Gemeenteblad van Rijssen-Holten

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Rijssen-HoltenGemeenteblad 2016, 13963Verordeningen



Algemene subsidieverordening gemeente Rijssen-Holten 2016

De raad van de gemeente Rijssen-Holten;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 15 december 2015, inzake de Algemene subsidieverordening gemeente Rijssen-Holten 2016;

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;

BESLUIT:

vast te stellen de volgende verordening:

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijssen-Holten;

  • b.

    raad: raad van de gemeente Rijssen-Holten;

  • c.

    jaarlijkse subsidie: subsidie die per (boek)jaar of voor een bepaald aantal boekjaren aan een instelling voor een periode van maximaal vier jaar wordt verstrekt.

  • d.

    incidentele subsidie: subsidie die voor activiteiten met een incidenteel of eenmalig karakter wordt verstrekt;

  • e.

    subsidieplafond: het bedrag dat gedurende een tijdvak maximaal beschikbaar is voor het geven van subsidie volgens deze verordening;

  • f.

    Europees steunkader: een mededeling, richtsnoer, kaderregeling, besluit of vrijstellingsverordening op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie, gelet op de artikelen 106, derde lid , 107, 108 en 109 van het Verdrag heeft vastgesteld;

  • g.

    deze verordening kent 3 subsidiecategorieën:

    • tot € 10.000,-

    • van € 10.000,- tot € 50.000,-

    • vanaf € 50.000,-

Artikel 2. Reikwijdte verordening

  • 1.

    Deze verordening is van toepassing op subsidies die het college op de volgende beleidsterreinen verstrekt. Uitzondering hierop vormen subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen en subsidies als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is):

  • a.

    algemeen bestuur;

  • b.

    openbare orde en veiligheid;

  • c.

    verkeer, vervoer en waterstaat;

  • d.

    economische zaken;

  • e.

    onderwijs;

  • f.

    sport, cultuur en recreatie;

  • g.

    sociale voorzieningen en maatschappelijke dienstverlening;

  • h.

    volksgezondheid en milieu;

  • i.

    ruimtelijke ordening en volkshuisvesting.

  • 1.

    Het college stelt bij nadere regeling (hierna te noemen nadere regels) vast welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie. Voor zover van toepassing, wordt hierin ook bepaald welke doelgroepen voor subsidie in aanmerking komen, hoe de subsidie wordt berekend en hoe de subsidiebedragen worden uitbetaald.

  • 2.

    Ten aanzien van subsidies waarvoor op grond van de Awb geen wettelijke grondslag nodig is, kan het college bepalen of deze verordening geheel of gedeeltelijk van toepassing is.

Artikel3 Europees steunkader

  • 1.

    Om aan een Europees steunkader te kunnen voldoen, kan het college bij nadere regels afwijken van deze verordening of deze aanvullen.

  • 2.

    In nadere regels waarbij ook een Europees steunkader toegepast kan worden, wordt ook verwezen naar het toepasselijke steunkader;

  • 3.

    Voor subsidies waar een Europees steunkader op van toepassing is, komen alleen de activiteiten, kosten, doelen en resultaten in aanmerking die voldoen aan de eisen van het toepasselijk steunkader.

  • 4.

    In de verleningsbeschikking voor subsidies waar een Europees steunkader op van toepassing is, wordt verwezen naar de toepasselijke bepalingen van dat steunkader.

Hoofdstuk 2. Subsidieplafond en Begrotingsvoorbehoud

Artikel 4. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

  • 1.

    De raad kan subsidieplafonds vaststellen.

  • 2.

    Het college bepaalt bij nadere regels de wijze van verdeling van de betreffende subsidie.

  • 3.

    De raad kan een subsidieplafond verlagen:

    • a.

      als de verlaging wordt vastgesteld voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd; of

    • b.

      als de subsidieaanvragen waarop het subsidieplafond betrekking heeft, moeten worden ingediend voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd.

  • 4.

    Bij de bekendmaking van een subsidieplafond dat kan worden verlaagd overeenkomstig het vorige lid, wordt gewezen op de mogelijkheid van verlaging.

  • 5.

    Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld. In de verleningsbeschikking wordt daarop gewezen.

Hoofdstuk 3. Aanvragen van subsidie

Artikel 5. In te dienen gegevens bij een subsidieaanvraag

  • 1.

    De aanvraag voor een subsidie wordt schriftelijk ingediend bij het college, bij voorkeur met behulp van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.

  • 2.

    Bij een aanvraag om subsidie overlegt de aanvrager de volgende gegevens:

    • a.

      een beschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

    • b.

      de doelstellingen en resultaten, die daarmee worden nagestreefd, en hoe de activiteiten aan dat doel bijdragen. Met name in welke mate de activiteiten gericht zijn op de gemeente of haar inwoners en op de doelen of beleidsterreinen die door de gemeente zijn vastgesteld;

    • c.

      een begroting en dekkingsplan van de kosten van de activiteiten, waarvoor de subsidie wordt aangevraagd. Het dekkingsplan bevat een lijst waarop staat aangegeven welke subsidies of vergoedingen voor dezelfde activiteiten bij andere bestuursorganen of private organisaties of personen zijn aangevraagd en wat de stand van zaken daarvan is;

    • d.

      de stand van de egalisatiereserve op het moment van de aanvraag, indien van toepassing bij een jaarlijkse subsidie.

  • 3.

    Als een aanvrager voor de eerste maal een jaarlijkse subsidie aanvraagt, voegt hij een exemplaar van de oprichtingsakte, de statuten, het jaarverslag, de jaarrekening en de balans van het voorgaande jaar als bijlagen toe aan het aanvraagformulier.

  • 4.

    Het college mag ook andere dan, of slechts enkele van, de in het tweede en derde lid genoemde gegevens opvragen, als die noodzakelijk respectievelijk voldoende zijn voor het nemen van een beslissing op de aanvraag.

Artikel 6. Aanvraagtermijn

  • 1.

    Een aanvraag voor een jaarlijkse subsidie wordt gedaan uiterlijk 1 juli in het jaar voorafgaand aan het jaar, of de jaren waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft.

  • 2.

    Het college kan bij nadere regels andere termijnen stellen voor het indienen van een aanvraag.

  • 3.

    Het college stelt organisaties aan wie op grond van lid 1 een jaarlijks subsidie wordt verstrekt en waarvan niet voor de in lid 1 genoemde datum een subsidieaanvraag is ontvangen, alsnog in de gelegenheid binnen 2 weken van versturing van een rappel een volledige aanvraag in te dienen.

  • 4.

    Aan organisaties die na de onder lid 3 genoemde nadere termijn een aanvraag indienen, wordt maximaal een subsidie verstrekt van 95% van het bedrag bij tijdige en volledige indiening.

Artikel 7. Beslistermijn

  • 1.

    Het college beslist binnen 13 weken op een aanvraag voor een incidenteel subsidie.

  • 2.

    Het college beslist op een aanvraag voor een jaarlijkse subsidie uiterlijk vóór 31 december van het jaar waarop de aanvraag is ingediend.

  • 3.

    Bij nadere regels kunnen andere termijnen worden gesteld.

Hoofdstuk 4. Weigeren van de subsidie

Artikel 8. Weigeringsgronden

Naast de in artikelen 4:25, tweede lid en 4:35 Awb genoemde weigeringsgronden, kan het college subsidieverlening weigeren wanneer:

  • a.

    de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente of haar inwoners of als ze onvoldoende ten goede komen aan de gemeente of haar inwoners;

  • b.

    de activiteit gericht is op partijpolitieke, godsdienstige of levensbeschouwelijke vorming;

  • c.

    de aanvrager met uitvoering van de activiteiten beoogt winst te maken;

  • d.

    niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd;

  • e.

    de aanvrager niet alle vergunningen en ontheffingen heeft of krijgt die nodig zijn voor de gesubsidieerde activiteit;

  • f.

    in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;

  • g.

    de aanvraag niet voldoet aan de regels die zijn gesteld om voor subsidie in aanmerking te komen;

  • a.

    de subsidieverstrekking in strijd is met een wettelijk voorschrift;

  • b.

    de subsidieverstrekking niet is toegestaan totdat de Europese Commissie met toepassing van artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie verenigbaar is met de interne markt;

  • c.

    in de bij de betrokken nadere regels bepaalde gevallen.

Hoofdstuk 5. Verlenen van de subsidie

Artikel 9. Verlening subsidie

  • 1.

    In de beschikking tot subsidieverlening geeft het college aan op welke wijze de aanvrager verantwoording aflegt over de ontvangen subsidie.

  • 2.

    Het college mag verplichtingen opnemen in de beschikking tot subsidieverlening over het beheer en gebruik van de subsidie.

Artikel 10. Betaling en bevoorschotting

  • 1.

    Een subsidie tot € 10.000,- wordt volledig uitbetaald vóór 1 februari van het betreffende subsidiejaar.

  • 2.

    Voor subsidies vanaf € 10.000,- bepaalt het college in de beschikking tot subsidieverlening of, tot welk niveau en met welke termijnen de bevoorschotting plaatsvindt.

Hoofdstuk 6. Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 11. Tussentijdse rapportage

Bij subsidies vanaf € 50.000,-, die verleend worden voor activiteiten die meer dan een jaar in beslag nemen, kan het college de aanvrager verplichten tussentijds rekening en verantwoording af te leggen over de verrichte activiteiten. Een tussentijdse verantwoording wordt niet vaker dan één keer per jaar gevraagd.

Artikel 12. Algemene verplichtingen van subsidieontvanger

  • 1.

    De subsidieontvanger is verplicht het college direct op de hoogte te stellen als duidelijk is dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, niet of niet helemaal zullen worden verricht of dat niet of niet helemaal aan de aan de beschikking tot subsidieverlening verbonden verplichtingen zal worden voldaan.

  • 2.

    De subsidieontvanger informeert het college zo spoedig mogelijk schriftelijk over:

    • a.

      besluiten of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten, waarvoor subsidie is verleend, dan wel ontbinding van de rechtspersoon;

    • b.

      relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden;

    • c.

      ontwikkelingen die er toe kunnen leiden dat aan de beschikking tot subsidieverlening verbonden voorwaarden geheel of gedeeltelijk niet kunnen worden nagekomen;

    • d.

      wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de rechtspersoon, de persoon van de bestuurder(s) en het doel van de rechtspersoon.

  • 3.

    De subsidieontvanger heeft de toestemming van het college nodig voor handelingen als vermeld in artikel 4:71 Algemene wet bestuursrecht.

Hoofdstuk 7. Verantwoording en vaststelling van de subsidie

Artikel 13 Verantwoording subsidies algemeen

1.Tenzij anders in deze verordening of in de subsidiebeschikking of in de nadere regels wordt aangegeven, is de subsidieontvanger gehouden een aanvraag tot vaststelling in te dienen bij het college:

  • a.

    bij een eenmalige subsidie, uiterlijk 13 weken na afloop van de activiteiten;

  • b.

    bij een jaarlijks subsidie, uiterlijk vóór 1 juli in het jaar na afloop van het gesubsidieerde kalenderjaar, respectievelijk 6 maanden na het subsidietijdvak, waarvoor de subsidie is verleend.

Artikel 14. Verantwoording subsidies tot € 10.000,-

  • 1.

    Subsidies tot € 10.000,- worden door het college, tenzij in de beschikking anders is aangegeven:

  • a.

    direct vastgesteld of;

  • b.

    ambtshalve vastgesteld binnen 13 weken, nadat de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht.

  • 1.

    Bij een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het eerste lid, onder b, kan het college de aanvrager een verantwoordingsplicht opleggen voor de gesubsidieerde activiteiten. Het college kan hierbij aangeven hoe die verantwoording er uit moet zien.

Artikel 15. Verantwoording subsidies vanaf € 10.000,- tot € 50.000,-

  • 1.

    Als de subsidieverlening € 10.000,- of meer, maar minder dan € 50.000,- bedraagt, dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij het college.

  • 2.

    De aanvraag tot vaststelling bevat

  • a.

    een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht.

  • b.

    een overzicht van de activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (door bestuur van de organisatie ondertekend financieel verslag of jaarrekening);

  • 1.

    Het college kan bepalen dat ook andere, of minder dan, dan de in dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling van belang zijn, worden overgelegd.

Artikel 16. Verantwoording subsidies vanaf € 50.000,-

  • 1.

    Als de subsidieverlening € 50.000,- of meer bedraagt, dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij het college:

  • 2.

    De aanvraag tot vaststelling bevat:

  • a.

    een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht;

  • b.

    een overzicht van de activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening);

  • c.

    een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop;

  • d.

    een verklaring van een accountant

  • 1.

    Het college kan bepalen dat ook andere, of minder dan, dan de in dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling van belang zijn, worden overlegd.

Artikel 17. Vaststelling subsidie

  • 1.

    Het college stelt binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling de subsidie vast en houdt daarbij rekening met de bepalingen van artikel 13.

  • 2.

    Als uit de aard van de subsidie, dan wel de verantwoording daarvan, volgt dat voor de beslissing op de vaststelling van de subsidie een langere termijn nodig is dan de in het eerste lid genoemde termijn, dan bericht het college de subsidieontvanger daarvan zo spoedig mogelijk na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling.

  • 3.

    Het college kan categorieën van subsidies of subsidieontvangers aanwijzen, waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld zonder dat de subsidieontvanger een aanvraag voor subsidievaststelling hoeft in te dienen.

  • 4.

    Indien de aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het in artikel 13 genoemde tijdstip is ontvangen, wordt de instelling eerst een termijn van orde gesteld voordat een hersteltermijn wordt opgelegd. Als ook aan de hersteltermijn niet wordt voldaan, gaat het college binnen 6 weken over tot ambtshalve vaststelling.

Hoofdstuk 8. Overige bepalingen

Artikel 18. Reservevorming

  • 1.

    De instelling aan wie een subsidie is toegekend, mag een algemene reserve (egalisatiereserve) vormen, tenzij anders is overeengekomen. Deze algemene reserve mag jaarlijks met maximaal 10% van de verstrekte subsidie worden gevoed en mag in totaal niet meer dan 30% bedragen van de jaarlijks toegekende subsidie.

  • 2.

    Naast een algemene reserve kan ook een bestemmingsreserve worden opgebouwd.

Artikel 19. Hardheidsclausule

Het college kan, met uitzondering van de artikelen 1, 2 en 8, in bijzondere gevallen, een artikel of artikelen van deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing gelet op het belang van de aanvrager of subsidieontvanger leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. Het van toepassing verklaren van dit artikel wordt gemotiveerd in het besluit en hiervan wordt periodiek verslag gedaan aan de raad.

Artikel 20. Intrekking

De Algemene subsidieverordening gemeente Rijssen-Holten, vastgesteld op 31 maart 2011, wordt ingetrokken. De nadere regels die door het college zijn vastgesteld, blijven van kracht

Artikel 21. Overgangsbepalingen

Aanvragen voor subsidie die zijn ingediend voor 1 januari 2016 worden afgedaan volgens de bepalingen van de Algemene subsidieverordening gemeente Rijssen-Holten 2011.

Artikel 22. Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2016.

Artikel 23. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als Algemene subsidieverordening 2016.

Besluit genomen in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Rijssen-Holten op 28 januari 2016.

drs H.A.J. van de Vliert, A.C. Hofland,

griffier, voorzitter

Toelichting behorende bij de Algemene subsidieverordening

Artikelsgewijze toelichting op de subsidieverordening

 

1. Algemeen

Gemeenten en andere overheden verstrekken subsidies. In de verhouding tussen de

subsidieverstrekker en de subsidieontvanger is het goed te weten welke rechten en

verplichtingen gelden. In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn voor de subsidieverstrekking door bestuursorganen zoals een gemeente, regelingen opgenomen waaraan voldaan moet worden. De Algemene subsidieverordening gemeente Rijssen-Holten (vanaf nu genoemd subsidieverordening) is een uitwerking van de Awb op lokaal niveau.

 

De subsidieverordening heeft betrekking op uitgaande subsidies. Het regelt de algemene

rechten en plichten van de subsidieontvanger en de subsidiegever. Het is een instrument om

rechtszekerheid te bieden aan de subsidieaanvragers en probeert de doeltreffendheid van de verleende subsidies te vergroten.

 

De subsidieverordening heeft alleen betrekking op het subsidieproces. De inhoudelijke

afspraken zijn opgenomen in onder andere beleidskaders, Nadere regels, subsidiebeschikkingen, subsidieovereenkomsten en budgetcontracten.

 

1.1 Wettelijke grondslag

De subsidieverordening en eventuele andere subsidieregelingen vormen de wettelijke

grondslag voor de subsidieverlening.

 

2. Opbouw van de verordening

De subsidieverordening is een nadere uitwerking van hoofdstuk 4 titel 4.2 van de Awb op lokaal niveau. De opbouw van deze verordening volgt zoveel mogelijk de chronologie van het subsidieproces:

- algemene bepalingen;

- subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud;

- aanvragen van subsidie;

- weigeren van de subsidie;

- verlenen van de subsidie;

- verplichtingen van de subsidieontvanger;

- verantwoording en vaststelling van de subsidie;

- overige bepalingen.

 

3. Wat is een subsidie?

Om een goed beeld te krijgen van wat een subsidie is, wordt hieronder een toelichting gegeven op wat wel en wat geen subsidie is.

 

In de Algemene wet bestuursrecht wordt onder subsidie verstaan: “de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten.”

 

Geen subsidie in de zin van de wet zijn:

- inkomensoverdrachten (uitkeringen, huursubsidie);

- voordelen in de sfeer van belastingen en premies;

- uitkeringen van hogere overheden (doeluitkeringen);

- het uitloven van een prijs;

- het betalen van contributie;

- bijdragen aan een gezamenlijke regeling;

- het “uitbetalen” in natura (bijvoorbeeld het gratis ter beschikking stellen van een accommodatie) of

- deelneming in een vennootschap.

 

De gemeente kan een subsidie verlenen voor activiteiten omdat die voor het algemeen belang wenselijk zijn. Subsidie komt van één kant. De subsidiegever (de gemeente) verplicht zich om de andere partij een budget te geven voor bepaalde activiteiten. Als de subsidieontvanger de activiteiten niet uitvoert volgens de afspraken, dan kan de gemeente slechts één ding doen: de subsidie (naar rato) terugvorderen.

 

4. Toelichting bij de subsidieverordening  

Algemene bepalingen

 

Artikel 1 Begrippenlijst Met het opnemen van definities geven we de betekenis van een aantal gebruikte begrippen weer.

 

Artikel 2 Reikwijdte

In de Awb is bepaald dat subsidieverstrekking op een verordening moet zijn gebaseerd. Artikel 2 voorziet hierin.

 

Met het eerste lid krijgt het college de bevoegdheid om te besluiten over het verstrekken van subsidies waarop de Algemene subsidieverordening (Asv) van toepassing is.

 

Met lid 2 verplicht de raad het college om de te subsidiëren activiteiten in Nadere reles vast te leggen. Hierin worden activiteiten genoemd die in aanmerking komen voor subsidie, criteria voor subsidieverlening en regels en verplichtingen die gelden bij subsidieverlening.

 

Subsidies waarvoor volgens de Awb (art. 4:23, derde lid) geen wettelijke grondslag nodig is (zoals incidentele subsidies), is de Asv in beginsel niet van toepassing. Artikel 2 geeft het college de bevoegdheid, wanneer nodig, de Asv (deels) van toepassing te verklaren.

 

Artikel 3. Europees steunkader

Als een subsidie wordt ondergebracht bij een Europees Steunkader moet de subsidie worden toegesneden op het van toepassing zijnde steunkader. Daarbij kan het nodig zijn dat wordt afgeweken van de Asv, of dat deze wordt aangevuld. Het eerste lid geeft het college dan de bevoegdheid om af te wijken van de Asv.

 

Het tweede en derde lid bevatten de duidelijk afgebakende kaders voor de subsidies die een beroep doen op het Europees steunkader. Dit is een eis van de Europese Commissie.

Activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor subsidie komen alleen in aanmerking voor een Europees steunkader als zij voldoen aan de eisen en voorwaarden die hieraan verbonden zijn.

 

Artikel 4. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

Een subsidieplafond is het maximale bedrag dat gedurende een bepaalde periode beschikbaar wordt gesteld door de gemeenteraad voor de verstrekking van subsidies.

Vervolgens bepaalt het college in nadere regels de wijze van verdelen.

Bij de bekendmaking van een subsidieplafond wordt (indien van toepassing), gewezen op de mogelijkheid het subsidieplafond te verlagen (derde en vierde lid).

 

Het college is verplicht bij de verdeling van het budget aan te geven dat verstrekking van subsidie alleen mogelijk is als voldoende geld in de begroting wordt opgenomen.

  Artikel 5. Aanvraag Een aanvraag moet altijd schriftelijk aan het college of via een digitaal aanvraagformulier (vastgesteld door het college) ingediend worden.

 

In het tweede en derde lid staat beschreven welke stukken en gegevens nodig zijn voor een volledige aanvraag. Overigens mag het college hiervan afwijken als dit is vastgelegd in een Nadere regeling. Vraagt u voor de eerste keer een subsidie aan? Dan vragen wij eenmalig verdere informatie zoals genoemd in dit artikel onder lid 3.

 

Artikel 6. Aanvraagtermijn

In dit artikel staan de uiterste termijndata voor het aanvragen van subsidie. In lid 1 staat de uiterste datum genoemd tot wanneer een aanvraag voor (meer)jaarlijkse subsidie kan worden ingediend. Aan grote organisaties worden bij voorkeur meerjaarlijkse subsidies verleend via budgetsubsidiecontracten. De gemeente blijft daarbij op de hoogte van de resultaten door (jaarlijkse) tussentijdse rapportages. Een jaarlijkse aanvraag is daarmee voor organisaties waarmee een budgetcontract is afgesloten, overbodig.

 

De aanvraagtermijnen zijn afhankelijk van het soort subsidie. Er wordt onderscheid gemaakt tussen subsidies die per kalenderjaar worden verstrekt en andersoortige subsidies. Het college mag afwijken van de aanvraagtermijnen (genoemd in lid 1 en 2), als dit is vastgelegd in een Nadere regel. Alle aanvragen worden ingediend bij het college.

 

In lid 3 is vastgelegd dat een hersteltermijn gegeven kan worden aan aanvragers die hun subsidieaanvraag te laat indienen.

 

Met lid 4 kan het college een sanctie toepassen (maximaal 95%) op een subsidieaanvraag die te laat is binnengekomen. De wet schrijft voor dat een sanctie alleen mag worden toegepast als dit onderwerp is opgenomen in de Asv.

 

Artikel 7. Beslistermijn

In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen het college een besluit moet nemen op een subsidieaanvraag. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen subsidies per kalenderjaar en andersoortige subsidies. Het college kan afwijken van de beslistermijnen van de vastgestelde subsidieregeling als dit is vastgelegd in Nadere regels. In de Awb staan geen strikte beslistermijnen op een aanvraag voor subsidie.

 

Artikel 8. Weigeringsgronden

De algemeen geldende weigeringsgronden (artikel 4:35 Awb)  worden in dit artikel aangevuld met enkele weigeringsgronden uit de gemeentelijke praktijk. De belangrijkste weigeringsgrond is, dat de activiteit niet of niet overwegend gericht is op. dan wel bedoeld is voor de gemeente of haar inwoners.

 

Artikel 9. Verlening van de subsidie

Het college geeft in de subsidieverleningsbeschikking aan hoe de verantwoording van de subsidie eruit moet zien. Daarmee is voor de subsidieaanvrager van meet af aan duidelijk, aan welke voorwaarden en administratieve eisen aanvrager moet voldoen.

 

Een opsomming in de subsidieverordening van alle mogelijke verplichtingen geeft onduidelijkheid voor de aanvrager. Daarnaast heeft zo’n opsomming ook geen meerwaarde voor de verordening. De standaardverplichtingen die het college kan opleggen staan in artikel 4:37 Awb. Bij veel, vaak kleinere subsidies, is het niet noodzakelijk verplichtingen op te leggen.

 

Bij de verplichtingen in het tweede lid wordt gedacht aan bijvoorbeeld het verzekeren van de zaken, die voor de uitvoering van de gesubsidieerde activiteit noodzakelijk zijn, de arbeidsvoorwaarden voor het personeel van de subsidieontvanger, reservevorming, het bestuur, het aanstellen van toezichthouders, de inrichting van de administratie en de benodigde toestemming van het college voor het aangaan van rechtshandelingen als bedoeld in artikel 4:71 Awb.

 

Artikel 10. Betaling en bevoorschotting

Voorschotten worden automatisch (ambtshalve) uitbetaald zoals vermeld in de verleningsbeschikking of zoals opgenomen in de subsidieregeling. De aanvrager hoeft geen aanvraag voor uitbetaling in te dienen of  tussentijdse overzichten van prestaties of uitgaven te overleggen. Dit leidt tot lastenbesparing bij zowel de subsidieontvanger als de subsidieverstrekker.

 

Omdat (automatische) uitbetaling ook afhankelijk is van de aard van de te subsidiëren activiteit, worden er geen termijnen genoemd in de subsidieverordening.  De uitbetalingstermijn en de hoogte van de voorschotten worden in de verleningsbeschikking opgenomen.

 

Artikel 11. Tussentijdse rapportage

Van meerjarig verstrekte subsidies, hoger dan € 50.000,-, mag het college jaarlijks een tussentijdse verantwoording vragen. Het college moet vooraf bepalen welke eisen zij stelt  aan de tussentijdse, inhoudelijke en financiële verantwoording, bij voorkeur door gebruik van standaardformulieren. Deze mogelijkheid is opgenomen om administratieve lasten terug te dringen.

 

Artikel 12. Verplichtingen voor de ontvanger van de subsidie

Tot € 10.000,- wordt niet de standaard verantwoording afgelegd. Deze ‘meldingsplicht’ vraagt  minder tussenrapportages en de uitbetaling volgt automatisch.

 

Zijn er wijzigingen op de activiteiten waarop de subsidie is verleend? Dan is de subsidieontvanger verplicht het college direct hiervan op de hoogte te stellen. De subsidie wordt mogelijk lager of op nihil vastgesteld of er worden nadere afspraken gemaakt.  

 

Voldoet een aanvrager niet aan deze meldingsplicht dan kan de subsidieverlening (inclusief wettelijke rente) achteraf alsnog worden ingetrokken ( artikel 4:49 Awb).  

 

De verantwoordingsplicht geldt niet als subsidieontvanger een ontheffing heeft van de prestatieverplichting.

 

Artikel 13 Verantwoording subsidies algemeen

Dit artikel vermeldt dat subsidieontvangers in het algemeen een aanvraag voor definitieve vaststelling moeten indienen. Behalve als hierover in de subsidiebeschikking, subsidieverordening of Nadere regels andere voorwaarden zijn opgenomen.

 

Artikel 14. Verantwoording subsidies tot € 10.000,-

Kenmerkend voor subsidies tot € 10.000,- is dat vaak een vast bedrag (lump sum= vastgesteld bedrag) wordt verstrekt. De subsidieontvanger hoeft  geen aanvraag voor subsidievaststelling in te dienen. Behalve als deze voorwaarde in de verleningsbeschikking is opgenomen.

 

Artikel 15 Verantwoording subsidies vanaf € 10.000,- tot € 50.000,-

Eerste lid: Voor deze subsidie moet een aanvraag tot vaststelling worden ingediend.

Tweede lid: De subsidieverstrekker geeft vooraf aan (in de subsidiebeschiking) hoe verantwoording moet worden gegeven van de gesubsidieerde activiteiten en welke inkomsten en uitgaven daarmee zijn gemoeid. Dit kan door middel van bestuurs- en activiteitenverslagen, een managementverklaring, een deskundigenverklaring of andere bewijsstukken (bijvoorbeeld een publicatie) enz.

 

Bij een eerste aanvraag om vaststelling wordt naast een inhoudelijk verslag ook een overzicht van de gemaakte kosten ingediend. Als uit de eerste subsidieverantwoording blijkt dat de subsidie op de juiste manier is besteed, dan bestaat de mogelijkheid dat voor de volgende jaren alleen een verantwoording over de prestaties worden gevraagd.

 

In het derde lid staat dat het college andere stukken of bewijzen dan gebruikelijk mag opvragen voor de verantwoording.

 

Artikel 16. Verantwoording subsidies vanaf € 50.000,-

Bij subsidies van € 50.000,- of meer wordt uitgegaan van de traditionele afrekening van subsidies, namelijk op basis van gerealiseerde kosten en baten. De vaststelling van de subsidie vindt plaats op basis van uitgevoerde activiteiten en gerealiseerde kosten. Ook moet aanvrager een door de accountant gewaarmerkte verantwoording indienen. In de verleningsbeschikking wordt aangegeven welk type accountantsverklaring overlegd moet worden. Hierbij kan het raadzaak zijn voor organisaties om ook de accountant te consulteren. Gemeente en aanvrager maken afspraken over de manier van verantwoorden en de aspecten die bij de controle worden betrokken Het college is trouwens niet verplicht zo’n verantwoording op te vragen.

Steekproefsgewijs worden jaarlijks de jaarrekeningen van deze aanvragen gecontroleerd.

 

In hoofdlijnen zijn er drie soorten verklaringen namelijk:

1. controleverklaringen;

2. beoordelingsverklaringen;

3. samenstellingsverklaringen.

 

In aansluiting op de nota ‘Kaderbeheer financieel beheer rijkssubsidies’ is de manier van verantwoorden afhankelijk gemaakt van de hoogte van de subsidies. In de artikelen 14, 15 en16 is deze andere manier van verantwoorden opgenomen in de subsidieverordening.

In principe wordt de volgende lijn gehanteerd:

 

Subsidiebedrag  

Gevraagde accountantsverklaring  

< € 50.000

Geen 

€50.000 - € 200.000

Samenstellingsverklaring 

€ 200.000 - € 500.000

Beoordelingsverklaring 

> € 500.000

Controleverklaring

 

 

In de artikelen 14, 15 en 16 wordt invulling gegeven aan het uitgangspunt dat de verantwoording in verhouding moet zijn met het verleende subsidiebedrag. Het college mag daarom in voorkomende gevallen minder of andere gegevens opvragen dan gebruikelijk.

 

Artikel 17. Vaststelling subsidie

Dit artikel regelt de termijn waarbinnen het college een besluit moet nemen over de vaststelling van de subsidie.

 

Derde lid: Het college kan, naast de subsidieverordening, categorieën van subsidies of subsidieontvangers aanwijzen die geen aanvraag voor vaststelling hoeven in te dienen.

 

Artikel 18 Reservevorming

In dit artikel is een algemeen uitgangspunt over reservevorming opgenomen. In veel gevallen zijn hierover concrete afspraken met de subsidieontvangers gemaakt. Denk hierbij aan budgetafspraken in budgetcontracten.

 

Artikel 19. Hardheidsclausule

In de hardheidsclausule staat zo concreet en nauwkeurig mogelijk omschreven (dus door het benoemen van de specifieke artikelen) op welke onderdelen van de regeling deze clausule van toepassing is. Een voorziening die niet in de verordening is opgenomen, moet wel passen binnen de doelstellingen van de subsidie.

Het gebruik van de hardheidsclausule wordt individueel toegestaan. In bepaalde gevallen kan het voorkomen dat de hardheidsclausule vaker wordt toegepast. Als na grondig onderzoek blijkt dat de toepassing permanent is, wordt dit beleid in de subsidieverordening of subsidieregeling opgenomen.  

 

Artikel 20. Intrekking

Als een subsidieregeling ingetrokken wordt moet dit duidelijk worden gecommuniceerd. Ook moet helder worden aangegeven hoe deze regeling zich verhoudt tot de subsidieverordening. De ‘nadere regels’ als bedoeld in artikel 2, lid 2 van de ASV blijven van kracht.

 

Artikel 21. Overgangsbepalingen, Artikel 22 Inwerkingtreding, Artikel 23 Citeertitel

Voor de hier opgenomen overgangs- en slotbepalingen is gebruik gemaakt van de daarvoor gebruikelijke formuleringen.