Gemeenteblad van Opmeer

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
OpmeerGemeenteblad 2016, 164667Verordeningen



Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Opmeer 2016

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1:1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

• a. openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan;

• b. weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 ;

• c. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

• d. bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;

• e. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;

• f. bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de Bouwverordening gemeente Opmeer;

• g. gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet;

• h. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;

• i. bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 1:2 Beslistermijn

• 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag, tenzij in een specifieke bepaling in deze verordening anders is bepaald.

• 2. Indien sprake is van een aanvraag om een vergunning zoals bedoeld in artikel 2:25 lid 1 beslist het bevoegde bestuursorgaan binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag.

• 3. Het bestuursorgaan kan de in lid 1 en lid 2 genoemde termijnen voor ten hoogste acht weken verdagen.

• 4. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:11 of artikel 4:11.

 

Artikel 1:3 Indiening aanvraag

[vervallen]

Artikel 1:3 a Aanvraag vergunning of ontheffing, melding

Het bevoegde bestuursorgaan kan nadere regels stellen omtrent de inhoud, de inrichting, de uitvoering, de vorm, het aantal en de wijze van indiening van een aanvraag om vergunning of ontheffing of het doen van een melding.

Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen

• 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

• 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

Elke vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.

Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:

• a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

• b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

• c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

• d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;

• e. indien de houder dit verzoekt.

Artikel 1:7 Termijnen

De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

Artikel 1:8 Weigeringsgronden

De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:

• a. de openbare orde;

• b. de openbare veiligheid;

• c. de volksgezondheid;

• d. de bescherming van het milieu

Hoofdstuk 2 Openbare orde

Afdeling 1 Bestrijding van ongeregeldheden

Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden

• 1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden, of in groepsverband dan wel afzonderlijk anderen lastig te vallen, te vechten of op andere wijze de openbare orde te verstoren.

• 2. Degene die op een openbare plaats

a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;

b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of

c. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;

is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

• 3. Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.

• 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.

• 5. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

• 6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Afdeling 2 Betoging

Artikel 2:2 Optochten

[gereserveerd]

Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen

• 1. Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 120 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.

• 2. De kennisgeving bevat:

o a. naam en adres van degene die de betoging houdt;

o b. het doel van de betoging;

o c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

o d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;

o e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;

o f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

• 3. Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.

• 4. Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.

• 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.

Artikel 2:4 Afwijking termijn

(Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)

Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens

(Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)

Afdeling 3 Verspreiden van gedrukte stukken

Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen

• 1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.

• 2. Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

• 3. Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.

• 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

• 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Afdeling 4 Vertoningen e.d. op de weg

Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d.

[gereserveerd]

Artikel 2:8 Dienstverlening

[gereserveerd]

 

Artikel 2:9 Straatartiest e.d.

• 1. Het is toegestaan ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op of aan de weg.

• 2. Het optreden als bedoeld in lid 1 mag uiterlijk 30 minuten duren waarna de straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids minstens 200 meter dient te verplaatsen.

• 3. De burgemeester kan wegen of weggedeelten aanwijzen waar de activiteiten als genoemd in lid 1 verboden zijn.

• 4. De burgemeester kan de werking van het in het derde lid gestelde verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

• 5. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.

• 6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Afdeling 5 Bruikbaarheid en aanzien van de weg

Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg

• 1. Het is verboden, zonder voorafgaande vergunning van het college, de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

• Een vergunning als, bedoeld in het eerste lid, kan worden geweigerd:

• a. indien het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg;

• b. het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of

• c. het gebruik langer duurt dan 72 uur

• 2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet tenminste een vrije doorgang van 2 m wordt gelaten op fietspaden en voetpaden en van 4 m op de rijbaan voor gemotoriseerd verkeer.

• 3. Het college kan categorieën van voorwerpen aanwijzen waarvoor het verbod in het eerste lid niet geldt.

• 4. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op:

• a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24;

• b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18; en

• c. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.

• 5. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de provinciale wegenverordening.

• 6. Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

• 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

• 2. De vergunning wordt verleend

• a. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit;

• b. door het college in de overige gevallen.

• 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht.

• 4. Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.

• 5. Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg

• 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

• 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd:

o a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;

o b. indien de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

o c. indien door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of

o d. indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.

• 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement.

Afdeling 6 Veiligheid op de weg

Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid

[gereserveerd]

 

Artikel 2:14 Winkelwagentjes

[vervallen]

Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.

Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d.

[vervallen]

Artikel 2:17 Kelderingangen e.d.

[vervallen]

Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen

[gereserveerd]

Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp

[gereserveerd]

Artikel 2:20 Vallende voorwerpen

[vervallen]

Artikel 2:20 a Gevaarlijke voorwerpen

[vervallen]

Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting

• 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

• 2. Het bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn

[gereserveerd]

Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs

[vervallen]

Afdeling 7 Evenementen

Artikel 2:24 Begripsbepaling

• 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

o a. bioscoopvoorstellingen;

o b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening;

o c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen ;

o d. het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet gelegenheid geven tot dansen;

o e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

o f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze verordening;

o g. muziekvoorstellingen, cabaretvoorstellingen, toneelvoorstellingen, dierententoonstellingen, exposities, spelactiviteiten en lezingen gehouden in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet, openbare gebouwen en in kerkgebouwen.

o h. een regulier sport- en spelevenement van een sportvereniging of stichting op een reguliere sportaccommodatie.

• 2. Onder evenement wordt mede verstaan:

o a. een herdenkingsplechtigheid;

o b. een braderie;

o c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg;

o d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;

o e. een straatfeest of buurtbarbecue op één dag (klein evenement).

Artikel 2:25 Evenement

• 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

• 2. a. Geen vergunning maar een melding is vereist voor een optocht of een wandel- of fietstocht waarvoor geen wegen worden afgesloten, een open dag of een nieuwjaarsreceptie van een bedrijf of instelling op het eigen bedrijfsperceel.

• b. geen vergunning maar een melding is vereist voor andere dan onder a genoemde evenementen, indien aan alle hierna genoemde voorwaarden wordt voldaan:

- Het aantal gelijktijdig aanwezigen niet meer bedraagt dan 250 personen;

- het evenement op één dag wordt gehouden;

- het evenement op één locatie wordt gehouden;

- het evenement plaatsvindt op maandag tot en met donderdag tussen 07:00 en 23:00, vrijdag en zaterdag tussen 07:00 en 24:00 en zondag tussen 07:00 en 23:00;

- naast een tent slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 10 m2 per object, met een maximum van 4 objecten per evenement;

- het gebruiksoppervlak van een tent niet groter is dan 125 m2 en er maximaal 75 personen in de tent aanwezig zijn;

- er een organisator is;

- de organisator van een evenement, uiterlijk 21 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester;

- behoudens bij op- en afbouw worden bij het evenement geen motorvoertuigen gebruikt.

• 2. De burgemeester kan procedureregels en algemene voorschriften vaststellen die van toepassing zijn voor het houden van evenementen.

• 3. De burgemeester kan binnen 10 werkdagen na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het tweede lid te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

• 4. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994.

• 5. De organisator of vergunningaanvrager van door de burgemeester aan te wijzen categorieën vergunningplichtige vechtsportevenementen, -wedstrijden of –gala’s, is niet van slecht levensgedrag.

• 6. De burgemeester weigert de vergunning als de organisator of vergunningaanvrager van het evenement als bedoeld in lid 5 van slecht levensgedrag is.

• 7. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:26 Ordeverstoring

Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

Afdeling 8 Toezicht op openbare inrichtingen

Artikel 2:27 Begripsbepalingen

1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

• a. openbare inrichting:

I. een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis;

II. elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt of bereid;

• b. terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.

2. Onder openbare inrichting wordt mede verstaan een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.

3. Exploitant: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon voor wiens rekening en risico een bedrijf wordt geëxploiteerd;

4. Leidinggevende: de natuurlijke persoon die algemene of onmiddellijke leiding geeft aan een bedrijf alsmede de bestuurder van de rechtspersoon voor wiens rekening en risico een bedrijf wordt geëxploiteerd.

Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting

• 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

• 2. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.

• 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

• 4. Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met:

• a. het karakter van de straat en de wijk waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen;

• b.de aard van het horecabedrijf;

• c.de spanning waaraan het woon- en leefklimaat ter plaatse reeds bloot staat;

• d.de wijze van bedrijfsvoering door de exploitant of de leidinggevende en

• e. het levensgedrag van de exploitant of leidinggevende.”

• 5. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitant of de leidinggevende van een openbare inrichting niet voldoet aan de volgende eisen:

• a. De exploitant en de leidinggevende staan niet onder curatele of bewind.

• b. De exploitant en de leidinggevende hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.

• 6. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in

o a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;

o b. een zorginstelling;

o c. een museum; of

o d. een bedrijfskantine of – restaurant.

• 7. Het verbod, genoemd in het eerste lid, geldt niet voor delen van de gemeente of bepaalde sectoren die zijn aangewezen door de burgemeester.

. 8. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene Wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing op de vergunning als bedoeld in het eerste lid en op de vrijstelling bedoeld in het vijfde lid

Artikel 2:29 Sluitingstijd

• 1. Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met zondag tussen 00.00 uur en 06.00 uur (sluitingstijd).

• 2. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.

• 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd.

• 4. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, zesde lid onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.

• 5. Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing in die situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien.

• 6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting

• 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

• 2. Het eerste lid is niet van toepassing in die situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

Artikel 2:31 Verboden gedragingen

Het is verboden in een openbare inrichting

• a. de orde te verstoren;

• b. zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid;

• c. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras;

Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen

• 1. In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

• 2. De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.

Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan

Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan

[gereserveerd]

Afdeling 8a Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Drank- en Horecawet

Artikel 2:34a Begripsbepalingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt onder de begrippen: paracommerciele rechtspersoon, alcoholhoudende drank, sterke drank, inrichting, horecalokaliteit, terras en slijtersbedrijf verstaan hetgeen de Drank- en Horecawet daaronder verstaat.

 

Artikel 2:34b Schenktijden paracommerciële rechtspersonen

1. Paracommerciële rechtspersonen verstrekken uitsluitend alcoholhoudende drank op:

a. maandag tot en met vrijdag van 14.00 uur tot maximaal 00.00 uur;

b. zaterdag, zondag en feestdagen van 12.00 uur tot maximaal 00.00 uur.

2. Als er bij paracommerciële rechtspersonen als bedoeld in het eerste lid verenigings- en wedstrijdactiviteiten plaatsvinden geldt, binnen de in lid 1 genoemde tijdvakken, de beperking dat het verstrekken van alcoholhoudende drank uitsluitend is toegestaan gedurende de periode die begint 1 uur voor aanvang van de eerste activiteiten en die eindigt 2 uur na beëindiging van de laatste activiteiten die past binnen de statutaire doelomschrijving van de paracommerciële rechtspersoon.

3. Het is paracommerciële rechtspersonen verboden sterke drank te verstrekken.

4. De burgemeester kan op aanvraag ontheffing verlenen van de in lid 1 genoemde schenktijden, voor de paracommerciële rechtspersoon, die beschikt over een ontheffing van de sluitingstijd op grond van artikel 2:29 van de Algemene Plaatselijke Verordening Opmeer 2016. Aan de ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.

5. De burgemeester kan op aanvraag ontheffing verlenen van het in lid 3 gestelde verbod. Aan de ontheffing kan de burgemeester voorschriften en beperkingen verbinden. In de afweging houdt de burgemeester rekening met de doelgroep waar de rechtspersoon zich op richt.

6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing

Artikel 2:34c Bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen

Paracommerciële rechtspersonen verstrekken geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.

Artikel 2:34d Prijsacties horeca

Ter bescherming van de volksgezondheid en in het belang van de openbare orde is het verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende dranken te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die in de desbetreffende horecalokaliteit op of het desbetreffende terras gewoonlijk wordt gevraagd.

 

Artikel 2:34e Prijsacties detailhandel

Ter bescherming van de volksgezondheid of in het belang van de openbare orde is het ver¬boden bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende dranken aan te bieden voor gebruik elders dan ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van één week of kor¬ter lager is dan 70% van de prijs die in het betreffende verkooppunt gewoonlijk wordt gevraagd.

 

Artikel 2:34f Overgangsrecht van deze afdeling

1. Op het tijdstip van inwerkingtreding van deze afdeling vervallen voor paracommerciële inrichtingen:

a. de voorschriften en beperkingen die tot dat tijdstip op grond van eerdere gemeentelijke verordeningen krachtens de wet zijn gesteld;

b. de ontheffingen die tot dat tijdstip door het bevoegd gezag zijn verleend;

c. de tot dat tijdstip gehanteerde schenktijden.

2. Voorschriften en beperkingen die tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze afdeling op grond van eerdere gemeentelijke verordeningen krachtens de wet zijn gesteld aan vergunningen van andere dan in het eerste lid bedoelde inrichtingen, blijven van kracht.

3. Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om ontheffing of vergunning op grond van de Drank- en Horecaverordening Opmeer 2009 is ingediend, waarop nog niet is beslist, wordt daarop beslist met toepassing van deze verordening.

Afdeling 9 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf

Artikel 2:35 Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.

 

Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie

Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.

Artikel 2:37 Nachtregister

[vervallen]

Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister

Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de kampeerder is verplicht onverwijld aan de houder van die inrichting volledig en naar waarheid zijn of haar naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, dag van aankomst, alsmede de dag van vertrek te verstrekken.

Afdeling 10 Toezicht op speelgelegenheden

Artikel 2:39 Speelgelegenheden

• 1. In dit artikel wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.

• 2. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op:

o a. speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend;

o b. speelgelegenheden waarvoor de raad van bestuur van de kansspelautoriteit bevoegd is vergunning te verlenen; en

o c. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel l, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten.

• 3. De burgemeester weigert de vergunning:

o a. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of

o b. indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan.

• 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:40 Kansspelautomaten

• 1. In dit artikel wordt verstaan onder:

o a. Wet: de Wet op de kansspelen ;

o b. kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c. van de Wet;

o c. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet;

o d. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet.

• 2. In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal 2 kansspelautomaten toegestaan.

• 3. In laagdrempelige inrichtingen zijn 2 behendigheidsautomaten toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan.

Afdeling 11 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid

Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal

• 1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

• 2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

• 3. Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.

Artikel 2:42 Plakken en kladden

• 1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

• 2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:

o a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

o b. met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

• 3. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

• 4. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

• 5. Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

• 6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.

• 7. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.

• 1. Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap.

• 2. Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen:

• a. niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42 lid 1, 2 en 5;

• b. zijn gebruikt of bestemd voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen op de, op grond van artikel 2:42 lid 4, door het college aangewezen aanplakborden.

Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen

• 1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

• 2. Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d.

[vervallen]

Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d.

[vervallen]

Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen

• 1. Het is verboden op een openbare plaats:

• a. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

• b. zich op te houden op een wijze die aan andere gebruikers of aan bewoners van nabij die openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder berokkent.

• 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:48 Verboden drankgebruik

• 1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

• 2. Het verbod is niet van toepassing op:

a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; en

b. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet.

Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen

• 1. Het is verboden:

o a. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;

o b. zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.

• 2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw.

Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten en openbare plaatsen

Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.

 

Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d.

Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek indien:

• a. dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek;

• b. daardoor die ingang versperd wordt.

Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.

Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.

Artikel 2:53 Bespieden van personen

[vervallen]

Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur

[gereserveerd]

Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren

[gereserveerd]

Artikel 2:56 Alarminstallaties

[gereserveerd]

Artikel 2:57 Loslopende honden

• 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

• a. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

• b. op een openbare plaats indien de hond niet is aangelijnd.

• c. op de weg indien die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

• 2. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

• 3. De verboden in het eerste lid aanhef en onder a en b zijn niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond:

• a. die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of

• b. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

Artikel 2:58 Verontreiniging door honden en paarden

• 1. Degene die zich met een hond of paard op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond of paard onmiddellijk worden verwijderd.

• 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.

• 3. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

• 4. De eigenaar of houder van een aangespannen paard is verplicht om zijn span te hebben voorzien van een zak voor het opvangen en verzameld houden van de uitwerpselen van dit paard.

• 5. De eigenaar of houder van een hond is verplicht om materiaal bij zich te hebben, benodigd voor het opruimen van de uitwerpselen van zijn of haar hond.

Artikel 2:59 Gevaarlijke honden

• 1. Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

• 2. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.

• 3. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en

c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

• 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid onder c, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip met een chipreader afleesbaar is.

Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren

• 1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:

• a. aanwezig te hebben;

• b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels;

• c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven;

• 2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid.

• 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:61 Wilde dieren

[gereserveerd]

Artikel 2:62 Loslopend vee

De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens (vee) die zich bevinden in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.

Artikel 2:63 Duiven

[vervallen]

Artikel 2:64 Bijen

• 1. Het is verboden bijen te houden:

o a. binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven;

o b. binnen een afstand van dertig meter van de weg.

• 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.

• 3. Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet voor zover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid.

• 4. Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement Noord-Holland.

• 5. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

• 6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:65 Bedelarij

[vervallen]

Afdeling 12 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen

Artikel 2:66 Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht .

Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

• 1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld:

o a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

o b. de datum van verkoop of overdracht van het goed;

o c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen – voor zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;

o d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed;

o e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

• 2. De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze verplichtingen.

• 3. Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar af een voor hem handelend persoon is verplicht:

• a. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:

o 1° dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;

o 2° van een verandering van de onder a, sub l°, bedoelde adressen;

o 3° als hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;

o 4° dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;

• b. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;

• c. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

• d. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen

[gereserveerd]

Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven

Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 (Toezicht op openbare inrichtingen) onder artikel 2:32 (Handel binnen openbare inrichtingen).

Afdeling 13 Vuurwerk

Artikel 2:71 Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.

 

Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen.

1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college.

2. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:73 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

• 1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.

• 2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te bezigen als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.

• 3. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht .

Afdeling 14 Drugsoverlast

Artikel 2:74 Drugshandel op straat

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

 

Afdeling 15 Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen

Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154 a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in de volgende artikelen groepsgewijs niet naleven:

Hoofdstuk 2
2:1 2:23 2:48

2:10 2:25 2:49

2:11 2:26 2:50

2:20a 2:47 2:73

 

Hoofdstuk 5  

5:34

5:34 a

Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151 b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen

• 1. De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

• 2. De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere openbare plaatsen: (door de gemeenteraad aan te wijzen)

Artikel 2:78 Verblijfsontzegging

1. De burgemeester kan, in het belang van de openbare orde of veiligheid, een verbod opleggen aan degene die de openbare orde of veiligheid heeft verstoord om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen. Dit verbod geldt gedurende de in de bekendmaking van het verbod genoemde periode die ten hoogste twaalf weken kan bedragen.

2. De burgemeester gaat niet over tot aanwijzing van gebieden waarvoor een verblijfsontzegging kan gelden, of tot omschrijving van overtredingen die tot een verblijfsontzegging kunnen leiden, dan na overleg met de Officier van Justitie, bedoeld in artikel 14 van de Politiewet 1993.

3. De burgemeester beperkt het in het eerste lid gestelde verbod, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van het verbod.

 

Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.

Afdeling 1 Begripsbepalingen

Artikel 3:1 Afbakening

De artikelen 1:2, 1:3 en 1:5 tot en met 1:8 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.

Artikel 3:2 Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

- advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een prostituee onder de aandacht van het publiek brengt;

- beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding van een seksbedrijf;

- bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester;

- escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee;

- exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt uitgeoefend;

- klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een prostitutiebedrijf of een prostituee aangeboden seksuele diensten;

- prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;

- prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;

- prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie;

- raamprostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie, waarbij het werven van klanten gebeurt door een prostituee die zichtbaar is vanuit een voor publiek toegankelijke plaats;

- seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting tegen betaling;

- seksinrichting: voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf;

- werkruimte: als zelfstandig aan te merken onderdeel van seksinrichting waarin de seksuele handelingen met een ander tegen betaling worden verricht.

Afdeling 2. Vergunning seksbedrijf

Artikel 3:3 Vergunning

1. Het is verboden een seksbedrijf uit te oefenen zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan.

2. Op een aanvraag om een vergunning wordt binnen twaalf weken beslist. Deze termijn kan met ten hoogste twaalf weken worden verlengd.

3. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursreccht is niet van toepassing.

4. Een vergunning kan mede voor één seksinrichting worden verleend.

5. De vergunning wordt voor bepaalde tijd verleend aan de exploitant en op diens naam gesteld. De vergunning is niet overdraagbaar.

6. De vergunning kan worden verlengd.

Artikel 3:4 Concentratie seksinrichting

[gereserveerd]

Artikel 3:5 0-optie raamprostitutiebedrijven en maximering aantal seksinrichtingen

1. Voor het uitoefenen van een raamprostitutiebedrijf wordt geen vergunning verleend.

2. Het bevoegde bestuursorgaan kan een maximum stellen aan het totaal aantal seksinrichtingen van seksbedrijven, niet zijnde raamprostitutiebedrijven, waarvoor vergunning kan worden verleend. Hierbij kan worden bepaald dat een maximum slechts geldt voor seksinrichtingen van seksbedrijven van een daarbij aangewezen aard of in daarbij aangewezen delen van de gemeente.

Artikel 3:6 Aanvraag

• 1. Een aanvraag om vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door bevoegde bestuursorgaan vastgesteld formulier.

• 2. Bij de aanvraag wordt vermeld voor welke activiteit vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

• a. de persoonsgegevens van de exploitant;

• b. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

• c. of in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag de exploitant een vergunning voor een seksbedrijf is geweigerd of een aan de exploitant verleende vergunning voor een seksbedrijf is ingetrokken;

• d. het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;

• e. het adres van een onder het seksbedrijf vallende seksinrichting;

• f. het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;

• g. een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van de exploitant;

• h. indien van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant;

• i. een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen, verstrekt door de Belastingdienst;

• j. bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimtes bestemd voor de uitoefening van het seksbedrijf;

• k. indien van toepassing, de plaatselijke ligging van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een situatieschets met een noordpijl en schaalaanduiding;

• l. indien van toepassing, de plattegrond van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een tekening met een schaalaanduiding.

• 3. Als er een beheerder is aangesteld, is het tweede lid, onder a, b, c, g en h, van overeenkomstige toepassing op de beheerder.

• 4. Het bevoegde bestuursorgaan kan aanvullende gegevens of bescheiden verlangen.

Artikel 3:7 Weigeringsgronden

1. Een vergunning wordt geweigerd als:

a. de exploitant of de beheerder onder curatele staat;

b. de exploitant of de beheerder is ontzet uit het ouderlijk gezag of de voogdij;

c. de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is;

d. de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt;

e. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

f. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften;

g. er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000;

h. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden;

i. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500,- of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:

1°. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Opmeer 2016;

2°. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht;

3°. artikel 69 van de Algemene wet rijksbelastingen;

4°. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;

5°. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of

6°. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.

j. er een maximum als bedoeld in artikel 3:5 is vastgesteld en dit maximum al bereikt is;

k. de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd op zal leveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage is gelegd, een beheersverordening

2. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder h, wordt gelijk gesteld:

a. een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf;

b. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375,- bedraagt.

3. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.

4. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.

5. Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd:

a. voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:9, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met [e OF f OF g], of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking;

b. als niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eis met betrekking tot de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen;

c. als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend;

d. als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd;

e. als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3:15, eerste en tweede lid;

f. als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:17 gestelde verplichtingen zal naleven;

g. als het escortbedrijf wordt gevestigd in een woonruimte waarvoor geen vergunning als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 is verleend.

Artikel 3:8 Eisen met betrekking tot vergunning

1. De vergunning vermeldt in ieder geval:

a. de naam van de exploitant;

b. indien van toepassing, die van de beheerder;

c. voor welke activiteit de vergunning is verleend;

d. het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;

e. het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;

f. indien van toepassing, het adres van de onder dat seksbedrijf vallende seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend;

g. de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden;

h. indien van toepassing, de geldigheidsduur van de vergunning;

i. het nummer van de vergunning.

2. De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend, en tevens dat aan de buitenzijde van de seksinrichting zichtbaar is dat hij over een vergunning voor die seksinrichting beschikt.

Artikel 3:9 Intrekkingsgronden

1. De vergunning wordt ingetrokken als:

a. de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest; b. de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven;

c. is gehandeld in strijd met de artikelen 3:10, 3:13, aanhef en onder a, 3:14[, eerste OF tweede lid], 3:15 en 3:17, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1°;

d. zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid;

e. zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met i;

f. de vergunninghouder dat verzoekt;

g. de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met een geldend bestemmingsplan, een beheersverordening [of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4].

2. De vergunning kan worden geschorst of ingetrokken als:

a. is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen;

b. in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning;

c. een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of beheerder is geworden;

d. is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, onverminderd het eerste lid, aanhef en onder c;

e. is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen;

f. zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de gezondheid van prostituees of klanten;

g. de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt;

h. er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel;

i. gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning.

 

Artikel 3:10 Melding gewijzigde omstandigheden

De vergunninghouder meldt elke verandering waardoor zijn seksbedrijf niet langer in overeenstemming is met de op grond van artikel 3:8, eerste lid, in de vergunning opgenomen gegevens, zo spoedig mogelijk aan het bevoegde bestuursorgaan. Deze verleent een gewijzigde vergunning, als het seksbedrijf aan de vereisten voldoet.

Artikel 3:11 Verlenging vergunning

1. Op een aanvraag om verlenging van een vergunning zijn de artikelen 3:3, 3:5, 3:6, 3:7, 3:8 en 3:15, derde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat actuele gegevens en bescheiden waarover het bevoegde bestuursorgaan al beschikking heeft niet nogmaals overgelegd dienen te worden.

2. Als ten minste twaalf weken voorafgaand aan de vervaltermijn van de vergunning verlenging van de vergunning is aangevraagd, blijft de vergunning van kracht totdat op de aanvraag om verlenging is besloten.

Afdeling 3. Uitoefenen seksbedrijf

Paragraaf 3.1 Regels voor alle seksbedrijven

Artikel 3:12 Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid; toegang

1. Het is de exploitant en de beheerder verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 00.00 uur en 06.00 uur, tenzij bij vergunning anders is bepaald.

2. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting gesloten dient te zijn voor bezoekers.

3. Het is een prostituee verboden zich te bevinden in een seksrichting tussen 00.00 uur en 06.00 uur tenzij bij vergunning anders is bepaald.

4. Het is de exploitant en de beheerder verboden personen die nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt toe te laten of te laten verblijven in een seksinrichting.

Artikel 3:13 Adverteren

Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf:

a. geen vermelding op te nemen van het telefoonnummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder e, van het nummer, bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, onder i, en van de bedrijfsnaam;

b. vermelding op te nemen van een ander telefoonnummer dan bedoeld onder a, en

c. als het een prostitutiebedrijf betreft, onveilige seks aan te bieden of te garanderen dat prostituees die voor of bij het betreffende bedrijf werken vrij zijn van seksueel overdraagbare aandoeningen.

Paragraaf 3.2 Regels voor alle prostitutiebedrijven en prostituees

Artikel 3:14 Leeftijd en verblijfstitel prostituees; verbod werken voor onvergund prostitutiebedrijf

1. Het is een exploitant verboden een prostituee voor of bij zich te laten werken die:

a. nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt;

b. in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000.

2. Het is een prostituee verboden werkzaam te zijn voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend.

Artikel 3:15 Bedrijfsplan

1. Een prostitutiebedrijf beschikt over een bedrijfsplan, waarin in ieder geval wordt beschreven welke maatregelen de exploitant treft:

a. op het gebied van hygiëne;

b. ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de prostituees; c. ter bescherming van de gezondheid van de klanten;

d. ter voorkoming van strafbare feiten.

2. De door de exploitant te treffen maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, waarborgen dat:

a. de hygiëne in een seksinrichting voldoet aan de algemene eisen die hiervoor in de branche gelden en dat dit controleerbaar is;

b. inzichtelijk en controleerbaar is welke maatregelen een exploitant in zijn bedrijfsvoering en inrichting van de werkruimten treft voor gezonde en veilige werkomstandigheden voor prostituees;

c. in de werkruimten te allen tijde voldoende condooms met een CE-markering voor gebruik beschikbaar zijn;

d. in de werkruimten voor de prostituees een goed functionerende alarmvoorziening aanwezig is;

e. de prostituee zich regelmatig kan laten onderzoeken op seksueel overdraagbare aandoeningen en door de exploitant voldoende geïnformeerd is over de mogelijkheden van een dergelijk onderzoek;

f. de prostituee niet gedwongen wordt zich geneeskundig te laten onderzoeken;

g. de prostituee vrij is in de keuze van de arts(en) die zij wil bezoeken;

h. de prostituee klanten en diensten kan weigeren zonder dat dat voor haar andere werkzaamheden gevolgen heeft;

i. de prostituee kan weigeren alcohol of drugs te gebruiken zonder dat dat voor haar werkzaamheden gevolgen heeft;

j. aan de voor de exploitant werkzame beheerder voldoende professionele eisen op het gebied van agressiebeheersing en bedrijfshulpverlening worden gesteld en waar nodig wordt gezorgd voor scholing hierin;

k. de exploitant zich een oordeel vormt over de mate van zelfredzaamheid van de prostituee voordat deze voor of bij hem gaat werken, teneinde vast te stellen of zij voldoet aan de eisen die hij hiervoor in zijn bedrijfsplan heeft opgenomen;

l. de exploitant voor elke voor of bij hem werkzame prostituee kan aantonen onder welke verhuur- of arbeidsvoorwaarden zij haar diensten aanbiedt;

m. de exploitant of beheerder zich er regelmatig van vergewist dat de prostituee niet door derden gedwongen wordt tot prostitutie en dat hij in dit kader informatie van hulpverleningsinstanties ter beschikking stelt;

n. de exploitant aan de voor of bij hem werkzame prostituees informatie ter beschikking stelt over de mogelijkheden om hulp te krijgen als een prostituee wil stoppen met haar werk in de prostitutie;

o. de overlast aan de omgeving van de onder het seksbedrijf vallende seksinrichtingen beperkt wordt.

3. Het bedrijfsplan wordt overgelegd bij de aanvraag om een vergunning.

4. De exploitant meldt een voorgenomen wijziging van het bedrijfsplan onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan. De wijziging wordt na goedkeuring van het bevoegde bestuursorgaan als onderdeel van het bedrijfsplan aangemerkt, als deze voldoet aan de eisen die overeenkomstig het eerste en tweede lid aan een bedrijfsplan worden gesteld.

5. De rechten voor prostituees, die worden gewaarborgd op grond van het tweede lid, worden op schrift gesteld en in een voor haar begrijpelijke taal uitgereikt aan elke prostituee die werkzaam is voor of bij de exploitant.

6. In de seksinrichting wordt in ten minste twee talen en voor de klant goed zichtbaar bekend gemaakt dat een prostituee klanten en diensten mag weigeren en mag weigeren alcohol of drugs te gebruiken.

Artikel 3:16 Minimale verhuurperiode werkruimte

[reserveren]

Artikel 3:17 Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder prostitutiebedrijf

1. De exploitant of de beheerder is aanwezig gedurende de uren dat het prostitutiebedrijf daadwerkelijk wordt uitgeoefend.

2. De exploitant van een prostitutiebedrijf draagt er zorg voor dat:

a. de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees redelijkerwijs hun eigen werktijden kunnen bepalen;

b. er een deugdelijke bedrijfsadministratie wordt gevoerd waarin de actuele gegevens zijn opgenomen van in ieder geval;

1°. de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees;

2°. de verhuuradministratie;

3°. met betrekking tot alle voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees, de documentatie die ten grondslag ligt aan de vorming van het oordeel over de mate van zelfredzaamheid, bedoeld in artikel 3:15, tweede lid, onder k;

4°. de werkroosters van de beheerders;

c. de bedrijfsadministratie met inachtneming van de wettelijke termijnen wordt bewaard en te allen tijde beschikbaar is voor toezichthouders;

d. medewerkers van de gemeentelijke gezondheidsdienst en van andere door de burgemeester of het college aangewezen instellingen worden toegelaten tot seksinrichtingen als ze voornemens zijn voorlichtings- en preventieactiviteiten uit te voeren of voorlichtingsmateriaal te verspreiden;

e. onverwijld bij de politie wordt gemeld ieder signaal van mensenhandel of andere vormen van dwang en uitbuiting;

f. onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan wordt gemeld als gedurende ten minste één maand geen gebruik gemaakt zal worden van de vergunning. Deze melding vermeldt de reden en de verwachte duur;

g. gedaan wordt wat nodig is voor een goede gang van zaken binnen het prostitutiebedrijf.

Paragraaf 3.3 Raam- en straatprostitutie

Artikel 3:18 Raamprostitutie

1. Het is een prostituee verboden:

a. zich vanuit een gebouw of vanuit de toegang naar een gebouw aan klanten die zich op of aan de weg bevinden beschikbaar te stellen; en

b. passanten hinderlijk te bejegenen of zich aan passanten op te dringen dan wel zich ongekleed of vrijwel ongekleed achter het raam van een seksinrichting of in de toegang tot een seksinrichting op te houden.

Artikel 3:19 Straatprostitutie

Het is verboden zich op of aan de weg of op, aan of in een andere vanaf de weg zichtbare plaats, niet zijnde een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend, op te houden met het kennelijke doel zich beschikbaar te stellen voor prostitutie of op of aan de weg ontuchtige handelingen te verrichten als dit kennelijk geschiedt in het kader van prostitutie.

Artikel 3:20 Handhaving straatprostitutie

1. Met het oog op de naleving van het verbod, bedoeld in artikel 3:19, eerste lid, kan door een politieambtenaar of toezichthouder het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

2. Een politieambtenaar of toezichthouder kan een persoon die zich op een krachtens artikel 3:19, tweede lid, aangewezen weg bevindt, in het belang van de openbare orde, de woon- en leefomgeving, het voorkomen of beperken van overlast, de veiligheid, de zedelijkheid of de gezondheid van prostituees of klanten bevelen zich onmiddellijk in een door hem aangegeven richting te verwijderen.

3. Met het oog op de in het tweede lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven een bevel geven zich gedurende ten hoogste 3 maanden niet op te houden op krachtens artikel 3:19, tweede lid, aangewezen wegen.

4. De burgemeester beperkt het in het derde lid bedoelde bevel, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.

Afdeling 4. Overige bepalingen

Artikel 3:21 Verbodsbepalingen klanten

1. Het is een klant verboden seksuele handelingen te verrichten met een prostituee van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat zij werkzaam is voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend.

2. Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere voor publiek toegankelijke plaats gebruik te maken van de diensten van een prostituee.

3. Het in het tweede lid genoemde verbod geldt niet in een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend.

Artikel 3:22 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch- pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke

1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen als de burgemeester aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt.

2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Afdeling 1 Geluidhinder en verlichting

Artikel 4:1 Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

• a. Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer;

• b. inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit;

• c. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

• d. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

• e. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

• f. geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting;

• g. geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende inrichting;

• h. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

 

Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten

• 1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

• 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

• 3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer van de volgende delen van de gemeente: Spanbroek, Opmeer, Hoogwoud, De Weere en Aartswoud.

• 4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

• 5. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

• 6. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT, veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 65 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

• 7. De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

• 8. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening - uiterlijk om 02.00 uur, dan wel het tijdstip, zoals is opgenomen in de vergunningvoorschriften op grond van artikel 2:29, lid 2, te worden beëindigd.

Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten

• 1. Het is een inrichting toegestaan maximaal twaalf incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

• 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal twaalf incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

• 3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving.

• 4. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

• 5. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

• 6. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT, veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 65 dB(A), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

• 7. De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

• 8. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening - uiterlijk om 02.00 uur, dan wel het tijdstip, zoals is opgenomen in de vergunningvoorschriften op grond van artikel 2:29, lid 2, beëindigd.

• 9. De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.

• 10. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten

[gereserveerd]

Artikel 4:5 Onversterkte muziek

• 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van het Besluit binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat:

o a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen;

o b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein;

o c. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten;

o d. bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.

o e. Tabel e

7.00-19.00 uur 19.00-23.00 uur 23.00-7.00 uur

LAr.LT op de gevel van gevoelige

gebouwen 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A)

LAr.LT in in- en aanpandige gevoelige

gebouwen 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A)

LAmax op de gevel van gevoelige

gebouwen 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A)

7.00-19.00 uur 19.00-23.00 uur 23.00-7.00 uur

LAmax in in- en aanpandige gevoelige

gebouwen 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A)

• 2. Voor de duur van 6 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid.

• 3. Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit van toepassing.

• 4. Het eerste lid geldt niet indien artikel 4:2 of artikel 4:3 van deze verordening van toepassing is.

Artikel 4:6 Overige geluidhinder

• 1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of van het Besluit op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

• 2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

• 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, het bestemmingsplan, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening Noord-Holland.

• 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:6 A Mosquito

• 1. In dit artikel wordt onder een mosquito verstaan: een apparaat dat een slechts voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden van plaatsen waar zij overlast veroorzaken.

• 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 4:6 kan de burgemeester in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken ernstige overlast door jongeren op die plaats.

• 3. De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk kenbaar gemaakt op de plaats waar deze is aangebracht.

• 4. Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat overlast redelijkerwijs valt te verwachten.

• 5. Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste 6 maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een periode van ten hoogste 6 maanden verlengen.

Afdeling 2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging

Artikel 4:7 Straatvegen

Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.

Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Artikel 4:9 a Voorkomen van de verspreiding van moeilijk te bestrijden planten

De eigenaren, pachters, gebruikers en beheerders van en de rechthebbenden en toezichthouders op de binnen de gemeente gelegen openbare plaatsen zijn verplicht de zich op die gronden bevindende akkermelkdistels, akkerdistels, brandnetels en reuzenberenklauwen, voordat deze gaan bloeien, te bestrijden.

Afdeling 3 Het bewaren van houtopstanden

Artikel 4:10 Begripsbepalingen

• 1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

o a. houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen;

o b. hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen.

• 2. In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

• 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag de houtopstanden te vellen of te doen vellen die staan vermeld op de lijsten vermeld op Bijlage 1 (Bomenlijst).

• 2. De vergunning kan worden geweigerd op grond van:

o a. de hoge leeftijd van de houtopstand;

o b. de verschijningsvorm van de houtopstand;

o c. de cultuur- en/of natuurhistorische waarde van de houtopstand;

o d. de ecologische en/of natuurwaarde van de houtopstand;

o e. de dendrologische waarde/zeldzaamheid van de houtopstand;

o f. de waardevolle beplantingsvorm en/of structuur van de houtopstand;

o g. de beeldbepalende waarde van de houtopstand.

• 3. De burgemeester kan toestemming geven tot noodkap: het direct vellen of doen vellen van houtopstanden, al of niet deel uitmakend van de onder lid 1 genoemde Bomenlijst, indien er sprake is van acute gevaarzetting of vergelijkbaar spoedeisend belang en er geen andere mogelijkheden zijn om deze weg te nemen.

• 4. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.

• 5. Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn:

o a. indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;

o b. de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen;

o c. of de niet-ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.

• 6. Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met uitzondering van geheel ontschorst iepenhout en iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 centimeter, voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren. Het college kan ontheffing verlenen van dit verbod.

• 7. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 4:12 Vergunning van rechtswege

[gereserveerd]

Afdeling 4 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast

Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.

• 1. Het is, in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden op door het college aangewezen plaatsen, die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg zijn gelegen, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

o a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

o b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

o c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of

o d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

• 2. Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben.

• 3. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.

• 4. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien krachtens de Wet ruimtelijke ordening of door of krachtens de Provinciale ruimtelijke verordening Noord-Holland.

Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen

[gereserveerd]

Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel 4:16 Vergunningsplicht lichtreclame

[gereserveerd]

Afdeling 5 Kamperen buiten kampeerterreinen

Artikel 4:17 Begripsbepaling

In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

• 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd.

• 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

• 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.

• 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van natuur en landschap.

• 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen

• 1. Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod van artikel 4:18, eerste lid niet geldt.

• 2. Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van de gronden, genoemd in artikel 4:18, vierde lid.

Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente

Afdeling 1 Parkeerexcessen

Artikel 5:1 Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

a. voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;

b. parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens ( RVV 1990).

Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.

• 1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:

o a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;

o b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

• 2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:

o a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;

o b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.

• 3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:

o a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;

o b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

• 4. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.

Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen

• 1. Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

• 2. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.

• 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:4 Defecte voertuigen

Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

Artikel 5:5 Voertuigwrakken

• 1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

• 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a.

• 1. Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie of anderszins uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:

o a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente;

o b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

• 2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod.

• 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of de Provinciale landschapsverordening.

• 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen

• 1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

• 2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

• 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen

• 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter op de weg te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

• 2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.

• 3. Het verbod in het eerste lid en het tweede lid is niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.

• 4. Het verbod in het eerste lid en het tweede lid is voorts niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.

• 5. Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.

• 6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen

• 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

• 2. Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

 

Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen

[gereserveerd]

Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

• 1. Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.

• 2. Dit verbod is niet van toepassing:

o a. op de weg;

o b. op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid;

o c. op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

• 3. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

• 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets

Het is verboden door het college op de weg gelegen aangewezen plaatsen, waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.

Afdeling 2 Collecteren

Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen

1. Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden.

2. Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het werven van donateurs en bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

3. Het verbod geldt niet voor:

a . een inzameling die in besloten kring gehouden wordt;

b. instellingen die zijn vermeld op en collecteren volgens het landelijke collecterooster van het

Centraal Bureau Fondsenwerving;

4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd indien de aanvrager van de vergunning geen CBF keurmerk heeft.

 

Afdeling 3 Venten

Artikel 5:14 Begripsbepaling

1. In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis;

2. Onder venten wordt niet verstaan:

• a. het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;

• b. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5:22;

• c. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17.

Artikel 5:15 Ventverbod

• 1. Het is verboden te venten:

a. op door het college in het belang van de openbare orde aangewezen openbare plaatsen; of

b. op zondagen en maandag tot en met zaterdag tussen 18.00 en 09.30 uur.

• 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

• 3. Op de ontheffing bedoeld in het tweede lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

• 4. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.

• 5. Het verbod bedoeld in artikel 5:15, eerste lid, is niet van toepassing op het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard.

Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuiting

[gereserveerd]

Afdeling 4 Standplaatsen

Artikel 5:17 Begripsbepaling

• 1. In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

• 2. Onder standplaats wordt niet verstaan:

o a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet ;

o b. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.

Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden

• 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

• 2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan.

• 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd:

o a. indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

o b. indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.

• 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende

Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.

Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen

• 1. Het verbod van artikel 5:18, eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement.

• 2. De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken.

Artikel 5:21 Aanhoudingsplicht

[gereserveerd]

 

Afdeling 5 Snuffelmarkten

Artikel 5:22 Begripsbepaling

• 1. In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats.

• 2. Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan:

o a. een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;

o b. een evenement als bedoeld in artikel 2:24;

Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt

• 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te organiseren.

• 2. Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.

• 3. De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.

• 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Afdeling 6 Openbaar water

Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water

1. Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden zonder vergunning van het college een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben.

2. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op voorwerpen waarop gedachten of ` gevoelens worden geopenbaard.

3. Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

4. De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin voorzien wordt door het Wetboek van Strafwet, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wrt beheer rijkswaterstaatswerken, de provinciale vaarwegenverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.

Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen

• 1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.

• 2. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water:

o a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente;

o b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.

• 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijks-waterstaatswerken, de woonschepenverordening Noord-Holland, het provinciale Ligplaatsenbesluit Noord-Holland, de Provinciale vaarwegenverordening Noord-Holland of de Provinciale landschapsverordening Noord-Holland, de Keur van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier.

 

Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats

• 1. Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.

• 2. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

• 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Provinciale vaarwegenverordening Noord-Holland, de Keur van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier.

Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats

Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens artikel 5:26, tweede lid bepaalde.

Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken

• 1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.

• 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregeld onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaats-werken of de Provinciale vaarwegenverordening, de Keur van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier.

Artikel 5:29 Reddingsmiddelen

Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.

Artikel 5:30 Veiligheid op het water

• 1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.

• 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening Noord-Holland.

Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen

• 1. Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.

• 2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.

Afdeling 7 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden

Artikel 5:31A Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

- motorvoertuig; hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, onder z, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

- bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid onder e, van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 5:32 Crossterreinen

• 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

• 2. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:

o a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;

o b. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;

o c. in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

• 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren .

Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden, parken, plantsoenen e.d.

• 1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement Verkeersregels en verkeerstekens 1990 , een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard.

• 2. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen:

o a. in het belang van het voorkomen van overlast;

o b. in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden;

o c. in het belang van de veiligheid van het publiek.

• 3. Het verbod in het eerst lid is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden:

o a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten;

o b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

o c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

o d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

o e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.

• 4. Het in het eerste lid gestelde verbod is voorts niet van toepassing:

o a. op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen;

o b. binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening 'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'.

• 5. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

• 6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Afdeling 8 Verbod vuur te stoken

Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

• 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

• 2. Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op:

o a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

o b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand;

o c. vuur voor koken, bakken en braden.

• 3. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.

• 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.

• 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.

Artikel 5:34 a Verbod carbid schieten

• 1. Het is verboden:

o a. acetyleengas (C2H2) afkomstig van een reactie tussen carbid (calciumcarbide, chemische formule CaC2) en water; of;

o b. waterstof (H2) afkomstig van een reactie tussen natronloog (natriumhydroxide, chemische formule NaOH) en water; of

o c. gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen; of

o d. al dan niet vernevelde vloeistoffen of stoffen met vergelijkbare eigenschappen;

in een al dan niet afgesloten vat, bus, fles of dergelijk voorwerp op explosieve wijze te verbranden of te bewerken op zodanige wijze dat daardoor gevaar, schade of hinder voor de omgeving kan worden veroorzaakt.

• 2. Het is verboden carbid op of aan de openbare weg of op een voor publiek toegankelijke plaats voorhanden te hebben.

• 3. Het is verboden carbid af te leveren en ter aflevering voorhanden te hebben, wetende of vermoedende dat daarmee een gebruik wordt gemaakt als omschreven in lid 1.

• 4. Het bepaalde in de leden 2 en 3 geldt niet voor degene die aannemelijk maakt dat het carbid niet gebezigd wordt of bestemd is voor handelingen die ingevolge het bepaalde in lid 1 verboden zijn.

• 5. Het is verboden carbid op of aan de openbare weg of op een voor het publiek toegankelijke plaats achter te laten of voorhanden te hebben op een zodanige wijze dat derden onbedoeld met die stof in contact kunnen komen.

• 6. Het verbod als bedoeld in lid 1 onder b, c en d is niet van toepassing op het normale gebruik van wettelijk toegestane verbrandingsmotoren.

• 7. Dit artikel is niet van toepassing voor zover de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Artikel 5:34 b Verbod op gebruik wensballonnen

1. Het is verboden zogenoemde wens- of ufoballonnen, door middel van hete lucht afkomstig van vuur op te laten stijgen;

2. Onder een wens- of ufoballon wordt mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, gelukslampion, Thaise wensballon, papierballon, geluksballon, etc.

Afdeling 9 Verstrooiing van as

Artikel 5:35 Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.

Artikel 5:36 Verboden plaatsen

• 1. Incidentele asverstrooiing is verboden op:

o a. verharde delen van de weg;

o b. de openbare gedeelten van de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.

o c. schoolpleinen

o d. terreinen rond bejaardentehuizen.

• 2. Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.

• 3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de openbare gedeelten van de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.

• 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

 

Artikel 5:37 Hinder of overlast

Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.

Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Artikel 6:1 Strafbepaling

• 1. Overtreding van het bij of krachtens de artikelen van deze verordening bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie

• 2. In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10, vijfde lid, 2:11, tweede lid, 2:12, eerste lid, en 4:11, eerste lid.

Artikel 6:2 Toezichthouders

• 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast: de ambtenaren van de sector Grondgebiedzaken van de gemeente Opmeer en de politie.

• 2. Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen belasten met het toezicht.

Artikel 6:3 Binnentreden woningen

Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening

• 1. De Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Opmeer 2012 wordt ingetrokken

• 2. Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die waarop zij is bekendgemaakt.

Artikel 6:5 Overgangsbepaling

Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, eerste lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.

 

Artikel 6:6 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Opmeer 2016.

Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Opmeer,

Opmeer, 15 september 2016

de griffier, de voorzitter,

 

M.C.G.M. de Vree – Bekker G.J.A.M. Nijpels

 

Bijlage 1: Waardevolle bomenlijst gemeente Opmeer

 

 

Formuliernr

Adres

Plaats

Gem/Part

Soort

Waarde

Omschrijving

100

A.C. de Graafweg

Spanbroek

Gemeentelijk

Populus canadensis

84

Waardevolle houtopstand

89

Akkerwinde

Opmeer

Gemeentelijk

Acer saccharinum

69

Waardevolle houtopstand

45

Albrecht van Beierenstr

Hoogwoud

Gemeentelijk

Platanus x hispanica

85

Monumentale houtopstand

1

Braakweg 4

Aartswoud

Particulier

Fraxinus excelsior

89

Monumentale houtopstand

90

Breestraat 2

Opmeer

Particulier

Fraxinus excelsior 'Pendula'

72

Waardevolle houtopstand

46

Burg Heymansstraat

Hoogwoud

Gemeentelijk

Salix alba

68

Waardevolle houtopstand

47

Burg Hoogenboomlaan

Hoogwoud

Gemeentelijk

Tilia europaea

68

Waardevolle houtopstand

48

Burg Hoogenboomlaan

Hoogwoud

Gemeentelijk

Aesculus hippocastanum

92

Monumentale houtopstand

162

Burg Hoogenboomlaan

Hoogwoud

Gemeentelijk

Salix sepulcralis 'Chrysocoma'

64

Potentieel waardevolle houtopstand

49

Burg Hoogenboomlaan 13

Hoogwoud

Particulier

Fagus sylvatica 'Atropunicea'

88

Monumentale houtopstand

50

Burg Hoogenboomlaan 15

Hoogwoud

Particulier

Fagus sylvatica 'Atropunicea'

96

Monumentale houtopstand

51

Burg Hoogenboomlaan 33

Hoogwoud

Particulier

Fagus sylvatica 'Atropunicea'

112

Monumentale houtopstand

52

De Weijver

Hoogwoud

Gemeentelijk

Quercus robur

80

Waardevolle houtopstand

53

De Weijver

Hoogwoud

Gemeentelijk

Quercus robur

80

Waardevolle houtopstand

54

De Weijver

Hoogwoud

Gemeentelijk

Salix alba

69

Waardevolle houtopstand

55

De Weijver

Hoogwoud

Gemeentelijk

Populus canadensis

69

Waardevolle houtopstand

163

De Weijver

Hoogwoud

Gemeentelijk

Salix alba

61

Potentieel waardevolle houtopstand

47

Burg Hoogenboomlaan

Hoogwoud

Gemeentelijk

Tilia europaea

68

Waardevolle houtopstand

48

Burg Hoogenboomlaan

Hoogwoud

Gemeentelijk

Aesculus hippocastanum

92

Monumentale houtopstand

162

Burg Hoogenboomlaan

Hoogwoud

Gemeentelijk

Salix sepulcralis 'Chrysocoma'

64

Potentieel waardevolle houtopstand

49

Burg Hoogenboomlaan 13

Hoogwoud

Particulier

Fagus sylvatica 'Atropunicea'

88

Monumentale houtopstand

50

Burg Hoogenboomlaan 15

Hoogwoud

Particulier

Fagus sylvatica 'Atropunicea'

96

Monumentale houtopstand

51

Burg Hoogenboomlaan 33

Hoogwoud

Particulier

Fagus sylvatica 'Atropunicea'

112

Monumentale houtopstand

52

De Weijver

Hoogwoud

Gemeentelijk

Quercus robur

80

Waardevolle houtopstand

53

De Weijver

Hoogwoud

Gemeentelijk

Quercus robur

80

Waardevolle houtopstand

54

De Weijver

Hoogwoud

Gemeentelijk

Salix alba

69

Waardevolle houtopstand

55

De Weijver

Hoogwoud

Gemeentelijk

Populus canadensis

69

Waardevolle houtopstand

163

De Weijver

Hoogwoud

Gemeentelijk

Salix alba

61

Potentieel waardevolle houtopstand

157

De Weijver, Park

Hoogwoud

Gemeentelijk

Quercus robur

64

Waardevolle houtopstand

34

Driestedenweg 1

De Weere

Particulier

Taxus baccata

116

Monumentale houtopstand

35

Driestedenweg 1

De Weere

Particulier

Aesculus hippocastanum

96

Monumentale houtopstand

36

Driestedenweg 1

De Weere

Particulier

Fagus sylvatica 'Atropunicea'

104

Monumentale houtopstand

19

Driestedenweg 2

De Weere

Particulier

Tilia europaea

80

Waardevolle houtopstand

13

Driestedenweg 9

De Weere

Particulier

Tilia europaea

76

Waardevolle houtopstand

20

Driestedenweg 52

De Weere

Particulier

Tilia europaea

76

Waardevolle houtopstand

12

Driestedenweg 74

De Weere

Particulier

Tilia europaea

92

Monumentale houtopstand

21

Driestedenweg 76

De Weere

Particulier

Tilia europaea

76

Waardevolle houtopstand

160

Driestedenweg 91

De Weere

Particulier

Tilia europaea

60

Potentieel waardevolle houtopstand

22

Driestedenweg 94

De Weere

Particulier

Juglans regia

104

Monumentale houtopstand

24

Driestedenweg 94

De Weere

Particulier

Tilia europaea

92

Monumentale houtopstand

23

Driestedenweg 96

De Weere

Particulier

Tilia europaea

92

Monumentale houtopstand

14

Driestedenweg 116

De Weere

Particulier

Platanus x hispanica

104

Monumentale houtopstand

15

Driestedenweg 117

De Weere

Particulier

Tilia europaea

92

Monumentale houtopstand

16

Driestedenweg 122

De Weere

Particulier

Tilia europaea

84

Waardevolle houtopstand

17

Driestedenweg 137

De Weere

Particulier

Tilia europaea

76

Waardevolle houtopstand

18

Driestedenweg 137

De Weere

Particulier

Tilia europaea

84

Waardevolle houtopstand

44

Gouwe 5

Gouwe

Particulier

Pyrus communis Saint Rémy

72

Waardevolle houtopstand

38

Gouwe 28

Gouwe

Particulier

Tilia europaea

92

Monumentale houtopstand

39

Gouwe 30

Gouwe

Particulier

Taxus baccata

80

Waardevolle houtopstand

161

Gouwe 33

Gouwe

Particulier

Pyrus

64

Potentieel waardevolle houtopstand

40

Gouwe 38

Gouwe

Particulier

Aesculus hippocastanum

88

Monumentale houtopstand

41

Gouwe 42

Gouwe

Particulier

Tilia europaea

84

Waardevolle houtopstand

42

Gouwe 44

Gouwe

Particulier

Tilia europaea

68

Waardevolle houtopstand

43

Gouwe 47

Gouwe

Particulier

Juglans regia

72

Waardevolle houtopstand

56

Graaf Willemstraat

Hoogwoud

Gemeentelijk

Tilia europaea

72

Waardevolle houtopstand

101

Grote Zomerdijk 51

Spanbroek

Particulier

Ulmus x hollandica

72

Waardevolle houtopstand

170

Grote Zomerdijk 59

Spanbroek

Particulier

Tilia europaea

52

Potentieel waardevolle houtopstand

102

Grote Zomerdijk 61

Spanbroek

Particulier

Pyrus

76

Waardevolle houtopstand

103

Grote Zomerdijk 65

Spanbroek

Particulier

Tilia europaea

100

Monumentale houtopstand

62

Herenweg 2

Hoogwoud

Particulier

Tilia europaea

88

Monumentale houtopstand

58

Herenweg 7

Hoogwoud

Particulier

Juglans regia

80

Waardevolle houtopstand

59

Herenweg 7

Hoogwoud

Particulier

Tilia europaea

100

Monumentale houtopstand

60

Herenweg 7

Hoogwoud

Particulier

Fraxinus excelsior 'Pendula'

84

Waardevolle houtopstand

63

Herenweg 36

Hoogwoud

Particulier

Tilia europaea

88

Monumentale houtopstand

164

Herenweg 37

Hoogwoud

Particulier

Juglans regia

64

Potentieel waardevolle houtopstand

64

Herenweg 40

Hoogwoud

Gemeentelijk

Acer platanoides 'Drummondii'

76

Waardevolle houtopstand

65

Herenweg 46

Hoogwoud

Particulier

Fagus sylvatica

92

Monumentale houtopstand

66

Herenweg 49

Hoogwoud

Particulier

Tilia europaea

72

Waardevolle houtopstand

57

Herenweg 58

Hoogwoud

Gemeentelijk

Tilia europaea

76

Waardevolle houtopstand

67

Herenweg 68

Hoogwoud

Particulier

Fagus sylvatica 'Atropunicea'

84

Waardevolle houtopstand

68

Herenweg 68

Hoogwoud

Particulier

Acer pseudoplatanus

68

Waardevolle houtopstand

69

Herenweg 68

Hoogwoud

Particulier

Platanus x hispanica

68

Waardevolle houtopstand

165

Herenweg 68

Hoogwoud

Particulier

Taxus baccata

56

Potentieel waardevolle houtopstand

166

Herenweg 68

Hoogwoud

Particulier

Salix sepulcralis 'Chrysocoma'

56

Potentieel waardevolle houtopstand

70

Herenweg 69

Hoogwoud

Particulier

Pinus nigra

72

Waardevolle houtopstand

71

Herenweg 77

Hoogwoud

Particulier

Fraxinus excelsior 'Pendula'

92

Monumentale houtopstand

72

Herenweg 77

Hoogwoud

Particulier

Ginkgo biloba

88

Monumentale houtopstand

73

Herenweg 81

Hoogwoud

Particulier

Tilia europaea

72

Waardevolle houtopstand

74

Herenweg 87

Hoogwoud

Particulier

Aesculus hippocastanum

80

Waardevolle houtopstand

75

Herenweg 90

Hoogwoud

Particulier

Tilia europaea

88

Monumentale houtopstand

76

Herenweg 98

Hoogwoud

Particulier

Tilia europaea

96

Monumentale houtopstand

61

Herenweg 104

Hoogwoud

Particulier

Tilia europaea

96

Monumentale houtopstand

171

Kaag 11 B

Spanbroek

Particulier

Salix sepulcralis 'Chrysocoma'

56

Potentieel waardevolle houtopstand

172

Kaag 17

Spanbroek

Particulier

Pyrus

52

Potentieel waardevolle houtopstand

107

Kaag 7

Spanbroek

Particulier

Fagus sylvatica 'Atropunicea'

72

Waardevolle houtopstand

156

Koetenburg

Aartswoud

Gemeentelijk

Tilia europaea

53

Waardevolle houtopstand

81

Koningspade 5

Hoogwoud

Particulier

Acer pseudoplatanus

80

Waardevolle houtopstand

82

Koningspade 5

Hoogwoud

Particulier

Aesculus carnea

76

Waardevolle houtopstand

77

Koningspade 16

Hoogwoud

Particulier

Fraxinus excelsior

93

Monumentale houtopstand

78

Koningspade 17

Hoogwoud

Particulier

Tilia europaea

88

Monumentale houtopstand

167

Koningspade 23

Hoogwoud

Particulier

Tilia europaea

60

Potentieel waardevolle houtopstand

79

Koningspade 26

Hoogwoud

Particulier

Tilia europaea

80

Waardevolle houtopstand

80

Koningspade 31

Hoogwoud

Particulier

Ulmus x hollandica

81

Waardevolle houtopstand

91

Lage Hoek

Opmeer

Waterschap

Salix alba

81

Waardevolle houtopstand

92

Lage Hoek 1

Opmeer

Waterschap

Populus canadensis

97

Monumentale houtopstand

169

Lage Hoek 1

Opmeer

Particulier

Fraxinus excelsior

64

Potentieel waardevolle houtopstand

83

Langereis 18

Hoogwoud

Particulier

Aesculus hippocastanum 'Baumannii'

84

Waardevolle houtopstand

84

Langereis 19

Hoogwoud

Particulier

Salix alba

69

Waardevolle houtopstand

93

Langereis 6

Opmeer

Particulier

Fraxinus excelsior

68

Waardevolle houtopstand

85

Lindelaan

Hoogwoud

Gemeentelijk

Tilia europaea 'Euchlora'

68

Waardevolle houtopstand

168

L.H. van Catzstraat 9

Hoogwoud

Particulier

Metasequoia glyptostroboides

61

Potentieel waardevolle houtopstand

94

Marsstraat

Opmeer

Gemeentelijk

Acer saccharinum

88

Monumentale houtopstand

95

Marsstraat 2

Opmeer

Gemeentelijk

Platanus x hispanica

76

Waardevolle houtopstand

96

Middelweg 26

Opmeer

Gemeentelijk

Fagus sylvatica

72

Waardevolle houtopstand

97

Middelweg 26

Opmeer

Particulier

Fagus sylvatica 'Atropunicea'

92

Monumentale houtopstand

86

Molenstraat

Hoogwoud

Gemeentelijk

Fraxinus excelsior

80

Waardevolle houtopstand

25

Ooster Boekelweg 11

De Weere

Particulier

Acer pseudoplatanus

68

Waardevolle houtopstand

26

Ooster Boekelweg 19

De Weere

Particulier

Fraxinus excelsior

81

Waardevolle houtopstand

27

Ooster Boekelweg 23

De Weere

Particulier

Fraxinus excelsior

93

Monumentale houtopstand

28

Ooster Boekelweg 25

De Weere

Particulier

Acer pseudoplatanus

88

Monumentale houtopstand

29

Ooster Boekelweg 25A

De Weere

Particulier

Acer pseudoplatanus

88

Monumentale houtopstand

30

Ooster Boekelweg 60

De Weere

Particulier

Fraxinus excelsior

81

Waardevolle houtopstand

31

Ooster Boekelweg 64

De Weere

Particulier

Fagus sylvatica

104

Monumentale houtopstand

98

Paardenmarkt

Opmeer

Gemeentelijk

Salix sepulcralis 'Chrysocoma'

68

Waardevolle houtopstand

99

Pade 16

Opmeer

Particulier

Ulmus x hollandica

80

Waardevolle houtopstand

148

Pade 25

Opmeer

Particulier

Salix alba

65

Waardevolle houtopstand

87

Radboudstraat 1

Hoogwoud

Particulier

Aesculus hippocastanum 'Baumannii'

112

Monumentale houtopstand

2

Schoolstraat

Aartswoud

Gemeentelijk

Salix alba

81

Waardevolle houtopstand

3

Schoolstraat

Aartswoud

Gemeentelijk

Fagus sylvatica 'Atropunicea'

108

Monumentale houtopstand

4

Schoolstraat 16 A

Aartswoud

Particulier

Fraxinus excelsior

80

Waardevolle houtopstand

5

Schoolstraat 16 A

Aartswoud

Particulier

Fagus sylvatica

88

Monumentale houtopstand

6

Schoolstraat 30

Aartswoud

Particulier

Fraxinus excelsior

72

Waardevolle houtopstand

158

Schoolstraat 31

Aartswoud

Particulier

Tilia europaea

57

Potentieel waardevolle houtopstand

7

Schoolstraat 33

Aartswoud

Particulier

Fagus sylvatica 'Atropunicea'

80

Waardevolle houtopstand

8

Schoolstraat 43

Aartswoud

Particulier

Fagus sylvatica

80

Waardevolle houtopstand

9

Schoolstraat 47

Aartswoud

Particulier

Taxus baccata

100

Monumentale houtopstand

159

Schoolstraat 57

Aartswoud

Particulier

Acer pseudoplatanus

57

Potentieel waardevolle houtopstand

108

Spanbroekerweg

Spanbroek

Gemeentelijk

Aesculus hippocastanum

92

Monumentale houtopstand

109

Spanbroekerweg 25

Spanbroek

Particulier

Tilia europaea

64

Potentieel waardevolle houtopstand

110

Spanbroekerweg 47

Spanbroek

Particulier

Tilia europaea

58

Potentieel waardevolle houtopstand

111

Spanbroekerweg 51

Spanbroek

Particulier

Aesculus hippocastanum

80

Waardevolle houtopstand

112

Spanbroekerweg 60

Spanbroek

Particulier

Acer pseudoplatanus

72

Waardevolle houtopstand

113

Spanbroekerweg 95

Spanbroek

Particulier

Fagus sylvatica 'Atropunicea'

112

Monumentale houtopstand

114

Spanbroekerweg 120

Spanbroek

Particulier

Tilia europaea

58

Potentieel waardevolle houtopstand

115

Spanbroekerweg 125

Spanbroek

Particulier

Tilia europaea

76

Waardevolle houtopstand

116

Spanbroekerweg 130

Spanbroek

Particulier

Tilia europaea

58

Potentieel waardevolle houtopstand

117

Spanbroekerweg 132

Spanbroek

Particulier

Tilia europaea

58

Potentieel waardevolle houtopstand

118

Spanbroekerweg 133

Spanbroek

Particulier

Tilia europaea

58

Potentieel waardevolle houtopstand

119

Spanbroekerweg 135

Spanbroek

Particulier

Tilia europaea

58

Potentieel waardevolle houtopstand

120

Spanbroekerweg 139

Spanbroek

Particulier

Tilia europaea

58

Potentieel waardevolle houtopstand

121

Spanbroekerweg 139a

Spanbroek

Particulier

Tilia europaea

58

Potentieel waardevolle houtopstand

122

Spanbroekerweg 140

Spanbroek

Particulier

Tilia europaea

58

Potentieel waardevolle houtopstand

123

Spanbroekerweg 147

Spanbroek

Particulier

Tilia europaea

58

Potentieel waardevolle houtopstand

124

Spanbroekerweg 150

Spanbroek

Particulier

Tilia europaea

58

Potentieel waardevolle houtopstand

125

Spanbroekerweg 152

Spanbroek

Particulier

Tilia europaea

58

Potentieel waardevolle houtopstand

126

Spanbroekerweg 153

Spanbroek

Particulier

Tilia europaea

58

Potentieel waardevolle houtopstand

127

Spanbroekerweg 155

Spanbroek

Particulier

Tilia europaea

58

Potentieel waardevolle houtopstand

128

Spanbroekerweg 160

Spanbroek

Particulier

Tilia europaea

58

Potentieel waardevolle houtopstand

129

Spanbroekerweg 162

Spanbroek

Particulier

Ulmus x hollandica

88

Monumentale houtopstand

130

Spanbroekerweg 163

Spanbroek

Particulier

Tilia europaea

58

Potentieel waardevolle houtopstand

131

Spanbroekerweg 167

Spanbroek

Particulier

Tilia europaea

58

Potentieel waardevolle houtopstand

132

Spanbroekerweg 168

Spanbroek

Particulier

Salix sepulcralis 'Chrysocoma'

56

Potentieel waardevolle houtopstand

133

Spanbroekerweg 169

Spanbroek

Particulier

Tilia europaea

58

Potentieel waardevolle houtopstand

134

Spanbroekerweg 171

Spanbroek

Particulier

Quercus robur

80

Waardevolle houtopstand

135

Spanbroekerweg 171

Spanbroek

Particulier

Fagus sylvatica 'Atropunicea'

112

Monumentale houtopstand

136

Spanbroekerweg 171

Spanbroek

Particulier

Pterocarya fraxinifolia

84

Waardevolle houtopstand

137

Spanbroekerweg 171

Spanbroek

Particulier

Aesculus hippocastanum

64

Potentieel waardevolle houtopstand

147

Spanbroekerweg, t.o.171

Spanbroek

Particulier

Ailanthus altissima

59

Potentieel waardevolle houtopstand

138

Spanbroekerweg 173

Spanbroek

Particulier

Tilia europaea

58

Potentieel waardevolle houtopstand

139

Spanbroekerweg 177

Spanbroek

Particulier

Tilia europaea

58

Potentieel waardevolle houtopstand

140

Spanbroekerweg 179

Spanbroek

Particulier

Tilia europaea

58

Potentieel waardevolle houtopstand

141

Spanbroekerweg 184

Spanbroek

Particulier

Tilia europaea

58

Potentieel waardevolle houtopstand

142

Spanbroekerweg 185

Spanbroek

Particulier

Tilia europaea

58

Potentieel waardevolle houtopstand

143

Spanbroekerweg 187

Spanbroek

Particulier

Tilia europaea

58

Potentieel waardevolle houtopstand

144

Spanbroekerweg 192

Spanbroek

Particulier

Tilia europaea

58

Potentieel waardevolle houtopstand

145

Spanbroekerweg 194

Spanbroek

Particulier

Tilia europaea

58

Potentieel waardevolle houtopstand

146

Spanbroekerweg 220A

Spanbroek

Particulier

Fraxinus excelsior

108

Monumentale houtopstand

173

Toevlucht 11

Spanbroek

Particulier

Fagus sylvatica 'Pendula'

62

Potentieel waardevolle houtopstand

174

Toevlucht 7

Spanbroek

Particulier

Betula pendula

64

Potentieel waardevolle houtopstand

32

Tropweere 8

De Weere

Particulier

Tilia europaea

92

Monumentale houtopstand

33

Tropweere 9

De Weere

Particulier

Fagus sylvatica

104

Monumentale houtopstand

149

Van Balen Blankenstr

Spanbroek

Gemeentelijk

Tilia europaea

68

Waardevolle houtopstand

37

Vekenweg 20

De Weere

Particulier

Populus nigra 'Italica'

88

Monumentale houtopstand

150

Veldstralaan

Spanbroek

Gemeentelijk

Salix sepulcralis 'Chrysocoma'

80

Waardevolle houtopstand

152

Wadway 22

Wadway

Particulier

Tilia europaea

80

Waardevolle houtopstand

176

Wadway 30

Wadway

Particulier

Populus canadensis

64

Potentieel waardevolle houtopstand

88

Wester Boekelweg 5

Hoogwoud

Particulier

Tilia europaea

84

Waardevolle houtopstand

175

Wijde Klaver

Spanbroek

Gemeentelijk

Salix alba

54

Potentieel waardevolle houtopstand

151

Wuiver

Spanbroek

Gemeentelijk

Ulmus x hollandica

76

Waardevolle houtopstand

105

Zaagmolenweg 14

Spanbroek

Particulier

Salix alba

69

Waardevolle houtopstand

177

Zandwerven 2a

Zandwerven

Particulier

Ulmus cultivar

61

Potentieel waardevolle houtopstand

153

Zandwerven 40

Zandwerven

Particulier

Fraxinus excelsior

72

Waardevolle houtopstand

154

Zandwerven 40

Zandwerven

Particulier

Tilia europaea

72

Waardevolle houtopstand

155

Zandwerven 45

Zandwerven

Particulier

Populus canadensis

85

Monumentale houtopstand

178

Zandwerven 50

Zandwerven

Particulier

Tilia europaea

64

Potentieel waardevolle

houtopstand

104

Zomerdijk, voor huisnr 22

Spanbroek

Waterschap

Ulmus x hollandica

100

Monumentale houtopstand

10

Zuiderzeestraat 18

Aartswoud

Particulier

Platanus x hispanica

108

Monumentale houtopstand

11

Zuiderzeestraat 5

Aartswoud

Particulier

Fagus sylvatica

88

Monumentale houtopstand