Verordening precariobelasting 2017, BW16.00640

 

 

Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 november 2016;

Gelet op artikel 228 van de Gemeentewet;

 

Besluit:

vast te stellen de volgende verordening

“Verordening op de heffing en de invordering van precariobelasting 20 1 7

(Verordening precariobelasting 2017)

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder:

  • a.

    dag : een periode van 24 uren, aanvangende om 00.00 uur, of een gedeelte

    daarvan;

  • b.

    week : een periode van zeven achtereenvolgende dagen;

  • c.

    maand : een kalendermaand;

  • d.

    jaar : een kalenderjaar;

  • e.

    vergunning : een door het gemeentebestuur verleende en in een gemeentelijke

    registratie opgenomen toestemming op grond waarvan een persoon een of

    meer voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde

    gemeentegrond mag hebben;

  • f.

    bedrijfspompen : de pompen, die met uitsluiting van verstrekking of verkoop aan derden,

    slechts worden gebruikt ter verstrekking van motorbrandstoffen voor

    interne bedrijfsdoeleinden;

  • g.

    openbare activiteiten : een voor iedereen toegankelijk gebeuren, georganiseerd zonder winst-

    oogmerk;

Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam precariobelasting wordt een directe belasting geheven ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, bedoeld of genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

Artikel 3 Belastingplicht

  • 1.

    De precariobelasting wordt geheven van degene die het voorwerp of de voorwerpen onder, op of

    boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, dan wel van degene ten behoeve

    van wie dat voorwerp of die voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde

    gemeentegrond aanwezig zijn.

  • 2.

    In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt, indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, degene aan wie de vergunning is verleend of diens rechtsopvolger aan-

    gemerkt als degene bedoeld in het eerste lid, tenzij blijkt dat hij niet het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft.

Artikel 4 Vrijstellingen

De precariobelasting wordt niet geheven ter zake van het hebben van:

  • 1.

    voorwerpen, indien de gemeente ter zake van het gebruik van de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond waarop het voorwerp of de voorwerpen zich bevinden, een recht heft op grond van artikel 229, eerste lid, onderdeel a, van de Gemeentewet, dan wel een privaatrechtelijke vergoeding is overeengekomen.

  • 2.

    voorwerpen, waarvan de gemeente genothebbende is krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is, met uitzondering van voorwerpen die in gebruik zijn bij een derde;

  • 3.

    voorwerpen, die ingevolge een wettelijk voorschrift moeten worden gedoogd;

  • 4.

    buizen in de grond tot lozing van fecaliën, huishoud- of hemelwater;

  • 5.

    voorwerpen op de openbare weg bij kleinschalige niet-commerciële buurtactiviteiten;

  • 6.

    voorzieningen, aangebracht ten behoeve van minder validen, tot het toegankelijk maken van een eigendom.

Artikel 5 Maatstaf van heffing en belastingtarief

De precariobelasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel, met inachtneming van hetgeen overigens in deze verordening is bepaald.

Artikel 6 Berekening van de precariobelasting

  • 1.

    Voor de berekening van de precariobelasting wordt met betrekking tot een in de tarieventabel

    genoemde lengte- of oppervlaktemaat een gedeelte daarvan als een volle eenheid aangemerkt.

  • 2.

    Indien een tarief per oppervlakte is vastgesteld, wordt de precariobelasting berekend naar de

    oppervlakte van de horizontale projectie van de voorwerpen, tenzij anders is bepaald.

  • 3.

    De oppervlakte van andere dan rechthoekige voorwerpen wordt gesteld op het product van de

    twee aangrenzende zijden van een om het voorwerp geplaatste denkbeeldige rechthoek.

  • 4.

    Indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de

    voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, wordt voor de berekening van de precariobelasting aangesloten bij de geldigheidsduur van die vergunning, tenzij blijkt dat het belastbaar feit zich gedurende een kortere periode heeft voorgedaan. In dat geval bestaat aanspraak op ontheffing, waarbij het vijfde lid van overeenkomstige toepassing is.

  • 5.

    Indien in de tarieventabel voor een voorwerp tarieven voor verschillende tijdseenheden zijn

    opgenomen, wordt de precariobelasting berekend op de voor de belastingplichtige meest

    voordelige wijze.

  • 6.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 1 wordt voor de berekening van de precariobelasting:

    a. indien in de tarieventabel voor een voorwerp wel een weektarief, maar geen dagtarief is op-

    genomen, een gedeelte van een week gelijkgesteld met een week;

    b. indien in de tarieventabel voor een voorwerp wel een maandtarief, maar geen dag- of weektarief

    is opgenomen, een gedeelte van een maand gelijkgesteld met een maand.

  • 7.

    Indien in de tarieventabel voor een voorwerp een dagtarief, weektarief of maandtarief is opgeno-

    men en het belastingtijdvak een langere periode is dan een dag, onderscheidenlijke een week of een maand omvat, gelden deze tarieven per dag, onderscheidenlijk week of maand van het belas-tingtijdvak.

Artikel 7 Belastingtijdvak

  • 1.

    In de gevallen waarin de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het

    voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven de openbare dienst bestemde gemeentegrond, is

    het belastingtijdvak de periode waarvoor de vergunning is verleend, met dienst verstande, dat bij

    een kalenderjaaroverschrijdende geldigheidsduur van de vergunning, het belastingtijdvak gelijk is

    aan het kalenderjaar.

  • 2.

    In andere dan in het eerste lid bedoelde gevallen, is het belastingtijdvak de aaneengesloten periode

    gedurende welke het belastbaar feit zich voordoet of heeft voorgedaan.

Artikel 8 Wijze van heffing

  • 1.

    De precariobelasting wordt geheven bij wege van aanslag.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid wordt de voor de dag verschuldigde precariobelasting geheven door middel van een mondelinge kennisgeving, dan wel een schriftelijke kennisgeving, waarop het gevorderde bedrag is vermeld. Het gevorderde bedrag wordt mondeling, dan wel door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.

Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

  • 1.

    In de gevallen bedoeld in artikel 7, eerste lid, is de precariobelasting verschuldigd bij de aanvang

    van het belastingtijdvak of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

  • 2.

    In de gevallen bedoeld in artikel 7, tweede lid, is de precariobelasting verschuldigd bij het einde

    van het belastingtijdvak.

  • 1.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt is de naar jaartarieven

    geheven precariobelasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat tijdvak verschuldigde belasting als er in dat tijdvak, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 2.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, bestaat voor de naar

    jaartarieven geheven precariobelasting aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat tijdvak verschuldigde precariobelasting als er in dat tijdvak, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij blijkt dat het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € 5,00.

  • 3.

    Belastingbedragen van minder dan € 5,00 worden niet geheven.

Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van de op een aanslagbiljet vermelde

bedragen als het belastingbedrag aangemerkt.

Artikel 10 Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9 eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald uiterlijk twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid geldt - ingeval het totaalbedrag van de op één aanslag biljet verenigde aanslagen meer bedraagt dan € 45,-- met een maximum van € 3.000,-- en een machtiging is afgegeven voor het automatisch incasseren van het verschuldigde bedrag -, dat:

    • a.

      aanslagen, waarvan de dagtekening ligt tussen 1 januari en 1 oktober van het belastingjaar waarop ze betrekking hebben, worden geïncasseerd in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in het belastingjaar overblijven met een maximum van acht;

    • b.

      aanslagen, waarvan de dagtekening ligt na 30 september van het belastingjaar waarop ze betrekking hebben, worden geïncasseerd in drie gelijke termijnen.

Bij het van toepassing zijn van het vorenstaande vervalt de eerste incassotermijn een

maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen

telkens een maand later.

  • 1.

    In afwijking van het eerste lid geldt, voor aanslagen waarvan het totaal bedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen € 45,- of minder bedraagt en een machtiging is afgegeven voor het automatisch incasseren van het verschuldigde bedrag, dat het totaalbedrag van de aanslag in één keer wordt geïncasseerd twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.

  • 2.

    Voor aanslagen, waarvan het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen meer bedraagt dan € 3.000,--, is geen automatische incasso mogelijk en is de betalingstermijn als onder lid 1 van toepassing.

  • 3.

    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 11 Kwijtschelding

Bij de invordering van de precariobelasting wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 12 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de precariobelasting.

Artikel 13 Overgangsrecht

De “Verordening Precariobelasting 2015” vastgesteld bij besluit van 15 december 2015, wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 14, tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

Artikel 14 Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van bekendmaking.

  • 2.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2017.

Artikel 15 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening precariobelasting 2017”.

Beuningen, 20 december 2016

De griffier, De voorzitter,

Naar boven