorgt ervoor dat een getekend exemplaar wordt geretourneerd aan de contactpersoon met wie het gesprek is gevoerd.

Als de cliënt tekent voor gezien, kan hij daarbij tevens aangeven wat de reden is waarom hij niet akkoord is. Ook als de cliënt van mening is dat hij in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, kan hij dit aangeven op het door hem ondertekende verslag.

Wanneer de conclusie uit het onderzoek is dat een maatwerkvoorziening dient te worden ingezet, informeert het college zoals eerder dit hoofdstuk aangegeven de jeugdige en zijn ouders over de mogelijkheid om te kiezen voor een verstrekking van een persoonsgebonden budget en over de gevolgen van die keuze, waaronder het opstellen van een gemotiveerd verzoek.

Artikel 3.5 Aanvraag individuele voorziening (maatwerk)

Als de cliënt het verslag ondertekent en het verslag is voorzien van zijn naam, burger servicenummer (BSN), geboortedatum en een dagtekening, fungeert het verslag als aanvraagformulier voor een maatwerkvoorziening; als dat (mede) de uitkomst is van het gesprek. De datum waarop de aanvraag juist en volledig is, geldt als aanvraagdatum.

Indien de gemeente een aanvraag ontvangt die door een ander bestuursorgaan behandeld moet worden, heeft de gemeente doorzendplicht (art. 2:3 Awb). In de praktijk wordt de volledige aanvraag met begeleidend schrijven (of telefoongesprek) geretourneerd aan cliënt. Slechts op uitdrukkelijk verzoek van de cliënt kan de gemeente de aanvraag doorzenden naar het desbetreffende bestuursorgaan.

Criteria individuele voorzieningen – voorliggende voorzieningen

Het college kent een individuele maatwerkvoorziening toe indien en voor zover in het onderzoek in ieder geval is vastgesteld dat:

  • a.

    de jeugdige op eigen kracht of met zijn ouders of andere personen uit zijn naaste omgeving geen (volledige) oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden;

  • b.

    een algemene voorziening niet adequaat is voor de oplossing van de hulpvraag;

  • c.

    de jeugdige of de ouders geen aanspraak kunnen maken op een andere voorziening om de hulpvraag te beantwoorden.

  • d.

    een individuele maatwerkvoorziening aangewezen is gezien de aard en ernst van de hulpvraag.

Hoofdstuk 4 Beschikking en persoonsgebonden budget

Artikel 4.1 Inhoud beschikking

Op grond van de wet geeft het college binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking af (er vanuit gaande dat het maximaal zes weken durende onderzoek dan is afgerond).

Indien deze termijn overschreden lijkt te worden, zal op grond van de Awb de cliënt schriftelijk geïnformeerd worden over een verlenging van deze termijn met acht weken. In de beschikking staat in ieder geval: de aanvraagdatum, de beslissing, de motivering van de beslissing en informatie over de effectuering van het besluit. Beschikkingen zijn in principe gebaseerd op voorzieningen in natura, tenzij de jeugdige en/of de ouders een PGB wensen en er wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in art. 8.1.1 van de Jeugdwet. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als PGB wordt verstrekt.

Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking tevens in ieder geval vastgelegd:

  • a.

    welke de te treffen voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is;

  • b.

    wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;

  • c.

    welke gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieder van jeugdhulp de voorziening verstrekt, en indien van toepassing,

  • d.

    Welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.

Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een PGB wordt in de beschikking tevens vastgelegd:

  • a.

    dat de bekwaamheid van de aanvrager is getoetst en dat het PGB passend wordt geacht;

  • b.

    welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het PGB;

  • c.

    de resultaatafspraken

  • d.

    wat de hoogte van het PGB is en hoe deze is berekend;

  • e.

    hoe de feitelijke betaling ten laste van het te verstrekken PGB plaatsvindt;

  • f.

    de wijze van verantwoording van de besteding van het PGB;

  • g.

    of het PGB mag worden besteed aan inzet door derden of iemand uit het sociale netwerk, niet zijnde een professionele hulpverlener.

De regels voor het PGB zijn verder nader uitgewerkt in het Besluit PGB gemeente Enkhuizen 2016.

Vastlegging gegevens in dossier

  • 1.

    Hulpvragen, de afhandeling daarvan en de relevante informatie om te komen tot een besluit met betrekking tot de toekenning van een individuele voorziening worden voor zover nodig vastgelegd in het dossier van de consulent.

  • 2.

    De beoogde doelen, voortgang en resultaten van de individuele maatwerkvoorziening zoals teruggekoppeld door de zorgaanbieder conform de afspraken opgenomen in het besluit, worden verwerkt in het dossier zoals hierboven genoemd;

  • 3.

    Gegevens van de jeugdige, zijn ouders en overige betrokkenen worden in het dossier verwerkt conform het privacy protocol.

Artikel 4.2 Bezwaar en beroep

Indien de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt, kan de cliënt daartegen bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van de cliënt op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van de genoemde doelstellingen in hoofdstuk 1.

Hoofdstuk 5 Criteria persoonsgebonden budget

 

Voor de PGB criteria zijn nadere regels opgesteld in de vorm van een besluit PGB Wmo en Jeugd. Hierin is opgenomen waaraan een PGB houder in ieder geval moet voldoen en worden er afspraken gemaakt over de tarieven. Hieronder wordt ingegaan op de praktische uitvoering van het PGB

Artikel 5.1 Gemotiveerd plan

In het besluit PGB Wmo en Jeugdhulp 2016 is aangegeven, dat een individuele maatwerkvoorziening in de vorm van een PGB alleen wordt verstrekt indien de belanghebbende dit gemotiveerd, aan de hand van een opgesteld plan vraagt. De gemeente beoordeelt of dit plan voldoet. Door het opstellen van een ondersteuningsplan wordt de belanghebbende gestimuleerd na te denken over zijn zorgvraag, deze uit te werken en te concretiseren, en tevens het doelbereik en daarmee de kwaliteit van de zorg te evalueren.

Voorlichting

Het is belangrijk dat belanghebbenden vooraf goed weten wat het PGB inhoudt en welke verantwoordelijkheden ze daarbij hebben. Deze voorlichting zal al bij het moment van aanvragen worden gegeven. De cliënt zal tijdens het hele proces door de gemeente worden geïnformeerd. Bij de beschikking worden de regels over het PGB meegestuurd. Daarnaast verzorgt het servicecentrum PGB van de Sociale verzekeringsbank (SVB) voorlichting voor en ondersteuning van budgethouders.

Eigen verantwoordelijkheden van de budgethouder

De budgethouder is zelf verantwoordelijk voor het inkopen van de individuele voorziening of hulp.

Artikel 5.2 Beschikking PGB

Als de belanghebbende kiest voor een PGB, wordt in de toekenningbeschikking opgenomen:

  • het budget waarmee de voorziening of hulp kan worden ingekocht. De maximale bedragen zijn opgenomen in het besluit PGB Wmo en Jeugd en worden jaarlijks geactualiseerd;

  • de periode waarvoor deze toekenning geldt of de termijn waarbinnen de voorziening aangeschaft dient te zijn;

  • wanneer de gebruiker van de voorziening vanuit de gemeente verhuist naar elders, de medische situatie verslechtert of gebruiker overlijdt dan kan de gemeente overwegen de eventuele restwaarde of de voorziening terug te vorderen;

  • het budget dient binnen 3 maanden na verstrekking ingezet te zijn voor het daarvoor bestemde doel. Indien dit niet het geval is, kan er een besluit genomen worden tot verrekening of tot intrekking of herziening met als gevolg een terugvordering;

  • Informatie over de dienstverlening van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en de taken van de budgethouder richting de SVB.

Artikel 5.3 Trekkingsrecht

In de Jeugdwet is de verplichting opgenomen dat gemeenten PGB’s uitbetalen in de vorm van trekkingsrecht. Dit houdt in dat de gemeente het PGB niet op de bankrekening van de budgethouder stort, maar op rekening van het servicecentrum PGB van de SVB. Budgethouders betalen de zorgverleners niet meer zelf, ze moeten de SVB opdracht geven voor betalingen aan hun zorgverleners. De budgethouder laat via declaraties of facturen aan de SVB weten hoeveel uren hulp zijn geleverd en de SVB zorgt vervolgens voor de uitbetaling van de zorgverlener. De niet bestede PGB bedragen worden door de SVB na afloop van de verantwoordingsperiode terugbetaald aan de gemeente. Ook de PGB’s voor een hulpmiddel of voorziening moeten worden overgemaakt naar de SVB, waarna de SVB de ingezonden facturen betaald.

Om PGB via trekkingsrecht te kunnen uitvoeren, moet de budgethouder een zorgovereenkomst hebben met de zorgverlener. Bij elke betaalopdracht controleert de SVB of de betaling klopt met deze zorgovereenkomst. Als de SVB geen zorgovereenkomst heeft, kan de zorgverlener niet betaald worden.

De budgethouder is verantwoordelijk voor het in de gaten houden van de betalingen uit het PGB. De budgethouder ontvangt elke maand een budgetoverzicht. Dit budgetoverzicht is ook digitaal in te zien.

Inzetten sociaal netwerk of mantelzorgers

In het gemotiveerde plan van de cliënt kan hij of zij de wens uitspreken om zijn sociale netwerk of mantelzorgers in te willen zetten. In navolging van de regering is de gemeente van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is dan zorg in natura.

De persoon aan wie een PGB wordt verstrekt, kan de jeugdhulp onder de volgende voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk:

  • a.

    de beloning van het sociale netwerk dient beperkt te blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit redelijkerwijs aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is;

  • b.

    dat deze persoon een lager tarief krijgt betaald voor zijn diensten dan het ingevolge het vastgestelde tarief zoals omschreven in deze criteria, het bedrag is opgenomen in het PGB besluit Wmo en Jeugd;

  • c.

    dat deze persoon heeft aangegeven dat de zorg aan de cliënt voor hem niet tot overbelasting leidt, en;

  • d.

    dat tussenpersonen of belangbehartigers niet uit het PGB mogen worden betaald.

Artikel 5.4 Kwaliteitscontrole

Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van PGB’s.

Hoofdstuk 6 Slotbepalingen

Artikel 6.1 Vertrouwenspersoon

In artikel 2.6, eerste lid, onder f, van de wet is bepaald dat het college ervoor verantwoordelijk is dat jeugdigen, hun ouders of pleegouders een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Op grond van de nieuwe Jeugdwet is de gemeente de bevoegde autoriteit om een vertrouwenspersoon in te stellen. Gemeenten hebben er voor gekozen om het vertrouwenswerk via de VNG voor de komende twee jaar toe te vertrouwen aan het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg, kortweg AKJ.

Het AKJ gaat het vertrouwenswerk namens alle gemeenten in het land samen met onderaannemers uitvoeren.

Artikel 6.2 Klachtenregeling

Indien een cliënt het gevoel heeft onjuist bejegend te zijn kan deze een klacht indienen.

Klachten kunnen betrekking hebben op de handelswijze van de gemeente, dan wel van (een medewerker van) de aanbieder van een individuele maatwerkvoorziening. Klachten met betrekking tot de handelswijze van de gemeentelijke organisatie worden in behandeling genomen door de interne klachtenafdeling, die met klager afstemt wat de beste manier is om de klacht verder af te handelen.

Artikel 6.3 Inwerkingtreding

De beleidsregels Jeugdhulp gemeente Enkhuizen 2016 treden in werking op 1 januari 2016.

Besloten in de vergadering van Burgemeester en wethouders van de gemeente Enkhuizen op 19 april 2016

Naar boven