Gemeenteblad van Arnhem

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
ArnhemGemeenteblad 2016, 19431Verordeningen



Afstemmingsverordening gemeente Arnhem 2015

 

Op 15 december 2014 heeft de gemeenteraad de 'Afstemmingsverordening gemeente Arnhem 2015' vastgesteld. Dit besluit is op 22 december 2014 in het Gemeenteblad bekendgemaakt. Deze bekendmaking bevatte niet de volledige tekst van de verordening. De volledige tekst treft u hieronder aan.

 

DE RAAD VAN DE GEMEENTE ARNHEM

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 18 november 2014, nummer 2014.0.108.638.

gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a en e, van de Participatiewet, artikel 35, aanhef en onderdeel a en c, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35, aanhef en onderdeel a en c, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen,

besluit:

vast te stellen de volgende verordening

 

 

Afstemmingsverordening gemeente Arnhem 2015

 

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Begrippen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • -

    IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

  • -

    IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

  • -

    uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet of een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ;

  • -

    bijstandsnorm:

    1° toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet, of

    2° grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de IOAW of artikel 5 van de IOAZ voor zover sprake is van een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ;

  • -

    benadelingsbedrag: netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.

     

Artikel 2 Het besluit tot opleggen van een verlaging

In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als bedoeld in de artikelen 9a, twaalfde lid, en 18, tweede, vijfde en zesde lid, van de Participatiewet, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAW en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAZ worden in ieder geval vermeld:

  • a.

    de reden van de verlaging;

  • b.

    de duur van de verlaging;

  • c.

    het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd, en

  • d.

    indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging.

     

Artikel 3 Horen van belanghebbende

  • 1.

    Voordat een verlaging wordt opgelegd wordt een belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.

  • 2.

    Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als:

    • a.

      de vereiste spoed zich daartegen verzet;

    • b.

      belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;

    • c.

      het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid, of

    • d.

      belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken.

       

Artikel 4 Afzien van verlaging

  • 1.

    Het college ziet af van een verlaging als:

    • a.

      elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt;

    • b.

      de gedraging meer dan drie jaar voor constatering daarvan door het college heeft plaatsgevonden.

  • 2.

    Het college kan afzien van een verlaging als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.

  • 3.

    Als het college afziet van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.

     

Artikel 5 Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging

  • 1.

    Een verlaging wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging aan belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende bijstandsnorm.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan de verlaging met terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de uitkering nog niet is uitbetaald.

  • 3.

    Een verlaging kan, door middel van herziening van het recht op uitkering, met terugwerkende kracht worden toegepast op de uitkering over de periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad als een verlaging overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is omdat de uitkering is beëindigd of ingetrokken.

  • 4.

    Als een opgelegde verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog ten uitvoer gelegd als belanghebbende binnen een jaar nadat de uitkering is ingetrokken of beëindigd opnieuw een uitkering ontvangt.

     

Artikel 6 Berekeningsgrondslag

  • 1.

    Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als:

    • a.

      aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet, of

    • b.

      aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend op grond van artikel 35 van de Participatiewet en de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie tot zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft.

  • 3.

    Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de hoofdstukken 2, 3 en 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de Participatiewet verleende bijzondere bijstand’.

     

     

Hoofdstuk 2. Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling

Artikel 7 Gedragingen Participatiewet

Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:

  • a.

    eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie;

  • a.

    tweede categorie:

    1°. het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet;

    2°. het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet;

    3°. het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet;

  • b.

    derde categorie: het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet.

     

Artikel 8 Gedragingen IOAW en IOAZ

Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de IOAW of de artikelen 37 en 38 van de IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:

  • a.

    eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie;

  • b.

    tweede categorie: het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de IOAW of artikel 38, eerste lid, van de IOAZ;

  • c.

    derde categorie: het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling en het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ.

     

Artikel 9 Hoogte en duur van de verlaging

  • 1.

    De verlaging bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 7 en 8, wordt vastgesteld op:

    • a.

      10% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden bij gedragingen van de eerste categorie;

    • b.

      20% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden bij gedragingen van de tweede categorie;

    • c.

      50% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden bij gedragingen van de derde categorie.

  • 2.

    Indien het college de bijstandsnorm overeenkomstig het eerste lid heeft verlaagd, kan het college op verzoek van de belanghebbende de verlaging herzien zodra uit de houding en gedragingen van de belanghebbende ondubbelzinnig is gebleken dat hij de niet of onvoldoende nagekomen verplichtingen nakomt.

     

     

Hoofdstuk 3. Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling

Artikel 10 Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting

Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100 % van de bijstandsnorm gedurende:

  • a.

    één maand bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdeel b, c, d, e, f, g en h, van de Participatiewet;

  • b.

    twee maanden bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdeel a, van de Participatiewet.

     

Artikel 11 Verrekenen verlaging

  • 1.

    Als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen kan bij een verlaging als bedoeld in artikel 10, onderdeel a, de verlaging worden toegepast over twee maanden waarbij zowel aan de maand van oplegging als aan de daaropvolgende maand de helft van de verlaging wordt toebedeeld.

  • 2.

    Bij een verlaging als bedoeld in artikel 10, onderdeel b, kan de totale verlaging worden toegepast over drie maanden waarbij zowel aan de maand van oplegging als aan de twee daaropvolgende maanden een derde van de totale verlaging wordt toebedeeld.

     

Hoofdstuk 4. Overige gedragingen die leiden tot een verlaging

Artikel 12 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

  • 1.

    Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt afgestemd op het benadelingsbedrag.

  • 2.

    De verlaging wordt vastgesteld op:

    • a.

      20% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag

      tot € 1.000,-;

    • b.

      20% van de bijstandsnorm gedurende drie maanden bij een benadelingsbedrag vanaf€ 1.000,- tot € 2.000,-;

    • c.

      20% van de bijstandsnorm gedurende zes maanden bij een benadelingsbedrag vanaf€ 2.000,- tot € 4.000,-;

    • d.

      20% van de bijstandsnorm gedurende 12 maanden bij een benadelingsbedrag van

      € 4.000,- of hoger.

  • 3.

    In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid wordt, indien belanghebbende geen beroep meer kan doen op een voorliggende voorziening, omdat deze volledig wordt verrekend met een bestuurlijke boete voor het bij herhaling schenden van de inlichtingenplicht, een verlaging opgelegd van 100% gedurende de eerste drie maanden gerekend vanaf de start van de verrekening.

  • 4.

    In afwijking van het bepaalde in het derde lid wordt de verlaging in de derde maand, gerekend vanaf de start van de verrekening, gematigd tot 20% indien belanghebbende redelijkerwijs niet kan beschikken over gelden ter hoogte van ten minste drie maal de toepasselijke bijstandsnorm, maar redelijkerwijs wel kan beschikken over gelden ter hoogte van twee maal de toepasselijke bijstandsnorm.

  • 5.

    In afwijking van het bepaalde in het derde lid wordt de verlaging in de tweede en derde maand, gerekend vanaf de start van de verrekening, gematigd tot 20% indien belanghebbende redelijkerwijs niet kan beschikken over gelden ter hoogte van ten minste twee maal de toepasselijke bijstandsnorm.

  • 6.

    In afwijking van het bepaalde in het tweede lid wordt de bijzondere bijstand die is verleend op grond van artikel 35 van de Participatiewet in zijn geheel verlaagd indien het beroep op bijzondere bijstand het gevolg is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.

     

Artikel 13 Zeer ernstige misdragingen

Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet, tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de IOAW als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g, van die wet of tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de IOAZ, als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g, van die wet, wordt een verlaging opgelegd van:

  • a.

    10 % van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het uitoefenen van verbaal geweld (schelden en/of discriminatie) tegen genoemde personen;

  • b.

    20 % van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij bedreiging en intimidatie van genoemde personen;

  • c.

    100 % van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen genoemde personen dan wel tegen materiële zaken.

     

Artikel 14 Niet nakomen van overige verplichtingen

  • 1.

    Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging opgelegd. De verlaging wordt vastgesteld op:

    • a.

      20 % van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;

    • b.

      20 % van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand;

    • c.

      40 % van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand;

    • d.

      100 % van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.

  • 2.

    Als een belanghebbende geen medewerking verleent aan het stellen van zekerheid als bedoeld in artikel 48, derde lid, van de Participatiewet, wordt de bijstand geweigerd.

     

Hoofdstuk 5. Samenloop en recidive

Artikel 15 Samenloop van gedragingen

  • 1.

    Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld.

  • 2.

    Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.

  • 3.

    Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet, artikel 13, eerste lid, van de IOAW of artikel 13, eerste lid van de IOAZ genoemde verplichting, wordt geen verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd.

  • 4.

    Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet, artikel 13, eerste lid, van de IOAW of artikel 13, eerste lid van de IOAZ genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt naast de boete voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.

     

Artikel 16 Recidive

  • 1.

    Als een belanghebbende binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is opgelegd vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen 7, 8, 12, 13 of 14, zich opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de duur van de oorspronkelijke verlaging met een maand verlengd.

  • 2.

    Als een belanghebbende binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is opgelegd als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet, opnieuw een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet nakomt, wordt de duur van de oorspronkelijke verlaging met een maand verlengd.

     

     

Hoofdstuk 6. Blijvende of tijdelijke weigering IOAW/IOAZ

Artikel 17 Blijvend en tijdelijk weigeren IOAW- of IOAZ-uitkering

  • 1.

    Het college kan de uitkering tijdelijk weigeren naar de mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de IOAW of artikel 8 van de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, als:

    • a.

      aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt, of

    • b.

      de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.

  • 2.

    Het college kan de uitkering blijvend weigeren naar de mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de IOAW of artikel 8 van de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, als belanghebbende:

    • a.

      nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, of

    • b.

      door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.

       

       

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Artikel 18 Intrekken oude verordeningen en overgangsrecht

  • 1.

    De Maatregelverordening gemeente Arnhem en de Maatregelverordening Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen gemeente Arnhem, beide vastgesteld op 18 februari 2013, worden ingetrokken.

  • 2.

    De bepalingen in de verordeningen, genoemd in het eerste lid, blijven van toepassing ten aanzien van gedragingen die hebben plaatsgevonden voor inwerkingtreding van deze verordening.

     

Artikel 19 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Afstemmingsverordening.

     

     

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 15 december 2014.

 

 

De griffier, De voorzitter,