Gemeente Hattem - Beleidsregels Wmo 2016

Inhoudsopgave

 

  • 1.

    Inleiding

  • 2.

    Procedurele bepalingen

  • 3.

    Verstrekkingswijzen en bijdragen

  • 4.

    Afwegingskader en algemene bepalingen

    4.1 Afwegingskader

    4.2 Algemene bepalingen

  • 5.

    Het kunnen uitvoeren van algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL); begeleiding en dagbesteding

  • 6.

    Het kunnen wonen in een schoon en leefbaar huis

  • 7.

    Het kunnen beschikken over goederen om te voorzien in de primaire levensbehoefte

  • 8.

    Het kunnen beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding

  • 9.

    Het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren

  • 10.

    Het zich kunnen verplaatsen in en om de woning

  • 11.

    Het kunnen wonen in een geschikt huis

  • 12.

    Het zich lokaal kunnen verplaatsen

  • 13.

    Het hebben van contact met medemensen en deelnemen aan recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten

  • 14.

    Het zo nodig kunnen wonen in een beschermde omgeving, dan wel kunnen beschikken over opvang

    • Bijlage I Indicatierichtlijnen Begeleiding

    • Bijlage II Bepalen omvang maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden

    • Bijlage III De uitraasruimte binnen de Wmo

    • Bijlage IV Aanvullende informatie autoaanpassingen

 

 

Hoofdstuk 1. Inleiding

 

De komst van de nieuwe Wet maatschappelijke ondersteuning (verder Wmo) met ingang van 1 januari 2015 maakt onderdeel uit van de grote stelselherziening, de drie decentralisaties die op dit moment plaatsvinden.

Deze drie decentralisaties (AWBZ-Wmo, de Jeugdwet en de Participatiewet) betekenen grote veranderingen in de zorg en gaan uit van meer verantwoordelijkheid voor de ingezetene én meer regie over het eigen leven.

Van de gemeentelijke overheid vraagt dit een andere rol: van zorgen vóór naar zorgen dat.

De rol van de gemeente wordt ondersteunend en faciliterend. De overheid neemt de verantwoordelijkheid van haar ingezetene niet over, maar stelt hen in staat om zo veel mogelijk de regie op het eigen leven te hebben en te behouden. Na de opgedane ervaring in 2015, is gebleken dat het noodzakelijk is om de beleidsregels met ingang van 2016 op een aantal onderdelen anders te formuleren en aan te scherpen. Het gaat niet om basale wijzigingen.

 

Samen met de ingezetene

Meer verantwoordelijkheid voor de ingezetene en meer regie, betekent ook dat de gemeentelijke overheid zich niet langer boven de ingezetene stelt, maar juist naast de ingezetene gaat staan. Niet langer bevoogdend, maar vanuit een gesprek op gelijkwaardige basis. Ieder vanuit eigen rol en verantwoordelijkheden.

Deze beleidsregels ademen niet altijd volledig deze sfeer, omdat het immers het college is die deze beleidsregels vaststelt en uit gaat voeren. Toch is het nadrukkelijk de intentie van het college om vanuit het Gesprek in goed overleg met de ingezetene te zoeken naar oplossingen bij problemen die ingezetene ervaren als het gaat om zelfredzaamheid en participatie.

 

Wmo 2015

Per 1 januari 2015 is een aantal taken vanuit de AWBZ naar de Wmo (de gemeenten) overgegaan, namelijk de ondersteuning gericht op participatie en begeleiding van mensen. Het betreft de volgende onderdelen:

  • extramurale begeleiding (individueel en groep, inclusief vervoer);

  • extramurale verzorging, ondersteuning bij algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) in het verlengde van begeleiding, voor mensen met een verstandelijke of zintuigelijke beperking, en psychiatrische problematiek;

  • beschermd wonen en opvang (voor zover deze niet afhankelijk is van op genezing gerichte zorg).

Daarnaast zijn gemeenten verantwoordelijk voor het erkennen en waarderen van mantelzorgers door het afschaffen van het landelijke mantelzorgcompliment. Dit laatste wordt niet uitgewerkt in deze beleidsnotitie, maar in een separaat beleidsvoorstel.

Met de inwerkingtreding van de nieuwe wet, de gedecentraliseerde taken en alle daarmee gepaard gaande veranderingen, waren nieuwe beleidsregels noodzakelijk, die nu voor 2016 geactualiseerd worden.

 

Wettelijke grondslag

De Wet maatschappelijke ondersteuning geeft de gemeente in artikel 2.1.3 de opdracht om in een verordening maatschappelijke ondersteuning keuzes en werkwijzen vast te leggen.

De beleidsregels Wmo zijn een nadere uitwerking van de keuzes zoals deze in de verordening gemaakt worden en aanvullend op het door het college vast te stellen Financieel besluit Wmo.

 

Maatschappelijke ondersteuning

De Wmo 2015 wijkt af van de oude Wmo doordat er sprake is van een andere vorm van compenseren. In tegenstelling tot de oude Wmo is in de Wmo 2015 bepaald dat een verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie die de ingezetene ondervindt, plaatsvindt voor zover de ingezetene deze beperkingen naar het oordeel van het college

  • niet op eigen kracht;

  • niet met gebruikelijke hulp;

  • niet met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk;

  • niet met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen.

 

In de Wmo 2015 ontbreken de negen prestatievelden. Er is een wettelijke opdracht aan gemeenten om zorg te dragen voor het totale terrein van maatschappelijke ondersteuning.

Onder maatschappelijke ondersteuning verstaat de Wmo in artikel 1.1.1.:

  • 1.

    Het bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld;

  • 2.

    Het ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving;

  • 3.

    Het bieden van beschermd wonen en opvang.

 

De onder het eerste lid genoemde aspecten van maatschappelijke ondersteuning worden niet op persoonlijk niveau beschikt. Voor deze aspecten draagt de gemeente in algemene zin zorg. In veel gevallen binnen reeds bestaande subsidierelaties (bijvoorbeeld subsidiëring van Stichting Welzijn Hattem of bij de vorming van het nieuwe meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling Veilig thuis).

De beleidsregels in deze notitie richten zich niet op de aspecten uit het eerste lid, maar beperken zich tot het tweede en derde lid.

 

De Kanteling wettelijk verankerd

Sinds de Kanteling van de Wmo 2007 is de eigen verantwoordelijkheid van ingezetenen steeds meer aangesproken. Met de komst van de Wmo 2015 is de Kanteling in de wet verankerd.

 

Eigen kracht

Iedere ingezetene is primair zelf verantwoordelijk voor zijn eigen leven en daarmee zijn eigen zelfredzaamheid en participatie. De ingezetene wordt gestimuleerd om zelf de regie te voeren en eigen mogelijkheden te benutten. Hierbij wordt van de ingezetene gevraagd dat hij gebruik maakt van de mogelijkheden in zijn omgeving. Hieronder valt ook het beroep op familie of mensen uit zijn sociaal netwerk.

Eigen kracht betekent ook dat de ingezetene bereid is om dingen uit te proberen en stappen te zetten, die niet direct zijn eerste voorkeur hebben.

Wat de eigen kracht inhoudt is voor elke situatie anders en vraagt een individuele afweging van de persoonlijke situatie.

 

Sociaal netwerk

Op grond van de Wmo 2015 wordt van ingezetenen verwacht dat zij elkaar bijstaan zoveel als zij kunnen. Hulp uit het sociaal netwerk kan iemand niet afdwingen, maar hij kan wel onderzoeken welke mogelijkheden er zijn.

Lukt het niet op eigen kracht of met hulp uit het sociaal netwerk voldoende zelfredzaam te worden of voldoende te participeren dan moet een ingezetene een beroep kunnen doen op door de overheid georganiseerde ondersteuning. Deze ondersteuning moet er op gericht zijn dat zij zo lang mogelijk in hun leefomgeving kunnen blijven.

 

Gebruikelijke voorzieningen

Gebruikelijke voorzieningen zijn producten of diensten die de ingezetene kunnen helpen bij de zelfredzaamheid en participatie en die algemeen verkrijgbaar of toegankelijk zijn. Waar deze voorzieningen voldoende zijn, is geen aanvullende ondersteuning vanuit de Wmo noodzakelijk.

 

Algemene voorzieningen

Een algemene voorziening is een aanbod van diensten en activiteiten dat zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers toegankelijk is en dat gericht is op maatschappelijke participatie (artikel 1.1.1. Wmo 2015). Algemene voorzieningen worden gefaciliteerd door de gemeente (bv. algemeen maatschappelijk werk). Het kan hierbij ook gaan om voorzieningen die door vrijwilligersorganisaties worden aangeboden, mits deze gefaciliteerd zijn door de gemeente. Belangrijk is dat de algemene voorzieningen bekend en beschikbaar zijn, zowel bij ingezetene, vrijwilligers als bij professionals, en dat zij gericht zijn op maatschappelijke participatie. De sociale kaart biedt hierbij ondersteuning. In de afweging of een algemene voorziening afdoende is (en dus geen maatwerkvoorziening noodzakelijk is), is doorslaggevend of de ondersteuningsvraag adequaat wordt opgelost.

 

Bij iedere ondersteuningsvraag zal samen met de ingezetene gekeken worden naar mogelijke oplossingen. Hierbij wordt een vaste volgorde aangehouden, waarbij gestart wordt bij de eigen kracht en uiteindelijk uitgekomen wordt bij een maatwerkvoorziening als er geen andere mogelijkheden zijn.

 

Ondersteuning volgens de Wmo 2015

Iedereen die behoort tot de doelgroep van de Wmo kan een beroep doen op deze wet.

De wet spreekt over personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, die behoefte hebben aan ondersteuning bij zelfredzaamheid en participatie.

 

Ondersteuning bij zelfredzaamheid en participatie (artikel 1.1.1 tweede lid Wmo)

Onder zelfredzaamheid verstaat de wet:

  • in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden.

Onder participatie verstaat de wet:

  • deelname aan het maatschappelijk verkeer.

De ondersteuning bij zelfredzaamheid en participatie wordt uitgewerkt in hoofdstuk 5 tot en met 13 van deze beleidsregels.

 

Ondersteuning in de vorm van beschermd wonen en opvang (artikel 1.1.1 derde lid Wmo)

Beschermd wonen is voor mensen die problemen hebben bij zelfredzaamheid en participatie en niet in staat zijn om op eigen kracht te wonen in de samenleving. Deze mensen wonen in een instelling met toezicht en begeleiding. Dit toezicht en deze begeleiding is gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, maar vaak ook op het voorkomen van verwaarlozing, maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de persoon zelf of diens omgeving. Psychisch en psychosociaal functioneren of het stabiliseren van een psychiatrisch ziektebeeld spelen bij deze mensen vaak een rol.

Opvang houdt in het bieden van onderdak en begeleiding voor mensen die de thuissituatie hebben verlaten. Dit kan te maken hebben met risico’s voor hun eigen veiligheid als gevolg van huiselijk geweld. Opvang is er voor die mensen die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

Het gaat om maatschappelijke opvang voor dak- en thuislozen, maar ook om vrouwenopvang en andere opvangvormen in verband met huiselijk geweld. Gedacht moet worden aan volwassenen en kinderen die slachtoffer zijn van huiselijk geweld, eergerelateerd geweld, loverboys, jeugdprostitutie of mensenhandel.

Ook bij beschermd wonen en opvang geldt dat eerst door de regiogemeente, dat wil zeggen Hattem zelf, gekeken wordt naar: eigen kracht, sociaal netwerk, gebruikelijke voorzieningen en algemene voorzieningen. Is beschermd wonen of opvang dan nog noodzakelijk, dan wordt dit verstrekt op grond van de Wmo. Het is dan altijd een maatwerkvoorziening. Opvang en beschermd wonen wordt regionaal uitgevoerd vanuit de centrumgemeente Zwolle.

 

Resultaten

De wet spreekt niet langer over prestatievelden. In plaats daarvan wordt gesproken over zelfredzaamheid en participatie. De onderdelen hulp bij het huishouden, wonen, rolstoelen, vervoer en sociale participatie zijn in het verleden door de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) vertaald naar resultaten. De resultaten worden in deze nadere regels nog steeds gebruikt vanuit de begrippen zelfredzaamheid en participatie.

 

Zelfredzaamheid

Onder zelfredzaamheid verstaat de gemeente Hattem het in staat zijn tot:

  • het kunnen verrichten van de algemeen dagelijkse levensverrichtingen (ADL) en het kunnen voeren van een gestructureerd huishouden;

  • het kunnen wonen in een schoon en leefbaar huis;

  • het kunnen beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding;

  • het kunnen beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften;

  • het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren;

  • het kunnen wonen in een geschikt huis.

 

Participatie

Onder participatie verstaat de gemeente Hattem het in staat zijn tot:

  • het zich kunnen verplaatsen in en om de woning;

  • het zich kunnen verplaatsen per vervoermiddel in de directe leefomgeving;

  • het hebben van contacten met de medemens en deelnemen aan recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten.

 

Beschermd wonen en opvang

Het zo nodig kunnen wonen in een beschermde omgeving, dan wel kunnen beschikken over opvang (hoofdstuk 13 van deze beleidsregels).

 

Beleidsvrijheid

De wijzigingen binnen de Wmo hebben geen gevolgen voor de beleidsvrijheid die gemeenten hebben ten aanzien van de wijze waarop zij ingezetenen ondersteunen bij hun zelfredzaamheid en participatie. Om te bepalen wie in aanmerking komt voor ondersteuning zijn toegangscriteria van belang. Hiervoor geldt een algemeen afwegingskader (hoofdstuk 4) en worden per resultaat aanvullende criteria en richtlijnen beschreven.

Hier is voor gekozen om de volgende redenen:

  • zichtbare richtlijnen verkleinen de kans op conflicten over besluiten;

  • zichtbare richtlijnen verkleinen het risico op verschillen in de uitvoering;

  • zichtbare richtlijnen geven de ingezetene inzicht in wat hij in een bepaalde situatie mag verwachten;

  • het maakt voor de ingezetene meer concreet welke beslissing hij in een bepaalde situatie mag verwachten;

  • het geeft mede inhoud aan het normenkader voor toetsing van doelmatigheid en rechtmatigheid.

 

 

Hoofdstuk 2. Procedurele bepalingen

 

De Wmo kent een aantal wettelijke bepalingen over de manier waarop het college de procedure van melding, aanvraag en besluit moet inrichten. In de Wmo-verordening zijn de wettelijke bepalingen opgenomen en vertaald naar de Hattemse situatie. In dit hoofdstuk wordt de procedure nog iets gedetailleerder beschreven. Op deze manier kan de ingezetene zien wat hij van de gemeente kan verwachten als hij behoefte heeft aan ondersteuning.

In dit hoofdstuk wordt gesproken over het loket zorg & welzijn en niet over het college. De medewerkers van het loket zorg & welzijn handelen onder verantwoordelijkheid en vanuit de mandaten van het college.

 

Eigen kracht

Uitgangspunt is dat de ingezetene als hij behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning eerst kijkt wat hij zelf of zijn omgeving kan doen. Zonder een melding kan de ingezetene ondersteuning zoeken bij informele of formele hulpverlening. Als de ingezetene dat wil, kan hij altijd informatie en advies krijgen bij het loket zorg & welzijn.

 

Melding

Als een ingezetene behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning kan hij contact opnemen met het loket zorg & welzijn. In het kader van de Wmo wordt dit de melding genoemd. De melding is conform de verordening vormvrij en kan schriftelijk, telefonisch, digitaal of in persoon gedaan worden. Het loket zorg & welzijn legt de melding vast.

De melding kan door de ingezetene zelf gedaan worden, maar ook namens de ingezetene door diens partner, een vertegenwoordiger of gemachtigde. Wanneer een signaal wordt afgegeven door een zorgverlener zal altijd contact opgenomen worden met de ingezetene of een vertegenwoordiger van de ingezetene.1

In 2016 - 2017 wordt het Loket 0 – 100 opgezet (één loket voor alle vragen, jeugd, participatie en Wmo). De procedure zal hier dan op aangepast worden en de rol van de zorgverlener hier op aangepast.

Het is mogelijk dat een ingezetene alleen informatie en advies vraagt bij het loket zorg & welzijn. Dit is geen melding in de zin van de Wmo. Van een melding is sprake als de ingezetene aangeeft dat hij behoefte heeft aan ondersteuning in zijn zelfredzaamheid of participatie.

 

Uitnodiging voor het Gesprek, persoonlijk plan en cliëntondersteuning

In overleg met de ingezetene wordt een datum gepland voor het Gesprek. In de regel vindt dit gesprek bij de ingezetene thuis plaats. Gevraagd wordt aan de ingezetene welke personen er naar de mening van de ingezetene aanwezig zouden moeten zijn bij het gesprek. De medewerker van het loket zorg & welzijn vraagt specifiek naar mantelzorgers.

De ingezetene wordt gewezen op de mogelijkheid om een persoonlijk plan voor te bereiden.

De afspraak wordt door het loket zorg & welzijn schriftelijk bevestigd. Deze bevestiging is tegelijkertijd de schriftelijke bevestiging van de melding.

 

Persoonlijk plan

Aan de ingezetene is bij het plannen van het Gesprek gevraagd of hij een persoonlijk plan wil voorbereiden. Als dit het geval is, stuurt het loket het format mee, dat de ingezetene kan ondersteunen bij het opstellen van zijn persoonlijk plan.

In ieder geval wordt de ingezetene in de brief nogmaals schriftelijk geïnformeerd over de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te dienen en wordt verwezen naar de gemeentelijke website, waar ook het format voor het persoonlijk plan te vinden zal zijn.

In het persoonlijk plan geeft de ingezetene zijn problemen aan bij zelfredzaamheid en participatie. Hij geeft aan op welke manier hij denkt dat de problemen opgelost kunnen worden.

De ingezetene is niet verplicht om een persoonlijk plan aan het college te overhandigen. Wel is de ingezetene verplicht om gegevens te overleggen die naar zijn oordeel en van het loket zorg & welzijn van belang zijn voor het loket zorg & welzijn om de ondersteuningsvraag te kunnen behandelen.

Het persoonlijk plan is wel een verplichting als een ingezetene kiest voor een persoonsgebonden budget (pgb) (zie ook hoofdstuk 3 Nadere bepalingen pgb).

 

Cliëntondersteuning

In de schriftelijke bevestiging van de afspraak voor het Gesprek wordt de ingezetene gewezen op de mogelijkheid van onafhankelijke cliëntondersteuning.

Cliëntondersteuning is onafhankelijke ondersteuning die bestaat uit informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen (artikel 1.1.1. Wmo 2015). Deze clientondersteuning bestrijkt een breder terrein dan de Wmo.

 

Naast onafhankelijke cliëntondersteuning mag de ingezetene zich laten ondersteunen door iemand van zijn keuze. Dit kan een mantelzorger zijn, partner of familielid, maar ook een vrijwillige cliëntondersteuner. De eigen voorkeur van de ingezetene staat voorop.

 

Onderzoek en het Gesprek

Het onderzoek naar de ondersteuningsvraag moet zo snel mogelijk plaatsvinden. Het moet in ieder geval binnen zes weken uitgevoerd zijn. Het is mogelijk om de onderzoekstermijn in overleg met de ingezetene te verlengen.

Het onderzoek start met het Gesprek. Dat voert een medewerker van het loket zorg & welzijn met de ingezetene. Waar mogelijk worden mantelzorgers, huisgenoten of andere belangrijke personen uit het sociaal netwerk betrokken bij het Gesprek. Ook kan een (onafhankelijk) cliëntondersteuner bij het Gesprek aanwezig zijn.

Tijdens het Gesprek brengt het loket zorg & welzijn de volledige situatie van de ingezetene in beeld en gaat hij na waar de problemen rond participatie en zelfredzaamheid zich voordoen. Het loket zorg & welzijn maakt hierbij gebruik van de zelfredzaamheidsmatrix om de volledige situatie van de melder in beeld te brengen.

Aanvullend op het Gesprek doet het loket zorg & welzijn onderzoek naar de door de ingezetene overgelegde gegevens. Wanneer dit aan de orde is overlegt het loket zorg & welzijn (uitsluitend) met toestemming van de ingezetene met artsen of hulpverleners die van de persoonlijke situatie van de ingezetene op de hoogte zijn.

 

Extern (medisch advies)

Soms is de situatie van een ingezetene zo complex dat de medewerker van het loket zorg & welzijn extra advies nodig heeft om samen met de ingezetene een goed ondersteuningsplan op te stellen. Wanneer dit aan de orde is zal de medewerker zich (medisch) laten adviseren door de door de gemeente gecontracteerde adviseur.

 

Verslag; het ondersteuningsplan

In de verordening wordt gesproken over het verslag waarin de onderzoeksresultaten worden verwoord. In deze beleidsregels spreken we in dit kader over het ondersteuningsplan.

Het ondersteuningsplan bevat een aantal onderdelen:

  • de bevindingen van het onderzoek. Dit bestaat uit:

    • een beknopte weergave van het Gesprek

    • de uitkomst van het aanvullend opgevraagde (medisch) advies

    • andere zaken die tijdens het onderzoek aan de orde zijn gekomen;

  • de afspraken die gemaakt zijn samen met de ingezetene over eigen kracht, ondersteuning vanuit het sociaal netwerk en mantelzorg;

  • de adviezen aan de ingezetene over het gebruik van gebruikelijke en algemene voorzieningen;

  • als dit aan de orde is: de aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Deze aanvraag is ingediend op het moment dat de ingezetene het ondersteuningsplan heeft ondertekend en teruggestuurd.

 

De aanvraag voor een maatwerkvoorziening

Er is een aantal manieren om een aanvraag in te dienen voor een maatwerkvoorziening:

  • door het ondertekenen en opsturen van het ondersteuningsplan, waar de maatwerkvoorziening onderdeel van uitmaakt;

  • door het ondertekenen en opsturen van het ondersteuningsplan en op het ondersteuningsplan op te schrijven welke (andere) maatwerkvoorziening wordt aangevraagd. Dit kan dus een maatwerkvoorziening zijn die geen onderdeel uitmaakt van het ondersteuningsplan;

  • door het direct indienen van een aanvraag zonder Gesprek en onderzoek. Dit laatste kan alleen in overleg met het loket zorg & welzijn als de situatie van de ingezetene al voldoende bekend is.

 

Een ingezetene kan een aanvraag dus in de regel niet indienen voorafgaand aan het onderzoek. Dit kan alleen in overleg met het loket zorg & welzijn als de situatie van de ingezetene al voldoende bekend is.

Het loket zorg & welzijn heeft 6 weken de tijd voor het onderzoek. Als de ingezetene na 6 weken, geen ondersteuningsplan heeft ontvangen, mag hij wel rechtstreeks een aanvraag voor een maatwerkvoorziening indienen.

 

Besluit

Als de aanvraag is binnengekomen heeft het college nog 2 weken de tijd om een besluit te nemen.

Dit geldt ook als er geen onderzoek en Gesprek heeft plaatsgevonden.

Het is mogelijk om de beslistermijn op grond van de bepalingen uit de Awb op te schorten.

 

Bezwaar en beroep

Het college beslist op een aanvraag om een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo. Tegen dit besluit staat bezwaar en beroep open. Op het besluit wordt omschreven hoe de ingezetene bezwaar kan maken.

 

 

Hoofdstuk 3. Verstrekkingswijzen en bijdragen

 

Soorten voorzieningen

De nieuwe wetgeving verwacht van gemeenten, dat zij bij het bepalen van de ondersteuningsbehoefte steeds meer gebruik maken van de eigen mogelijkheden van ingezetene en hun sociale netwerk. Daarnaast wil de wetgever dat gemeenten algemene voorzieningen faciliteren, organiseren en stimuleren, zodat er steeds minder inzet van maatwerkvoorzieningen noodzakelijk is.

Alleen als een algemene voorziening onvoldoende ondersteuning biedt, kan een maatwerkvoorziening verstrekt worden.

 

Algemene voorziening

In de wet wordt de algemene voorziening als volgt gedefinieerd, artikel 1.1.1 eerste lid Wmo 2015:

  • Een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning.

Kenmerkend voor een algemene voorziening is dat een ingezetene er zonder voorafgaand onderzoek gebruik van kan maken. Hierover hoeft door het college geen besluit te worden genomen.

Een algemene voorziening is voorliggend op een maatwerkvoorziening, als de algemene voorziening een passende oplossing biedt voor het probleem van de ingezetene.

Er zijn verschillende algemene voorzieningen. De algemene voorziening wordt gefaciliteerd of geïnitieerd door de gemeente. Te denken valt aan:

  • Door maatschappelijke organisaties met vrijwilligers georganiseerde open sociale activiteiten voor de participatie van ouderen (uitstapjes, inloop- en recreatiemiddagen);

  • De algemene voorziening Huishoudelijke Hulp (AVHH);

  • De algemene voorziening Regieondersteuning (AVR).

In alle gevallen zijn algemene voorzieningen voorliggend aan de maatwerkvoorziening en dienen zij gericht te zijn op maatschappelijke ondersteuning.

 

Maatwerkvoorziening

Een maatwerkvoorziening is volgens de wet, artikel 1.1.1 eerste lid Wmo:

Op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen:

  • 1.

    ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen (waaronder een rolstoel voor (semi) permanent gebruik), woningaanpassingen en andere maatregelen;

  • 2.

    ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen (waaronder een rolstoel voor incidenteel gebruik), woningaanpassingen en andere maatregelen;

  • 3.

    ten behoeve van beschermd wonen en opvang.

 

Het kenmerk van de maatwerkvoorziening is het maatwerk. De voorziening moet zijn afgestemd op individuele omstandigheden en mogelijkheden van de ingezetene. Bij de maatwerkvoorziening moet rekening gehouden worden met de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de ingezetene. Op deze manier wordt de ingezetene in staat gesteld tot zelfredzaamheid en/of participatie, zodat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven. Een voorziening die nodig is om de mantelzorger te ondersteunen of deze (tijdelijk) te ontlasten in een situatie van (dreigende) overbelasting, kan onderdeel uitmaken van een maatwerkvoorziening.

 

Tegemoetkoming in meerkosten

In de Wmo 2015 kan een maatwerkvoorziening niet meer als financiële tegemoetkoming worden verstrekt, maar uitsluitend in natura of als persoonsgebonden budget (pgb). Het is wel mogelijk een tegemoetkoming te geven aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen. De tegemoetkoming wordt op aanvraag verstrekt. De beslissing op de aanvraag heeft de vorm van een subsidiebeschikking. De toegekende middelen worden, in tegenstelling tot het pgb, rechtstreeks aan de ingezetene toegekend. Een aantal voorzieningen wordt verstrekt als tegemoetkoming in de meerkosten. Dit is uitgewerkt in het Financieel besluit Wmo.

 

Maatwerkvoorziening: pgb of natura; nadere bepalingen pgb

Het college kan op basis van de Verordening Wmo nadere regels stellen met betrekking tot een persoonsgebonden budget (pgb). Een toegekende maatwerkvoorziening wordt verstrekt in natura of als persoonsgebonden budget (pgb). Bij sommige voorzieningen is er geen keuze voor een pgb of voor een verstrekking in natura. Wanneer dit het geval is, wordt dit in het desbetreffende hoofdstuk beschreven.

Een ingezetene kan onder de volgende wettelijke voorwaarden kiezen voor een pgb (artikel 2.3.6 Wmo):

  • 1.

    De ingezetene dient naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat te worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat te worden geacht de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren.

  • 2.

    De ingezetene dient zich gemotiveerd op het standpunt te stellen dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget geleverd wenst te krijgen.

Daarnaast dient naar het oordeel van het college gewaarborgd te zijn dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en ingezetene gericht worden verstrekt.

In principe heeft de ingezetene binnen de wettelijke voorwaarden dus de keuze voor een pgb. De ingezetene legt de keuze voor een pgb vast in een persoonlijk plan.

 

Trekkingsrecht

In de wet is bepaald, dat met ingang van 2015 het zogenaamde ‘trekkingsrecht’ geldt. Dit houdt in dat de ingezetene een bedrag ter besteding beschikbaar gesteld krijgt, waarbij de betalingen en pgb-verantwoording worden uitgevoerd door de Sociale Verzekeringsbank.

 

De gemeente Hattem legt de volgende aanvullende voorwaarden vast:

 

  • 1.

    Kwaliteit

Het onderwerp kwaliteit wordt opgenomen in het persoonlijk plan. In het Gesprek wordt aandacht besteed aan de kwaliteit van ondersteuning die de ingezetene met het pgb wil inkopen. Wanneer bij een herindicatie blijkt dat de kwaliteit van de ondersteuning onvoldoende is, wordt voor de toekomst geen pgb meer verstrekt.

 

  • 2.

    Hoogte pgb

De hoogte van het pgb wordt bepaald op het bedrag dat de voorziening of dienst in natura zou kosten als deze door het college zou worden aangeschaft.

Als de voorziening of dienst duurder is dan de door het college gecontracteerde ondersteuning, kan het college het pgb weigeren voor dat gedeelte dat de voorziening of de dienst duurder is.

Om de kosten van een voorziening te kunnen bepalen kan het college een offerte opvragen bij de leverancier die ook de voorziening in natura levert.

 

Bij de te leveren diensten wordt onderscheid gemaakt tussen inkoop van ondersteuning bij personen die beroepsmatig of bedrijfsmatig werkzaam zijn (ook zzp’ers) en personen die niet beroepsmatig en bedrijfsmatig werkzaam zijn. Een zzp’er wordt aangemerkt als persoon die beroepsmatig en bedrijfsmatig werkzaam is (met het bijbehorende tarief), als er geen sprake is van een ‘constructie’ om informele (vrijwillige) zorg beroepsmatig of bedrijfsmatig te maken. Het is aan de zzp’er om dit aan te tonen, bijvoorbeeld doordat hij al langer als zzp’er werkt of doordat hij aan meerdere cliënten hulp of ondersteuning levert, waar hij geen informele relatie mee heeft.

Personen die niet beroepsmatig of bedrijfsmatig werkzaam zijn leveren alle overige ingekochte ondersteuning.

Voor personen die niet beroepsmatig of bedrjifsmatig werkzaam zijn, gelden de volgende maximumtarieven:

Individuele begeleiding € 20,-- per uur

Groepsbegeleiding € 20,-- per dagdeel

Hulp bij het huishouden (h. 6 tot en met 9) € 12,50 per uur

De maximale hoogte van ingekochte zorg door personen die niet beroepsmatig of bedrijfsmatig werkzaam zijn, bedraagt het wettelijk minimumloon per ‘persoon’ voor één ingezetene ook als er meerdere pgb’s zijn.

 

  • 3.

    Aanvullende bepalingen ingekochte ondersteuning in de vorm van begeleiding of hulp bij het huishouden bij een persoon die niet beroepsmatig of bedrijfsmatig werkzaam is

    • Vrij te besteden bedrag ondersteuning ingekocht bij een persoondie niet beroepsmatig of bedrijfsmatig werkzaam is:

    • Per pgb is 10% vrij besteedbaar met een maximum van € 250,--. Dit bedrag kan bijvoorbeeld besteed worden aan een feestdagenuitkering;

    • Kilometervergoeding:

    • In het algemeen wordt geen aanvullend pgb als kilometervergoeding voor de zorgverlener gegeven. In bijzondere situaties kan hier van afgeweken worden.

    • Van een bijzondere situatie is nooit sprake als de reiskosten minder dan 25 kilometer per dag bedragen. In bijzondere situaties wordt maximaal € 0,19 per kilometer verstrekt met een maximum van € 20,-- per dag. Wel is het mogelijk dat een pgb wordt verstrekt voor de vervoerskosten van een budgethouder, bijvoorbeeld als hij naar de dagbesteding gaat. De tarieven zijn gelijk aan die van vervoer bij een naturavoorziening;

    • Vergoeding bij plotseling beëindigen van de ondersteuning/eenmalige uitkering:

    • In de modelovereenkomst van Sociale Verzekeringsbank (verder SVB) zijn de voorwaarden en hoogte van een eenmalige uitkering opgenomen. De gemeente Hattem conformeert zich aan deze modelovereenkomst.

 

  • 4.

    Aanvullende bepalingen bij ingekochte ondersteuning in de vorm van begeleiding of hulp bij het huishouden bij een persoon die niet beroepsmatig of bedrijfsmatig werkzaam is

    • Per pgb is er een vrij besteedbaar bedrag van € 100,--;

    • Vergoeding bij plotseling beëindigen van de ondersteuning/eenmalige uitkering

    • In de modelovereenkomst van de Sociale Verzekeringsbank (verder SVB) zijn de voorwaarden en hoogte van een eenmalige uitkering opgenomen. Dit geldt alleen voor ondersteuning die wordt ingekocht bij een professionele zelfstandige.

 

  • 5.

    Salarisadministratie voor afdracht belastingen en premies

Wordt de ondersteuning/hulp voor 3 dagen per week of minder ingekocht, dan is de budgethouder niet verplicht belastingen en premies in te houden. Als de budgethouder toch gebruik wil maken van een salarisadministratie, dan kunnen de kosten hiervoor niet betaald worden uit het pgb.

Is het voeren van een salarisadministratie wel verplicht, dan wordt dit door het SVB uitgevoerd.

 

  • 6.

    Modelovereenkomst

Het is verplicht om de afspraken met de aanbieder van zorg/ondersteuning vast te leggen in de modelovereenkomst van de SVB. Voor pgb-houders die in 2014 al een overeenkomst hadden met hun hulp of begeleider is 2015 een overgangsjaar. In de loop van 2015 zijn deze ingezetene gevraagd hun bestaande contracten om te zetten naar de modelovereenkomst van de SVB.

 

  • 7.

    Financieren hulp uit het eigen netwerk

Aan het besteden van het pgb binnen het eigen netwerk worden voorwaarden gesteld. Hulp/ondersteuning vanuit het eigen netwerk is feitelijk een vorm van mantelzorg.

De wet omschrijft mantelzorg als:

hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.

 

Hoewel mantelzorg (waaronder hulp/ondersteuning vanuit het eigen netwerk) niet afdwingbaar is, wordt bij de budgethouder wel gevraagd om een aantal zaken in het persoonlijk plan vast te leggen. Het gaat hierbij om de volgende zaken:

  • De budgethouder moet motiveren waarom de hulp/ondersteuning die de mantelzorger levert niet onbetaald geleverd kan worden;

  • Vast moet staan dat de mantelzorger behoort tot de beroepsbevolking;

  • De budgethouder moet verklaren dat de mantelzorger geen enkele druk heeft uitgeoefend bij de keuze voor een pgb;

  • De mantelzorger moet in staat zijn om de in te kopen ondersteuning/hulp te bieden zonder dat dit leidt tot overbelasting van de mantelzorger;

  • Er kan geen ondersteuning/hulp worden ingekocht bij een mantelzorger, terwijl diezelfde mantelzorger overbelast is;

  • De budgethouder moet met de mantelzorger in samenspraak met het college bespreken in hoeverre de mantelzorger in staat is om structureel kwalitatief goede en kwantitatief voldoende hulp/ondersteuning te regelen. Wanneer aan deze voorwaarden niet voldaan wordt, kan het college besluiten dat het pgb niet ingekocht kan worden bij de mantelzorger.

 

  • 8.

    Uitsluiten van pgb

In aanvulling op de wettelijke bepalingen wordt ook geen pgb verstrekt:

  • in spoed/crisissituaties. De zorg in natura kan wel later worden omgezet in een pgb, als er voldoende tijd en rust is om een ondersteunings- en bestedingsplan te maken;

  • wanneer de diagnose onvoldoende duidelijk is. Ook hier geldt dat wanneer dit duidelijk is de zorg in natura alsnog omgezet kan worden in een pgb;

  • bij onvoldoende coördinatie: wanneer een aanvrager of een vertegenwoordiger van de aanvrager niet zelf de regie kan voeren en coördinatie op zorg nodig heeft, is een pgb niet het juiste instrument. Er kan geen pgb worden verstrekt voor de coördinatie van het pgb. De coördinatie van het pgb kan niet belegd zijn bij de formele zorgaanbieder.

 

Bijdragen

Voor het bieden van ondersteuning op grond van de Wmo, vraagt het college een bijdrage.

 

Bijdrage algemene voorziening huishoudelijke hulp

Voor de algemene voorziening huishoudelijke hulp mag een bijdrage in de kosten worden gevraagd. Deze bijdrage is onafhankelijk van het inkomen. De hoogte van de bijdrage mag maximaal kostendekkend zijn. De algemene voorzieningen in de gemeente Hattem zijn voor haar ingezetene kosteloos, behalve de algemene voorziening huishoudelijke hulp. Voor deze algemene voorziening vragen de uitvoerende instellingen een bijdrage rechtstreeks van de ingezetene. De hoogte van deze bijdragen wordt vastgelegd in het Financieel Besluit Wmo. Dit financieel besluit wordt separaat vastgesteld door het college.

 

Bijdrage maatwerkvoorzieningen

Het college vraagt voor maatwerkvoorzieningen een inkomens- en vermogensafhankelijke bijdrage (verder aangehaald als inkomensafhankelijke bijdrage) op grond van de vaste landelijke parameters. De bijdrage bedraagt maximaal de kostprijs. Het maakt niet uit of de maatwerkvoorziening wordt verstrekt in de vorm van een pgb of in de vorm van natura. De inning van de inkomensafhankelijke bijdrage is belegd bij het Centraal Administratie Kantoor (CAK).

 

Voor rolstoelen voor (semi)permantent gebruik wordt geen inkomensafhankelijke eigen bijdrage gevraagd. Rolstoelen voor incidenteel gebruik worden beschouwd als een voorziening voor participatie en niet als een voorziening voor het resultaat het zich kunnen verplaatsen in en om de woning. Voor deze voorziening wordt wél een inkomensafhankelijke eigen bijdrage gevraagd.

 

Voor alle maatwerkvoorzieningen die ten behoeve van een minderjarig kind worden verstrekt, wordt geen inkomensafhankelijke bijdrage gevraagd.

In het Financieel Besluit Wmo zullen de bedragen en de manier van berekenen worden vastgelegd. Dit financieel besluit wordt separaat vastgesteld door het college.

 

Stapeling

Het is mogelijk dat de stapeling van bijdragen vanuit de algemene voorziening huishoudelijke hulp en de maatwerkvoorzieningen de draagkracht van de ingezetene te boven gaat. In dat geval kan de ingezetene een beroep doen op bijzondere bijstand. Toekomstige mogelijkheden om stapeling te signaleren en binnen grenzen van het redelijke te houden zullen door het college benut worden.

 

 

Hoofdstuk 4 Afwegingskader en algemene bepalingen maatwerkvoorzieningen

4.1 Afwegingskader

Er is voor alle maatwerkvoorzieningen een gelijkluidend afwegingskader. Wanneer dat noodzakelijk is, wordt bij de afzonderlijke resultaten specifiek ingegaan op onderdelen uit dit afwegingskader.

 

Vanuit het afwegingskader beoordeelt het college in hoeverre andere wetgeving, eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, het sociale netwerk, gebruikelijke voorzieningen en algemene voorzieningen kunnen leiden tot het verminderen of het wegnemen van de beperkingen. Dit betekent dat elke hulpvraag vanuit dezelfde methodiek wordt benaderd.

Persoonskenmerken, behoeften en voorkeuren van de ingezetene spelen altijd een nadrukkelijke rol binnen het onderzoek. Ogenschijnlijk gelijke aanvragen kunnen gezien de omstandigheden waarin de ingezetene verkeert leiden tot verschillende oplossingen. In het onderzoek wordt samen met de ingezetene en diens netwerk gezocht naar oplossingen.

Hieronder volgt verdere uitwerking van het algemene afwegingskader.

 

Andere wetgeving

Kunnen de beperkingen worden verminderd of weggenomen door een beroep te doen op andere wetgeving?Het college beoordeelt allereerst in hoeverre andere wetgeving voorziet in een oplossing voor de hulpvraag. De Wmo ligt dicht aan tegen andere wetten,zoals de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet langdurige zorg (Wlz), de Jeugdwet, de Participatiewet en de Wet op de kinderopvang. Elke wet kent eigen regels en een eigen doel. Als een oplossing gevonden kan worden voor de beperking door een beroep te doen op andere wetgeving, dan wordt dit van de ingezetene gevraagd . Overigens krijgt het college binnen de Wmo de opdracht om ondersteuning te verlenen in afstemming op andere wetgeving. Er wordt dus van het college overleg en samenwerking gevraagd met de uitvoerders van andere wetten.

 

Voorbeelden:

  • De ingezetene vraagt op grond van de Wmo om in aanmerking te komen voor een rolstoel met als doel deze rolstoel voor incidentele uitstapjes te gebruiken. De ingezetene dient hiervoor een beroep op de Zvw te doen, die de uitleen van deze rolstoelen organiseert via de Thuiszorgwinkels;

  • De ingezetene die een beroep doet op de Wmo ten aanzien van het kunnen zorgen voor de kinderen, wordt allereerst verwezen naar de mogelijkheden op grond van de Wet op de kinderopvang.

Indien er in uitzonderlijke gevallen onduidelijkheid bestaat over de vraag of een andere wettelijke regeling voorziet in het bieden van een oplossing voor de hulpvraag én het betreft een spoedeisende situatie, kan de gemeente besluiten om op grond van de Wmo tijdelijk ondersteuning in te zetten.

 

Eigen kracht

Kunnen de beperkingen worden verminderd of weggenomen op eigen kracht en met eigen oplossingen? Het college beoordeelt in samenspraak met de ingezetene in hoeverre de ingezetene in staat is op eigen kracht zijn beperkingen te verminderen of weg te nemen. Onder eigen kracht worden de mogelijkheden verstaan die mensen hebben om hun leven zo in te richten dat zij hun problemen bij zelfredzaamheid of ondersteuning zelf verminderen of voorkomen.

 

Voorbeelden:

  • Als gevraagd wordt om in aanmerking te komen voor een woningaanpassing, maar een herindeling van het meubilair maakt de huidige woning ook geschikt, dan heeft dit de voorkeur boven een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo;

  • Een ingezetene die een beroep doet op begeleiding omdat er beperkingen zijn ten aanzien van het bijhouden en het nakomen van zijn of haar gemaakte afspraken, wordt allereerst verwezen naar een agendabeheersysteem op de eventueel aanwezige computer/laptop of naar een agenda-app zoals te downloaden via de eventueel in het bezit zijnde smartphone;

  • Van iedere ingezetene wordt verwacht dat hij zijn huisvesting aanpast op zijn levensfase. Voor ouderen betekent dit dat zij bijtijds nadenken over het krijgen of behouden van geschikte woonruimte bij toenemende ouderdomsgebreken;

  • Eenvoudige aanpassingen aan de woning om het gebruik daarvan te verbeteren, bijvoorbeeld het aanbrengen van steunpunten of een tweede trapleuning.

 

Gebruikelijke hulp

Kunnen de beperkingen worden verminderd of weggenomen met gebruikelijke hulp?Het college beoordeelt in samenspraak met de ingezetene bij elke hulpvraag of er sprake is van gebruikelijke hulp. Gebruikelijke hulp is de normale, dagelijkse zorg, die partners, ouders, inwonende kinderen en huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden. Dat betekent dat van huisgenoten verwacht wordt dat zij, bij uitval van één van de leden van die leefeenheid elkaar ondersteunen en taken van elkaar overnemen. Gebruikelijke hulp is aan de orde bij alle huisgenoten ouder dan 18 jaar en in beperkte mate bij kinderen en jongeren onder de 18 jaar.

Bij het beoordelen of er sprake is van gebruikelijke hulp is het van belang om toeval en willekeur te voorkomen. Het hangt af van de sociale relatie welke zorg mensen elkaar moeten bieden. Hoe intiemer de relatie, des te meer hulp gebruikelijk is. Als het gebruikelijk is dat mensen elkaar in een bepaalde situatie zorg bieden, bijvoorbeeld ouders aan hun kinderen, is dat niet vrijblijvend met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning.Per situatie wordt bekeken of de huisgenoot ook daadwerkelijk in staat is tot het verlenen van gebruikelijke hulp. Als er sprake is van een zeer korte levensverwachting, kan dit een reden zijn om geen gebruikelijke hulp te verlangen.

 

Echtgenoten/ouders/huisgenoten:

Van echtgenoten, ouders en huisgenoten (18 ) mag in beginsel worden verwacht dat zij gebruikelijke hulp kunnen bieden. Ook naast een fulltime baan of fulltime studie.

Het kan hierbij gaan om huishoudelijke taken, maar ook om het begeleiden van kinderen binnen het normale patroon van dagelijkse begeleiding van ouders aan kinderen.

Soms is de huisgenoot structureel een aantal dagen of nachten afwezig en kan hij dus niet de gebruikelijke hulp leveren. In dat geval kan het college ondersteuning inzetten voor taken die niet kunnen blijven liggen tot de huisgenoot weer thuis is.

 

Kinderen:

Kinderen leveren maar beperkt gebruikelijke hulp. Zorgvuldig moet gekeken worden naar de bijdrage die op een bepaalde leeftijd van een kind verwacht mag worden. De ontwikkelingsfase én het feitelijke vermogen van het kind spelen hierbij een rol. Kinderen bieden geen gebruikelijke hulp als het gaat om het begeleiden van hun ouders of broertjes en zusjes.

Bij hulp in het huishouden leveren kinderen wel een beperkte bijdrage afhankelijk van hun leeftijd, Tot 5 jaar leveren kinderen geen bijdrage aan het huishouden. Kinderen van 5 – 12 jaar worden binnen hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden zoals opruimen, tafeldekken/afruimen, afwassen/afdrogen en een boodschap doen. Kinderen vanaf 13 jaar kunnen daarnaast hun eigen kamer op orde houden (bijvoorbeeld opruimen, bed verschonen en stofzuigen).

 

Jongeren van 18 tot 23 jaar:

Vanaf 18 jaar wordt iemand verondersteld in verband met studie op kamers te kunnen wonen en een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. Vanaf 23 jaar wordt men verondersteld een volledig huishouden te kunnen voeren. De gebruikelijke hulp wordt bij jongeren tot 23 jaar die bijvoorbeeld bij één van de ouders wonen die ondersteuning nodig heeft, afgestemd op de capaciteiten die van hem verwacht worden.

 

Gebruikelijke hulp bij begeleiding:

Bij begeleiding is het noodzakelijk onderscheid te maken tussen kortdurende en langdurige situaties.

Hoofdregels:

  • Als er sprake is van een kortdurende situatie, wordt van de echtgenoot, ouder of inwonende huisgenoot verwacht dat hij gebruikelijke hulp verleent voor die periode. Het gaat hierbij om een periode van maximaal 3 maanden;

  • Als er sprake is van een chronische situatie, wordt van de echtgenoot, ouder of inwonende huisgenoot verwacht dat hij gebruikelijke hulp verleent binnen algemeen aanvaarde maatstaven.

 

Binnen algemeen aanvaardbare maatstaven is in ieder geval:

  • het bieden van begeleiding op het gebied van de maatschappelijke participatie;

  • het begeleiden van de ingezetene bij het normaal maatschappelijk verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer zoals het bezoeken van familie/vrienden, huisarts enzovoort;

  • het bieden van hulp bij of het overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, zoals het doen van de administratie;

  • het leren omgaan door derden, zoals familie en vrienden, met de persoon met beperkingen (waaronder kinderen).

 

Grenzen aan gebruikelijke hulp

In de volgende situaties zal gebruikelijke hulp in de regel niet of niet volledig aan de orde zijn:

  • Een werkende partner/huisgenoot is beroepshalve minimaal 7 etmalen aaneengesloten van huis. Bijvoorbeeld in het geval van een internationale vrachtwagenchauffeur of bij offshore werkzaamheden;

  • Er is sprake van een dreigende (medische) overbelasting van de gebruikelijke zorgverlener. Bijvoorbeeld als gevolg van een combinatie van gebruikelijke zorg met grote psychische belasting;

  • In crisissituaties bij bijvoorbeeld het plotselinge overlijden van de (verzorgende) partner/ouder met jonge kinderen of bij een korte levensverwachting van de zorgvrager;

  • Bij personen waar in redelijkheid niet meer verwacht kan worden dat de gebruikelijke hulp aangeleerd kan worden.

 

Mantelzorg

Kunnen de beperkingen worden verminderd of weggenomen met mantelzorg? Het college beoordeelt in samenspraak met de ingezetene bij elke hulpvraag of er sprake is van mantelzorg.

De wet omschrijft mantelzorg als, artikel 1.1.1 eerste lid Wmo:

hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.

Bij het verlenen van mantelzorg gaat het om ondersteuning die niet afgedwongen kan worden. Mantelzorg overstijgt de gebruikelijke hulp. Mantelzorg is geen zorg in het kader van een hulpverlenend beroep. Van belang is de balans tussen draagkracht en draaglast van de mantelzorger, waar nodig en mogelijk ontvangt de mantelzorger ondersteuning.

Het is van belang om mantelzorg te onderscheiden van vrijwilligerswerk. Bij mantelzorg is er sprake van zorg vanuit de relatie die de mantelzorger met de ingezetene heeft.

 

Voorbeelden:

Mantelzorg is de begeleiding die een dementerende ingezetene (die zonder toezicht niet alleen thuis kan blijven) krijgt van zijn partner.

Mantelzorg is ook het thuis opvangen en verzorgen van een gehandicapt kind, dat voortdurend zorg en toezicht nodig heeft.

 

Sociaal netwerk

Kunnen de beperkingen worden verminderd of weggenomen met hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk? Het college beoordeelt in samenspraak met de ingezetene bij elke hulpvraag in hoeverre er hulp geboden wordt of kan worden vanuit het sociaal netwerk. Wettelijk gezien is er weinig verschil tussen mantelzorg en hulp vanuit het sociaal netwerk.

De wet omschrijft het sociaal netwerk als:

  • personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de ingezetene een sociale relatie onderhoudt.

Onder huiselijke kring wordt verstaan een familielid, huisgenoot of mantelzorger.

Toch noemt de wetgever mantelzorg en hulp uit het sociaal netwerk apart. Bij mantelzorg gaat het in de regel om hulp/ondersteuning van iemand die dicht tot zeer dicht bij de ingezetene staat. Bovendien is mantelzorg naar zijn aard intensiever dan hulp vanuit het sociaal netwerk.

Onder het sociaal netwerk vallen niet alleen huisgenoten of mantelzorgers, maar iedereen met wie de ingezetene regelmatig contacten onderhoudt, zoals buren, vrienden, geloofsgenoten of leden van de hobbyclub. De Wmo vindt het redelijk om van de ingezetene te vragen dat hij binnen zijn sociaal netwerk hulp en ondersteuning zoekt.

Veel ingezetenen vinden dit moeilijk. Van het loket zorg & welzijn wordt verwacht dat zij de ingezetene ondersteunen bij het stellen van de vraag om hulp/ondersteuning in zijn sociaal netwerk. Daarom is het goed om hier nadrukkelijk bij stil te staan tijdens het onderzoek zoals verricht wordt na de melding.

 

Voorbeelden:

Als de buurvrouw structureel de boodschappen doet, omdat de ingezetene dat niet meer kan, is er sprake van ondersteuning uit het sociaal netwerk.

Dit is ook het geval als mensen een familielid ondersteunen bij vervoer. Of vrienden die helpen bij de opvang en opvoeding van een kind met beperkingen.

 

Gebruikelijke voorzieningen

Kunnen de beperkingen worden verminderd of weggenomen met gebruikelijke voorzieningen? Het college beoordeelt in samenspraak met de ingezetene bij elke hulpvraag of de ingezetene gebruik kan maken van gebruikelijke voorzieningen.

Bij gebruikelijke voorzieningen gaat het om producten of diensten die de ingezetene kunnen helpen bij de zelfredzaamheid en participatie en die algemeen verkrijgbaar of toegankelijk zijn. Voorzieningen of producten die gebruikelijk zijn, komen niet voor verstrekking in aanmerking. Het gaat hierbij om voorzieningen die naar de geldende maatschappelijke normen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van de aanvrager behoren. De beoordeling, wat in het betreffende geval als gebruikelijk wordt beschouwd, vindt plaats op basis van jurisprudentie en maatschappelijke ontwikkelingen.

 

Specifiek gaat het om voorzieningen die:

  • in de reguliere handel verkrijgbaar zijn, dus direct beschikbaar;

  • niet speciaal voor mensen met beperkingen bedoeld zijn;

  • niet aanzienlijk duurder zijn dan vergelijkbare producten met hetzelfde doel;

  • voor niet-ondersteuningsbehoevenden in een vergelijkbare positie tot het normale aanschaffingspatroon kunnen worden gerekend;

Bij de resultaathoofdstukken worden voorbeelden gegeven van gebruikelijke voorzieningen.

 

Algemene voorzieningen

Kunnen de beperkingen worden verminderd of weggenomen met algemene voorzieningen die de gemeente zelf heeft georganiseerd of die andere organisaties realiseren? Het college beoordeelt in samenspraak met de ingezetene of er algemene voorzieningen zijn waarvan de ingezetene gebruik kan maken.

In de wet wordt de algemene voorziening als volgt gedefinieerd, artikel 1.1.1 eerste lid Wmo 2015:

  • Een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning.

Er zijn veel verschillende algemene voorzieningen. Een algemene voorziening wordt gesubsidieerd of gefaciliteerd door de gemeente.

 

Voorbeelden:

  • algemene voorzieningen Huishoudelijke Hulp en Regieondersteuning;

  • voorzieningen vanuit vrijwilligersorganisaties en professionele aanbieders.

Het is van belang dat algemene voorzieningen gericht zijn op maatschappelijke ondersteuning en inzichtelijk zijn voor zowel ingezetenen, vrijwilligers als professionals. De sociale kaart is hierbij een belangrijke ondersteuning.

 

Maatwerkvoorziening

Als het bovenstaande afwegingskader geen oplossingen biedt die leiden tot het verminderen of wegnemen van de beperkingen, zal het college beoordelen of de ingezetene in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening. De volgende hoofdstukken bevatten een afwegingskader per resultaat.

 

4.2 Algemene bepalingen

 

Goedkoopst adequaat

Een maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt als deze als goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt. In eerste instantie moet bepaald worden of de te verstrekken voorziening adequaat is. Zijn er twee of meer voorzieningen adequaat, dan wordt gekozen voor de goedkoopste voorziening. Met het begrip goedkoopst adequaat wordt bedoeld: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Het gaat om de goedkoopste voorziening vanuit het gezichtspunt van het college, dus de voorziening die voor de gemeente het goedkoopst is. Toch kan het college rekening houden met een kostenafweging in bredere zin. Dit is het geval bij het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (verder de regiotaxi). De regiotaxi heeft een bepaalde omvang nodig om te kunnen draaien. Ook kan het voorkomen dat het college volgens wet en verordening niet verplicht is om de maatwerkvoorziening te verstrekken, terwijl deze voorziening veel zorgkosten voorkomt op andere plekken in het zorgdomein. In dit laatste geval kan het college de samenwerking zoeken met andere wettelijke partijen.

 

Langdurig noodzakelijk

Langdurig noodzakelijk wil zeggen dat de ingezetene voor langere tijd aangewezen dient te zijn op een desbetreffende aanpassing, hulpmiddel of dienst. Voor tijdelijke beperkingen wordt geen maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo verstrekt. Een uitzondering hierop kan gelden bij de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden. Deze maatwerkvoorziening wordt binnen deze nadere regels vooral ingezet in crisissituaties en heeft in principe juist een tijdelijk karakter om een gezin de mogelijkheid te geven een aantal zaken te regelen zodat de algemene voorziening weer passend is. Over het algemeen wordt onder langdurig noodzakelijk voor hulpmiddelen verstaan: in ieder geval langer dan 6 maanden. Voor tijdelijke hulpmiddelen kan iemand een beroep doen op de uitleen van hulpmiddelen vanuit de thuiszorgwinkels. Bij begeleiding wordt onder langdurig noodzakelijk langer dan 3 maanden verstaan. Als begeleiding langer dan 3 maanden noodzakelijk is, kan deze de gebruikelijke hulp overstijgen. Er wordt niet rigide met de termijn van 3/6 maanden omgegaan. Bij een terminale ingezetene wordt een maatwerkvoorziening niet zondermeer geweigerd als er mogelijk geen sprake is van een langdurig gebruik. Ook de prognose van de belemmeringen kunnen van belang zijn. Zegt de prognose dat de ingezetene na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen, aanpassingen of diensten zal kunnen functioneren, dan kan toch van kortdurende noodzaak uitgegaan worden al is dit langer dan 6 maanden. Bij een wisselend beeld zal in de regel uitgegaan worden van een langdurige noodzaak, mits dat wisselende beeld permanent is.

 

In overwegende mate op het individu gericht

De maatwerkvoorziening dient vooral op het individu gericht te zijn. Met het op het individu gericht zijn worden de volgende punten bedoeld:

  • een aanvraag voor een gemeenschappelijke voorziening is niet mogelijk. Er moet altijd één individuele aanvrager zijn die de voorziening aanvraagt;

  • een voorziening wordt alleen verstrekt voorzover het die specifieke aanvrager betreft.

De voorziening is dus gericht op het individu, waarbij wel rekening wordt gehouden met zijn sociale situatie en omgeving.

 

Kosten voorafgaand gemaakt aan de aanvraag

Er wordt in de regel geen maatwerkvoorziening verstrekt voorzover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de aanvrager voorafgaand aan het moment van de aanvraag heeft gemaakt. Jurisprudentie maakt hierop een aantal uitzonderingen, die hier niet verder uitgewerkt worden.

 

De maatwerkvoorziening is reeds eerder verstrekt

Een maatwerkvoorziening wordt niet verstrekt als eenzelfde voorziening al eerder is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn nog niet is verstreken. Een uitzondering hierop wordt gemaakt als de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan buiten de schuld van de aanvrager. Is een derde partij schuldig aan het verloren gaan van de voorziening dan kan die aansprakelijk gesteld worden. Wanneer iemand van een adequate, aangepaste woning wil verhuizen naar een niet-adequate woning dan wordt deze woning niet opnieuw aangepast. In situaties waarbij de verhuizing mogelijk niet te vermijden is zoals bij gezinsuitbreiding of echtscheiding kan een uitzondering gemaakt worden.

 

Aanspraak op verblijf en zorg in een instelling op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz)

Een maatwerkvoorziening hoeft niet verstrekt te worden als een ingezetene een indicatie Verblijf heeft voor opname in het kader van de Wlz. Dit geldt ook als een ingezetene deze indicatie nog niet heeft en weigert mee te werken bij het aanvragen van deze indicatie, terwijl hij daar mogelijk wel recht op heeft.

 

 

Hoofdstuk 5. Het kunnen uitvoeren van algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) en het voeren van een gestructureerd huishouden; begeleiding en dagbesteding

Opbouw hoofdstuk 5

Wat is begeleiding; individuele begeleiding en dagbesteding

Algemene voorziening regieondersteuning (individuele begeleiding en dagbesteding)

Maatwerkvoorziening begeleiding (individuele begeleiding en dagbesteding)

Resultaten

Toegangscriteria

Afwegingskader begeleiding (individuele begeleiding en dagbesteding)

Het bouwen van de juiste ondersteuning; de bouwstenen

Licht, medium of complex

Omvang individuele begeleiding

Omvang dagbesteding

Dagbesteding begeleiding in een groep

Dagbesteding licht

Dagbesteding medium

Dagbesteding complex

Respijtzorg in de vorm van kortdurend verblijf

Vervoer

Persoonlijke verzorging

 

Inleidend

Algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) zijn de handelingen die mensen dagelijks in het gewone leven verrichten. Hieronder valt ook persoonlijke verzorging zoals douchen, wassen en aankleden. Iemand die door zijn beperkingen niet zelfstandig in staat is tot het verrichten van ADL-verrichtingen heeft ondersteuning nodig. Als iemand zoveel hulp nodig heeft dat hij continu toezicht en ondersteuning moet hebben, kan hij wellicht niet langer thuis in zijn eigen omgeving blijven wonen en kan de Wlz mogelijk een oplossing bieden. Maar als (nog) geen sprake is van een onverantwoorde situatie, kan hulp en ondersteuning vanuit de Wmo verstrekt worden. De hulp en ondersteuning in het kader van dit resultaat noemen we begeleiding of als de begeleiding in een groep wordt gegeven dagbesteding.

 

Mensen zijn zelfredzaam in hun algemene dagelijkse levensverrichtingen als zij de volgende dingen kunnen:

  • in en uit bed komen

  • aan- en uitkleden

  • bewegen/lopen, gaan zitten en weer opstaan

  • lichamelijke hygiëne, toiletbezoek

  • eten/drinken

  • medicijnen innemen

  • ontspanning en sociaal contact.

In het kader van ondersteuning vanuit de Wmo gaat het alleen om het bieden van begeleiding tijdens het uitvoeren van deze algemene levensverrichtingen en niet om het overnemen daarvan. Deze begeleiding bij ADL wordt ook wel zorg met de handen op de rug genoemd.

 

Ondersteuning met het oog op het voeren van een gestructureerd huishouden is heel breed en omvat bijvoorbeeld:

  • hulp bij contacten met officiële instanties;

  • hulp bij het aanbrengen van structuur in het huishouden;

  • hulp bij het (weer) leren om zelfstandig te wonen;

  • hulp bij het omgaan met onverwachte gebeurtenissen die de dagelijkse structuur doorbreken;

  • hulp bij het omgaan met geld.

 

Wat is begeleiding; individuele begeleiding en dagbesteding

De Wmo verstaat onder begeleiding alle activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de ingezetene opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven.

In het kader van begeleiding gaat het om de volgende activiteiten:

  • het ondersteunen bij of het oefenen van vaardigheden of handelingen;

  • het ondersteunen bij of aanbrengen van structuur of het voeren van de regie;

  • het overnemen van toezicht op de ingezetene.

 

Er is sprake van individuele begeleiding en begeleiding in een groep. Begeleiding in een groep noemen we dagbesteding. Begeleiding is aan de orde bij lichte, medium en complexe problemen bij regievoering (zie bijlage I). ingezetenen met lichte regieproblemen zullen vaak in de directe omgeving geholpen kunnen worden. Net als bij andere resultaten wordt eerst gekeken naar eigen kracht, ondersteuning vanuit het sociaal netwerk en algemene voorzieningen. Met ingang van 2015 is er naast de ondersteuning die er al is vanuit de vrijwilligersorganisaties in Hattem een algemene voorziening regieondersteuning gestart.

 

Algemene voorziening regieondersteuning

De gemeente Hattem kent een Algemene voorziening regieondersteuning (verder AVR). Met deze algemene voorziening wil de gemeente haar ingezetenen een snelle en regelarme oplossing bieden voor de beperkingen die zij ondervinden bij het voeren van de eigen regie. De algemene voorziening is een direct beschikbare voorziening met een lichte toegangstoets.

 

Voor wie is de algemene voorziening regieondersteuning bedoeld?

Ingezetenen met lichte of matige regieproblemen en/of chronisch psychische of psychosociale problemen die belemmeringen ervaren in:

  • het behouden of verkrijgen van die mate van zelfredzaamheid die nodig is voor het uitvoeren van de noodzakelijke ADL-handelingen;

  • het voeren van een gestructureerd huishouden;

  • het kunnen participeren/het kunnen deelnemen aan het maatschappelijke verkeer;

  • het functioneren binnen de persoonlijke levenssfeer.

 

De algemene voorziening kan zowel worden in gezet in de vorm van individuele ondersteuning als in de vorm van groepsondersteuning (dagbesteding). De medewerker van de AVRkijkt samen met het sociaal netwerk of en welke regieondersteuning passend is. Als er vanuit het maatschappelijk middenveld en vrijwilligersorganisaties extra ondersteuning ingezet moet worden, dan zal dit samen met de ingezetene en het sociaal netwerk van de ingezetene bekeken worden. Ontlasting van de mantelzorger kan ook onderdeel zijn van de ondersteuning. De AVR is passend bij lichte of matige regieproblemen. Blijkt uit het eerste contact met de ingezetene of in de loop van de ondersteuning dat er sprake is van ernstige regieproblemen, dan wordt de ingezetene doorverwezen naar de gemeente om de mogelijkheden van een maatwerkvoorziening te bekijken. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij een complexe situatie (bij aanvang van de ondersteuning) of bij een voortgaand dementeringsproces (in de loop van de ondersteuning). De signaleringsfunctie bij de algemene voorziening is van groot belang en moet voorkomen dat er onveilige of onwenselijke situaties ontstaan zowel voor de ingezetene als diens omgeving.

 

Maatwerkvoorziening begeleiding (individuele begeleiding en dagbesteding)

De gemeente Hattem biedt een maatwerkvoorziening aan als de AVR niet passend en/of afdoende is.

 

Resultaten

Begeleiding op grond van de Wmo stelt de ingezetene met matige of ernstige regieproblemen in staat om zolang mogelijk in de eigen leefomgeving te kunnen blijven door:

  • het behouden of verkrijgen van die mate van zelfredzaamheid die nodig is voor het uitvoeren van de noodzakelijke ADL-handelingen;

  • het voeren van een gestructureerd huishouden;

  • het kunnen participeren/het kunnen deelnemen aan het maatschappelijke verkeer;

  • het functioneren binnen de persoonlijke levenssfeer.

 

Doelgroep

Personen met een ondersteuningsbehoefte die door zijn beperkingen, chronisch psychische of psychosociale problemen belemmeringen ervaart ten aanzien van het kunnen uitvoeren van ADL. Hierdoor is de persoon onvoldoende zelfredzaam. Meer specifiek ervaren deze personen problemen op het gebied van:

  • de sociale redzaamheid;

  • het psychisch functioneren;

  • het geheugen en de oriëntatie;

  • het vertonen van probleemgedrag.

 

Afwegingskader maatwerkvoorziening begeleiding (individuele begeleiding en dagbesteding)

  • Het afwegingskader zoals opgenomen in hoofdstuk 4 is van toepassing. Er zijn alleen aanvullende bepalingen opgenomen;

  • Wanneer de begeleiding (gedeeltelijk) door een mantelzorger wordt gegeven is de balans tussen draagkracht en draaglast van de mantelzorger van belang. Waar nodig en mogelijk ontvangt de mantelzorger ondersteuning;

  • De verantwoordelijkheid van de gemeente houdt op als vastgesteld is dat iemand recht heeft op zorg en verblijf ten laste van de Wlz door middel van een indicatie Verblijf, omdat deze is aangewezen op permanent toezicht en 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Dit geldt ook voor ingezetenen die recht hebben op deze zorg, maar deze zorg thuis ontvangen. Let op het onderscheid tussen ingezetenen die op grond van de Wlz een indicatie tot verblijf hebben en ingezetenen die beschermd wonen nodig hebben (zie hoofdstuk 14);

  • In sommige situaties kan dagbesteding vanuit het UWV georganiseerd worden bij Wajongers.

  • Denk bij algemene en gebruikelijke voorzieningen ook aan:

    • welzijnswerk, kinderopvang, sport;

    • gebruikelijke oplossingen kunnen gevonden worden in planningshulpmiddelen, zoals een agenda, een computer met software op het gebied van planning, administratie of financiën, het automatisch inrichten van administratie etc.;

    • algemene voorzieningen zijn er in de vorm van professionele- en vrijwilligersorganisaties die ingezetenen ondersteunen, bijvoorbeeld hulp bij het omgaan met geld etc.;Niet relevant is of men gebruik wil maken van een dergelijke voorziening. Wel belangrijk is dat de ingezetene in staat is de voorziening te gebruiken;

  • Als het bovenstaande niet voldoende tot het resultaat heeft geleid kan de ingezetene een beroep doen op de algemene voorziening regieondersteuning;

  • Als dit alles niet geleid heeft tot een oplossing of vermindering van het probleem, zal het college een maatwerkvoorziening inzetten;

  • De maatwerkvoorziening moet afgestemd worden op onderwijs en scholing (dat gevolgd wordt of gevolgd kan worden) en betaalde arbeid;

  • Als een maatwerkvoorziening op het gebied van begeleiding aan de orde is, moet bekeken worden of dit in groepsverband (dagbesteding) of op individueel niveau ingezet moet worden. Bij het beoordelen van de geëigende vorm wordt uitgegaan van de goedkoopst adequate voorziening. De keuze voor dagbesteding of individuele begeleiding hangt af van het doel van de begeleiding. Voor het bieden van dagstructuur is groepsbegeleiding adequaat en goedkoper dan individuele begeleiding. Ligt de behoefte aan ondersteuning echter in het één of meerdere keren per week bieden van hulp bij het doornemen van de dag- of weekstructuur en niet zozeer in het daadwerkelijk bieden van dagstructuur, dan is individuele begeleiding de aangewezen vorm om aan de ondersteuningsbehoefte te voldoen;

  • Bepaald moet worden of er medium of complexe individuele begeleiding/dagbesteding nodig is. Vanuit de beperkingen van de ingezetene wordt gezocht naar oplossingen. Met de ingekochte bouwstenen (zie verder) wordt een begeleidingsarrangement samengesteld. De intensiviteit die nodig is voor het oplossen van de beperkingen bepaalt hoeveel er vanuit welke bouwsteen worden in gezet.

 

Het bouwen van de juiste ondersteuning; de bouwstenen

Onder de AWBZ bestonden er meer dan 50 verschillende producten en subproducten op het gebied van begeleiding. In onze regio is dit teruggebracht naar 14 bouwstenen. In dit hoofdstuk komen alleen de bouwstenen ten aanzien van coördinatie en hulpverlening aan de orde. Met deze 10 bouwstenen wordt een passend begeleidingsarrangement samengesteld en dit arrangement wordt als maatwerkvoorziening verstrekt aan de ingezetene.

Voor begeleiding gelden de volgende bouwstenen:

 

  • Bouwsteen coördinatie

Deze bouwsteen wordt in uitzonderlijke situaties ingezet. Namelijk alleen in complexe situaties in aanvulling op de werkzaamheden van de ketenregisseur. Als deze bouwsteen wordt ingezet wordt een aanbieder aangewezen om de coördinatie van zorg op zich te nemen.

 

  • Bouwstenen hulpverlening

  • Opstellen uitvoeringsplan (bij één maatwerkaanbieder)

  • Begeleiding individueel licht

  • Begeleiding individueel medium

  • Begeleiding individueel complex

  • Dagbesteding licht

  • Dagbesteding medium

  • Dagbesteding complex

  • Persoonlijke verzorging/regie op huishouden (alleen in combinatie met begeleiding)

  • Vervoer van en naar dagbesteding

 

Licht, medium en complex

Of individuele begeleiding wordt ingezet als licht, medium of complex hangt af van de kwantiteit en de kwaliteit van de beperkingen. Op hoeveel zelfredzaamheidsgebieden is er sprake van een regieprobleem en wat is de aard van het regieprobleem. Is er op de meeste gebieden sprake van matige beperkingen, dan wordt begeleiding medium ingezet. Zie bijlage I voor de uitwerking. Licht en medium maatwerk wordt, daar waar dat passend is, vanaf 2015 uitgevoerd via de algemene voorziening regieondersteuning.

 

Omvang individuele begeleiding

Bij het Gesprek zullen de beperkingen van de ingezetene in beeld worden gebracht. De omvang wordt bepaald op grond van:

  • de hoeveelheid aan beperkingen (weinig/middelmatig/veel);

  • de aard van de beperkingen (licht/matig/ernstig).

 

De hoeveelheid beperkingen bepaalt het aantal uren dat ingezet moet worden. Hierbij is het uitgangspunt:

  • bij weinig beperkingen: individuele begeleiding tot 2 uur per week;

  • bij een middelmatig aantal beperkingen: individuele begeleiding tot 6 uur per week;

  • bij veel beperkingen: individuele begeleiding tot 10 uur per week.

Het uitgangspunt laat onverlet dat de omvang de begeleiding uiteindelijk maatwerk is en afgestemd moet zijn op de situatie van de gebruiker en diens mantelzorger.

 

Omvang dagbesteding

Bij het Gesprek zullen de beperkingen van de ingezetene in beeld worden gebracht. De omvang van de in te zetten dagbesteding wordt bepaald op grond van:

  • de hoeveelheid aan beperkingen (weinig/ middelmatig/veel);

  • de aard van de beperkingen (licht/matig/ernstig).

 

De hoeveelheid beperkingen bepaalt het aantal uren dat ingezet moeten worden. Hierbij is het uitgangspunt:

  • bij weinig beperkingen: dagbesteding tot 4 dagdelen per week;

  • bij middelmatig aantal beperkingen: dagbesteding tot 8 dagdelen per week;

  • bij veel beperkingen: dagbesteding tot 10 dagdelen per week.

Het uitgangspunt laat onverlet dat de omvang van dagbesteding maatwerk is en afgestemd moet zijn op de situatie van de gebruiker en diens mantelzorger.

 

Dagbesteding; begeleiding in een groep

Dagbesteding is een overkoepelende term waaronder dagactiviteiten en dagopvang vallen. Dagbesteding is onder te verdelen in twee vormen:

  • recreatieve dagbesteding;

  • arbeidsmatige dagbesteding.

Dagbesteding die zuiver recreatief van aard is, is anders dan arbeidsmatige dagbesteding waarbij de deelnemer ook een bijdrage aan de samenleving levert. Dagbesteding kan ook ingezet worden ter ontlasting van de mantelzorger. Arbeidsmatige dagbesteding binnen een re-integratietraject naar werk valt niet onder de Wmo, maar onder de Participatiewet.

Dagbesteding met een bijdrage aan de samenleving (arbeidsmatige dagbesteding)

Arbeidsmatige dagbesteding is het leveren van een geringe arbeidsprestatie onder begeleiding waardoor er een bijdrage aan de samenleving geboden wordt. De activiteiten zijn gericht op productie of dienstverlening in het kader van het leveren van een bijdrage aan de samenleving. Er wordt een geringe arbeidsprestatie verwacht. De begeleiding is in eerste plaats gericht op het creëren van veiligheid en structuur. De mogelijke opbrengst van de productie wordt ingezet als bijdrage aan de kosten of als ondersteuning aan de maatschappij. Voor de ingezetene heeft deze vorm van dagbesteding veelal de functie van werk zonder daarvoor loon te ontvangen.

 

Dagbesteding licht

Dagbesteding licht is met ingang van 2015 als maatwerkvoorziening komen te vervallen. Voor deze vorm van dagbesteding zijn algemene voorzieningen, waaronder de algemene voorziening regieondersteuning, ontwikkeld.

 

Dagbesteding medium

 

Wat

Dagbesteding in geval van matige beperkingen

Dagbesteding met medium intensieve begeleiding biedt een ingezetene een structurele, activerende daginvulling. Het activiteitenprogramma als geheel biedt de ingezetene structuur, sociale contacten en zingeving. Bij de activiteiten wordt begeleiding geboden in een middelgrote groep, waarbij kennis van de doelgroep belangrijk is. De ingezetene krijgt zorg, begeleiding of toezicht, passend bij de ondersteuningsvraag.

 

Toegangscriteria

De ingezetene is 18 jaar of ouder en er is sprake van een chronisch beeld met medium problematiek als gevolg van fysieke, zintuigelijke, verstandelijke beperkingen, psychische- of psychogeriatrische aandoening of verslavingsproblematiek. Vanwege de aard, omvang en duur van zijn beperkingen is de ingezetene niet in staat tot een vorm van dagstructurering te komen. De ingezetene is onvoldoende zelfredzaam om op eigen kracht of met hulp vanuit het netwerk tot een volledige daginvulling te komen.

 

Resultaten

Het resultaat van dagbesteding medium, waaronder arbeidsmatige dagbesteding, is:

algemeen

  • het bieden vanstructuur,

  • het ontwikkelen of zo lang mogelijk behouden van de zelfwerkzaamheid, zelfredzaamheid en participatie;

  • het vergroten van zelfvertrouwen, autonomie en zelfbepaling; dan wel het zo lang mogelijk behouden van deze vaardigheden;

  • het verbeteren van en zo lang mogelijk in stand houden van het niveau van maatschappelijke participatie, het verkleinen van risico’s op vereenzaming;

  • het verkleinen van risico’s voor de omgeving en de eigen veiligheid van de ingezetene;

  • het leren en zo lang mogelijk behouden van sociale en communicatieve vaardigheden;

  • het voorkómen van overbelasting van de mantelzorger.

 

specifiek voor de arbeidsmatige component

  • een werkplek waarin de capaciteiten van de ingezetene optimaal gebruikt en ontwikkeld worden;

  • een takenpakket dat passend is bij de (ontwikkelings)mogelijkheden;

  • het leren van praktische vaardigheden ten behoeve van het uitvoeren van de werkzaamheden;

  • activering tot zelfstandige of arbeidsmatige handelingen;

  • het aanleren van algemene beroepsvaardigheden, persoonlijke ontplooiing en verkenning van de individuele mogelijkheden;

  • arbeidsmatige activiteiten zijn gericht op ‘herstel’ van ingezetenen met psychiatrische en/of psychische problemen (rehabilitatiedoelen) en dragen bij aan bevordering van maatschappelijke (her)integratie;

  • arbeidsmatige activiteiten hebben een stabiliserend effect op het dagelijks leven van de ingezetenen en dragen op die manier bij aan het voorkomen van isolement, terugval en decompensatie.

 

specifiek voor de psychogeriatrische component

  • het behouden, bevorderen of voorkomen van achteruitgang van praktische vaardigheden zowel fysiek en cognitief;

  • het behouden, bevorderen of voorkomen van achteruitgang van zelfredzaamheid in dagelijks leven.

 

Dagbesteding complex

 

Wat

Gespecialiseerde dagbesteding met hoog intensieve begeleiding structureel van aard en aansluitend bij de mogelijkheden en wensen van de ingezetene. Deskundige begeleiding en adequate omgevingscondities bepalen, naast de aard en inhoud van het activiteitenprogramma, het resultaat. De begeleidingsintensiteit is hoog, er is intensieve tot voortdurende ondersteuning, toezicht en/of zorg nodig, waarvoor een hoge mate van specialistische kennis vereist is. De omgeving is aangepast aan de mogelijkheden en beperkingen van de ingezetene. Dit varieert van onder passende condities geïntegreerd zijn in de maatschappij tot volledig beschut zijn.

 

Toegangscriteria

De ingezetene is 18 jaar of ouder en er is sprake van een chronisch beeld met complexe problematiek als gevolg van verstandelijke beperkingen, psychiatrische- of psychogeriatrische aandoeningen of verslavingsproblematiek. Vanwege de aard, omvang en duur van zijn beperkingen is de ingezetene niet in staat tot een vorm van dagstructurering te komen.

 

Vaak is er een combinatie van beperkingen, zoals een ernstige verstandelijke beperking met één of meer psychiatrische of lichamelijke beperkingen of een zintuigelijke en een psychiatrische beperking met gedragsproblemen. De ingezetene is aangewezen op een gespecialiseerde vorm van dagbesteding, vanwege complexe problematiek, waarbij wordt aangesloten bij de mogelijkheden en wensen van de deelnemer. Behalve structuur heeft de ingezetene ook gespecialiseerde zorg en/of toezicht nodig bij zelfzorg en/of communicatie.

 

Resultaten

Het resultaat van (gespecialiseerde) dagbesteding met hoog intensieve begeleiding bestaat uit:

  • het behouden of vergroten van de zelfredzaamheid door het aanleren, oefenen of bijhouden van vaardigheden;

  • het activeren, stabiliseren of verbeteren van het functioneren;

  • het leren omgaan met beperkingen;

  • het begeleiden van achteruitgang;

  • het participeren in de maatschappij;

  • het ontlasten of voorkomen van overbelasting van de mantelzorger.

 

Respijtzorg in de vorm van kortdurend verblijf

In een aantal situaties is het ter ontlasting van de mantelzorger noodzakelijk dat de ingezetene van tijd tot tijd wordt opgevangen in de vorm van kortdurend verblijf. Het betreft hier maatwerk.

 

Vervoer

De bouwsteen vervoer kan toegevoegd worden als vervoer niet geregeld kan worden vanuit eigen kracht, sociaal netwerk, gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen. Het omvat het brengen en halen van de ingezetene naar de voorziening die begeleiding biedt. De bouwsteen vervoer wordt alleen ingezet als deze noodzakelijk is voor de bouwsteen dagbesteding.

 

Persoonlijke verzorging

Persoonlijke verzorging en individuele begeleiding

Is er bij individuele begeleiding sprake van persoonlijke verzorging, die verder gaat dan begeleiding bij ADL-activiteiten, dan wordt een beroep gedaan op Persoonlijke verzorging vanuit de Zvw. In het kader van de Wmo gaat het bij individuele begeleiding om zorg met de handen op de rug. De bouwsteen persoonlijke verzorging wordt sporadisch ingezet in combinatie met individuele begeleiding.

 

Persoonlijke verzorging tijdens dagbesteding

Het komt vaak voor dat tijdens dagbesteding ook handelingen in het kader van persoonlijke verzorging verricht moeten worden. In deze gevallen wordt de bouwsteen persoonlijke verzorging ingezet.

 

 

Hoofdstuk 6. Het kunnen wonen in een schoon en leefbaar huis

 

Wat

Een schoon en leefbaar huis wordt bereikt door het uitvoeren van of ondersteunen bij het uitvoeren van zwaar en licht huishoudelijk werk.

Hieraan verwante resultaten zoals

  • het kunnen beschikken over goederen om te voorzien in de primaire levensbehoefte;

  • het kunnen beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding;

  • het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren,

worden behandeld in de hoofdstukken 7, 8 en 9.

 

Algemene voor ziening Huishoudelijke Hulp

De gemeente Hattem kent een algemene voorziening voor Huishoudelijke Hulp. Met deze algemene voorziening wil de gemeente haar ingezetenen een snelle en regelarme oplossing bieden voor de beperkingen die zij ondervinden in het voeren van een huishouden. De algemene voorziening is een direct beschikbare voorziening met een lichte toegangstoets.

 

Voor wie is de algemene voorziening Huishoudelijke Hulp bedoeld?

Ingezetenen met lichte of matige regieproblemen en/of beperkingen, chronisch psychische of psychosociale problemen die belemmeringen ervaren in het kunnen wonen in een schoon en leefbaar huis.

 

Welke taken kunnen in het kader van de algemene voorziening Huishoudelijke Hulp worden verricht of ondersteund?

  • Licht schoonmaakwerk;

  • Zwaar schoonmaakwerk;

  • De was doen (zie ook hoofdstuk 7);

  • Het doen van boodschappen voor inzake levens- en schoonmaakmiddelen en zo nodig het bereiden van maaltijden (zie ook hoofdstuk 8)

 

Algemene voorziening Regieondersteuning

Met ingang van 2015 heeft de gemeente Hattem een algemene voorziening Regieondersteuning gerealiseerd. In sommige situaties is het oplossen van de beperkingen bij het huishoudelijk werk, zoals omschreven bij de algemene voorziening Huishoudelijke Hulp niet afdoende. Er zijn dan naast beperkingen in het uitvoeren van huishoudelijke taken ook problemen rond het organiseren van deze taken.

 

Voor wie is de algemene voorziening Regieondersteuning bedoeld?

Ingezetenen met lichte of matige regieproblemen en/of beperkingen, chronisch psychische of psychosociale problemen die belemmeringen ervaren in het voeren van een gestructureerd huishouden. Het kan gaan om een tijdelijke of structurele noodzaak om regieondersteuning te bieden bij het voeren van een huishouden. Van een tijdelijke noodzaak tot ondersteuning bij de regievoering is bijvoorbeeld sprake wanneer er huishoudelijke taken aangeleerd moeten worden of wanneer er sprake is van een crisissituatie. Van een langdurige noodzaak voor ondersteuning bij de regievoering kan bijv. sprake zijn wanneer iemand vanwege cognitieve beperkingen niet (meer) in staat geacht kan worden om zelf het huishouden te organiseren.

 

In welke situaties kan vanuit de algemene voorziening regieondersteuning worden ondersteund?

  • Het aanleren van huishoudelijke taken;

  • Het stimuleren, samen opwerken en coachen;

  • Het organiseren van het huishouden.

 

Maatwerkvoorziening Huishoudelijke Hulp

In uitzonderlijke situaties zijn de bovengenoemde algemene voorzieningen niet afdoende.

Hiervan is in ieder geval sprake in combinatie met de volgende situaties:

  • Het tijdelijk bieden van opvang voor kinderen in crisissituaties;

  • Het overnemen van zorgtaken voor kinderen (wassen, kleden, maaltijden);

  • De situatie vereist een specifieke toegeruste professional.

 

Wanneer er sprake is van een dergelijke situatie wordt de totale Huishoudelijke Hulp (tijdelijk) ingezet als maatwerkvoorziening. In situaties waar kinderen bij betrokken zijn kan het nodig zijn om direct hulp bij het huishouden in te zetten als maatwerkvoorziening. Ook dan wordt eerst gekeken naar wat de ingezetene zelf kan doen, met het sociaal netwerk, gebruikelijke hulp, mantelzorg etc. etc. Het inzetten van deze maatwerkvoorziening zal dus vooral voorkomen in crisissituaties om het gezin de gelegenheid te geven om de zorg en opvang voor de kinderen te organiseren. In veel situaties zal de maatwerkvoorziening tijdelijk zijn en kan het gezin uiteindelijk gebruik maken van de algemene voorziening(en).

In sommige situaties is het niet wenselijk een laaggekwalificeerde medewerker in te zetten voor de uitvoering van de huishoudelijke hulp. Dit kan het geval zijn, wanneer er sprake is van psychiatrische, psycho-geriatrische of psycho-sociale problemen bij de ingezetene. Wanneer de beperking van de ingezetene invloed heeft op het schoonmaken van het huis door de hulp, kan in overleg met de gemeente gekeken worden of het mogelijk is de huishoudelijke hulp als maatwerkvoorziening in te zetten. Wanneer er al sprake is van begeleiding (waaronder andere vormen van hulp), zal dit in de regel niet mogelijk zijn.

 

Afwegingskader maatwerkvoorziening Huishoudelijke Hulp

  • Het afwegingskader zoals opgenomen in hoofdstuk 4 is van toepassing. Er zijn alleen aanvullende bepalingen opgenomen;

  • Bij andere wettelijke voorzieningen moet gedacht worden aan de Wet langdurige zorg, de Wet kinderopvang en de Wet arbeid en zorg. In sommige gevallen kunnen mensen in crisissituaties een beroep doen op thuiszorg vanuit de aanvullende zorgverzekering;

  • Denk bij eigen mogelijkheden van de ingezetene ook aan de situatie waarin iemand al een particuliere hulp bij het huishouden heeft. Als tegelijk met het optreden van de beperking geen inkomenswijziging heeft plaatsgevonden en er geen aantoonbare meerkosten zijn in relatie tot de handicap, dan is het inzetten van de maatwerkvoorziening in het algemeen niet nodig, omdat het probleem al opgelost is. Dit is uiteraard anders als aangetoond kan worden dat er zodanige wijzigingen zijn dat het niet meer mogelijk is deze hulp zelf te betalen;

  • Denk bij personen uit het sociaal netwerk ook aan de situatie waarin iemand een partner heeft, waarmee hij niet samenwoont. Besproken moet worden in hoeverre deze partner bij kan springen bij het huishouden;

  • Denk bij gebruikelijke voorzieningen bijvoorbeeld aan het gebruik van de glazenwasser voor het reinigen van de ramen aan de buitenkant. Als de betreffende voorzieningen beschikbaar en bereikbaar zijn, hoeven deze niet betrokken te worden in de maatwerkvoorziening. Ook niet als het niet de wens is van de aanvrager om deze voorzieningen te gebruiken. Hetzelfde geldt voor technische oplossingen in de vorm van gebruikelijke apparatuur, zoals een stofzuiger, wasmachine, wasdroger of magnetron. Het eventueel aanschaffen van deze voorzieningen wordt als voorliggend gezien ten opzichte van het inzetten van de maatwerkvoorziening;

  • Als al het bovenstaande niet geleid heeft tot een oplossing of vermindering van het probleem, zal het college (al dan niet tijdelijk) een maatwerkvoorziening inzetten. Bij het bepalen van de omvang van de maatwerkvoorziening worden als richtlijn de normtijden aangehouden zoals vermeld in bijlage II;

  • Redenen als 'niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten', leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken.

 

 

Hoofdstuk 7. Het kunnen beschikken over goederen om te voorzien in de primaire levensbehoeften

 

In elk huishouden zijn boodschappen voor de dagelijkse activiteiten nodig. Ondersteuning op grond van de Wmo is beperkt tot de dagelijkse levensmiddelen en schoonmaakmiddelen, zaken die dagelijks/ wekelijks gebruikt worden in elk huishouden. Bijzondere boodschappen en grotere inkopen zoals kleding en duurzame goederen, zoals apparaten vallen niet onder dit resultaat.

 

Algemene voorziening Huishoudelijke Hulp en algemene voorziening Regieondersteuning

De algemene voorziening Huishoudelijke Hulp en de algemene voorziening Regieondersteuning worden uitgewerkt in hoofdstuk 6 Het kunnen wonen in een schoon en leefbaar huis.

 

Maatwerkvoorziening

In uitzonderlijk situaties zijn de bovengenoemde algemene voorzieningen niet afdoende.

Hiervan is in ieder geval sprake in combinatie met de volgende situaties:

  • Het tijdelijk bieden van opvang voor kinderen in crisissituaties;

  • Het overnemen van zorgtaken voor kinderen (wassen, kleden, maaltijden);

  • De situatie vereist een specifieke toegeruste professional.

 

Wanneer er sprake is van een dergelijke situatie wordt de totale hulp bij het huishouden (tijdelijk) ingezet als maatwerkvoorziening. In situaties waar kinderen bij betrokken zijn kan het nodig zijn om direct hulp bij het huishouden in te zetten als maatwerkvoorziening. Ook dan moet gekeken worden naar wat de ingezetene zelf kan doen, met het sociaal netwerk, gebruikelijke zorg, mantelzorg etc. etc. Het inzetten van deze maatwerkvoorziening zal dus vooral voorkomen in crisissituaties om het gezin de gelegenheid te geven om de zorg en opvang voor de kinderen te organiseren. In veel situaties zal de maatwerkvoorziening tijdelijk zijn en kan het gezin uiteindelijk gebruik maken van de algemene voorziening(en).

In sommige situaties is het niet wenselijk om een laaggekwalificeerde medewerker in te zetten om de huishoudelijke hulp te leveren. Dit kan het geval zijn, wanneer er sprake is van psychiatrische, psycho-geriatrische of psycho-sociale problemen bij de ingezetene. Wanneer de beperking van de ingezetene invloed heeft op het schoonmaken van het huis door de hulp, is het mogelijk om in overleg de huishoudelijke hulp als maatwerkvoorziening in te zetten. Wanneer er al sprake is van begeleiding (waaronen andere vormen van hulp, zal dit in de regel niet het geval zijn.

 

Afwegingskader

  • Onder dit resultaat worden gerekend de boodschappen inzake levens- en schoonmaakmiddelen die dagelijks nodig zijn en zo nodig de bereiding van maaltijden;

  • Het afwegingskader zoals opgenomen in hoofdstuk 4 is van toepassing. Er zijn alleen aanvullende bepalingen opgenomen;

  • Het gebruik van een boodschappendienst is een gebruikelijke voorziening. Dit geldt ook voor het gebruik van kant-en-klaarmaaltijden en/of vriesversmaaltijden;

  • Van de ingezetene wordt gevraagd ondersteuning te vragen uit zijn sociaal netwerk (kinderen, bekenden, vrienden of buren) om bijvoorbeeld de boodschappen te doen;

  • Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen zal ondersteuning nodig zijn bij dit resultaat. Wanneer dit het geval is, is er doorgaans sprake van diverse regieproblemen, breder dan het organiseren van de boodschappen en de maaltijden;

  • Als al het bovenstaande niet geleid heeft tot een oplossing of vermindering van het probleem, zal het college (al dan niet tijdelijk) een maatwerkvoorziening inzetten. Bij het bepalen van de omvang van de maatwerkvoorziening worden als richtlijn de normtijden aangehouden zoals vermeld in bijlage II;

  • Bij boodschappen is het uitgangspunt: éénmaal per week;

  • Redenen als 'niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten' leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken.

 

 

Hoofdstuk 8. Het kunnen beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding

 

Wat

De dagelijkse kleding moet met enige regelmaat schoongemaakt worden. Dit betekent het wassen, drogen en in bepaalde situaties strijken van kleding. Soms gaat het om een los naadje of knoopje. We spreken hier uitsluitend over normale kleding voor alledag. Daarbij is het uitgangspunt dat zo min mogelijk kleding gestreken hoeft te worden. Met het kopen van kleding kan hier rekening mee worden gehouden. Bij het wassen en drogen van kleding is het normaal gebruik te maken van de beschikbare - gebruikelijke - moderne hulpmiddelen, zoals een wasmachine en een droger.

 

Algemene voorziening hulp bij het huishouding en algemene voorziening regievoering

De algemene voorziening hulp bij het huishouden en de algemene voorziening regieondersteuning worden uitgewerkt in hoofdstuk 6 Het kunnen wonen in een schoon en leefbaar huis.

 

Maatwerkvoorziening

In uitzonderlijk situaties zijn de bovengenoemde algemene voorzieningen niet afdoende.

Hiervan is in ieder geval sprake in combinatie met de volgende situaties:

  • Het tijdelijk bieden van opvang voor kinderen in crisissituaties;

  • Het overnemen van zorgtaken voor kinderen (wassen, kleden, maaltijden);

  • De situatie vereist een specifieke toegeruste professional.

Wanneer er sprake is van een dergelijke situatie wordt de totale hulp bij het huishouden (tijdelijk) ingezet als maatwerkvoorziening. In situaties waar kinderen bij betrokken zijn kan het nodig zijn om direct hulp bij het huishouden in te zetten als maatwerkvoorziening. Ook in deze situatie wordt gekeken naar wat de ingezetene zelf kan doen, met het sociaal netwerk, gebruikelijke zorg, mantelzorg etc. etc. Het inzetten van deze maatwerkvoorziening zal dus vooral voorkomen in crisissituaties om het gezin de gelegenheid te geven om de zorg en opvang voor de kinderen te organiseren. In veel situaties zal de maatwerkvoorziening tijdelijk zijn en kan het gezin uiteindelijk gebruik maken van de algemene voorziening(en).

In sommige situaties is het niet wenselijk om een laaggekwalificeerde medewerker in te zetten om de huishoudelijke hulp te leveren. Dit kan het geval zijn, wanneer er sprake is van psychiatrische, psycho-geriatrische of psycho-sociale problemen bij de ingezetene. Wanneer de beperking van de ingezetene invloed heeft op het schoonmaken van het huis door de hulp, is het mogelijk om in overleg de huishoudelijke hulp als maatwerkvoorziening in te zetten. Wanneer er al sprake is van begeleiding (waaronen andere vormen van hulp, zal dit in de regel niet het geval zijn.

 

Toegangscriteria

De persoon met beperkingen, chronisch psychische of psychosociale problemen ervaart belemmeringen ten aanzien van het kunnen beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding. Hierdoor is de persoon onvoldoende zelfredzaam.

 

Afwegingskader

  • De inhoud van het resultaat schone en doelmatige kleding bestaat uit het wassen en drogen daarvan en eventueel licht verstelwerk, zoals het vastzetten van een naadje of het aanzetten van een knoop;

  • Het afwegingskader zoals opgenomen in hoofdstuk 4 is van toepassing. Er zijn alleen aanvullende bepalingen opgenomen;

  • Bij de beoordeling van de aanwezigheid van gebruikelijke voorzieningen moet bekeken worden of de aanschaf van een wasmachine en/of droger het probleem kunnen oplossen of verminderen;

  • Als al het bovenstaande niet geleid heeft tot een oplossing of vermindering van het probleem, zal het college een maatwerkvoorziening (al dan niet tijdelijk) inzetten. Bij het bepalen van de omvang van de maatwerkvoorziening worden de normtijden aangehouden zoals vermeld in bijlage II;

  • Redenen als 'niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten' leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken;

  • Er worden geen lakens, theedoeken, zakdoeken en ondergoed etc. gestreken. Er wordt uitgegaan van een eigen verantwoordelijkheid in de keuze van kleding die niet gestreken hoeft te worden.

 

 

Hoofdstuk 9. Het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren

 

Wat

De zorg voor kinderen die tot het huishouden behoren is in eerste instantie een taak van de ouders. Zo moeten werkende ouders er zorg voor dragen dat er op tijden dat zij beiden werken opvang voor de kinderen is. Dat kan op de manier waarop zij dat willen (oppasoma, kinderopvang), maar het is een eigen verantwoordelijkheid. Dat is niet anders in de situatie dat beide ouders mede door beperkingen niet in staat zijn hun kinderen op te vangen. In die situatie zal men een structurele oplossing moeten zoeken. De Wmo heeft vooral een taak om tijdelijk in te springen zodat de ruimte ontstaat om een structurele oplossing te zoeken. Dat wil zeggen: de acute problemen worden opgelost zodat er gezocht kan worden naar een structurele oplossing.

 

Algemene voorziening Huishoudelijke Hulp en algemene voorziening Regieondersteuning

De algemene voorziening Huishoudelijke Hulp en de algemene voorziening Regieondersteuning worden uitgewerkt in hoofdstuk 6 Het kunnen wonen in een schoon en leefbaar huis.

 

Maatwerkvoorziening

In uitzonderlijke situaties zijn de bovengenoemde algemene voorzieningen niet afdoende.

Hiervan is in ieder geval sprake in combinatie met de volgende situaties:

  • Het tijdelijk bieden van opvang voor kinderen in crisissituaties;

  • Het overnemen van zorgtaken voor kinderen (wassen, kleden, maaltijden);

  • De situatie vereist een specifieke toegeruste professional.

 

Wanneer er sprake is van een dergelijke situatie wordt de totale hulp bij het huishouden (tijdelijk) ingezet als maatwerkvoorziening. In situaties waar kinderen bij betrokken zijn kan het nodig zijn om direct hulp bij het huishouden in te zetten als maatwerkvoorziening. Ook dan wordt gekeken naar wat de ingezetene zelf kan doen, met het sociaal netwerk, gebruikelijke zorg, mantelzorg etc. etc. Het inzetten van deze maatwerkvoorziening zal dus vooral voorkomen in crisissituaties om het gezin de gelegenheid te geven om de zorg en opvang voor de kinderen te organiseren. In veel situaties zal de maatwerkvoorziening tijdelijk zijn en kan het gezin uiteindelijk gebruik maken van de algemene voorziening(en).

 

Toegangscriteria

De persoon met beperkingen, chronisch psychische of psychosociale problemen ervaart belemmeringen ten aanzien van het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren.

 

Afwegingskader

  • Het afwegingskader zoals opgenomen in hoofdstuk 4 is van toepassing. Er zijn alleen aanvullende bepalingen opgenomen;

  • Denk bij andere wettelijke en gebruikelijke voorzieningen aan reguliere kinderopvang (Wet Kinderopvang), maar ook aan andere vormen van voorschoolse, tussenschoolse en naschoolse opvang;

  • Onderzoek ook de mogelijkheden van ouderschapsverlof en/of zorgverlof;

  • Zijn er vanuit het sociaal netwerk grootouders of vrienden die de kinderen (tijdelijk) kunnen opvangen;

  • Als al het bovenstaande niet geleid heeft tot een oplossing of vermindering van het probleem, zal het college een maatwerkvoorziening (al dan niet tijdelijk) inzetten. Bij het bepalen van de omvang van de maatwerkvoorziening worden de normtijden aangehouden zoals vermeld in bijlage II;

  • De tijdelijke maatwerkvoorziening in het kader van dit resultaat wordt voor maximaal 40 uur per week toegekend en voor maximaal 3 maanden;

  • Bij de toekenning stelt door het college bij beschikking vast om welke tijdelijke periode het gaat en op welke wijze gezocht dient te worden naar een definitieve oplossing;

  • Ten aanzien van mantelzorgers zal door het college rekening worden gehouden met hun belangen als het gaat om het thuis zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren.

 

 

Hoofdstuk 10. Het zich kunnen verplaatsen in en om de woning

 

Wat

Verplaatsing in en om de woning betreft het zich verplaatsen met een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik. Onder rolstoel wordt in deze context (semi)permanent gebruik verstaan, geen incidenteel gebruik van de rolstoel, zie ook het afwegingskader.

 

Toegangscriteria

De persoon met beperkingen, chronisch psychische of psychosociale problemen ervaart belemmeringen ten aanzien van het zich kunnen verplaatsen in en om de woning. Hierdoor is de persoon onvoldoende zelfredzaam.

 

Afwegingskader

  • Het afwegingskader zoals opgenomen in hoofdstuk 4 is van toepassing. Er zijn alleen aanvullende bepalingen opgenomen;

  • Het gaat om het zich verplaatsen in en om de woning. Dat betekent dat het om verplaatsingen gaat die direct vanuit de woning worden gedaan. Het gaat hierbij om ingezetenen die voor het dagelijks verplaatsen zijn aangewezen op zittend verplaatsen met een rolstoel;

  • Daarnaast moeten de loop- en stahulpmiddelen, die in het kader van de Wet langdurige zorg (Wlz) worden verstrekt, onvoldoende oplossing bieden;

  • Rolstoelen voor het zogenaamde ‘incidentele’ gebruik, waarbij de rolstoel in de auto wordt meegenomen om elders, bij het winkelen of bij uitstapjes, te gebruiken, valt niet onder dit te bereiken resultaat, maar onder het resultaat het kunnen hebben van contacten met medemensen en deelnemen aan recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten (zie hoofdstuk 12);

  • Er wordt geen rolstoel op grond van de Wmo verstrekt als een ingezetene in aanmerking komt voor verblijf en behandeling geleverd door dezelfde instelling. De rolstoel wordt dan op grond van de Wlz aan belanghebbende verstrekt. Door ontwikkelingen als extramuralisering zijn er steeds meer voorzieningen ontstaan waarbij het niet zonder meer duidelijk is of er sprake is van een recht vanuit de Wlz. In die situaties zal moeten worden nagegaan of op betrokken persoon de Wlz van toepassing is;

  • De sportrolstoel wordt niet gerekend tot een rolstoel voor het verplaatsen in en rond de woning (zie hoofdstuk 12);

  • Onderhoud en verzekering horen bij een verstrekking in natura. Bij een pgb zal er ook budget worden toegekend voor onderhoud en verzekering.

 

Accessoires

Accessoires aan rolstoelen worden alleen verstrekt wanneer deze medisch noodzakelijk zijn en ze niet als gebruikelijk kunnen worden beschouwd.

Voorbeelden van accessoires die als gebruikelijk worden beschouwd zijn:

  • (rolstoel) handschoenen;

  • regenkleding;

  • boodschappenmandjes/tassen;

  • bandenpompjes;

  • spiegels;

  • schootskleden en voetenzakken

  • zonnekap/scherm

 

Voorbeelden van medisch noodzakelijke accessoires

  • orthesejas;

  • zuurstoffleshouder;

  • stokhouder.

 

Spaakbeschermers

Spaakbeschermers zijn medisch noodzakelijk als er sprake is van een dermate gestoorde handfunctie dat bij het aandrijven van de rolstoel (een deel van) de hand tegen of in de spaken van het wiel komt. En als de omstandigheden van dien aard zijn, dat er zonder spaakbeschermers sprake is van een onveilige situatie.

 

Training

Het komt voor dat de ingezetene een training nodig heeft om de rolstoel te leren gebruiken. Dit kan zowel tijdens het adviestraject, waar de training onderdeel uitmaakt van de selectie van de juiste rolstoel, als na aflevering van de rolstoel. Rolstoeltraining is een eerstelijnsvoorziening (ergotherapeut) en wordt niet verstrekt in het kader van de Wmo. Wanneer er gerede twijfel bestaat over de rijvaardigheid met een bepaald type rolstoel, wordt niet tot dit type besloten.

 

 

Hoofdstuk 11. Het kunnen wonen in een geschikt huis

 

Wat

Het college heeft de wettelijke opdracht om de zelfredzaamheid en participatie van haar ingezetenen te bevorderen en ondersteunen, opdat de ingezetene zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven wonen. De woning waarin de ingezetene woont moet dan wel geschikt zijn om in te wonen ondanks diens beperkingen. Er is één belangrijke voorwaarde voordat er overgegaan kan worden tot ondersteuning: er moet een woning zijn. Als er geen woning is, is het niet de taak van de gemeente om voor een woning te zorgen. Iedere Nederlandse ingezetene moet zelf voor een woning te zorgen. Verwacht wordt dat iemand bij die keus rekening houdt met de eigen situatie. Dat betekent ook dat er met bestaande of bekende komende beperkingen rekening wordt gehouden.

 

Toegangscriteria

De persoon met beperkingen, chronisch psychische of psychosociale problemen ervaart belemmeringen ten aanzien van het kunnen wonen in een geschikt huis. Hierdoor is de persoon onvoldoende zelfredzaam.

 

Afwegingskader

  • Het afwegingskader zoals opgenomen in hoofdstuk 4 is van toepassing. Er zijn alleen aanvullende bepalingen opgenomen;

  • Uitgangspunt is dat iedereen eerst zelf zorg dient te dragen voor een woning. Daarbij mag er van uit worden gegaan dat rekening wordt gehouden met bekende beperkingen, ook wat betreft de voorzienbare ontwikkeling van die beperkingen. Een eigen woning kan zowel een gekochte woning zijn als een huurwoning. Ook bij afwijkende situaties, zoals een (woon)boot of een woonwagen met vaste standplaats wordt in principe gesproken van woning;

  • Onder het kunnen wonen in een geschikt huis worden de meest elementaire woonfuncties zoals toegang tot de woning, verblijf in de woning en functies als slapen, lichaamsreiniging, het bereiden en gebruiken van maaltijden verstaan. Onder het normale gebruik van de woning worden niet meegerekend: werk-, hobby- of recreatieruimten, een strijk- droog- of wasmachineruimte;

  • Als een verhuizing kan leiden tot het bereiken van het resultaat, wordt deze mogelijkheid eerst beoordeeld. Dit wordt het verhuisprimaat genoemd;

  • Bij het toepassen van het verhuisprimaat worden alle aspecten meegewogen: financiële consequenties van de verhuizing, de termijn waarop een woning beschikbaar komt (in verband met de medische verantwoorde termijn), de argumenten pro en contra verhuizing ten aanzien van de ingezetene en argumenten op basis van eventueel aanwezige mantelzorg. Een zeer zorgvuldige afweging van alle argumenten zal aan het besluit ten grondslag worden gelegd (zie ook Het verhuisprimaat);

  • Het verhuisprimaat wordt niet toegepast als de kosten lager zijn dat het bedrag dat is opgenomen in het Financieel besluit Wmo;

  • Bij het verstrekken van een tegemoetkoming in de verhuiskosten houdt het college rekening met de mate waarin de verhuizing gebruikelijk is. Bij een gebruikelijke verhuizing wordt geen tegemoetkoming in de verhuiskosten toegekend;

  • Een woonvoorziening wordt uitsluitend verstrekt als belanghebbende daar het hoofdverblijf heeft en niet verstrekt aan de volgende woonruimten:

    • hotels/pensions

    • trekkerswoonwagens/toer- en stacaravans

    • kloosters

    • tweede woningen/vakantiewoningen/recreatiewoningen

    • gehuurde kamer

    • specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden;

  • Wanneer verhuizen niet leidt tot het resultaat en een grote woningaanpassing nodig is (zoals een inpandige verbouwing of een aanbouw) worden eerst de mogelijkheden van een losse woonunit beoordeeld. Een losse woonunit is een verplaatsbare unit die tijdelijk wordt ‘vastgemaakt’ aan de woning. Bijvoorbeeld een slaapkamer en/of een natte cel;

  • Het plaatsen van een woonunit heeft de voorkeur boven het realiseren van een aanbouw met name bij koopwoningen, waar de aanbouw niet beschikbaar komt voor de samenleving;

  • De losse woonunit en aanbouw worden niet gerealiseerd uit de wens om een mantelzorgwoning te realiseren. Bij het realiseren van een mantelzorgwoning gaat het om het verkrijgen van een woning. Dit is geen resultaat binnen de Wmo;

  • Er wordt geen voorziening toegekend voor zover de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen. Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor problemen zorgen. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan de toepassing van asbest en spaanplaat of het voorkomen van vocht en tocht in de woning;

  • Bij het bepalen van al dan niet bouwkundige woonvoorzieningen houdt het college rekening met de belangen van mantelzorgers, zoals bij tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten worden. Een tillift uitsluitend ten behoeve van de zorg door professionele aanbieders wordt door de aanbieder geleverd;

  • Als een ingezetene vraagt om een woning bezoekbaar te maken moet worden afgewogen of de woning regelmatig wordt bezocht (wekelijks of tweewekelijks). In de regel wordt één woning bezoekbaar gemaakt. Bezoekbaar betekent dat de ingezetene de woonruimte kan bereiken en de woonkamer en één toilet kan gebruiken. Voor het bezoekbaar maken van een woning wordt een maximumbedrag gehanteerd. Dit bedrag is opgenomen in het Financieel besluit Wmo;

  • Bij het beoordelen of doelgroepgebouwen aangepast worden, maakt het college afspraken met de (toekomstige) eigenaar van de woningen;

  • Bij de vraag om een uitraasruimte zal het werkdocument uitraasruimte worden gehanteerd (zie bijlage III);

  • Het kan noodzakelijk zijn om extra grond te verwerven ten behoeve van een aanbouw of uitbreiding van een bepaald vertrek. Het aantal m2 dat voor vergoeding in aanmerking komt is gemaximeerd.

 

Het verhuisprimaat

Als uit de beoordeling van het college blijkt dat het wonen in een geschikt huis ook te bereiken is via een verhuizing, dan heeft dit de voorkeur. Dit is uiteraard alleen aan de orde als verhuizen de goedkoopst adequate oplossing is.

 

Factoren die meewegen bij het al dan niet toepassen van het verhuisprimaat

  • De kosten voor een woningaanpassing; als deze minder bedragen dan het bedrag dat is opgenomen in het Financieel besluit Wmo , wordt het primaat niet toegepast. In een dergelijk geval wordt de woning aangepast;

  • Financiële consequenties van een verhuizing voor het gezin;

  • Sociale omstandigheden, zoals de beschikbaarheid van mantelzorg;

  • Sociale en psychische omstandigheden van belanghebbende;

  • De aangeboden woning moet aansluiten bij de omstandigheden qua gezinssamenstelling, inkomen, leeftijd en dergelijke van de ingezetene;

  • De termijn waarbinnen een adequate woning beschikbaar is. In de regel moet binnen een termijn van 6 maanden een adequate woning beschikbaar zijn;

  • Eventueel wordt een deskundige geraadpleegd.

 

Procedure primaat van verhuizen

  • Bij een aanpassingsbedrag dat hoger is dan het bedrag voor verhuis- en inrichtingskosten, dat is opgenomen in het Financieel besluit Wmo, is het primaat van verhuizen van toepassing;

  • Betrokkene gaat actief op zoek naar een geschikte woning en houdt de gemeente op de hoogte van zijn inspanningen;

  • Na de termijn van 6 maanden vervalt het verhuisprimaat, mits

    • er geen geschikte woning is

    • er ook geen zicht is op een geschikte woning

    • de ingezetene zich aantoonbaar maximaal heeft ingespannen om een geschikt huis te vinden;

  • Bovenstaande procedure geldt zowel bij woningen in eigendom als huurwoningen.

 

Weigering om te verhuizen

Als verhuizen de goedkoopst adequate oplossing voor het probleem van de ingezetene is, is de wens van de ingezetene niet doorslaggevend. Een weigering om te verhuizen leidt niet tot het alsnog verstrekken van de maatwerkvoorziening. Het weigeren van een geschikte woning, wordt gelijkgesteld aan de weigering om te verhuizen.

 

Soorten woonvoorzieningen

  • Tegemoetkoming in de verhuiskosten;

  • Woningaanpassing ten behoeve van

    • de bereikbaarheid van de woning

    • de toegankelijkheid van de woning

    • de doorgankelijkheid van de woning

    • bruikbaarheid van de woning;

  • Losse woonvoorzieningen;

  • Tijdelijke huisvesting, huurderving;

  • Uitraasruimte.

 

Tegemoetkoming in de verhuiskosten

In 2 situaties kan iemand een tegemoetkoming voor verhuiskosten krijgen, namelijk:

  • het verhuizen naar een aangepaste woning vormt de meest goedkope en adequate oplossing voor het woonprobleem van de ingezetene;

  • door verhuizing wordt op het verzoek van het college een aangepaste woning vrijgemaakt voor bewoning door iemand met een beperking.

De hoogte van de tegemoetkoming voor verhuis- en inrichtingskosten wordt vastgelegd in het Financieel besluit Wmo, dat door het college separaat wordt vastgesteld. De tegemoetkoming wordt, op basis van een subsidiebeschikking, rechtstreeks aan de ingezetene uitgekeerd.

 

Een tegemoetkoming in de verhuiskosten wordt in ieder geval niet verstrekt wanneer de ingezetene:

  • voor het eerst zelfstandig gaat wonen;

  • verhuist vanuit of naar een woning die niet bedoeld is om het hele jaar bewoond te worden, zoals een vakantiewoning;

  • verhuist naar een instelling of een verzorgingshuis;

  • verhuist op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie de verhuizing gebruikelijk is;

  • verhuist vanuit een adequate woning op eigen verzoek.

 

Van een gebruikelijke verhuizing is onder andere sprake als de woning nu of in de nabije toekomst niet meer is afgestemd op haar ingezetenen bijvoorbeeld door:

  • het ouderworden met bijkomende gebreken;

  • het te klein worden van het huis door de geboorte van kinderen;

  • het te groot worden van het huis door het uitvliegen van volwassen kinderen.

 

Woningaanpassingen ten behoeve van de bereikbaarheid en toegankelijkheid van de woning

Met de bereikbaarheid van de woning wordt bedoeld het kunnen bereiken van de woning, al dan niet met het gebruik van een loophulpmiddel of rolstoel. Het uitgangspunt is dat de woning in ieder geval via één ingang bereikbaar is. Het bereikbaar maken van een tweede ingang is afhankelijk van het doel hiervan. Als de tweede ingang noodzakelijk is voor het bereiken van de berging, de tuin of het terras is het mogelijk hiervoor een tegemoetkoming te verstrekken. Het is dus niet zo dat de woning via iedere toegang bereikbaar moet zijn.

De volgende oplossingen zijn gebruikelijk of kunnen vanuit de eigen kracht eenvoudig gerealiseerd worden en worden niet vergoed in het kader van de Wmo. Het betreft geen limitatieve lijst.

  • de ondergrond van het toegangspad;

  • de bestrating van het toegangspad;

  • de aanleg van het benodigde (brede) toegangspad;

  • drempelhulpen bij de toegangsdeuren;

  • het aanbrengen van een steunpunt bij/op de deurpost.

 

Woningaanpassingen ten behoeve van de doorgankelijkheid van de woning

Met de doorgankelijkheid van de woning wordt bedoeld het kunnen bereiken van de gebruiksruimten al dan niet met gebruik van een loophulpmiddel of rolstoel. Er kunnen zich problemen voordoen bij:

  • Het overbruggen van niveauverschillen;

  • De toegankelijkheid van gebruiksruimtes voor wat betreft de deurbreedte;

  • De toegankelijkheid van gebruiksruimtes voor wat betreft het bedienen van de deuren.

De volgende oplossingen zijn gebruikelijk of kunnen vanuit de eigen kracht eenvoudig gerealiseerd worden en worden niet verstrekt in het kader van de Wmo. Het betreft geen limitatieve lijst.

  • Het aanbrengen van een steunpunt bij/op deurpost;

  • Het plaatsen van een drempelhulp;

  • Het verwijderen van drempels.

 

Trap

Voor veel mensen met een beperking is het gebruik van de trap een groot probleem. Een aanpassing aan de trap kan worden verstrekt als:

  • De gebruiker beperkt is in de frequentie van het traplopen, waardoor geen vrij gebruik kan worden gemaakt van de elementaire woonfuncties;

  • Het traplopen op een niet-veilige manier gebeurt;

  • Traplopen motorisch gezien onmogelijk of medisch gezien wordt afgeraden.

De eerst aangewezen oplossing is het plaatsen van (gebruikelijke) extra steunpunten of een tweede trapleuning om het traplopen op een veilige manier mogelijk te maken.

Is dit niet mogelijk dan kan een traplift een oplossing zijn. De kosten van een traplift liggen in de regel hoger dan het bedrag dat is opgenomen in het Financieel Besluit Wmo, zodat het verhuisprimaat eerst wordt beoordeeld.

Voorwaarde voor het verstrekken van een traplift is wel dat de gebruiker in staat moet zijn om de traplift veilig te gebruiken. Trapliften worden in bruikleen verstrekt bij zowel huur- als koopwoningen.

Wanneer iemand volledig rolstoelafhankelijk is, is het gebruik van een plateaulift of woonhuislift een mogelijke oplossing. Dit is een zeer grote aanpassing, waarbij het verhuisprimaat zeker aan de orde is.

 

Deuren

Deuren kunnen een belemmering vormen in de doorgankelijkheid van de woning als ingezetenen bij het verplaatsen gebruik moeten maken van een rolstoel. Hierbij kunnen de volgende problemen zich voordoen:

  • De deurbreedte: als de standaardmaat van 90 cm. niet voldoende is (in het algemeen is dit voor rolstoelen voldoende);

  • Het vergt teveel kracht om de deur te openen of men is niet in staat de deur te openen;

  • Bij de gevraagde breedte van de deur is teveel ruimte nodig om de deur geheel te kunnen open.

 

Het aanpassen van hang- en sluitwerk of type deur is gebruikelijk en wordt niet verstrekt vanuit de Wmo. Niet gebruikelijke oplossingen kunnen zijn:

  • elektrische deuropener;

  • schuifdeur.

 

Het parkeren van auto’s in de buitenlucht wordt als gebruikelijk beschouwd. Er is daarom geen reden om een garage vanuit de Wmo aan te passen voor het stallen van een auto.

 

Woningaanpassingen ten behoeve van de bruikbaarheid van de woning

Speel/hobbykamer en/of verzorgingsunit

Een hobby-, werk- of speel-/recreatieruimte wordt niet gerekend tot de elementaire woonfuncties en wordt dan ook niet aangepast in het kader van de Wmo. Dit geldt ook tot het treffen van een voorziening uit oppas- of verzorgingsoogpunt.

 

Keuken

Een keuken kan aangepast worden als de taakverdeling dusdanig is dat de ingezetene met beperkingen grotendeels verantwoordelijk is voor de keukenactiviteiten. Er wordt ook gekeken naar gebruikelijke hulp. Zo zal bij de aanwezigheid van huisgenoten van hen verwacht worden dat zij bijvoorbeeld de wasmachine in- en uitladen. Hiervoor wordt dan geen aanpassing gerealiseerd. Een keuken wordt aangepast tot het niveau aan voorzieningen in de sociale woningbouw. Wanneer de keuken technisch is afgeschreven is (na ongeveer 20 jaar) wordt deze niet zondermeer aangepast in het kader van de Wmo. Bij een huurwoning wordt in dat geval contact opgenomen met de woningcorporatie en kan in samenspraak gekeken worden welke kosten door welke partij gedragen worden. Bij een koopwoning zal dit met de bewoners gebeuren.

De volgende voorzieningen zijn gebruikelijk en worden niet vergoed in het kader van de Wmo. Dit is geen limitatieve lijst.

  • hendelkranen;

  • keramische kookplaat;

  • inductiekookplaat;

  • korfladen.

 

Omgevingsbediening

Indien het bedienen van bepaalde elementen in de woonkamer niet mogelijk is op basis van medisch/ergonomische belemmeringen en er is geen hulp van huisgenoten aanwezig, kunnen specifieke aanpassingen gericht op omgevingsbediening worden overwogen.

 

Zonnewering

Zonnewering is gebruikelijk en wordt niet verstrekt in het kader van de Wmo.

 

Ramen

Om frisse lucht in de woonruimtes te krijgen is het uitgangspunt dat één van de aanwezige ramen of deuren door de ingezetene opengezet moet kunnen worden.

 

Gemeenschappelijke ruimten

In principe worden geen woningaanpassingen uitgevoerd aan gemeenschappelijke ruimten. Er wordt een uitzondering gemaakt wanneer de gemeenschappelijke ruimte zonder het plaatsen van de woningaanpassing ontoegankelijk blijft voor de ingezetene. Dit laatste geldt niet voor woongebouwen die specifiek gericht zijn op ouderen en mensen met beperkingen wanneer het gaat om voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie meegenomen kunnen worden.

 

Natte cel

De volgende voorzieningen worden als gebruikelijk beschouwd of kunnen vanuit de eigen kracht gerealiseerd worden. Het betreft geen limitatieve lijst:

  • het aanbrengen van een steunpunt om het niveauverschil met de natte cel te overbruggen

  • het aanbrengen van een drempelhulp met hetzelfde doel;

  • het vervangen van een bad door een douche;

  • het vervangen van een douchebak door een gelijkvloerse instap;

  • het plaatsen van anti-sliptegels;

  • thermostaatkranen;

  • een douchezitje aan de muur.

Het aanpassen van de natte cel teneinde het bad te kunnen gebruiken, wordt slechts in uitzonderlijke gevallen onder de Wmo verstrekt. Het kunnen gebruiken van het bad om therapeutische redenen is geen voorziening vanuit de Wmo. Er kan een indicatie zijn voor het aanpassen van een bad als er een contra-indicatie is voor het gebruik van een douche (sterke overgevoeligheid voor gevoelsprikkels, zoals de douchestraal).

 

Toilet

De volgende voorzieningen worden als gebruikelijk beschouwd. Het betreft geen limitatieve lijst:

  • steunpunten in het toilet (zoals wandbeugels);

  • verhoogde toiletpot.

Een tweede toilet op de verdieping wordt in de regel niet verstrekt. In veel gevallen is een toiletstoel een adequate voorziening. Alleen als de gebruiker en de andere huisgenoten niet in staat zijn tot het legen van de emmer, kan overgegaan worden tot een dergelijke voorziening.

 

Losse woonvoorzieningen

Losse voorzieningen zijn voorzieningen die geen deel uitmaken van de woning zelf (niet aard- en nagelvast). Voorzieningen, die tijdelijk (korter dan 6 maanden) nodig zijn, kunnen worden geleend bij de thuiszorgwinkel. De volgende losse woonvoorzieningen worden als gebruikelijk beschouwd of kunnen vanuit de eigen kracht eenvoudig gerealiseerd worden. Het betreft geen limitatieve lijst.

  • een niet-verrijdbare douchestoel of douchekruk;

  • badplank;

  • toiletstoel;

  • vloerbedekking.

Een badlift kan alleen verstrekt worden als er een contra-indicatie is voor het gebruik van een douche (zie ook Natte cel). Wanneer een tillift noodzakelijk is om eventueel met assistentie, de transfers van en uit bed e.d. te maken, gaat de voorkeur uit naar de verrijdbare tillift boven de plafondlift.

 

Tijdelijke huisvesting en huurderving

In uitzonderlijke situaties kan het niet mogelijk zijn om de woning te bewonen tijdens het aanpassen. Het college vergoedt dubbele woonlasten als deze niet te vermijden zijn en te maken hebben met het aanpassen van de woning. In de regel worden deze kosten nooit langer dan 6 maanden vergoed. Huurderving is bedoeld als vergoeding voor de verhuurder om een aangepaste woning niet direct te verhuren, maar eerst te kijken of er iemand is die de aanpassing kan gebruiken. De eerste maand leegstand komt niet voor vergoeding in aanmerking. In de regel worden deze kosten nooit langer dan 6 maanden vergoed.

 

Verwijderen van voorzieningen

Wanneer een huurder van een aangepaste woning verhuist, hoeft de woningaanpassing noch door de huurder noch door de gemeente verwijderd te worden. Dit is als nieuwe bepaling opgenomen in de wet.

 

Uitraasruimte

Bepaalde psychische problemen van een ingezetene, bijvoorbeeld hyperactiviteit of moeilijkheden in het doseren van omgevingsprikkels, kunnen (op bepaalde tijden) aanleiding geven tot problemen bij het verblijf van deze ingezetene in de woonruimte. Deze problemen kunnen worden opgevangen door in de woning over een uitraaskamer te beschikken. Wanneer er noodzaak is tot een uitraasruimte gaat het vaak om minderjarige kinderen. Onder een uitraaskamer wordt verstaan een kamer (verblijfsruimte), waarin een ingezetene met psychische problemen die gedragsproblemen heeft, zich kan afzonderen of tot rust kan komen.

De criteria voor een uitraaskamer zijn:

  • Betrokkene beschadigt zichzelf (zelfverwonding);

  • Betrokkene beschadigt de omgeving (vernielzucht);

  • Er is sprake van ongecontroleerde driftbuien of overmatige apathie.

Het vaststellen van deze criteria zal in eerste instantie gebeuren door een orthopedagoog, gevolgd door een medisch advies.

De uitraaskamer is bedoeld om de ingezetene, die bovenstaande problemen ondervindt tegen zichzelf te beschermen èn om de ouders/verzorgers in staat te stellen beter toezicht uit te oefenen. Het belang van de gebruiker staat voorop bij de uitraaskamer. Gaat het bij de gevolgen van de gedragsproblemen niet om de belangen van de gebruiker, maar om die van anderen, bijvoorbeeld doordat zij bestaan uit hinder voor die anderen, dan is er geen sprake van een uitraaskamer in de zin van de Wmo. In bijlage III is een uitgebreide handreiking opgenomen ten aanzien van de indicatie en het realiseren van een uitraasruimte.

 

 

Hoofdstuk 12. Het zich lokaal kunnen verplaatsen

 

Wat

Het lokaal verplaatsen per vervoermiddel is de mogelijkheid om in de eigen woon- en leefomgeving te gaan en staan waar men wil. Er wordt gesproken over lokaal verplaatsen, waarbij gedacht moet worden aan verplaatsingen in een straal van 15 tot 20 kilometer rond de woning. Buiten dit gebied kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden van het bovenregionale vervoer, dat Valys in opdracht van het ministerie van VWS verricht. Bij het lokaal verplaatsen gaat het om het vervoer van alledag zoals: boodschappen doen, kinderen van school halen of naar school brengen, bezoeken van familie, vrienden en kennissen, maar ook deelname aan sociaal-culturele activiteiten (vereniging, schouwburg, bibliotheek etc.). Het vervoer ten behoeve van werk (of scholing) valt niet onder de Wmo. Een collectief vervoersysteem kan de prioriteit hebben, zodat de keuze voor een persoonsgebonden budget beperkt kan worden, mits men rekening houdt met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager. Er wordt geen onbeperkte kostenloze vervoermogelijkheid aangeboden. Er wordt vanuit gegaan dat iedereen een bijdrage betaalt voor vervoer al dan niet in de vorm van een tarief. Als er na het optreden van beperkingen geen sprake is van een andere situatie op vervoersgebied dan daarvoor (men heeft al 40 jaar een auto en is gewend daar alles mee te doen) zal er geen noodzaak zijn te compenseren omdat er geen probleem is of omdat men het zelf kan oplossen. Dat kan anders zijn indien door het optreden van de beperkingen ook het inkomen daalt.

 

Toegangscriteria

De persoon met beperkingen, chronisch psychische of psychosociale problemen ervaart belemmeringen ten aanzien van het zich lokaal kunnen verplaatsen. Hierdoor is de persoon onvoldoende zelfredzaam.

 

Afwegingskader

Het afwegingskader zoals opgenomen in hoofdstuk 4 is van toepassing. Er zijn alleen aanvullende bepalingen opgenomen;

  • Als ondersteuning noodzakelijk is voor de zelfredzaamheid en participatie van iemand zal allereerst gekeken worden waar de vervoersbehoefte van de belanghebbende uit bestaat. Het analyseren van het verplaatsingsgedrag (waarom, waarheen, frequentie, wijze van verplaatsen) vormt de input voor de vervoersbehoefte. Dit betekent niet dat iedere wens gehonoreerd wordt. Er wordt een afweging gemaakt tussen de vervoersbehoefte en de goedkoopst, adequate oplossing;

  • Het primaat voor een vervoersvoorziening ligt bij het collectief vervoer. Met het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV), ook wel regiotaxi genoemd kan binnen een straal van ongeveer 25 kilometer (5 ov-zones) gereisd worden;

  • Als collectief vervoer niet mogelijk of niet beschikbaar is, kan het college een maatwerkvoorziening verstrekken;

  • Bij het verstrekken van maatwerkvoorzieningen, niet zijnde een pas voor het CVV beoordeelt het college of er sprake is van meerkosten ten opzichte van de periode voordat de beperkingen ontstonden. Alleen als daar sprake van is komt men in aanmerking voor een maatwerkvoorziening;

 

Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV)

Iemand kan in aanmerking komen voor deelname aan het CVV op grond van één van de volgende criteria:

  • Het niet zelfstandig kunnen bereiken van de bushalte (richtlijn bebouwde kom 400 meter, buiten de bebouwde kom 800 meter);

  • Het op grond van fysieke beperkingen niet kunnen overbruggen van de wachttijden bij de bushalte;

  • Het niet kunnen maken van de instap in de bus;

  • Het fysiek niet in staat zijn langere tijd te zitten of de beweging van de bus te doorstaan;

  • Het op grond van cognitieve beperkingen niet in staat zijn om zonder begeleiding gebruik te maken van het openbaar vervoer; hiervoor wordt een minimum leeftijdsgrens van 10 jaar gehanteerd, waarbij er vanuit wordt gegaan dat kinderen onder de 10 jaar altijd onder begeleiding gebruik maken van het openbaar vervoer.

 

Begeleiding in het CVV

In sommige situaties kan één begeleider gratis mee in het CVV.

Dit is het geval als:

  • men in het kader van de WMO reist met het CVV; én

  • de begeleiding van de chauffeur onvoldoende is. Hiervan kan sprake zijn wanneer:

    • tijdens de rit medische zorg nodig is;

    • sprake is van gedragsproblematiek of angst die door begeleiding word opgeheven;

    • tijdens de rit ADL-hulp noodzakelijk is.

 

Als het CVV geen oplossing biedt

Het CVV wordt in ieder geval geen passende voorziening geacht indien:

  • er sprake is van sociaal/psychische factoren ten gevolge waarvan de privacy of de veiligheid van ingezetene of medepassagiers niet is gegarandeerd., zoals

    • Oncontroleerbare bewegingen;

    • Privacygevoelige zaken die een extreme schaamte of gêne ten gevolge hebben voor ingezetene;

    • Extreme gedragsstoornissen;

    • Extreme fobieën, die ook na uitvoerige therapeutische behandeling niet zijn te verhelpen.

 

Als het CVV geen passende voorziening is kan een tegemoetkoming verstrekt worden voor de extra kosten van vervoer.

Deze tegemoetkoming kan aangewend worden voor

  • een vergoeding voor het gebruik van een taxi;

  • een vergoeding voor het gebruik van een rolstoeltaxi;

  • een vergoeding voor het gebruik van de eigen auto;

  • een vergoeding voor het gebruik van een bruikleen- of leaseauto;

  • een vergoeding van een autoaanpassing.

De hoogte van de tegemoetkoming is opgenomen in het Financieel Besluit Wmo, dat door het college separaat wordt vastgesteld. Een tegemoetkoming voor het gebruik van de eigen auto, bruikleen- of leaseauto wordt alleen verstrekt als voor het ontstaan van de vervoersproblemen nog geen auto in het bezit van ingezetene of het gezin van ingezetene was.

 

Autoaanpassing

Een autoaanpassing wordt alleen verstrekt als de auto al in het bezit is van de ingezetene. De kosten van de voorziening worden gemaximeerd op de hoogte van de totale tegemoetkoming voor het gebruik van een taxi dan wel rolstoeltaxi afhankelijk van het feit of de gebruiker rolstoelafhankelijk is. Naast alle voorwaarden die gelden voor een maatwerkvoorziening vervoer, gelden de volgende aanvullende voorwaarden:

  • De aan te passen auto is niet ouder dan 7 jaar;

  • De ingezetene gebruikt zijn eigen (gezins)auto regelmatig (bijna dagelijks) voor deelname aan het maatschappelijk verkeer;

  • De beoordeling of iemand met een beperking in staat is om op een veilige manier met een auto deel te nemen aan het verkeer wordt gedaan door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR). Via de afdeling aanpassingen van het CBR wordt advies gegeven over de noodzakelijke technische aanpassingen om de auto veilig te kunnen besturen. De kosten voor dit advies komen voor de rekening van de ingezetene;

  • Vergoeding voor aanpassing wordt eens in de 7 jaren verstrekt; d.w.z. dat bij inruil van de auto binnen deze periode de nieuwe auto niet opnieuw wordt aangepast;

  • Alleen medische veranderingen kunnen leiden tot een voorziening binnen deze termijn. Hierbij geldt nog steeds het maximumbedrag voor 7 jaar ten opzichte van een tegemoetkoming voor vervoer in taxi of rolstoeltaxi;

  • Als niet aannemelijk is dat de autoaanpassing voor 7 jaar adequaat is, wordt het maximumbedrag voor de tegemoetkoming aangepast aan het verwacht aantal jaren;

  • Ingezetenen dienen in toereikende mate verzekerd te zijn in geval van diefstal van of schade aan de auto.

In bijlage IV is aanvullende informatie opgenomen ten aanzien van autoaanpassingen.

 

Bovenregionaal vervoer

In zeer uitzonderlijke gevallen wordt bovenregionaal vergoed, als Valys geen passende oplossing is. Iemand dient hiervoor aan alle volgende criteria te voldoen:

  • De ingezetene heeft essentiële contacten buiten de gemeente Hattem, die alleen kunnen worden onderhouden door daar zelf op bezoek te gaan. Dat wil zeggen: de contacten die niet in staat zijn de ingezetene in Hattem te bezoeken;

  • Het niet kunnen onderhouden van deze contacten heeft een dreigende vereenzaming of ontwrichting van het psychosociaal functioneren tot gevolg;

  • De ingezetene is op medische gronden niet in staat deze contacten te onderhouden door gebruik te maken van Valys volgens de daarvoor door Valys opgestelde bepalingen.

 

Vervoermiddelen voor lokale verplaatsingen

Bij lokale verplaatsingen wordt onderscheid gemaakt tussen:

korte afstanden tot 800 meter

middellange afstanden 800 – 1.200 meter

lange afstanden meer dan 1.200 meter

De hieronder omschreven vervoermiddelen worden adequaat geacht voor korte en middellange afstanden. Een uitzondering hierop vormt de rolstoelscooter die ook voor de langere afstanden adequaat is.

 

Gebruikelijk

De volgende vervoermiddelen zijn gebruikelijk:

  • elektrische fietsen;

  • fietsen met trapondersteuning;

  • zijwielen aan een fiets;

  • fietsen met hulpmotor.

Wanneer een gebruikelijke fiets geen adequate oplossing biedt, zal gekeken worden naar andere oplossingen. In het algemeen moet één vervoermiddel voor lokale verplaatsingen als afdoende beschouwd worden en zal gekozen worden voor de goedkoopst adequate voorziening. Aanpassingen aan een auto om de voorziening voor lokale verplaatsing mee te kunnen nemen op de auto komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Algemene voorwaarden voor verstrekking van een voorziening voor lokale verplaatsingen:

  • De voorziening speelt een belangrijke rol in het dagelijkse verplaatsingspatroon en niet slechts incidenteel (bijvoorbeeld alleen bij mooi weer);

  • De ingezetene beschikt over voldoende rijvaardigheid en verkeersinzicht;

  • De ingezetene is in staat zorg te dragen voor dagelijks onderhoud van de voorziening;

  • Er is voldoende garantie voor veilige, droge en vorstvrije stalling/berging van de voorziening.

 

Scootmobiel

De scootmobiel is een elektrisch aangedreven buitenvervoermiddel, dat door middel van handbediening wordt bestuurd.

Criteria en voorwaarden voor verstrekking van een scootmobiel zijn:

  • onvoldoende motorische mogelijkheden om van een gebruikelijke (goedkopere) voorziening gebruik te maken;

  • de dagelijkse verplaatsingsdoelen kunnen niet lopend worden overbrugd;

  • het is mogelijk om de scootmobiel te stallen en op te laden (dan wel dit te realiseren);

  • het vervoer per scootmobiel speelt een belangrijke rol in het dagelijks leven van de ingezetene.

 

Fietsen in speciale uitvoeringen

Driewielfietsen

Criteria om in aanmerking te komen voor een driewielfiets zijn:

  • Men heeft onvoldoende motorische mogelijkheden om op een tweewielfiets te kunnen fietsen;

  • Fietsen op een tweewielfiets vraagt vanwege motorische problemen zoveel concentratie dat er onvoldoende aandacht aan het verkeer kan worden besteed;

  • De aanvrager is een jong kind in ontwikkeling voor wie het fietsen op een “speel” driewielfiets uit de reguliere handel niet mogelijk is. De driewielfiets wordt dan gezien als speel-/vervoermiddel in en om de woning en niet als voorziening voor lokale verplaatsing op korte en middellange afstanden.

 

Tandems

Tandems worden gebruikt voor mensen, die niet zelfstandig aan het verkeer deel kunnen nemen, maar wel een duidelijke eigen vervoersbehoefte hebben èn de lichamelijke mogelijkheden om te kunnen fietsen.

Criteria en voorwaarden voor het verstrekken van een tandem zijn:

  • Visus- of gehoorproblemen, die zelfstandige deelname aan het verkeer niet mogelijk maken.

  • Cognitieve problemen, die zelfstandige deelname aan het verkeer niet mogelijk maken.

  • Er is een begeleider aanwezig, die met de tandem overweg kan.

 

Rolstoelfietsen

Rolstoelfietsen zijn fietsen waaraan een rolstoel is vastgekoppeld. Deze fietsen worden vooral gebruikt bij kinderen, die rolstoelafhankelijk zijn en die te groot zijn geworden voor het vervoer achterop de fiets van de ouders.

Criteria en voorwaarden voor het verstrekken van een rolstoelfiets zijn:

  • ingezetene is niet in staat om met behulp van een meer zelfstandige voorziening voor lokale verplaatsing (driewielfiets of tandem) in de vervoersbehoefte op korte of middellange afstand te voorzien;

  • Er is een begeleider aanwezig, die met de rolstoelfiets overweg kan;

 

Handbike

De handbike is een fietsdeel dat is aan te koppelen aan een rolstoel, zodat kan worden “ gefietst” met behulp van handaandrijving. Op de plaats van bestemming kan het fietsdeel worden afgekoppeld, zodat de rolstoel weer als rolstoel is te gebruiken.

Criteria en voorwaarden voor verstrekking zijn:

  • ingezetene is voor de verplaatsing afhankelijk van het gebruik van een rolstoel;

  • Er is onvoldoende beenfunctie aanwezig om zich fietsend te verplaatsen;

  • Er is voldoende arm-/handfunctie aanwezig om zich fietsend met behulp van handaandrijving te verplaatsen.

 

Rolstoelscooters

In zeer uitzonderlijke gevallen kan worden overgegaan tot het verstrekking van een voorziening voor lokale verplaatsing, waar men met een rolstoel op rijdt, een zogenaamde rolstoelscooter.

Criteria hiervoor zijn:

  • ingezetene is volledig rolstoelgebonden;

  • ingezetene is niet in staat veelvuldige transfers te maken vanuit de rolstoel op een ander vervoermiddel;

  • ingezetene heeft onvoldoende motorische mogelijkheden om van een gebruikelijke (goedkopere) voorziening, zoals de handbike, gebruik te maken;

  • ingezetene heeft een dermate intensief verplaatsingspatroon dat vervoer per rolstoeltaxi niet als adequaat kan worden beschouwd.

 

Accessoires

Accessoires aan vervoermiddelen worden alleen verstrekt wanneer deze medisch noodzakelijk zijn en ze niet als gebruikelijk kunnen worden beschouwd.

 

Voorbeelden van accessoires die als gebruikelijk worden beschouwd of eenvoudig vanuit de eigen kracht te realiseren zijn:

  • (rolstoel) handschoenen;

  • regenkleding;

  • boodschappenmandjes/tassen;

  • bandenpompjes;

  • spiegels;

  • schootskleden.

 

Voorbeelden van medisch noodzakelijke accessoires

  • orthesejas;

  • zuurstoffleshouder;

  • stokhouder/houders voor het meenemen van een loophulpmiddel.

 

Training

Het komt voor dat de inwo ingezetene ner een training nodig heeft om de electrische vervoersvoorziening te leren gebruiken. Dit kan zowel tijdens het adviestraject, waar de training onderdeel uitmaakt van de selectie van de juiste electrische vervoersvoorziening, als na aflevering van de electrische vervoersvoorzieinng. De training is een eerstelijnsvoorziening (ergotherapeute) en wordt niet verstrekt in het kader van de Wmo.

Wanneer er gerede twijfel bestaat over de rijvaardigheid ten aanzien van een electrische vervoersvoorziening, wordt hiertoe niet besloten.

 

 

Hoofdstuk 13. Het hebben van contacten met medemensen en deelnemen aan recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten

 

Wat

Het gaat hierbij om de mogelijkheid deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten, dat wil zeggen deel te kunnen nemen aan het leven van alledag. Een belangrijke voorwaarde hiervoor zit in een ander te bereiken resultaat: het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel.

 

Algemene voorzieningen in de vorm van een inloop

Onder de Wmo valt ook het zorgdragen voor een inloopvoorziening. De inloopvoorziening betreft een dagelijks geopende voorziening die kan worden bezocht door iedereen die een kop koffie wil drinken, een praatje wil maken of hulp nodig heeft bij het invullen van formulieren. In Hattem zijn een aantal gedifferentieerde voorzieningen in de vorm van een inloopvoorziening opgenomen in de sociale kaart.

 

Toegangscriteria

Personen die wegens beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen niet zonder maatschappelijke ondersteuning in staat zijn tot het aangaan van sociale contacten.

 

Afwegingskader

  • Het afwegingskader zoals opgenomen in hoofdstuk 4 is van toepassing. Er zijn alleen aanvullende bepalingen opgenomen;

  • Als het gaat om een vervoersprobleem zal het college eerst beoordelen of dit via een eventuele vervoersvoorziening opgelost kan worden;

  • Zoals eerder aangegeven valt de rolstoel voor incidenteel gebruik niet onder de Wmo. De rolstoel voor incidenteel gebruik is namelijk bedoeld voor verplaatsingen tijdens bijvoorbeeld uitstapjes. De rolstoel voor incidenteel gebruik wordt hier vermeld, omdat de rolstoel het mede mogelijk maakt om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten. De leenrolstoel via de thuiszorgwinkels is een gebruikelijke voorziening;

  • Bij een aanvraag voor een sportvoorziening (in de vorm van een tegemoetkoming) in het kader van de Wmo moet er sprake zijn van een voorziening voor deelname aan sportieve activiteiten in het maatschappelijk leven. De sportvoorziening moet gezien worden als een manier om de deelname aan het maatschappelijk verkeer van personen met beperkingen te bevorderen. Het college zal zich bij elke vraag voor een sportvoorziening een oordeel moeten vormen of de gevraagde sportvoorziening hieraan daadwerkelijk een bijdrage kan leveren. In de regel zal een sportvoorziening alleen worden toegekend als de gebruiker actief lid van een sportvereniging is;

  • Er geldt een maximumbedrag voor een sportvoorziening inclusief verzekering en onderhoud. Dit bedrag is opgenomen in het Financieel Besluit Wmo;

  • Het college heeft geen resultaatsplicht voor topsportvoorzieningen. Belanghebbenden die speciale sportvoorzieningen nodig hebben om sport op topniveau te bedrijven, dienen uit eigen middelen, fondsenwerving of door middel van sponsoring de financiën bijeen te brengen. Dit laat onverlet dat een topsporter eventueel wel in aanmerking kan komen voor een "normale" sportvoorziening, die voldoende geschikt is om sport te kunnen beoefenen op een lager niveau.

 

Eigen bijdrage

Voor voorzieningen op grond van dit resultaat wordt een bijdrage gevraagd (zie hoofdstuk 3). Vanuit dit resultaat worden de incidenteel rolstoelen verstrekt. Voor deze voorziening is dus in tegenstelling tot een rolstoel voor (semi)permanent gebruik een inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd. Voor een sportvoorziening wordt geen eigen bijdrage gevraagd, het betreft hier immers geen algemene- of maatwerkvoorziening waarvoor de wet een eigen bijdrage mogelijk maakt, maar een tegemoetkoming in de kosten.

 

 

Hoofdstuk 14. Het zo nodig kunnen wonen in een beschermde omgeving, dan wel kunnen beschikken over opvang

 

Voor een ingezetene met psychische of psychosociale problemen of voor een ingezetene die, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, de thuissituatie hebben verlaten, voorziet de gemeente in de behoefte aan beschermd wonen en opvang. Beschermd wonen en opvang wordt ook voor de ingezetenen van de gemeente Hattem geregeld en gerealiseerd door Zwolle. Namens de regio treedt Zwolle op als centrumgemeente, voor vrouwenopvang is dat de gemeente Apeldoorn. Beleidskeuzes worden in regionaal verband gemaakt en Hattem zal aansluiten bij deze keuzes. Wanneer dit noodzakelijk is zullen afspraken en richtlijnen separaat van deze beleidsregels worden vastgesteld door het college.

 

14.1 Beschermd wonen

 

Wat

  • Wonen in een accommodatie van een instelling;

  • Met het daarbij behorende toezicht en begeleiding;

  • Gericht op het bevorderen en herstel van zelfredzaamheid en participatie;

  • Gericht op het bevorderen van het psychisch en psychosociaal functioneren;

  • Gericht op stabilisatie van het ziektebeeld;

  • Gericht op het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast;

  • Gericht op het afwenden van gevaar voor de ingezetene of anderen.

 

Afwegingskader

Aangesloten wordt bij het afwegingskader van de gemeente Zwolle, die namens de regio als centrumgemeente optreedt.

 

14.2 Opvang

 

Wat

Opvang betreft het bieden van onderdak en begeleiding aan personen die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Er dient onderscheid gemaakt te worden tussen maatschappelijke opvang en opvang wegens huiselijk geweld. Maatschappelijke opvang is vaak voor langere duur is in tegenstelling tot opvang wegens huiselijk geweld, wat vaak een kortdurend karakter heeft. Onder maatschappelijke opvang wordt verstaan het bieden van tijdelijk verblijf aan mensen zonder dak boven hun hoofd, gekoppeld aan zorg en begeleiding en/of het verhelpen van een crisis. Opvang wegens huiselijk geweld wordt geboden aan personen voor wie opvang noodzakelijk is wegens geweld in de huiselijke kring (zowel mannen als vrouwen al dan niet gezamenlijk met hun kinderen).Het college doet dit in regionaal verband vanuit de centrumgemeente Zwolle, respectievelijk Apeldoorn.

 

Afwegingskader

Aangesloten wordt bij het afwegingskader van de gemeente Zwolle, respectievelijk Apeldoorn (vrouwenopvang), die namens de regio als centrumgemeente optreedt.

 

 

 

Bijlage I Indicatierichtlijnen Begeleiding (behorend bij hoofdstuk 5)

 

De CIZ systematiek als methodiek voor na 2015

 

 

1. Sociale redzaamheid

Aspecten van functioneren

Licht beperkt

Matig beperkt

Ernstig beperkt

1. Begrijpen wat anderen zeggen.

2. Een gesprek voeren.

3. Zich begrijpelijk maken.

4. Initiëren en uitvoeren eenvoudige taken.

5. Kunnen lezen, schrijven en rekenen.

6. Communicatiehulpmiddel gebruiken.

7. Dagelijkse bezigheden.

8. Problemen oplossen en besluiten nemen.

9. Dagelijkse routine regelen.

10.Zelf geld beheren.

11. Initiëren en uitvoeren complexere taken.

12. Zelf administratie bijhouden.

ingezetene heeft lichte problemen met de dagelijkse routine en met het uitvoeren van vooral complexere activiteiten. Met enige stimulans en/of toezicht is hij in staat zijn sociale leven zelfstandig vorm te geven, aankopen te doen en zijn geld te beheren. Wat betreft het aangaan en onderhouden van sociale relaties, op school, op het werk, met het sociale netwerk, is er met praten bij te sturen: vanuit gezin, het sociale netwerk en/of school. De verzekerde kan zelf om hulp vragen en er is geen noodzaak tot het daadwerkelijk overnemen van taken.

Het oplossen van problemen, het zelfstandig nemen van besluiten, het regelen van dagelijkse bezigheden en de dagelijkse routine (gebrek aan dag- en nachtritme) zijn voor ingezetene niet vanzelfsprekend en leveren af en toe zodanige problemen op dat de ingezetene afhankelijk is van hulp. De communicatie gaat niet altijd vanzelf doordat ingezetene soms niet goed begrijpt wat anderen zeggen en/of zichzelf soms niet voldoende begrijpelijk kan maken. Het niet inzetten van begeleiding kan leiden tot verwaarlozing/ opname.

Complexe taken moeten voor ingezetene worden overgenomen. Ook het uitvoeren van eenvoudige taken en communiceren gaan moeizaam. ingezetene kan niet zelfstandig problemen oplossen en/of besluiten nemen, hij kan steeds minder activiteiten zelfstandig uitvoeren. De zelfredzaamheid wordt problematisch. Voor de dagstructuur en het voeren van de regie is ingezetene afhankelijk van de hulp van anderen.

 

 

2. Bewegen en verplaatsen

Aspecten van functioneren

Licht beperkt

Matig beperkt

Ernstig beperkt

1. Lichaamspositie handhaven.

2. Grove hand- en arm bewegingen maken.

3. Fijne handbewegingen maken.

4. Lichtere voorwerpen tillen.

5. Gecoördineerd bewegingen maken met benen en voeten.

6. Lichaampositie veranderen.

7. Trap op en af gaan zonder hulp(middelen).

8. Zich verplaatsen met hulp(middelen).

9. Voortbewegen binnenshuis, zonder hulp(middelen).

10. Gebruikmaken van openbaar vervoer.

11. Eigen vervoermiddel gebruiken.

12. Voortbewegen buitenshuis zonder hulp(middelen).

13. Korte afstanden lopen.

14. Zwaardere voorwerpen tillen.

ingezetene kan niet meer zelf fietsen of autorijden en zich buitenshuis niet meer zonder hulpmiddel (bijvoorbeeld een rollator) voortbewegen. Met het gebruik van hulpmiddelen kan er nog veel, maar niet alles. Daarnaast kan de verzekerde geen zware voorwerpen tillen. Het optillen van lichte voorwerpen levert soms problemen op, maar met wat hulp en eenvoudige aanpassingen lukt dit nog wel. De ingezetene kan de genoemde beperkingen in voldoende mate compenseren door hulp uit de omgeving en zo nodig door de inzet van hulp bij het huishouden en/of voorzieningen uit de Wmo.

Het zelfstandig opstaan uit een stoel en gaan zitten levert soms problemen op. Fijne handbewegingen worden minder vanzelfsprekend maar ook de grove hand- en armbewegingen beginnen problemen te geven. ingezetene kan zich, ook met behulp van een rollator of rolstoel, moeilijker zelfstandig verplaatsen. Openbaar vervoer is eigenlijk ontoegankelijk voor de ingezetene geworden, maar vanuit eigen middelen of de Wmo zijn hiervoor alternatieven mogelijk.

Bij het opstaan uit een stoel, het gaan zitten en het in- en uit bed komen moet cliënt volledig worden geholpen. Binnenshuis is cliënt voor zijn verplaatsingen zowel naar een andere verdieping of gelijkvloers volledig afhankelijk van hulpmiddelen. Voor het oppakken of vasthouden van lichte voorwerpen is hulp nodig. Ondanks het gebruik van hulpmiddelen kan ingezetene de beperkingen onvoldoende compenseren in het dagelijks leven.

 

 

3. Gedragsproblemen

Aspecten van functioneren

Licht beperkt

Matig beperkt

Ernstig beperkt

1. Destructief gedrag (gericht op zichzelf en/of de ander, zowel letterlijk als figuurlijk).

2. Dwangmatig gedrag.

3. Lichamelijk agressief gedrag.

4. Manipulatief gedrag.

5. Verbaal agressief gedrag.

6. Zelfverwondend of zelfbeschadigend gedrag.

7. Grensoverschrijdend seksueel gedrag.

ingezetene vertoont lichte gedragsproblemen die bijsturing vereisen, maar geen directe of acute belemmering vormen voor de zelfredzaamheid. Het vertoonde gedrag kan relatief eenvoudig worden bijgestuurd door de omgeving van de ingezetene, het gezin en/of de school. Bijsturing is voldoende zonder dat de overname noodzakelijk is.

ingezetene vertoont gedrag dat bijsturing en soms (gedeeltelijke) overname van taken vereist. Het ingezetenen-systeem kan slechts gedeeltelijk in de bijsturing van ingezetene voorzien. Het vertoonde gedrag vereist bijsturing door een deskundige professional. Als er geen deskundige bijsturing wordt geboden, verslechtert de situatie van ingezetene.

ingezetene vertoont ernstig probleemgedrag en hierdoor ontstaan zelfredzaamheidsproblemen. Er is deskundige professionele sturing nodig om het gedrag in goede banen te leiden. Omdat er risico’s zijn voor veiligheid van inwon ingezetene er of zijn omgeving is er continu hulp of begeleiding nodig.

 

 

4. Psychisch functioneren

Aspecten van functioneren

Licht beperkt

Matig beperkt

Ernstig beperkt

1. Concentratie.

2. Geheugen en denken.

3. Perceptie van omgeving.

ingezetene heeft lichte problemen met concentreren, geheugen en denken. De oorzaak kan in verschillende problemen liggen, zoals lichte sociaal-emotionele instabiliteit, stemmings-problemen, of prikkel-gevoeligheid. De concentratie en/of capaciteit tot informatieverwerking laat af en toe te wensen over. Met hulpmiddelen en enige aansturing is de zelfredzaamheid van de ingezetene voldoende te ondersteunen. Er is geen noodzaak tot het overnemen van taken.

ingezetene heeft vaak zodanige problemen met de concentratie en informatieverwerking dat hiervoor hulp noodzakelijk is. Als er niet met regelmaat deskundige hulp wordt geboden, ervaart ingezetene in het dagelijks leven problemen bij de zelfredzaamheid.

ingezetene heeft ernstige problemen met de concentratie, het geheugen en denken en ook de waarneming van de omgeving. Hierdoor is volledige overname van taken door een deskundige professional noodzakelijk.

 

 

5. Oriëntatiestoornissen

Aspecten van functioneren

Licht beperkt

Matig beperkt

Ernstig beperkt

1. Oriëntatie in persoon.

2. Oriëntatie in ruimte.

3. Oriëntatie in tijd.

4. Oriëntatie naar plaats.

ingezetene heeft lichte problemen met het besef van tijd en/of plaats. Het herkennen van personen en de omgeving levert geen problemen op. De problemen doen zich af en toe voor en de inwoner kan zich zelfstandig redden met hulp vanuit zijn netwerk. De beperkingen vormen geen bedreiging voor zijn zelfredzaamheid, want de ingezetene kan veel taken op basis van ‘gewoonte’ zelfstandig uitvoeren.

ingezetene heeft problemen met het herkennen van personen en zijn omgeving. De zelfredzaamheid van ingezetene staat onder druk. ingezetene heeft vaak hulp nodig van anderen bij het uitvoeren van taken en het vasthouden van een normaal dagritme. Als er geen deskundige begeleiding wordt geboden, verslechtert de situatie van ingezetene.

ingezetene vertoont ernstige problemen in het herkennen van personen en van zijn omgeving. Hij is gedesoriënteerd en zijn zelfredzaam is aangetast. Ondersteuning bij dagstructurering en bij het uitvoeren van taken is noodzakelijk, ook is het overnemen van taken aan de orde. Als er geen deskundige begeleiding geboden wordt, is opname het enige alternatief.

 

 

 

Bijlage II Bepalen omvang maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden (behorend bij hoofdstuk 6 tot en met 9)

 

In deze bijlage zijn de normtijden met betrekking tot de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden opgenomen (resultaten hoofdstuk 6 tot en met 9).

Een maatwerkvoorziening Huishoudelijke Hulp wordt alleen ingezet als de algemene voorziening Huishoudelijke Hulp niet voorziet.

Met normtijden genoemd in deze bijlage kan de totale noodzakelijke omvang van de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden bepaald worden. De normtijden die gehanteerd worden zijn onder andere afhankelijk van:

  • samenstelling van het huishouden: één of meer persoonshuishouden;

  • de aanwezigheid en leeftijd van kinderen;

  • het aantal kamers dat intensief als leefruimte wordt gebruikt.

 

Het aantal kamers dat in gebruik is

Bij éénpersoonshuishoudens wordt rekening gehouden met het aantal kamers dat in gebruik is. Geteld wordt de woonkamer en in gebruik zijnde slaap- en bijkamers. De badkamer, wc, opbergkast, kelder, zolder, keuken e.d. niet meegerekend. Kamers die leeg zijn, of juist als opslag vol spullen staan of een sporadische logeerkamer worden niet meegerekend. De woningen waarbij men 2 kamers of minder in gebruik heeft, zijn over het algemeen de aanleun-, senioren- of kleine ééngezinswoningen. Ook situaties waarbij een aanvrager besloten heeft in de woonkamer ook te slapen en de overige kamers niet te gebruiken maakt gebruik van minder dan drie kamers. Bij een meerpersoonshuishouden wordt niet gekeken hoeveel kamers in gebruik zijn.

 

Factoren voor meer of minder zorg

De tijden die hier benoemd zijn, zijn normtijden. Niet iedere situatie is goed te beoordelen met de normtijden. Wanneer een ingezetene bepaalde onderdelen van huishoudelijke taken zelf uit kan voeren, zal niet de volledige norm worden meegenomen. Er zijn ook situaties die leiden tot meerhulp:

Bedlegerigheid

Als mensen bedlegerig zijn door hun ziektebeeld kan er extra tijd per week worden gerekend wegens het vaker dan normaal verschonen van het bed.

Incontinentie, speekselverlies

Bij personen met overmatig speekselverlies of overmatige incontinentie kan extra tijd worden gerekend met betrekking tot de wasverzorging. Daarbij moet wel sprake zijn van een dusdanige incontinentie dat onderleggers in bed en luiers niet toereikend zijn.

Aanwezigheid van kinderen

Een huishouden met kinderen vraagt in principe om meer ondersteuning dan een huishouden zonder kinderen. Extra tijdwordt gerekend als er kinderen tot 12 jaar aanwezig zijn. De extra tijd geldt per huishouden en niet per kind. Het leveren van maatwerk is het uitgangspunt.

Allergie voor huisstofmijt, COPD

Bij personen die bekend zijn met een allergie voor huisstofmijt en/of COPD, kan er een noodzaak bestaat om de woning zoveel mogelijk stofvrij te houden. Hiervoor kan extra tijd worden gerekend, mits de woning gesaneerd is.

 

 

Eenpersoonshuishouden met 2 kamers of minder in gebruik

Activiteiten

Normtijden

Broodmaaltijd bereiden

15 min p/k maximaal

Opwarmen van maaltijd

15 min p/k maximaal

Warme maaltijd bereiden*

30 min p/k maximaal

Boodschappen doen*

60 min p/w maximaal

* enkel indien geen enkele andere mogelijkheid aanwezig is

 

Licht huishoudelijk werk

Normtijden (totaal max 60 min p/w)

Afwassen

15 min p/w maximaal

Licht poetswerk

15 min p/w maximaal

Opruimen/vuilnisbakken legen en huisvuil afvoeren

15 min p/w maximaal

Bedden opmaken

15 min p/w maximaal

 

Zwaar huishoudelijk werk

Normtijden (totaal max 90 min p/w)

Stofzuigen

15 min p/w maximaal

Soppen van sanitair

15 min p/w maximaal

Soppen van keuken

15 min p/w maximaal

Bedden verschonen

15 min p/w maximaal

Ramen wassen

15 min p/w maximaal

Incidentele werkzaamheden*

15 min p/w maximaal

* zoals het schoonmaken van de binnenkant van kasten, het schoonmaken van de koelkast/vriezer, het wassen van gordijnen etc.

 

Wasverzorging

Normtijden (totaal max 60 min p/w)

Was sorteren, in machine doen

10 min p/w maximaal

Ophangen, in droger

10 min p/w maximaal

Afhalen, strijken

30 min p/w maximaal

Wasgoed opvouwen, opbergen

10 min p/w maximaal

 

 

Eenpersoonshuishouden met meer dan 2 kamers in gebruik

Activiteiten

Normtijden

Broodmaaltijd bereiden

15 min p/k maximaal

Opwarmen van maaltijd

15 min p/k maximaal

Warme maaltijd bereiden*

30 min p/k maximaal

Boodschappen doen*

60 min p/w maximaal

* enkel indien geen enkele andere mogelijkheid aanwezig is

 

Licht huishoudelijk werk

Normtijden (totaal max 60 min p/w)

Afwassen

15 min p/w maximaal

Licht poetswerk

15 min p/w maximaal

Opruimen/vuilnisbakken legen en afvoeren huisvuil

15 min p/w maximaal

Bedden opmaken

15 min p/w maximaal

 

Zwaar huishoudelijk werk

Normtijden (totaal max 180 min p/w)

Stofzuigen

30 min p/w maximaal

Soppen van sanitair

30 min p/w maximaal

Soppen van keuken

30 min p/w maximaal

Bedden verschonen

30 min p/w maximaal

Ramen wassen

30 min p/w maximaal

Incidentele werkzaamheden*

30 min p/w maximaal

* zoals het schoonmaken van de binnenkant van kasten, het schoonmaken van de koelkast/vriezer, het wassen van gordijnen etc.

 

Wasverzorging

Normtijden (totaal max 60 min p/w)

Was sorteren, in machine doen

10 min p/w maximaal

Ophangen, in droger

10 min p/w maximaal

Afhalen, strijken

30 min p/w maximaal

Wasgoed opvouwen, opbergen

10 min p/w maximaal

 

Meerpersoonshuishouden

Activiteiten

Normtijden

Broodmaaltijd bereiden

15 min p/k maximaal

Opwarmen van maaltijd

15 min p/k maximaal

Warme maaltijd bereiden*

30 min p/k maximaal

Boodschappen doen*

60 min p/w maximaal

* enkel indien geen enkele andere mogelijkheid aanwezig is.

 

Licht huishoudelijk werk

Normtijden (totaal max 90 min p/w)

Afwassen

20 min p/w maximaal

Licht poetswerk

25 min p/w maximaal

Opruimen/vuilnisbakken legen en afvoeren huisvuil

25 min p/w maximaal

Bedden opmaken:

20 min p/w maximaal

 

Zwaar huishoudelijk werk

Normtijden (totaal max 180 min p/w)

Stofzuigen

30 min p/w maximaal

Soppen van sanitair

30 min p/w maximaal

Soppen van keuken

30 min p/w maximaal

Bedden verschonen

30 min p/w maximaal

Ramen wassen

30 min p/w maximaal

Incidentele werkzaamheden*

30 min p/w maximaal

* zoals het schoonmaken van de binnenkant van kasten, het schoonmaken van de koelkast/vriezer, het wassen van gordijnen etc.

 

Wasverzorging

Normtijden (totaal max 90 min p/w)

Was sorteren, in machine doen

15 min p/w maximaal

Ophangen, in droger

15 min p/w maximaal

Afhalen, strijken

45 min p/w maximaal

Wasgoed opvouwen, opbergen

15 min p/w maximaal

 

Werkzaamheden betreffende het, al dan niet tijdelijk, coachen en ondersteunen van de regievoering over het huishouden

Een maatwerkvoorziening ten aanzien van de regievoering over het huishouden wordt alleen ingezet als de algemene voorziening regieondersteuning niet voorziet.

 

Dagelijkse organisatie van het huishouden

30 min p/w maximaal

Organisatie van huishoudelijke activiteiten

 

Plannen en beheren van middelen m.b.t. het huishouden

 

 

Advies, Instructie en Voorlichting*

30 min p/k (max 3x p/w, max. 6 weken)

Instructie omgaan met hulpmiddelen

 

Instructie huishoudelijke werkzaamheden

 

Stimuleren, samen opwerken en coachen

 

*Als AIV enkel wordt ingezet om huishouden aan te leren, dan geen tijd voor AIV indiceren maar de aan te leren activiteiten indiceren in tijd en vermelden dat het AIV betreft.

 

Opvang en/of verzorging van huisgenoten

Max. 40 uur per week (max. 3 maanden)

Wassen en aankleden

 

Hulp bij eten en/of drinken

 

Maaltijd (voor)bereiden

 

Sfeer scheppen/spelen

 

Opvoedingsactiviteiten

 

 

 

 

Bijlage III De uitraasruimte binnen de Wmo (onder verantwoordelijkheid van Scio consult 2011) (behorend bij hoofdstuk 11)

 

Deze handreiking dateert uit 2011. Dit betekent dat verwijzingen naar wetsartikelen en termininologie niet overeenkomen met de wetsartikelen in de huidige Wmo en andere actuele wetgeving. De inhoud van deze handreiking is nog volledig actueel.

 

1. De uitraasruimte

Per 1 april is de zogenaamde uitraasruimte in de toenmalige Wet Voorzieningen Gehandicapten opgenomen. Deze voorziening maakt vanaf 1 januari 2007 opgenomen in de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo) worden verschillende vormen van woonvoorzieningen ter compensatie van beperkingen bij het voeren van een huishouden verstrekt. Eén van de genoemde voorzieningen is de uitraasruimte (artikel 15, sub d van de Modelverordening Voorzieningen Maatschappelijke Ondersteuning 2007). In de Wmo ontbreekt een definitie van een uitraasruimte. Er kan worden aangesloten bij de definitie zoals deze binnen de Wvg werd gehanteerd. Een uitraasruimte kan dan worden omschreven als een verblijfsruimte waarin een belanghebbende die vanwege een gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont zich kan afzonderen of tot rust kan komen. Bij een uitraasruimte gaat het dus primair om een gedragsstoornis en niet om de lichamelijke functionele beperkingen van de aanvrager.

Het zal bij mensen die vanwege een gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertonen veelal gaan om mensen met een al dan niet verstandelijke en/of lichamelijke handicap met een psychische component in de handicap die leidt tot gedragsstoornissen. Bijvoorbeeld hyperactiviteit, dwangmatig en stereotiep handelen, contactbeperkingen, stemmingsschommelingen, autisme, etc.

 

1.1 Zelfstandig woonsituatie

Om een uitraasruimte als voorziening te kunnen treffen dient er sprake te zijn van een zelfstandige woonsituatie. Met andere woorden indien de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ‐instelling en deze alleen in de weekenden en op enkele vakantiedagen op het thuisadres verblijft is er geen sprake van een zelfstandige woonsituatie. De uitraasruimte valt niet onder de vaak limitatief opgenoemde woningaanpassingen die vallen onder het bezoek‐ of logeerbaar maken van woningen.

 

Co ouderschap

De gemeente heeft hierbij beleidsruimte en kan kiezen voor verruimende maatregelen/voorzieningen. Bij co‐ouderschap mogen in het algemeen beide woningen worden aangepast.

 

1.2 AWBZ indicatie

Het gedrag kan als ernstig ontremd worden omschreven indien dit gedrag is te rangschikken binnen de reikwijdte van de indicatie voor een opname in een inrichting als bedoeld in artikel 5 Wet toelating zorginstellingen.

 

1.3 Dienstig aan de belangen van de belanghebbende

De uitraasruimte moet ten dienste staan aan de belangen van de persoon met de psychische problemen. Indien de gevolgen van de gedragsproblemen niet de belangen van die persoon maar die van anderen aangaan (hinder voor anderen) is er geen sprake van een indicatie voor een uitraasruimte.

 

2. Bouwkundige of functionele maatstaven

Door de wetgever zijn geen richtlijnen aangegeven waaraan een uitraasruimte dient te voldoen. Bij de indicatieadvisering worden individuele uitvoeringsspecificaties gegeven betreffende de situering, de functie, de grootte, materialen en de bouwkundige/technische aspecten.

Hieronder is een beschrijving opgenomen over de bouwmaatstaven van een uitraasruimte. Hiervoor is gebruik gemaakt van het rapport ‘Separeer‐ en afzonderingsvoorzieningen; bouwmaatstaven voor nieuwbouw’ van het College bouw ziekenhuisvoorzieningen. Bij de indicatieadviezen omtrent uitraaskamers worden deze maatstaven niet als norm gehanteerd, wel worden onderdelen hiervan als richtlijnen gehanteerd. Deze richtlijnen worden bij elke aanvraag geïndividualiseerd.

Achtereenvolgens komen aan bod:

  • 1.

    de situering en functie;

  • 2.

    de bouwkundige en technische aandachtspunten;

  • 3.

    sanitaire voorzieningen;

  • 4.

    de eisen aan het binnenmilieu;

  • 5.

    de (minimale) oppervlakte.

 

2.1 De situering en functie

De uitraasruimte moet zodanig gelegen zijn dat 'prikkels' van buitenaf zo veel mogelijk worden voorkomen. De belanghebbende moet in de uitraasruimte immers tot rust kunnen komen. Prikkels van buitenaf kunnen dit proces verstoren. In de ruimte kan de belanghebbende, tijdens en na ernstig ontremd gedrag, zich afzonderen of tot rust komen. De ruimte mag geen dubbele functie hebben. Ofwel: niet als verkeers‐/slaap‐/speelruimte worden gebruikt.

 

Toezicht

De uitraasruimte moet zodanig zijn gelegen dat doorlopend toezicht mogelijk is op de activiteiten die in de ruimte plaats vinden. Dit kan bijvoorbeeld door een ‘spionnetje’ in of een smal raam naast de deur te plaatsen. De uitraasruimte moet afsluitbaar zijn.

 

Inrichting

De inrichting van een uitraasruimte dient sober (‘prikkelarm’) en veilig te zijn. Het betreft een ‘lege’ ruimte, waarin uitsluitend elementen zoals verlichting zijn aangebracht. In de ruimte wordt geen wastafel en toilet aangebracht.

 

2.2 De bouwkundige en technische aandachtspunten

De bouwkundige en technische voorzieningen moeten erop gericht zijn dat voorkomen wordt dat de belanghebbende zich kan verwonden. Het ontwerp, de toegepaste materialen en de detaillering dienen dusdanig te zijn dat deze optimale bescherming bieden aan de belanghebbende. Scherpe of uitstekende objecten mogen niet aanwezig zijn.

De oppervlakken van vloer, wanden, deur met kozijn en raam met kozijn dienen zoveel mogelijk vlak te zijn uitgevoerd. Hiermee wordt voorkomen dat de belanghebbende afwerkingmaterialen of onderdelen van deur of raam kan lostrekken. Vlakke afwerking heeft verder het voordeel dat dit makkelijk is in schoonmaakonderhoud. De gekozen afwerkmaterialen op de vloer of wanden moeten voorzien zijn van een zeer goede hechting. De afwerkmaterialen moeten bestand zijn tegen slaan, krassen en dergelijke met harde voorwerpen. Ook kunnen gecapitonneerde wanden/ zachte vloeren wenselijk zijn.

 

Deur

De deur van de uitraasruimte dient in gesloten toestand aan de kamerzijde vlak aan te sluiten op de wand. Bij het plaatsen van de deur aan de scharnierzijde moet er op worden gelet dat bij het sluiten van de deur geen vingers worden afgeklemd (bijvoorbeeld door het gebruik van cilinderscharnieren). De dagmaat van de deur van de uitraasruimte is voldoende om een belanghebbende en begeleider samen te laten passeren, de standaard dagmaat zal in de meeste gevallen voldoende zijn.

 

Ramen

Voor ramen geldt dat ook deze aan de binnenzijde van de uitraasruimte zoveel mogelijk vlak moeten aansluiten op de wand. Het raam dient te worden uitgevoerd met een onbreekbaar glas (slagvast glas of kunststof (poly‐carbonaat)). Afhankelijk van de oriëntering van het raam ten opzichte van het zo licht moet aan de buitenzijde zonwering worden aangebracht. De mate van daglichttoetreding is conform het bouwbesluit, ofwel minimaal 10% van het vloeroppervlak.

 

Verlichting

In de uitraasruimte moeten (slagvaste) verlichtingsarmaturen worden gebruikt die strak en hoog aan de muur of aan het plafond worden bevestigd. De bediening van de verlichting gebeurt van buiten de uitraasruimte. In sommige gevallen kan het wenselijk zijn een lichtniveauregeling (dimmer) toe te passen.

 

2.3 Sanitaire voorzieningen

Het aanbrengen van sanitaire voorzieningen in de uitraasruimte is niet van toepassing. Het verblijf in de uitraasruimte is meestal van korte tijdsduur. De woning waarin de uitraasruimte wordt getroffen beschikt normaliter over sanitaire voorzieningen zoals een toilet. Hiervan kan de belanghebbende (al of niet onder begeleiding van de ouder/verzorger) gebruik maken.

 

2.4 Eisen aan het binnenmilieu

Het doel van de uitraasruimte is de belanghebbende een omgeving te bieden waar hij zich kan afzonderen of tot rust kan komen. Bij het bepalen van het binnenmilieu moet daarmee rekening worden gehouden. Dit geldt voor zowel de praktische bruikbaarheid als voor de leefbaarheid van het binnen-milieu.

Met de praktische bruikbaarheid wordt onder andere bedoeld een goede afwerking van de gebruikte materialen en het voorkomen van uitstekende delen. Onder de leefbaarheid moet worden verstaan het thermisch comfort, de luchtkwaliteit (voldoende ventilatiemogelijkheden), geluid en warmte‐/koude straling en visuele aspecten als dagen kunstlicht en uitzicht. Dit alles conform de eisen van het Bouwbesluit.

 

Verwarming

Om de uitraasruimte te verwarmen zijn er verschillende mogelijkheden: vloer‐, wand‐, plafond en heteluchtverwarming. Wanneer verwarmingselementen worden gebruikt moeten deze volledig in het wand‐ of plafondvlak worden weggewerkt. Dit om te voorkomen dat de belanghebbende zich aan uitstekende delen kan verwonden.

 

2.5 De (minimale) oppervlakte

De ruimte moet voldoen aan de kleinste verblijfsruimte conform het Bouwbesluit. Afhankelijk van de opzet en plaats van de uitraasruimte wordt een minimale oppervlakte van 5 m2 (breedte minimaal 1.8 m x hoogte 2.6 m) als adequaat geacht. Er kunnen gedragsmatige/ ergonomische argumenten zijn om deze ruimte te vergroten.

 

3. Indicatieadvisering omtrent de uitraaskamer

De indicatieadvisering wordt verricht door de gedragswetenschapper (orthopedagoog), waarbij in individuele gevallen een medisch adviseur kan worden geconsulteerd.

 

3.1 Afbakenen indicatieadvisering

De gedragswetenschapper beperkt zich binnen de woningaanpassing tot de indicering van een uitraaskamer. Bij de voorziening in de vorm van uitraasruimte is geen eindsituatie te erkennen, het betreft een permanente voorziening. De aanvraag wordt gedaan door de wettelijke verzorgers van belanghebbende, waarbij verschillende instellingen kunnen interveniëren.

 

3.2 Nadere definiëring

Doelgroep Wmo: Mensen met beperking en/of chronisch psychisch probleem en/of psychosociaal probleem. Er is geen leeftijdsgrens gesteld aan de belanghebbende, in de praktijk zal het vaak een jong kind betreffen. Onder "uitraasruimte" dient ingevolge artikel 15, lid D, van de Wmo‐model‐verordening te worden verstaan: ‘Een uitraasruimte is een ruimte die op basis van het vervallen artikel 1, lid 1, onder e. van de Wet Voorzieningen gehandicapten kan worden gedefinieerd als een verblijfsruimte, waarin een persoon die tengevolge van een beperking in de vorm van een

ernstige gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont, zich kan afzonderen of tot rust kan komen. Een zeer specifieke voorziening derhalve, die alleen op basis van een specifieke noodzaak en op basis van een specifieke beperking kan worden verstrekt. Het zal in de regel gaan om een kleine, veilige en prikkelarme ruimte.’ Met een uitraasruimte wordt een ruimte gecreëerd waar belanghebbende tot zich zelf kan komen, kan verblijven zonder dat hij zich verwondt, waar hij kan verblijven zonder dat

toezicht nodig is, of waar toezicht beter mogelijk is. Het gaat hierbij personen die problemen ondervinden met de woonruimte als zodanig, omdat zij daarin niet alleen gelaten kunnen worden zonder dat dit gevaar oplevert voor de belanghebbende zelf. De doelgroep betreft personen die vanwege een gedragstoornis ernstig ontremd gedrag vertonen, waarbij het veelal zal gaan om al dan niet verstandelijk‐ en /of lichamelijk gehandicapten met een psychische component in de handicap die leidt tot gedragstoornissen als bijvoorbeeld hyperactiviteit, dwangmatig en stereotiep handelen, contactbeperkingen, stemmingsschommelingen, autisme, et cetera. Het karakter van de Wmo brengt daarbij met zich mee dat de uitraasruimte dienstig moet zijn aan de belangen van de belanghebbende zelf en niet aan die van anderen als bijvoorbeeld de medegezinsleden.

De gedragswetenschapper adviseert de gemeente, waarbij informatie wordt geobjectiveerd en wordt vastgesteld of er sprake is van een dermate ernstige ontremming, dat een uitraaskamer nodig is. Hierbij onderbouwt de gedragswetenschapper het indicatieadvies met argumenten en stelt hij de functionele voorwaarden omtrent de uitvoering vast.

 

3.3 Indicaties

  • Bij belanghebbende is het ernstig ontremd gedrag terug te voeren op een vastgestelde gedragsstoornis, evt. gecombineerd met een verstandelijke en/of lichamelijke beperking;

  • Het gedrag is ernstig ontremd en zou kunnen leiden tot een verminderde veiligheid voor belanghebbende. Het gedrag in de thuissituatie wordt onderschreven door een betrokken diagnosticus/ hulpverlener en/of wordt in andere dagelijkse situatie(s) herkend (dagopvang/ onderwijsvoorziening);

  • Indien goed geëxpliciteerd kunnen omstandigheden, die niet rechtstreeks leiden tot gevaar voor belanghebbende, indicatief zijn voor een uitraaskamer. Een voorbeeld hiervan is dat opvang van belanghebbende in een andere ruimte leidt tot zeer grote angst en stress bij belanghebbende, of dat de voortduring van het gedrag (bijvoorbeeld heel hard gillen), leidt tot zeer grote onmacht bij de medebewoners, dat dit indirect kan leiden tot een gevaarlijke situatie voor belanghebbende;

  • Het gedrag kan niet door tussenkomst door een opvoeder/ begeleider worden afgewend of verminderd en/of de belanghebbende komt buiten een uitraasruimte niet tot rust;

  • Het kind woont bij de ouder(s)/ verzorger(s) en op korte termijn is geen perspectief op een andere woonvoorziening. Bij co‐ouderschap zouden beide woningen kunnen worden aangepast, wanneer (bij de rechter) aantoonbaar is of kan worden gemaakt dat belanghebbende bij beide ouders woont. Wanneer het gaat om een bezoekregeling bij één van de ouders, is bij deze ouder een dergelijke voorziening niet van toepassing;

  • Er is geen andere (lichtere) begeleiding of voorziening voorliggend.

 

3.4 Contra indicaties:

  • Milde (met minder ingrijpende maatregelen begeleidbare) problematiek; er zijn gebruikelijke of algemene voorzieningen/ maatregelen te treffen;

  • Het ontbreken/weigeren van (langdurige) geïndiceerde interventie van het (pedagogisch) gedrag of andere maatregelen;

  • Er is geen opvang mogelijk in een andere, bestaande ruimte;

  • Dreigende uithuisplaatsing op korte termijn.

 

 

3.5 Informatieverzameling voorafgaand aan het advies:

  • Relevant en actuele (te bepalen op basis van ziektebeeld en ziekteverloop)

  • orthopedagogische/ psychologische en/of psychiatrische verslaglegging t.a.v. handicap

  • en gedragsstoornis; geautoriseerd door gedragswetenschapper/ medicus;

  • Groepsverslag/ pedagogisch verslag betreffende het functioneren van de belanghebbende in een onderwijssetting/ dagopvang. Dit kan ook een handelingsplan betreffen;

  • Gesprek met ouder(s) / verzorger (s) / voogd, betreffende de ontwikkelingsanamnese en functioneren in de thuissituatie;

  • Additioneel/ facultatief: aanvullend gesprek met/ verslag van met betrokken beroepsopvoeder/ onderzoeker/ gedragswetenschapper;

  • Additioneel/ facultatief: observatie in de thuissituatie.

 

De informatieverzameling is gericht op het verkrijgen van de volgende gegevens:

  • Ontwikkelingsverloop;

  • Huidig niveau van functioneren, waaronder de praktische, communicatieve, sociale en maatschappelijke redzaamheid;

  • Gedragsbeschrijving, waarbij specifiek wordt toegespitst op het ernstig ontremd gedrag: duidelijke en concrete beschrijving van het gedrag, frequentie, mate van voorspelbaarheid (uitlokkende prikkels), ernst, duur, risico’s, reguleerbaarheid, impact op het kind zelf en op de omgeving, mate van herstel;

  • Maatregelen effect, begeleidbaarheid, medicatie, hulp/ voorzieningen (toereikendheid);

  • Gezins‐ en woonomstandigheden (ook draaglast en –kracht, sociale ondersteuning);

  • Dagopvang/ onderwijs;

  • Ontwikkelingsperspectief / prognose (langdurige noodzakelijkheid);

  • Argumenten voor technische, bouwkundige en functionele uitvoeringsspecificaties.

  • Ouders vragen hoe ze zich de uitraasruimte voor zich zien en hoe hij ingericht moet worden: hierdoor worden behoeften/ functies van de aangevraagde ruimte duidelijk en de legitimiteit van de aanvraag.

 

Werkwijze

  • De gedragswetenschapper bepaalt na het ontvangen van de aanvraag welke gegevens (aanvullend) benodigd zijn en vraagt deze op bij de ouders/ verzorgers;

  • De gedragswetenschapper bestudeert deze gegevens en plant een huisbezoek in;

  • Indien op voorhand duidelijk is dat een aanvullende observatie noodzakelijk is voor de indicatieadvisering, probeert de gedragswetenschapper deze aansluitend op het gesprek met de ouders (huisbezoek) te plannen;

  • Eventueel overlegt de gedragswetenschapper met externe betrokkenen, dit kan telefonisch;

  • De gedragswetenschapper stelt een rapport op, waarin het indicatieadvies en specificaties goed onderbouwd uiteen wordt gezet. Goed herleidbaar moet zijn welke informatie afkomstig is van de ouders of van externe betrokkenen (instellingen) en waar het eigen oordeel van de gedragswetenschapper uit bestaat. Het rapport kent een lezersgerichte stijl, met de volgende opbouw:

    • Indicatieadvies;

    • Argumenten, onderliggend aan het indicatieadvies;

    • Specificaties;

    • Reactie van de ouders (vrager);

    • Vraagstelling van de ouders (vrager);

    • Vraagstelling van de gemeente.

 

 

 

Bijlage IV Aanvullende informatie autoaanpassingen (behorend bij hoofdstuk 12)

 

Aanpassingen waarvoor het pgb in ieder geval niet aangewend mag worden zijn:

  • Automatische transmissie;

  • elektrische ruitenwisser en sproeier achter;

  • driepuntsgordels;

  • hoofdsteunen;

  • kunststoffen bekleding;

  • buitenspiegel van binnenuit verstelbaar;

  • elektrische bedienbare portierruiten;

  • neerklapbare of inklapbare achterbank (in verband met meenemen rolstoel);

  • uitneembare hoedenplank (in verband met meenemen rolstoel);

  • derde of vijfde deur (grote achterdeur in verband met meenemen rolstoel);

  • warmtewerend glas;

  • achterruitverwarming;

  • verstelbare voorstoelen;

  • stoffen bekleding van stoelen;

  • handgrepen bij de passagiersplaats voorin;

  • comfort rembekrachtiging;

  • gelaagde voorruit;

  • interval op de voor- en achterruitwisser;

  • stuurbekrachtiging;

  • airconditioning;

  • trekhaak;

  • verwarmde buitenspiegels.

 

Aanpassingen die voor vergoeding in aanmerking kunnen komen:

  • Aanpassingen aan de stoel van de chauffeur / bijrijderstoel. Criteria voor het aanpassen van de chauffeursstoel zijn:

    • Er zijn dermate ernstige zitproblemen dat het voor de ingezetene niet mogelijk is bezoekersdoelen te bereiken zonder aanpassing van de stoel

    • Problemen met in/uitstappen, het maken van een transfer vanuit de rolstoel, waardoor aanpassing van de stoelslede noodzakelijk is

      Voor het gebruik van een bijrijderstoel gelden dezelfde criteria. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de bijrijderstoel wordt aangepast indien de ingezetene is aangewezen op het vervoer door derden en vanwege medische redenen geen gebruik kan maken van het CVV. Het is niet mogelijk om voor één ingezetene aanpassing van zowel de bestuurdersstoel als de bijrijderstoel te krijgen;

  • Autostoeltjes voor kinderen. Voor kinderen, die in de auto van de ouders worden vervoerd, zijn soms aangepaste autostoeltjes nodig. Om voor verstrekking van een autostoeltje in aanmerking te komen worden de volgende criteria in acht genomen:

    • De normaal in de handel zijnde autostoeltjes voldoen niet qua zitondersteuning en/of kantelinstelling

    • Er dient een medische indicatie te worden afgegeven

    • Het in/uit de auto(stoel) tillen van het kind door de ouders is dermate belastend voor de ouders dat rugklachten (dreigen) te ontstaan. Een autostoeltje op een naar buiten draaiend frame kan dan bijvoorbeeld een oplossing bieden;

  • Aanpassingen voor het meenemen van de rolstoel in de auto. Wanneer de ingezetene bij voor- en natransport is aangewezen op het gebruik van een rolstoel is aanpassing voor het meenemen van de rolstoel in de auto mogelijk. Dit geldt indien het collectief vraagafhankelijk vervoerssysteem niet voorliggend is. De criteria voor aanpassing zijn:

    • De ingezetene gebruikt zijn eigen auto regelmatig voor deelname aan het maatschappelijk verkeer

    • Ingezetene is niet in staat de rolstoel zelfstandig in/uit de auto te tillen

      Voorbeeld:

      Ernstige rugklachten ten gevolgen waarvan tillen van zwaardere voorwerpen contra is geïndiceerd

      Ernstige balans- arn-handfunctieproblemen bij rolstoelgebruikers waardoor het niet mogelijk is de rolstoel met handkracht de auto in of uit te tillen

  •  

    • Hulp van anderen bij het in/uittillen van de rolstoel is niet beschikbaar

    • De vaste hulpverlener is niet in staat de rolstoel zelfstandig in/uit de auto te tillen;

      • Aanpassingen voor vervoer van een rolstoelgebruiker in de auto. Wanneer het noodzakelijk is de ingezetene in de rolstoel te vervoeren en deelname aan het CVV, ook per rolstoeltaxi, is geen adequate oplossing, dan bestaat de mogelijkheid een auto aan te passen aan het vervoer van de ingezetene in de rolstoel. Hierbij wordt uiteraard gekeken naar de meest goedkope en adequate oplossing. Criteria hierbij zijn:

        • De ingezetene gebruikt zijn eigen auto regelmatig voor deelname aan het maatschappelijk verkeer

        • De ingezetene is niet in staat zelfstandig de transfer te maken vanuit de rolstoel in de auto

        • Ingezetene dient te worden vervoerd in een speciaal op maat gemaakte zitvoorziening, bijvoorbeeld een zitorthese, die op een rolstoelframe is gemonteerd

Voorbeelden zijn:

  • Aanpassing van de laadvloer met een systeem op een veilige manier vast te zetten

  • Het rolstoelvergrendelingssysteem

  • Oprijbanen om de rolstoel in de bus te rijden in geval van een duwrolstoel

  • Gasgeveerd oprijplateau in geval van gebruik van een rolstoel met afwijkende maatvoering of een elektrische rolstoel

  • Keuringskosten van de rijksdienst voor wegverkeer;

 

Op medische indicatie kunnen extra aanpassingen worden uitgevoerd, zoals:

  • Het plaatsen van een extra verwarmingselement in geval van extreme vatbaarheid bij spierziekten in combinatie met longaandoeningen;

  • Het gebruik van een verlaagde vloer in plaats van oprijgoten of oprijplateau in die gevallen waarin degene die hulp biedt deze op medische gronden niet kan hanteren;

  • Aanpassingen die nodig zijn voor het veilig vervoeren van hulpapparatuur zoals zuurstofflessen.

Naar boven