Mandaat van de gemeente Amsterdam aan de directeur van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied(3B, 2016, 62)

 

Afdeling 3B

Nummer 62

Publicatiedatum 30 maart 2016

Onderwerp

Mandaat van de gemeente Amsterdam aan de directeur van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied

De burgemeester en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam

Gelet op de artikelen 10:1 tot en met 10:12 van de Algemene wet bestuursrecht, titel 3 van Boek 3 van het Burgerlijk wetboek en de artikelen 2 en 32 van de Gemeenschappelijke regeling Regionale uitvoeringsdienst Noordzeekanaalgebied;

Brengen ter algemene kennis dat de burgemeester op 14 maart 2016 en het college van burgemeester en wethouders tijdens zijn vergadering op 22 maart 2016 heeft besloten een mandaat te verlenen aan de directeur van de Omgevingsdienst van het Noordzeekanaal gebied. Besloten is dat het besluit als volgt luidt:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit besluit en daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    burgemeester: de burgemeester van de gemeente Amsterdam;

  • b.

    college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam;

  • c.

    directeur: de algemeen directeur van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied, bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de regeling;

  • d.

    gemeente: de gemeente Amsterdam;

  • e.

    regeling: de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied

  • f.

    OD NZKG: het openbaar lichaam Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied, bedoeld in artikel 3 van de regeling;

Artikel 2. Mandaat, volmacht en machtiging

  • 1.

    Aan de directeur, alsmede diens plaatsvervanger, wordt voor zover het bevoegdheden van het college en de burgemeester betreft, mandaat, volmacht of machtiging verleend overeenkomstig het bij dit besluit behorende mandaatregister, dat is opgenomen als bijlage bij dit besluit.

  • 2.

    De bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, behelzen niet de bevoegdheid te beslissen op bezwaarschriften, bedoeld in artikel 6:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 3.

    De directeur neemt bij de aan hem in mandaat, volmacht of machtiging opgedragen taken of bevoegdheden de algemene instructies en de instructies per geval als bedoeld in artikel 10:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van het college onderscheidenlijk de burgemeester in acht.

Artikel 3. Reikwijdte mandaat, volmacht en machtiging

  • 1.

    De bij of krachtens dit besluit verleende mandaten, volmachten en machtigingen strekken niet verder dan de uitoefening van die bevoegdheden die tot het takenpakket van de OD NZKG horen, te weten de uitvoering van taken zoals opgenomen in het bij dit besluit behorende mandaatregister, op het gebied van het omgevingsrecht in het algemeen en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in het bijzonder, alsmede de taken op het terrein van vergunningverlening, handhaving en toezicht op grond van de in artikel 5.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht genoemde wetten en de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels.

  • 2.

    De directeur wordt mandaat, volmacht onderscheidenlijk machtiging verleend om namens het college onderscheidenlijk de burgemeester alle feitelijke handelingen en rechtshandelingen te verrichten ter voorbereiding en uitvoering van de taken en bevoegdheden bedoeld in artikel 2.

Artikel 4. Ondermandaat

  • 1.

    De directeur kan de bevoegdheden, bedoeld in artikel 2, in ondermandaat, ondervolmacht of ondermachtiging opdragen aan ondergeschikten, tenzij ondermandaat, ondervolmacht of ondermachtiging is uitgesloten in het mandaatregister.

  • 2.

    De artikelen 2, derde lid en 3 zijn van overeenkomstige toepassing op de uitoefening van bevoegdheden in ondermandaat.

Artikel 5. Volmacht en machtiging

Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt, voor zover van toepassing en in verband met de activiteiten waarvoor mandaat wordt verleend, met mandaat gelijkgesteld:

  • a.

    de verlening van volmacht tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen, en

  • b.

    de machtiging om handelingen te verrichten die noch een besluit noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn.

Artikel 6. Ondertekening

1.Indien een besluit krachtens mandaat wordt genomen als bedoeld in artikel 2 luidt de ondertekening:

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

namens deze,

de directeur van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied,

gevolgd door de handtekening en naam van de directeur.

Of:

De burgemeester van de gemeente Amsterdam,

namens deze,

de directeur van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied,

gevolgd door de handtekening en naam van de directeur.

2.Indien een besluit krachtens ondermandaat wordt genomen als bedoeld in artikel 4, luidt de ondertekening:

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

namens deze,

de directeur van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied,

voor deze,

(naam functie/ afdeling) van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied,

gevolgd door de handtekening en naam van de functionaris.

Of:

De burgemeester van de gemeente Amsterdam,

namens deze,

de directeur van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied,

voor deze,

(naam functie/ afdeling) van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied,

gevolgd door de handtekening en naam van de functionaris.

3.Indien bij het nemen van een besluit krachtens mandaat als bedoeld in artikel 2 gebruik wordt gemaakt van volmacht en machtiging overeenkomstig artikel 5, luidt de ondertekening:

De gemeente Amsterdam,

namens deze,

de directeur van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied,

gevolgd door de handtekening en naam van de directeur.

4.Indien bij het nemen van een besluit krachtens ondermandaat als bedoeld in artikel 4 gebruik wordt gemaakt van volmacht en machtiging overeenkomstig artikel 5, luidt de ondertekening:

De gemeente Amsterdam,

namens deze,

de directeur van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied,

voor deze,

(naam functie/ afdeling) van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied,

gevolgd door de handtekening en naam van de functionaris.

Artikel 7. Slotbepalingen

  • 1.

    Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag nadat bekend is gemaakt.

  • 2.

    Het mandaatbesluit Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied 2013 van de gemeente Amsterdam Westpoort van 18 december 2012 (Gemeenteblad 9 januari 2013, afdeling 3B, nr. 2) , de wijziging van 3 september 2013 inzake het mandaat aanwijzing toezichthouder Warvw (Gemeenteblad 18 september 2013, afdeling 3B, nr. 156) en de wijziging van 13 mei 2014 inzake de wijziging mandaatbesluit Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied 2013 van de gemeente Amsterdam en intrekken mandaatbesluit Dienst Milieu en Bouwtoezicht Hoofdinspecteur Noord-Zuidlijn (Gemeenteblad 21 mei 2014, afdeling 3B, nr. 120) worden ingetrokken.

Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam

A.H.P. van Gils, secretaris E.E. van der Laan, burgemeester

De burgemeester van Amsterdam,

E. E. van der Laan

Bijlage: mandaatregister bij het mandaat van de gemeente Amsterdam aan de directeur van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied

Afkortingen- en begrippenlijst:

APV: Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Amsterdam

Awb: Algemene wet bestuursrecht

Mandaatbesluit: Mandaat van de gemeente Amsterdam aan de directeur van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied

OD NZKG: Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied

Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Warvw: Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels;

Wbb: Wet bodembescherming

Wm: Wet milieubeheer

Wro: Wet ruimtelijke ordening

Verleend mandaat Beperkingen en voorwaarden

1 Algemene mandaten

  • 1.

    1 Op grond van artikel 3, tweede lid van het mandaatbesluit omvatten de bij of krachtens dit mandaatbesluit verleende mandaten, volmachten en machtigingen tevens alle feitelijke handelingen en rechtshandelingen Voorzover ter voorbereiding en uitvoering van de taken en bevoegdheden die zijn opgenomen in dit mandaatregister

  • 1.

    2 Beslissen inzake het geheel of gedeeltelijk - ambtshalve of op verzoek - intrekken, wijzigen, of verlengen van de onder dit mandaatregister vallende vergunningen, besluiten, toestemmingen, ontheffingen of verklaringen

Gemeentewet

  • 1.

    3 Voeren van bestuursrechtelijke procedures Voorzover ter voorbereiding en uitvoering van de taken en bevoegdheden die zijn opgenomen in dit mandaatregister

  • 1.

    4 Vertegenwoordigen van het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester ter zitting in bestuursrechtelijke procedures Voorzover ter voorbereiding en uitvoering van de taken en bevoegdheden die zijn opgenomen in dit mandaatregister

  • 1.

    5 Beslissen of bezwaar zal worden gemaakt tegen een besluit van een bestuursorgaan, daartegen beroep - hoger beroep daaronder begrepen - zal worden ingesteld of een voorlopige voorziening zal worden gevraagd Voorzover betrekking hebbend op het omgevingsrecht in algemene zin

  • 1.

    6 Beslissen of hoger beroep wordt ingesteld ter zake van een door de rechtbank gedane uitspraak Voorzover ter voorbereiding en uitvoering van de taken en bevoegdheden die zijn opgenomen in dit mandaatregister

  • 1.

    7 Verzoeken om opheffing of opschorting van een voorlopige voorziening in een bestuursrechtelijke procedure Voorzover ter voorbereiding en uitvoering van de taken en bevoegdheden die zijn opgenomen in dit mandaatregister

  • 1.

    8 Beslissen op verzoeken om schadevergoedingen Voorzover ter voorbereiding en uitvoering van de taken en bevoegdheden die zijn opgenomen in dit mandaatregister

Algemene wet bestuursrecht

  • 1.

    9 Behandelen van een klacht op grond van titel 9.1 Awb Het betreft een klacht over de wijze waarop de OD NZKG, dan wel een persoon, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van de OD NZKG, zich in een bepaalde aangelegenheid heeft gedragen bij de uitoefening van een bevoegdheid die is opgenomen in dit register

  • 1.

    10 Uitoefenen van de bevoegdheden als bedoeld in paragraaf 4.1.3.2 Awb (dwangsom bij niet tijdig beslissen) Voorzover ter voorbereiding en uitvoering van de taken en bevoegdheden die zijn opgenomen in dit mandaatregister

  • 1.

    11 Het uitoefenen van bevoegdheden als bedoeld in titel 4.4 van de Awb (bestuursrechtelijke geldschulden) Voorzover ter voorbereiding en uitvoering van de taken en bevoegdheden die zijn opgenomen in dit mandaatregister

Wet openbaarheid van bestuur

  • 1.

    12 Beslissen omtrent verzoeken om informatie alsmede het uit eigener beweging of op verzoek verstrekken van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur

  • 1.

    13 Beslissen inzake verzoeken tot het opvragen of hergebruiken van gemeentelijke databanken als bedoeld in artikel 2 van de Databankenverordening Amsterdam

Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur

1.14 Vragen van advies als bedoeld in artikel 9 van deze wet aan het Bureau bevordering Integriteitsbeoordelingen

2 Toezicht en handhaving

  • 2.

    1 Op grond van artikel 5.10, derde lid, van de Wabo, artikel 11 van de Warvw en artikel 6.2 van de APV, aanwijzen van toezichthouders in de zin van artikel 5.11 van de Awb, voor zover de OD NZKG belast is met de uitvoering van een wettelijke regeling op grond waarvan toezichthouders kunnen worden aangewezen Geen ondermandaat toegestaan

  • 2.

    3 Opleggen van een last onder bestuursdwang op grond van artikel 125 van de Gemeentewet juncto afdeling 5.3.1 van de Awb, of het opleggen van een last onder dwangsom op grond van afdeling 5.3.2 van de Awb, wegens overtreding van een verbod op plicht gesteld bij of krachtens de in artikel 5.1 van de Wabo genoemde wetten alsmede de volgende wetten:

    • -

      Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels

    • -

      Huisvestingswet, voor zover dat verbod of die plicht betrekking heeft op onttrekking, samenvoeging of omzetting van woonruimte of woningsplitsing

  • 2.

    4 Opleggen van een last onder bestuursdwang op grond van artikel 125 van de Gemeentewet juncto afdeling 5.3.1 van de Awb, of het opleggen van een last onder dwangsom op grond van afdeling 5.3.2 van de Awb wegens overtreding van een verbod op plicht gesteld bij of krachtens de volgende verordeningen:

    • -

      Bouwverordening Amsterdam

    • -

      artikelen 4.10, 4.11 en 4.12 alsmede de artikelen 5.2 en 5.6 van de Algemene Plaatselijke Verordening Amsterdam 2008

    • -

      Bomenverordening Amsterdam 2008 en 2010

    • -

      Verordening op de vastgoedregistratie, voor zover dat verbod of die plicht betrekking heeft op reclame of huisnummering en perceelsregistratie

    • -

      Huisvestingsverordening en de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2010 voor zover dat verbod of die plicht betrekking heeft op onttrekking, samenvoeging of omzetting van woonruimte of woningsplitsing

    • -

      Garageverordening Amsterdam 2010

    • -

      Verordening Bodemsanering Amsterdam 2006

    • -

      Brandbeveiligingsverordening Amsterdam 1995

  • 2.

    5 Overige (anders dan hierboven in 2.3 en 2.4 genoemde bevoegdheden) bevoegdheden op grond van titel 5.3 van de Algemene wet bestuursrecht en het uitvaardigen van dwangbevelen, als bedoeld in artikel 5:10 van de Awb Voorzover ter voorbereiding en uitvoering van de taken en bevoegdheden die zijn opgenomen in dit mandaatregister

  • 2.

    6 Intrekken van een vergunning als bedoeld in artikel 5.19 Wabo

  • 2.

    8 Feitelijke effectueren van bestuursdwang

  • 2.

    9 Indienen van een verzoek om handhaving Voorzover betrekking hebbend op het omgevingsrecht in algemene zin

  • 2.

    10 Opleggen van een verplichting als bedoeld in de artikelen 13 tot en met 17 van de Woningwet

  • 2.

    11 Doen staken van het gebruik als bepaald in paragraaf 7.2 van de Bouwverordening Amsterdam

  • 2.

    12 Beslissen omtrent het uitbrengen, de toezending daaronder begrepen, van de last als bedoeld in de Verordening op de vastgoedregistratie

3 Fysieke leefomgeving

Wabo en Wro

  • 3.

    1 Beslissen op aanvragen om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, 2.2 en 2.6 van de Wabo

  • 3.

    2 Beslissen op aanvragen om een beschikking met betrekking tot de eerste of tweede fase zoals bedoeld in artikel 2.5 van de Wabo

  • 3.

    3 Beslissen op verzoeken om goedkeuring of toestemming die benodigd is op grond van de voorschriften opgenomen in de onder nr. 3.1 genoemde vergunning

  • 3.

    4 Opleggen van nadere eisen op grond van de voorschriften opgenomen in de onder nr. 3.1 genoemde vergunning

  • 3.

    5 Beslissen op aanvragen om een ontheffing van de voorschriften opgenomen in de onder nr. 3.1 genoemde vergunning

  • 3.

    6 Beslissen op verzoeken om vergoeding van kosten en schade, dan wel ambtshalve te besluiten tot het vergoeden van kosten en schade als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wabo

  • 3.

    7 Beslissen over het verlenen van toestemming om de omgevingsvergunning over te dragen zoals bedoeld in artikel 2.25, lid 3, onder b, van de Wabo

  • 3.

    8 Beslissen over aanvragen met betrekking tot het wijzigen of intrekken van vergunningen als bedoeld in artikel 2.31 en 2.33 van de Wabo

  • 3.

    9 Adviseren van andere bestuursorganen inzake een omgevingsvergunning zoals bedoeld in de Wabo

  • 3.

    10 Verzoeken om intrekking of wijziging van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wabo

  • 3.

    11 Indienen van zienswijzen tegen een ontwerp van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wabo

  • 3.

    12 Beslissen geen exploitatieplan vast te stellen zoals bedoeld in artikel 6.12 lid 2 Wro, naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12 lid 1, onder a sub 3, van de Wabo, van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken

  • 3.

    13 Uitoefenen van de bevoegdheid tot jaarlijkse herziening van exploitatieplan zoals bedoeld in artikel 6.15, eerste lid, Wro voor zover de herziening uitsluitend betrekking heeft op niet-structurele onderdelen zoals bedoeld in artikel 6.15, derde lid Wro en het eerste exploitatieplan is vastgesteld naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van het bestemmingsplan is afgeweken

  • 3.

    14 Verhalen van de kosten zoals bedoeld in artikel 6.17 van de Wro

  • 3.

    15 Uitoefenen van de bevoegdheid ex artikel 6.21 van de Wro

  • 3.

    16 Zorgdragen voor de procedure inzake milieu-effectrapportage als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wm, voorzover de procedure van de milieu-effectrapportage moet worden doorlopen ten behoeve van de vergunningverlening op grond van de Wabo

Coördinatie besluitvorming Wro - Waterwet – Wabo

  • 3.

    17 Zorgdragen voor de procedure met betrekking tot coördinatie van besluitvorming over projecten van gemeentelijk belang als bedoeld in artikelen 3.30, 3.31 en 3.32 van de Wro

  • 3.

    18 Zorgdragen voor de coördinatie van de voorbereiding van beschikking krachtens de artikel 6.2 van de Waterwet en omgevingsvergunningen zoals bedoeld in paragraaf 3.5 van de Wabo

Wet geluidhinder

  • 3.

    19 Doen van een verzoek tot het vaststellen van hogere grenswaarden vanwege een weg, industrieterrein en/of spoorweg als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder juncto het Besluit geluidhinder

  • 3.

    20 Beslissen op verzoeken tot het vaststellen van hogere grenswaarden vanwege een weg, industrieterrein en/of spoorweg als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder juncto het Besluit geluidhinder, in samenhang met het besluiten omtrent een omgevingsvergunning

  • 3.

    21 Uitvoeren van zonebeheer zoals bedoeld in artikel 163, het opstellen van een zonebeheerplan zoals bedoeld in artikel 164 en het verlangen van gegevens zoals bedoeld in 165 van de Wet geluidhinder

Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels

3.22 Uitoefenen van bevoegdheden en het uitvoeren van taken toegekend bij of krachtens de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels

Fysieke leefomgeving – overig

  • 3.

    23 Uitoefenen van bevoegdheden en het uitvoeren van taken op grond van de Bouwverordening Amsterdam en het Bouwbesluit 2012

  • 3.

    24 Beslissen op mededelingen/verzoeken om ontheffing voor het aanbrengen van reclame, als bedoeld in artikel 4.10, 4.11 en 4.12 van de APV

  • 3.

    25 Aanvragen van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 8.9 van de Wet luchtvaart

Verordening op de Vastgoedregistratie 2011

3.26 Het beslissen inzake het toekennen, wijzigen en het intrekken van een nummering van objecten, als bedoeld in artikel 4 tot en met 8 van de Verordening op de Vastgoedregistratie Amsterdam 2011

Huisvestingswet

  • 3.

    27 Beslissen op aanvragen om een vergunning tot onttrekking, samenvoeging of omzetting van woonruimte, als bedoeld in artikel 30 van de Huisvestingswet en de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2010

  • 3.

    28 Beslissen op aanvragen om een splitsingsvergunning als bedoeld in artikel 33 van de Huisvestingswet en de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2010

4 Milieuzaken

Wet milieubeheer

  • 4.

    1 Het uitoefenen van bevoegdheden en het uitvoeren van taken op grond van bij of krachtens hoofdstuk 8, 10, 17, 19 en 20 en titel 12.3 van de Wet milieubeheer (Wm) gestelde regels

  • 4.

    2 Het uitoefenen van bevoegdheden en het uitvoeren van taken op grond van bij of krachtens hoofdstuk 7 van de Wm gestelde regels voor zover deze besluiten moeten worden genomen in verband met vergunningverlening op grond van de Wabo

Algemene plaatselijke verordening

  • 4.

    3 Beslissen op een aanvraag om een vuurwerkvergunning als bedoeld in artikel 5.2 van de APV

  • 4.

    4 Verlenen van geluid- en lichtontheffingen o.g.v. artikel 5.6 van de APV

Wet bodembescherming

4.5 Uitoefenen van bevoegdheden en het uitvoeren van taken op grond van bij of krachtens hoofdstuk III van de Wet bodembescherming (Wbb) gestelde regels.

4.5.1 De vaststelling op grond van artikel 44, eerste lid, van het Besluit bodemkwaliteit, van gebiedsspecifiek toetsingskader voor de algemene toepassing van grond en baggerspecie, voor zover het beperkte aanpassingen met een uitvoerend karakter betreft van de op 4 april 2012 door de gemeenteraad vastgestelde nota bodembeheer Het gaat om beperkte aanpassingen met een uitvoerend karakter van de nota bodembeheer en de bijbehorende bodemkwaliteitskaart, bijvoorbeeld: het actualiseren van de bodemkwaliteitskaart, uitbreiding van het beheergebied, acceptatie van bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten of het toevoegen van data van nieuwe parameters

  • 4.

    6 Uitoefenen van bevoegdheden en het uitvoeren van taken die voortvloeien uit artikel 88 van de Wbb

  • 4.

    7 Aan de instemming met een saneringsplan en/ of de instemming met een nazorgplan verbinden van een voorschrift tot het stellen van financiële zekerheid als bedoeld in artikel 39f van de Wbb

  • 4.

    8 Beslissen op aanvragen om subsidie in het kader van de subsidieregeling bodemsanering bedrijven, gebaseerd op artikel 76j van de Wbb

5 Overgangsrecht

5.1

Het beslissen op aanvragen om een bouwvergunning als bedoeld in hoofdstuk 4, afdeling 1 van de Woningwet, alsmede het verlenen van de daarvoor noodzakelijke op grond van de Bouwverordening Amsterdam 2003 en het Bouwbesluit

  • 5.

    2 Het beslissen op aanvragen om vrijstelling als bedoeld in:

    • a.

      artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening;

    • b.

      artikel 17 juncto artikel 18 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening;

    • c.

      artikel 19, eerste lid, juncto artikel 19a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, met inachtneming van het bepaalde in het delegatiebesluit van 10 mei 2000 (Gemeenteblad 2000, afd. 3, volgnr. 54);

    • d.

      artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening juncto artikel 19a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening;

    • e.

      artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening juncto artikel 19a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening

  • 5.

    3 Het beslissen op aanvragen om ontheffingen dan wel het nemen van een projectbesluit als bedoeld in:

    • a.

      artikel 3.6, lid 1, sub c, Wet ruimtelijke ordening;

    • b.

      artikel 3.10 Wet ruimtelijke ordening juncto artikel 3.11 en 3.12 Wet ruimtelijke ordening;

    • c.

      artikel 3.22 Wet ruimtelijke ordening juncto artikel 3.24 Wet ruimtelijke ordening;

    • d.

      artikel 3.23 Wet ruimtelijke ordening juncto artikel 3.24 Wet ruimtelijke ordening;

    • e.

      artikel 3.38, lid 4, Wet ruimtelijke ordening

    • f.

      artikel 3.40 wet ruimtelijke ordening, juncto artikel 3.11 en 3.12 Wet ruimtelijke ordening.

  • 5.

    4 het beslissen op aanvragen om vrijstelling als bedoeld in:

    • a.

      artikel 46, derde lid van de Woningwet in samenhang met artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening juncto artikel 18 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening;

    • b.

      artikel 46, derde lid van de Woningwet in samenhang met artikel 19, eerste lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening juncto artikel 19a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, met inachtneming van het bepaalde in het voornoemde delegatiebesluit van 10 mei 2000;

    • c.

      artikel 46, derde lid van de Woningwet in samenhang met de artikelen 15 of 19, tweede en derde lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening juncto artikel 19a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening

  • 5.

    5 het beslissen op aanvragen om ontheffing/ verzoek om een projectbesluit te nemen als bedoeld in artikel 46 lid 3 Woningwet:

    • a.

      artikel 46, lid 3, van de Woningwet in samenhang met artikel 3.6, lid 1, sub c, van de Wet ruimtelijke ordening;

    • b.

      artikel 46, lid 3, van de Woningwet in samenhang met artikel 3.10 van de Wet ruimtelijke ordening juncto artikel 3.11 en 3.12 van de Wet ruimtelijke ordening;

    • c.

      artikel 46, lid 3, van de Woningwet in samenhang met artikel 3.22 en 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening juncto artikel 3.24 van de Wet ruimtelijke ordening;

    • d.

      artikel 46, lid 3, Wet ruimtelijke ordening in samenhang met artikel 38, lid 4, Wet ruimtelijke ordening;

    • e.

      artikel 46, lid 3, van de Woningwet in samenhang met artikel 3.40 van de Wet ruimtelijke ordening juncto artikel 3.10, 3.11 en 3.12 van de Wet ruimtelijke ordening.

  • 5.

    6 het beslissen op aanvragen om een sloopvergunning als bedoeld in hoofdstuk 8 van de Bouwverordening Amsterdam 2003, artikel 3.3 en 3.20 van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 37 van de Monumentenwet 1988

  • 5.

    7 het beslissen op aanvragen om of over intrekking van een aanlegvergunning als bedoeld in de artikelen 3.16 tot en met 3.19 van de Wet ruimtelijke ordening

  • 5.

    8 het beslissen op aanvragen om een monumentenvergunning als bedoeld in artikel 11 e.v. van de Monumentenwet 1988 en de Monumentenverordening

  • 5.

    9 het beslissen op een aanvraag om gebruiksvergunning, het opleggen van voorwaarden, en het weigeren, intrekken of wijzigen van een gebruiksvergunning als bedoeld in de artikelen 2.11.2 tot en met 2.11.6 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken

  • 5.

    10 het beslissen op aanvragen om een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, en 8.4 van de Wm voor categorieën van inrichtingen uit het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer

  • 5.

    11 het opleggen van nadere eisen op grond van de voorschriften opgenomen in de onder punt 5.10 genoemde vergunningen

  • 5.

    12 het beslissen op aanvragen om een ontheffing van de voorschriften opgenomen in de onder punt 5.10 genoemde vergunningen

  • 5.

    13 het beslissen op verzoeken om goedkeuring of toestemming die benodigd is op grond van de voorschriften opgenomen in de onder punt 5.10 genoemde vergunningen

  • 5.

    14 het beslissen op verzoeken om vergoeding van kosten en schade, dan wel ambtshalve te besluiten tot het vergoeden van kosten en schade als bedoeld in artikel 15.20, eerste en tweede lid van de Wm

  • 5.

    15 het stellen van nadere eisen, zoals bedoeld in artikel 12, tweede lid en 15 van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewater-bescherming

  • 5.

    16 het opleggen van gedoogverplichtingen, zoals bedoeld in artikel 16 van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterbescherming

Toelichting op het mandaatbesluit

Inleiding

In verband met de oprichting van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (hierna: Omgevingsdienst NZKG) is een gemeenschappelijke regeling getroffen, genaamd Gemeenschappelijke regeling Regionale uitvoeringsdienst Noordzeekanaalgebied (hierna: regeling). Het mandaat behelst de taken die in het kader van de regeling worden ingebracht en die zich richten op het in artikel 2 van de regeling genoemde belang. De ingebrachte taken worden voor het merendeel in mandaat door de Omgevingsdienst NZKG uitgevoerd.

Algemene toelichting

Voor de oprichting van de Omgevingsdienst is een Bedrijfsplan gemaakt, waar het college van Burgemeester en Wethouders op 16 oktober 2012 mee heeft ingestemd. In dat Bedrijfsplan zijn o.a. een model-mandaatbesluit en een model mandaatregister opgenomen. Het mandaatsbesluit en mandaatregister zijn in overeenstemming met deze modellen. Aan het mandaat kan een nadere voorwaarde of beperking worden verbonden. Deze zijn in de tweede kolom van het mandaatregister opgenomen.

In het mandaatbesluit is bepaald dat de directeur Omgevingsdienst NZKG bij de aan hem in mandaat, volmacht en machtiging opgedragen bevoegdheden de algemene instructies en de instructies per geval van het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester in acht neemt. De directeur Omgevingsdienst NZKG maakt geen gebruik van het mandaat indien hij een persoonlijk belang heeft bij het uitoefenen van de bevoegdheid.

Dit mandaat heeft betrekking op taken en bevoegdheden in het omgevingsrecht; de facto heeft het thans betrekking op taken en bevoegdheden in Westpoort en de Grootstedelijke Gebieden, omdat in andere gevallen de taken en bevoegdheden zijn overgedragen aan de Stadsdelen op basis van de Verordening op de Stadsdelen.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1 van het mandaatbesluit bevat een omschrijving van de belangrijkste begrippen die in het mandaatbesluit worden gebruikt. Niet alleen het college van burgemeester en wethouders, maar ook de burgemeester is in het mandaatbesluit opgenomen als mandaatgevend bestuursorgaan. Het gaat om speciale bevoegdheden van de burgemeester in het kader van de gemandateerde regelgeving, te weten het beslissen op mededelingen/verzoeken om ontheffing voor het aanbrengen van reclame, het beslissen op een aanvraag om een vuurwerkvergunning als bedoeld in artikel 5.2 van de APV, het verlenen van geluid- en lichtontheffingen op grond van artikel 5.6 van de APV.

Artikel 2, eerste lid, verwijst naar het mandaatregister. Hierin staan de concrete bevoegdheden opgenomen, alsmede de eventuele beperkingen en voorwaarden waaronder mandaat wordt verleend. In het tweede lid is bepaald dat van het mandaat is uitgesloten, de bevoegdheid om op bezwaar te besluiten. Deze bevoegdheid blijft derhalve bij het College van Burgemeester en Wethouders resp. de Burgemeester.

Artikel 4 maakt duidelijk dat de directeur Omgevingsdienst NZKG in het algemeen kan ondermandateren. Indien dit voor een concrete bevoegdheid niet is toegestaan, staat dit in het mandaatregister vermeld.

Toelichting op het mandaatregister

1.Algemene mandaten

Onder nr. 1.1 wordt duidelijk gemaakt dat ook de overige in het kader van het verleende mandaat te nemen beslissingen en uitvoeringshandelingen bij het mandaat horen, bijvoorbeeld het sturen van ontvangstbevestigingen en het nemen van beslissingen in het kader van de besluitvormingsprocedure. Bij dit laatste kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het opschorten of verlengen van een beslistermijn, het vragen om aanvullende gegevens, het buiten behandeling laten van aanvragen, het verstrekken van inlichtingen en het voldoen aan publicatieverplichtingen. Als al deze beslissingen en handelingen worden uitgeschreven, wordt het mandaat erg uitgebreid en onoverzichtelijk.

Onder nr. 1.2 is om dezelfde reden bepaald dat onder het mandaat voor het verlenen van een toestemming, tevens het intrekken, wijzigen of verlengen daarvan wordt begrepen. Alleen intrekking als sanctie staat apart vermeld onder hoofdstuk 2 ‘Toezicht en handhaving’ (nr. 2.5).

In de nrs. 1.3, 1.4 en 1.6 tot en met 1.8 wordt mandaat gegeven voor het optreden in bestuursrechtelijke procedures voor een besluit dat in mandaat is genomen door de Omgevingsdienst NZKG, dan wel voor het indienen van bezwaar- of beroepschrift tegen een besluit van een ander bestuursorgaan. Tevens is een bepaling opgenomen over het beslissen op een verzoek om schadevergoeding. In nr. 1.5 is mandaat opgenomen om te beslissen of tegen een besluit van een bestuursorgaan geageerd wordt, bijvoorbeeld een besluit van een aangrenzende gemeente omtrent ruimtelijke plannen die het werk,- en takenveld van de Omgevingsdienst raken.

In 2.9 is een dergelijke bepaling opgenomen met betrekking tot het indienen van een verzoek om handhaving.

Onder het voeren van bestuursrechtelijke procedures (nr. 1.3) wordt onder meer verstaan het indienen van verweerschriften in bezwaar en beroep, het vragen van uitstel van behandeling van bezwaar en beroep en het verrichten van andere proceshandelingen.

De algemene wet bestuursrecht geeft een regeling voor klachtbehandeling door een bestuursorgaan. In nr. 1.9 is de bevoegdheid hiervoor gemandateerd. Het gaat om gedragingen van de Omgevingsdienst NZKG dan wel personen die werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van de Omgevingsdienst NZKG bij de uitoefening van een gemandateerde bevoegdheid. Indien de klager met de afhandeling van de klacht niet tevreden is, kan deze een verzoekschrift indienen bij de ombudsman.

In nr. 1.10 zijn de bevoegdheden gemandateerd in verband met het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht over de mogelijkheid dat een bestuursorgaan een dwangsom verbeurt bij niet tijdig beslissen. Verder is in nr. 1.11 mandaat opgenomen voor het vaststellen van de verplichting tot betaling van een geldsom, het treffen van een betalingsregeling etc..

In nrs. 1.12 en 1.13 zijn mandaten opgenomen voor beslissingen in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur. Voor het geval een gemeente een databankenverordening heeft vastgesteld, is nr. 1.13 in de mandaatlijst opgenomen.

Nr. 1.14 voorziet in mandaat in het kader van de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Vanwege de samenhang met vergunningverlening is het vragen van advies als gemandateerde bevoegdheid in de mandaatlijst opgenomen. Het bevoegd gezag kan de vergunning weigeren of intrekken op grond van artikel 3 van deze wet. Het advies wordt gevraagd in de gevallen waarin het beleid van de gemeente dat voorschrijft.

2.Toezicht en handhaving

In dit hoofdstuk zijn in nrs. 2.1 tot en met 2.4 de aanwijzing van toezichthouders, het vorderen van gegevens, het opleggen van een last onder dwangsom en een last onder bestuursdwang opgenomen.

In nr. 2.3 wordt verwezen naar de wetten genoemd in artikel 5.1 Wabo. Daarin staan onder meer de volgende wetten genoemd: Flora en Faunawet, Monumentenwet 1988, Natuurbeschermingswet , Wet bodembescherming, Wet geluidhinder, Wet milieubeheer, Wet ruimtelijke ordening, Woningwet. Vanwege de omschrijving ‘bij of krachtens’ in nr. 2.3 is er ook bevoegdheid tot bestuursrechtelijke handhaving van algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen die gebaseerd zijn op de genoemde wetten. Bijvoorbeeld het Besluit en de Regeling omgevingsrecht, het Bouwbesluit 2012, het Besluit en de Regeling algemene regels inrichtingen milieubeheer, het Besluit mobiel breken, het Besluit risico’s zware ongevallen 1999, het Besluit lozen buiten inrichtingen, het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit, etc.

De bevoegdheid onder nrs. 2.3 en 2.4 omvatten tevens het beslissen op handhavingsverzoeken van derden en het afzien van handhaving, en de daarmee samenhangende acties.

Verder zijn in nrs. 2.5 tot en met 2.9 mandaten opgenomen voor het nemen van besluiten in een handhavingstraject, zoals het opheffen, opschorten van een last onder dwangsom of het verminderen van het dwangsombedrag, het nemen van een invorderingsbeschikking, of het nemen van een kosten- of toepassingsbeschikking in het kader van bestuursdwang.

3.Fysieke leefomgeving – Wabo en Wro

In dit hoofdstuk is onder meer het beslissen op de aanvraag voor een omgevingsvergunning opgenomen (nr. 3.1), waaronder ook de beslissing op een aanvraag voor de eerste of tweede fase, en tevens de beslissingen die uit de gestelde voorschriften in een omgevingsvergunning voortvloeien. Ook zijn twee coördinatiebepalingen opgenomen in relatie tot de Wro en de Waterwet (nrs. 3.17 en 3.18). Verder zijn in nrs. 3.19 tot en met 3.22 mandaten opgenomen ten aanzien van de Wet geluidhinder, inzake vaststellen hogere waarden en zonebeheer, en de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels. Nr. 3.23 omvat het mandaat met betrekking tot Bouwverordening en Bouwbesluit 2012.

4.Milieuzaken

In dit hoofdstuk zijn alle relevante taken en bevoegdheden op het gebied van milieu opgenomen.

Onder 4.1 is een aantal hoofdstukken van de Wet milieubeheer genoemd.

Hoofdstuk 8 heeft betrekking op inrichtingen, hoofdstuk 10 op afvalstoffen, hoofdstuk 17 op maatregelen in bijzondere omstandigheden, hoofdstuk 19 op openbaarheid van milieu-informatie, hoofdstuk 20 op beroep bij de administratie rechter, inclusief de mogelijkheid tot terstond van kracht verklaren van een beschikking, titel 12.3 op verslag-, registratie- en meetverplichtingen.

Hoofdstuk 7 Wm heeft betrekking op milieueffectrapportage (m.e.r.).

Onder 4.1 vallen diverse besluiten en regelingen die op de Wm gebaseerd zijn.

Bijvoorbeeld het Besluit mobiel breken, het Besluit lozen buiten inrichtingen, het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 (Brzo).

Het mandaat omvat onder meer het opleggen van maatwerkvoorschriften, het nemen van maatregelen bij ongewone voorvallen, goedkeuren van onderzoeksrapporten, het stellen van termijnen, het verlenen van toestemming of instemming, het verzoeken om overleggen van informatie, gegevens of verslagen en het verzoeken om aan te tonen dat wordt voldaan aan de eisen die zijn gesteld in de AMvB.

Het Brzo legt een aantal aangewezen categorieën van inrichtingen extra verplichtingen op in het kader van externe veiligheid. Het mandaat betreft onder meer het beoordelen van het door de inrichting op te stellen veiligheidsrapport, alsmede het uitvoeren van de daarmee samenhangende taken en bevoegdheden (zoals het verrichten van een aantal administratieve handelingen, het realiseren van afstemming met andere bevoegde gezagen in het kader van het besluit, het bezien of de voorschriften van de vergunningen aanpassing behoeven gelet op het veiligheidsrapport, etc.).

Nrs. 4.3 en 4.4 zullen niet voor elke gemeente relevant zijn om op te nemen in het individuele mandaatbesluit.

Nr. 4.5 betreft het mandaat voor taken en bevoegdheden op grond van onder meer het Besluit lozen buiten inrichtingen en het Besluit bodemkwaliteit.

Op grond van het Besluit lozen buiten inrichtingen kunnen bijvoorbeeld maatwerkvoorschriften worden opgelegd.

Het mandaat omvat met betrekking tot het Besluit bodemkwaliteit o.a. het vaststellen van een bodemfunctiekaart op grond van artikel 55 Besluit bodemkwaliteit.

Nr. 4.5.1

De vaststelling van een gebiedsspecifiek toetsingskader voor toepassing van grond en baggerspecie (nota bodembeheer) is een bevoegdheid van de gemeenteraad.

De vaststelling van beperkte aanpassingen van de nota bodembeheer met een uitvoerend karakter is door de gemeenteraad gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders. Deze bevoegdheid wordt gemandateerd aan de Omgevingsdienst. Het gaat bijvoorbeeld om het actualiseren van de bodemkwaliteitskaart, uitbreiding van het beheergebied, acceptatie van bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten of het toevoegen van data van nieuwe parameters.

In nr. 4.6 is mandaat opgenomen voor taken en bevoegdheden ingevolge de saneringsregeling, waaronder het beschikken op saneringsplannen, evaluatieverslagen en nazorgplannen, en het handhaven van de saneringsplicht bedrijfsterreinen en het zo nodig opleggen van een onderzoeks- of saneringsbevel. Daarnaast kan gedacht worden aan het beoordelen van (met mogelijkheid tot het geven van aanwijzingen) en het zo nodig optreden bij ongewone voorvallen.

Apart genoemd zijn het - aan een saneringsplan of nazorgplan - verbinden van een voorschrift inzake het stellen van financiële zekerheid (nr. 4.7) en het beslissen op een aanvraag om subsidie in het kader van de zogenaamde ‘Bedrijvenregeling’ (nr. 4.8).

5.Overgangsrecht

In dit hoofdstuk zijn bevoegdheden op basis van de Woningwet (oud), Wet op de Ruimtelijke Ordening (oud), Wet ruimtelijke ordening (oud) en Wet milieubeheer (oud) opgenomen. Deze zijn nog relevant, voorzover op een aanvraag van vóór de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna:Wabo), nog niet besloten is. Indien er wel besluitvorming heeft plaatsgevonden, worden deze besluiten ingevolge het overgangsrecht bij de Wabo gelijkgesteld aan een besluit op grond van de Wabo; bevoegdheden voor het wijzigen/intrekken van besluiten op basis van genoemde oude regelgeving zijn derhalve niet opgenomen.

Op termijn kan hoofdstuk 5 vervallen.

Burgemeester en wethouders voornoemd,

A.H.P. Van Gils, secretaris E.E. van der Laan, burgemeester

Naar boven