Bomenverordening Twenterand 2016

 

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

 

  • 1.

    bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, zoals vastgesteld op grond van artikel 1, vijfde lid, van de Boswet.

  • 2.

    bomen effect analyse: een standaard deskundige beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor een boom of bomen.

  • 3.

    boom: een houtig opgaand gewas, zowel levend als afgestorven, met een stamomtrek van minimaal 100 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de stamomtrek van de dikste stam. In afwijking van het hiervoor gestelde kan de stamomtrek kleiner zijn dan 100 centimeter op 1,3 meter boven het maaiveld indien sprake is van een houtopstand in het kader van een herplant- of instandhoudingsplicht als bedoeld in deze verordening.

  • 4.

    bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens een planologische maatregel een functioneel zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is

    toegelaten.

  • 5.

    dunnen: vellen dat uitsluitend als een verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd.

  • 6.

    houtopstand: één of meer bomen of boomvormers of andere houtachtige gewassen, mogelijk onderdeel uitmakend van hakhout, een houtwal, een grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken, een beplanting van bosplantsoen, een struweel of een heg, met de onder sub e. genoemde minimale stamomtrek.

  • 7.

    kandelaberen: het terugsnoeien van de kroon tot een hoofdstam met takstompen.

  • 8.

    kappen: het geheel of grotendeels verwijderen van het bovengrondse deel van de houtopstand.

  • 9.

    rooien: het geheel verwijderen van het boven- en ondergrondse deel van de houtopstand.

  • 10.

    vellen: rooien; kappen; verplanten; het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen en knotten; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

 

Artikel 2 Verbodsbepaling

 

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders een houtopstand te vellen of te doen vellen.

  • 2.

    Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing voor:

    • 1.

      Bomen met een stamomtrek van minder dan 100 centimeter, gemeten op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld, tenzij het bomen betreffen die in het kader van een herplantplicht zijn geplant of waarop een instandhoudingsplicht rust;

    • 2.

      Bomen, ongeacht de stamomtrek, op een bouwperceel met een oppervlakte kleiner dan 300 vierkante meter, tenzij het bomen betreffen die in het kader van een herplantplicht zijn geplant of waarop een instandhoudingsplicht rust;

  • 3.

    Het in het eerste lid gesteld verbod geldt verder niet voor houtopstanden buiten de bebouwde kom in de zin van de Boswet, indien het betreft:

    • 1.

      Populieren en wilgen als wegbeplantingen en éénrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, tenzij deze zijn geknot;

    • 2.

      Vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;

    • 3.

      Fijnsparren, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen;

    • 4.

      Kweekgoed;

    • 5.

      Houtopstand welke een zelfstandige eenheid vormt en ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan tien are, ofwel in geval van rijbeplanting, gerekend over het totale aantal rijen, niet meer bomen bevat dan twintig.

  • 4.

    Het in het eerste lid gesteld verbod geldt tevens niet voor:

    • 1.

      Houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving van het college van burgemeester of wethouders. De in deze verordening opgenomen bepalingen betreffende herplant/instandhouding/compensatie blijven wel van toepassing;

    • 2.

      Houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld;

    • 3.

      Het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van regulier onderhoud;

    • 4.

      Het periodiek knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheersmaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen ter uitvoering van regulier onderhoud. 

    •  

Artikel 3 Aanvraag

 

  • 1.

    De vergunningaanvraag moet worden aangevraagd door, namens of met toestemming van degene, die krachtens zakelijk recht, of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken. Bij mandeligheid moet de vergunningaanvraag worden aangevraagd door alle eigenaren.

  • 2.

    De vergunningaanvraag moet schriftelijk dan wel elektronisch worden ingediend.

  • 3.

    De vergunningaanvraag moet gemotiveerd zijn onder bijvoeging van een situatieschets op bruikbare schaal.

  • 4.

    Als de vergunningaanvraag tot vellen als gevolg van een verondersteld verminderde stabiliteit en/of vitaliteit van de houtopstand wordt ingediend, kan de aanvrager verplicht worden de aanvraag te voorzien van een deskundigenrapportage welke aantoont dat de verminderde vitaliteit of stabiliteit de kap rechtvaardigt.

  • 5.

    Indien de vergunningaanvraag wordt ingediend als gevolg van een bouw- of renovatieproject waarbij werkzaamheden nabij te behouden bomen plaats gaan vinden, kan de aanvrager verplicht worden de aanvraag te voorzien van een bomen effect analyse. Deze rapportage moet aantonen dat de te behouden bomen in de betrokken omgeving duurzaam behouden zullen blijven alsmede de wijze waarop dat gebeurt.

  • 6.

    Indien de vergunningaanvraag als gevolg van een bouw- of renovatieproject aangevraagd wordt, kan de aanvrager verplicht worden de aanvraag te voorzien van een herplantplan dat aantoont op welke wijze de aanvrager zal voldoen aan de herplantplicht.

  • 7.

    De aanvrager kan verplicht worden een natuurtoets te overhandigen inzake de aan- of afwezigheid van negatieve gevolgen van de voorgenomen kap op beschermde plant- of diersoorten.

     

Artikel 4 Weigeringsgronden
  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders kan de vergunning voor het vellen van een houtopstand enkel en alleen weigeren op grond van:

    • 1.

      De natuurwaarde;

    • 2.

      De landschapswaarde;

    • 3.

      De waarde voor het dorpsschoon;

    • 4.

      De cultuurhistorische waarde;

    • 5.

      De leefbaarheidswaarde;

    • 6.

      De recreatieve waarde. 

 

Artikel 5 Vergunningvoorschriften

Het college van burgemeester en wethouders kan voorschriften aan de vergunning verbinden ter bescherming van de in artikel 4 genoemde waarden.

 

Artikel 6 Herplantplicht/Instandhouding/Compensatie
  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders kunnen aan de vergunning het voorschrift verbinden dat binnen een door het college van burgemeester en wethouders te bepalen termijn en overeenkomstig door het college van burgemeester en wethouders te geven aanwijzingen wordt herplant.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders kan bepalen dat herplant geschiedt met houtopstand die vergelijkbaar is met de gevelde houtopstand.

  • 3.

    Als herplant niet tot de mogelijkheden behoort, kan aan de vergunning het voorschrift worden verbonden dat een geldelijke bijdrage gestort dient te worden in het gemeentelijk bomenfonds.

  • 4.

    Bij voorgeschreven herplant kan worden aangegeven binnen welke termijn en op welke wijze niet aangeslagen beplanting moet worden vervangen.

  • 5.

    Degene aan wie een voorschrift of een verplichting als bedoeld in dit artikel is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen. 

     

Artikel 7 Gevaarzetting

In afwijking van het bepaalde in artikel 2 kan de burgemeester toestemming geven tot direct vellen van houtopstand, indien sprake is van acuut gevaar of een daarmee vergelijkbare situatie van spoedeisend belang van openbare orde of veiligheid (noodkap).

 

Artikel 8 Intrekking

Het college van burgemeester en wethouders kan de vergunning geheel of gedeeltelijk intrekken op basis van de volgende gronden:

  • 1.

    Als binnen één jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt van de vergunning;

  • 2.

    Indien onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt ter verkrijging van de vergunning;

  • 3.

    Indien na het verlenen van de vergunning, op grond van verandering van inzichten of omstandigheden, (gedeeltelijke) intrekking noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan vergunning is verleend;

  • 4.

    Als geen sprake is van nakoming van de aan de vergunning verbonden voorschriften en/of beperkingen;

  • 5.

    Als de houder of rechthebbende om (gedeeltelijke) intrekking verzoekt. 

     

Artikel 9 Aanschrijvingsbevoegdheid

 

  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders kan de zakelijk gerechtigde dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is tot een houtopstand, waarop het verbod van vellen van toepassing is en die zonder vergunning is geveld of op andere wijze teniet is gegaan, aanschrijven om tot herplant over te gaan.

  • 2.

    Het eerste lid is tevens van toepassing op een houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of vanwege gevaarzetting als bedoeld in artikel 7.

  • 3.

    Het college van burgemeester en wethouders kan de zakelijk gerechtigde dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is tot een houtopstand, waarbij het verbod tot vellen van toepassing is en die ernstig in zijn voortbestaan wordt bedreigd, aanschrijven tot het treffen van voorzieningen waardoor die bedreiging wordt weggenomen.

  • 4.

    Het college van burgemeester en wethouders kan de zakelijk gerechtigde tot een houtopstand, die op de bomenlijst staat, aanschrijven om een bomen effect analyse op te stellen en aan te bieden aan het college van burgemeester en wethouders indien aannemelijk is dat een voorgenomen bouw of aanleg gevolgen heeft voor de duurzame instandhouding van die houtopstand.

  • 5.

    Artikel 6 is overeenkomstig van toepassing op een aanschrijving. 

     

Artikel 10 Bestrijding van boomziekten

 

  • 1.

    Indien zich op een terrein één of meer bomen bevinden die naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college van burgemeester en wethouders is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn:

    • 1.

      De boom te vellen;

    • 2.

      Conform de richtlijnen van de gemeente de gevelde boom direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen.

  • 2.

    Het is verboden zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders gevelde bomen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden.

  • 3.

    Het niet voldoen aan de in het eerste lid bedoelde aanschrijving biedt basis voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden, voor risico en voor rekening van aangeschrevene, door of namens de gemeente kunnen worden verricht. 

     

Artikel 11 Schadevergoeding

Het college van burgemeester en wethouders beslist op een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 17 van de Boswet.

 

Artikel 12 Afstand van de erfgrenslijn

De afstand als bedoeld in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 2 meter voor bomen en op nihil voor heggen en heesters.

 

Artikel 13 Strafbepaling

Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie. Tevens kan een rechterlijke beoordeling op grond van dit artikel openbaar gemaakt worden. Bij de strafmaatbepaling kan rekening worden gehouden met de boomwaarde.

 

Artikel 14 Opsporing

Met de opsporing van de in deze verordening genoemde strafbaar gestelde feiten zijn behalve de ambtenaren, genoemd in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de daartoe door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren.

 

Artikel 15 Toezicht

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van het college aangewezen personen.

 

Artikel 16 Intrekking oude regeling

De bomenverordening Twenterand 2010 wordt ingetrokken.

 

Artikel 17 Overgangsrecht

1. Vergunningen die zijn verleend onder werking van de bomenverordening Twenterand 2010 en die van kracht zijn op het moment van inwerkingtreding van deze verordening worden aangemerkt als vergunning krachtens deze verordening.

2. Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om vergunning op grond van de bomenverordening Twenterand 2010 is ingediend waarop nog niet is beslist, wordt daarop de bomenverordening Twenterand 2010 toegepast.

3. Op bezwaarschriften gericht tegen een beschikking op een aanvraag om vergunning krachtens de bomenverordening Twenterand 2010 wordt beslist met toepassing van deze verordening.

 

Artikel 18 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking.

 

Artikel 19 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als “Bomenverordening Twenterand 2016”.

 

Bijlage Toelichting Bomenverordening Twenterand 2016

OPMERKING VOORAF

Deze toelichting bestaat uit een artikelsgewijze toelichting. Niet alle artikelen zijn toegelicht. Dit is het geval wanneer het artikel op zichzelf voldoende duidelijk is. Alleen wanneer een toelichting praktische meerwaarde heeft, is die opgenomen in deze toelichting. Op deze manier wordt gepoogd om de toelichting kort en bondig te houden.

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

a. bebouwde kom

Verhouding Boswet en Bomenverordening Twenterand 2016

De Boswet beoogt de instandhouding van de totale oppervlakte aan houtopstanden/bos in Nederland, de zogenaamde kwantitatieve bescherming. Kortweg, waar houtopstand/bos staat moet houtopstand/bos blijven ongeacht de kwaliteit van dit bos. De gemeentelijke verordening beoogt ook het beschermen van waardevolle houtopstanden, de zogenaamde kwalitatieve bescherming. Een gemeente kan bijvoorbeeld vanuit landschappelijk oogpunt de omvorming van beukenbos naar dennenbos verbieden. De Boswet geldt enkel buiten de bebouwde kom Boswet (art. 1, vijfde lid, van de Boswet). De gemeentelijke Bomenverordening geldt voor het gehele grondgebied van de gemeente op grond van de artikelen 124 en 127 van de Grondwet: de vrije verordeningsbevoegdheid van een gemeente. De Boswet bebouwde kom beperkt dus niet de toepassing van de gemeentelijke Bomenverordening. De toepassing van de Boswet buiten de bebouwde kom geldt in dat gebied dus samen met de Bomenverordening.

De gemeenteraad stelt bij besluit de grenzen van de bebouwde kom Boswet vast voor de toepassing van de Boswet.

b. bomen effect analyse

Waardevolle houtopstanden worden regelmatig (ernstig) beschadigd of vernietigd door bouw en aanleg van huizen, wegen, rioleringen of kabels en leidingen. Vaak gebeurt dit ongewenst en onbedoeld, omdat er te laat is gekeken naar de gevolgen voor de bomen, waardoor ze niet ingepast of (onherstelbaar) beschadigd raken. De Bomen Effect Analyse (BEA) is de landelijke richtlijn van de Bomenstichting voor een nauwgezette en onafhankelijke beoordeling, voorafgaand aan de voorgenomen bouw of aanleg. Deze standaardisering waarborgt de boomtechnische kwaliteit en garandeert een goede beoordeling van alle effecten en mogelijke alternatieven. Een BEA dient uitgevoerd te worden door een deskundig boomverzorger of boomtechnisch adviseur. De resultaten van deze beoordeling kunnen vervolgens worden meegenomen in de besluitvorming rond bouw of aanleg.

c. boom

Afbakening van het begrip boom is van belang in verband met het aangeven van de ondergrens van de bescherming. Het betreft zowel levend als afgestorven houtachtig gewas. Hiermee kan voorkomen worden dat een kwaadwillende boomeigenaar er voor zorgt dat een gezonde boom dood gaat of `bij vergissing´ een gezonde boom kapt. Het kan tevens wenselijk zijn om dode bomen te bewaren vanwege hun ecologisch waardevolle functies of omdat er wettelijk beschermde diersoorten in nestelen.

Gekozen is voor 100 centimeter omtrek (standaard gemeten op 130 centimeter boven maaiveld). Een omtrek van 100 centimeter komt min of meer overeen met een diameter van 30 centimeter. Voordeel van het werken met “omtrek” in plaats van “diameter” is dat in de praktijk veel bomen niet helemaal rond zijn en dus verschillende maten bij diametergebruik kan ontstaan. Terwijl een omtrek maar één maat kent.

d. bouwperceel

Het begrip “bouwperceel” houdt verband met de vergunningvrije kapmogelijkheden. Er is bewust gekozen om aan te sluiten bij het begrip “bouwperceel” zoals die in de ruimtelijke ordening wordt gehanteerd. Hierover is de nodige jurisprudentie. Door deze keuze kan bij de uitleg wat nu precies een bouwperceel is aangesloten worden op de reeds ontwikkelde jurisprudentie. Vanuit de rechtszekerheid is dit te prefereren.

Een planologische maatregel is een bestemmingsplan dan wel een planologisch afwijkingsbesluit.

De gekozen definitie voor het begrip “bouwperceel” betekent dat de vergunningvrije kapmogelijkheden niet gelden voor percelen waar geen bebouwing volgens het bestemmingsplan dan wel een afwijkingsbesluit is toegestaan. Voor alle duidelijkheid wordt opgemerkt dat, indien sprake is van een kadastraal perceel waarop verschillende bestemmingen rusten, de perceelsgedeelten met een bestemming die niet als erf kunnen worden aangemerkt geen onderdeel uitmaken van het begrip “bouwperceel”. Denk bijvoorbeeld aan een kadastraal perceel dat valt in het bestemmingplan “Vriezenveen lintbebouwing en centrumgebied” en waarop de bestemmingen “Wonen”, “Tuin-Dorpserf” en “Agrarisch” rusten. De oppervlakte van de gedeelten van het kadastrale perceel met de bestemmingen “Tuin-Dorpserf” en “Agrarisch” vallen niet onder het begrip “bouwperceel” en tellen dus niet mee bij oppervlakte van het bouwperceel.

f. houtopstand

Houtopstand is een veel gebruikt begrip in deze verordening, waarop het kapverbod van toepassing is. Doordat dit begrip herhaaldelijk centraal wordt gesteld, wordt duidelijk dat de bescherming betrekking heeft op meer dan bomen alleen.

Enkele vakbegrippen worden hieronder toegelicht.

Boomvormers: Een boomvormer is een houtig, opgaand gewas met ontwikkeling van één of meer hoofdtakken. Een boomvormer kan uitgroeien tot een boom, een meerstammige boom of een boomachtige struik. In het alledaagse spraakgebruik heeft een boom één of slechts enkele stammen. In de natuur bestaat er echter een geleidelijke overgang: heester - struik - struikachtige boom - (meerstammige) boom.

Hakhout: Eén of meer bomen of boomvormers, die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen.

Houtwal: Lijnvormige bosaanplant hoofdzakelijk bestaande uit inheemse heesters, struiken en boomvormers.

Artikel 2 Verbodsbepaling

In het kader van de deregulering is gekozen om bepaalde categorieën bomen vrij te stellen van de vergunningplicht.

Artikel 3 Aanvraag

Aanvragers kunnen slechts zijn: eigenaren van of zakelijk gerechtigden tot een houtopstand. Zakelijk gerechtigden zijn in beginsel degenen die een notariële akte kunnen overleggen inzake een recht van erfpacht, pacht, opstal, erfdienstbaarheid, vruchtgebruik of een bewijsbaar pootrecht op de houtopstand. Bij mandeligheid dienen alle eigenaren gezamenlijk de aanvraag te doen.

Huurders hebben een persoonlijk en geen zakelijk recht. Zij moeten dus de schriftelijke toestemming voor kapaanvraag van de verhuurder, die eigenaar van de houtopstand is, overleggen. De eigenaar van een houtopstand kan bij (huur)overeenkomst of bij machtiging zijn huurders het recht tot omgevingsvergunningaanvraag verlenen. Na ontbinding van de huurovereenkomst is de omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand die altijd zaaksgebonden is, nog van toepassing op het project. Voorschriften van de omgevingsvergunning dienen dan door de eigenaar van het perceel nagekomen te worden.

De indieningsvereisten voor een omgevingsvergunning zijn in de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor) verplicht voorgeschreven. Hoofdstuk 7 Mor vermeldt bijzondere indieningsvereisten die van belang zijn bij een aanvraag omgevingsvergunning tot het vellen van een houtopstand.

Buiten deze verplichte indieningsvereisten zijn in dit artikel aanvullende indieningsvereisten opgenomen. De aanvullende indieningsvereisten maken dat alle nodige informatie aangevraagd kan worden om een goede beoordeling te maken ten aanzien van de vergunningaanvraag. Gevraagde informatie kan zijn:

  • 1.

    Een boom effect analyse: Een boom effect analyse naar boomdeskundige maatstaven onderzoekt de mogelijkheden en/of alternatieven inzake boombehoud. Andersom geeft het dus aan waarom de te kappen bomen verwijderd moeten worden, het verwijderingsbelang. Ook geeft de rapportage inzicht in de volledigheid van de aanvraag. Het toont aan dat alle overige bomen binnen de projectgrens (of net daarbuiten) duurzaam behouden kunnen blijven.

  • 2.

    Een deskundigenrapportage betreft vitaliteit of stabiliteit: Indien gemeende gevaarzetting (voorkomen van letsel of ernstige schade) reden tot de vergunningaanvraag is, kan de aanvrager verplicht worden gesteld een deskundigenrapportage te overhandigen die aantoont dat de verminderde vitaliteit of stabiliteit de kap rechtvaardigt. De mogelijkheid voor het bevoegd gezag zich te beroepen tot deze aanvullende indieningsvereisten, maakt helder dat de rechtmatige eigenaar van de boom de zorgplicht heeft over de bomen.

Artikel 4 Weigeringsgronden

Algemeen

In het eerste lid van dit artikel staan de criteria op grond waarvan een vergunning geweigerd kan worden. Ervaring leert dat de algemene termen van de weigeringsgronden nadere uitwerking behoeven om te onderbouwen welke criteria pleiten voor het belang van boombehoud.

Door het belang van boombehoud inzichtelijk te maken kan een afweging worden gemaakt ten opzichte van het verwijderingsbelang. In beginsel zijn er drie motieven om een houtopstand te willen kappen, te weten:

  • 1.

    Ontwikkeling: Ontwikkelingen in de zin van bouw- of aanlegwerkzaamheden. In dit geval zal in de toetsing worden gewogen wat het (maatschappelijk) belang is van de ontwikkeling;

  • 2.

    Beheer: Bomen zijn niet meer duurzaam en veilig te onderhouden;

  • 3.

    Overlast: Als bomen onevenredig veel overlast veroorzaken. Slechts in uitzonderlijke  gevallen leidt overlast tot kap.

De weigeringsgronden zijn limitatief. Er is geen rangorde bij de opsomming van de weigeringsgronden. Hieronder wordt uitleg gegeven over de diverse waarden. 

Natuurwaarde 

Potentieel is iedere boom of boomgroep ecologisch van belang. Er zijn echter bomen of boomgroepen die een extra toegevoegde ecologische waarde hebben voor de natuur. Een houtopstand heeft bijvoorbeeld natuurwaarde als deze: 

  • 1.

    Een schuil/broedplaats biedt aan fauna;

  • 2.

    Foerageergelegenheid biedt aan fauna;

  • 3.

    Groeiplaats/huisvesting biedt aan beschermde flora dan wel fauna; 

  • 4.

    Op zichzelf natuurwaarde heeft als solitair, of verbindende schakel (“stepping stone”) maar ook als onderdeel van: bos, verbindingszone, (EHS) en aan die natuurwaarde afbreuk wordt gedaan wanneer de boom wordt gekapt. 

Landschapswaarde 

Dit is een sterk streekgebonden aspect van houtopstanden en is veelal van belang buiten de bebouwde omgeving, maar ook wel eens binnen de bebouwde kom. Of een houtopstand of een type beplanting karakteristiek is voor een landschap hangt nauw samen met het ontstaan van het landschap, de ontginningsgeschiedenis en de grondsoort. Hierbij spelen visuele en esthetische aspecten een rol: 

  • 1.

    De houtopstand vormt een landschappelijk element (van solitair tot bos) welke een belangrijk deel (meer dan 25 %) van het groenbeeld vanuit de omgeving bepaalt;

  • 2.

    De houtopstand bestaat uit soorten van de potentieel natuurlijke vegetatie / landschappelijke / gebiedskenmerkende soorten;

  • 3.

    De houtopstand is een onderdeel van een geheel dan wel grotendeels in tact zijnde boomgroep of uniforme laanbeplanting die een karakteristieke structuur in het landschap zichtbaar maakt of vormt;

  • 4.

    De houtopstand is een herkenningspunt. 

Waarde voor het dorpsschoon 

Dit is te vergelijken met de landschappelijke waarde, maar dan binnen de bebouwde kom. Dit is vooral van toepassing binnen de wijkstructuur en beschermde boomgebieden maar ook in de hoofdgroenstructuur. De grens tussen landschap en dorp is vaak lastig te trekken. Bij dit criteria moet worden ingeschat wat de invloed op het dorpsschoon is als de vergunning wordt verleend. Bomen kunnen (lelijke) gebouwen aan het zicht onttrekken, lege plekken opvullen, een structuur versterken (bijvoorbeeld een weg) en bijdragen aan het groene karakter van een wijk. Maar ook bomen met een bijzondere vorm, kleur of ouderdom leveren een bijdrage aan dorpsschoon. Zij bepalen het beeld van die specifieke plek. Die plek wordt geassocieerd met die boom en andersom. Een houtopstand heeft in ieder geval waarde voor dorpsschoon als: 

  • 1.

    De boom/houtopstand een groenelement (van solitair tot bos) vormt welke voor een belangrijk deel (meer dan 25 %) het groenbeeld vanuit de omgeving bepaald;

  • 2.

    De boom/houtopstand een onderdeel van een geheel in tact zijnde boomgroep of uniforme laanbeplanting of een karakteristieke structuur in een dorp is;

  • 3.

    De boom/houtopstand een herkenningspunt is. 

Cultuurhistorische waarde 

Cultuurhistorische waarde is apart opgenomen omdat een bepaalde boom op een bepaalde plaats het behouden waard kan zijn vanwege de historische betekenis. Als een boom, boomgroep of laanstructuur karakteristiek is voor de ontstaans- of de ontginningsgeschiedenis van een plek of omgeving (dit kan tevens te maken hebben met de soort en/of met de leeftijd van een boom), of als de boom ooit geplant is vanwege een heugelijk feit in het verleden, dan heeft deze houtopstand een (hoge) cultuurhistorische waarde. Een houtopstand heeft in ieder geval cultuurhistorische waarde als: 

  • 1.

    De boom bekend is als monumentaal bij de Bomenstichting;

  • 2.

    De boom van een zeldzame soort of type en een hoge leeftijdsklasse is;

  • 3.

    De boom een onderdeel van een monumentale omgeving vormt;

  • 4.

    De boom een cultuurhistorisch waardevol element is;

  • 5.

    De boom een gedenkboom is. 

Leefbaarheidswaarde 

Bomen leveren een belangrijke bijdrage aan de leefbaarheid van een dorp. Bij waarden voor de leefbaarheid kan bijvoorbeeld gedacht worden dat: 

  • 1.

    De houtopstand over het algemeen wordt gewaardeerd om zijn schaduw en regulerende werking op zomerse temperaturen;

  • 2.

    De houtopstand belangrijk is voor de groenbeleving van een doorgaande route;

  • 3.

    De houtopstand belangrijk is voor verkeersgeleidende functie;

  • 4.

    De houtopstand vanwege bepaalde soortkenmerken een educatieve functie heeft;

  • 5.

    De houtopstand van belang is als afscheiding ten behoeve van het spoor of weg. 

Recreatieve waarde 

Bomen kunnen waardevol zijn als speelplaats voor kinderen of een lommerrijke, beschutte plek vormen voor ouderen. Bij waarden voor de recreatie kan bijvoorbeeld gedacht worden dat: 

  • 1.

    De houtopstand over het algemeen wordt gewaardeerd om zijn schaduw en regulerende werking op zomerse temperaturen;

  • 2.

    De houtopstand belangrijk is voor de groenbeleving van een recreatieve plek/doorgaande route;

  • 3.

    De houtopstand vanwege bepaalde soortkenmerken een educatieve functie heeft. 

Artikel 5 Vergunningvoorschriften

Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Dit kunnen alleen voorschriften zijn ter bescherming van de in deze verordening genoemde te beschermen waarden. Hieronder zijn voorbeelden van voorschriften weergegeven. De voorbeelden zijn niet uitputtend.

  • 1.

    Voorschriften met betrekking tot herplant;

  • 2.

    Voorschriften met betrekking tot financiële compensatie;

  • 3.

    Voorschriften met betrekking tot het nemen van feitelijke maatregelen ter bescherming van houtopstand;

  • 4.

    Voorschriften met betrekking tot het verrichten van nader onderzoek;

  • 5.

    Voorschriften die de feitelijke en/of financiële voortgang voldoende waarborgen;

  • 6.

    Een voorschrift dat binnen een bepaalde periode een houtopstand niet geveld mag worden vanwege een vaste rust- en verblijfplaats van een dier, behorende tot een beschermde diersoort, volgens de Flora- en Faunawet.  

Artikel 6 Herplantplicht/Instandhouding/Compensatie 

Het college van burgemeester en wethouders stelt beleid vast omtrent herplant, instandhouding en compensatie.  

Artikel 7 Gevaarzetting 

In acute probleemsituaties door houtopstanden (meestal in geval van gevaar voor zaken of personen)  moet er meteen gehandeld kunnen worden. Een voorbeeld van een acute probleemsituatie is dat uit een waarneming of inspectie blijkt dat een boom dermate instabiel is dat er een groot risico is voor het afbreken van grote takken of het omvallen van de boom, of op andere wijze gevaar vormt, waarbij het risico op schade of letsel voor aanwonenden of passanten groot is.  

Artikel 10 Bestrijding van boomziekten 

Dit artikel is bedoeld om de besmettelijke boomziekten adequaat te kunnen bestrijden. Belangrijk is dat verspreiding van potentieel broedhout en de besmetting wordt voorkomen. 

In het derde lid is een bijzondere bestuursdwangbevoegdheid in aanvulling op de algemene gemeentelijke bestuursdwangbevoegdheid opgenomen, vanwege de ernst van de zaak en noodzaak snel te kunnen handelen. 

Dit bestuursrechtelijke artikel laat onverlet de privaatrechtelijke verplichtingen, dus dat elke boomeigenaar te allen tijde moet voldoen aan de zorgplicht voor de veiligheid van zijn

houtopstand.

Artikel 11 Schadevergoeding

De Boswet schrijft in artikel 17 voor dat een gemeentelijke verordening dit artikel moet bevatten.

Artikel 12 Afstand van erfgrenslijn

Het eerste lid van artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek (BW) geeft het bekende verwijderingsrecht voor bomen, die staan binnen twee meter, en heesters en heggen, die staan binnen een halve meter vanaf de erfgrens. In het tweede lid van artikel 5:42 BW staat “tenzij ingevolge een verordening of gewoonte een kleinere afstand is toegelaten”. In deze verordening is een artikel toegevoegd waarbij de afstand tot de erfgrens  voor heesters en heggen op nihil wordt gezet. Dit vooral om burengeschillen beperkt te houden. Met de “nihil”-afstand voor heesters en heggen is bedoeld bescherming te geven aan deze natuurlijke wijze van erfafscheiding. De “nihil”-afstand stond ook al in de vorige verordeningen. De bestaande praktijk wordt gecontinueerd.

Het recht om verwijdering te vragen kan verjaren door het niet benutten van het verwijderingsrecht en het verstrijken van de tijd. De termijn van een verjaring te kwader trouw is twintig jaar. Indien sprake is van te goede trouw is de verjaringstermijn tien jaar.

 

 

Naar boven