Burgemeester en wethouders van de gemeente Heerenveen;
Overwegende,
dat het in het belang van de verkeersveiligheid en het uiterlijk aanzien van de gemeente noodzakelijk wordt geacht om nadere regels te stellen ten aanzien van (brom)fietsparkeren in het stationsgebied van Heerenveen;
dat het ingevolge artikel 5:12 lid 1 van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV) mogelijk is plaatsen aan te wijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan;
dat in het stationsgebied (brom)fietsen buiten de daarvoor bestemde stallingmogelijkheden worden geplaatst;
dat fout geparkeerde (brom)fietsen tot overlast leiden voor voetgangers en overige verkeersdeelnemers waardoor ze de vrije doorgang beletten;
dat het ingevolge artikel 5:12 lid 2 APV mogelijk is plaatsen aan te wijzen waar het in het belang van het beheer van de openbare ruimte (openbare fietsstallingsgebieden), verboden is fietsen of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken te stallen;
dat onbeheerd geparkeerde (brom)fietsen die langer dan 28 dagen op een legitieme fietsparkeerplaats gestald staan de parkeercapaciteit zwaar belasten;
dat in de stallingen in het stationsgebied fietsen gestald staan die niet meer worden opgehaald, zogenaamde weesfietsen;
dat weesfietsen tot overlast zijn voor gebruikers die hun fiets in de stalling willen plaatsen;
dat het wenselijk is weesfietsen uit de stalling te verwijderen zodat er voldoende parkeercapaciteit beschikbaar is gebruikers van de rijwielstallingen;
dat fout geparkeerde fietsen en weesfietsen het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte aantasten;
gelet op het bepaalde in artikel 5:12 lid 1 en lid 2 van de APV;