Gemeenteblad van Rotterdam

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
RotterdamGemeenteblad 2016, 130376Verordeningen



Beleidsregels schulddienstverlening Rotterdam 2016

De directeur Maatschappelijke Ondersteuning in de Wijk van het cluster Maatschappelijke Ontwikkeling van de gemeente Rotterdam,

 

overwegende, dat actualisatie van de Beleidsregels Schulddienstverlening Rotterdam 2013 noodzakelijk is, onder meer gezien de wijziging van artikel 60c van de Participatiewet;

 

gelet op:

  • de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening;

  • artikel 60c van de Participatiewet;

  • hoofdstuk 4 van het beleidsplan ‘Schulddienstverlening Rotterdam 2016–2019’ met als ondertitel ‘Samen werken aan financiële Zelfredzaamheid;

  • de artikelen 1.3, tweede lid en artikel 5.1, aanhef en sub 1, onder j, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Rotterdam 2016, artikel 2, eerste van het Besluit ondermandaat, ondervolmacht en ondermachtiging van de algemeen directeur 2016 en artikel 3.1, eerste lid, van het Besluit Ondermandaat, Ondervolmacht en Ondermachtiging cluster Maatschappelijke Ontwikkeling 2016;

besluit vast te stellen:

 

Beleidsregels schulddienstverlening Rotterdam 2016

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

 

a. beleidsregels:

de Beleidsregels schulddienstverlening Rotterdam 2016;

 

b. budgetbeheer:

het – eventueel in combinatie met schuldbemiddeling – tijdelijk beheren van het inkomen van de verzoeker door het openen van een rekening waarop de inkomsten worden gestort en de uitgaven en reserveringen worden gedaan conform het overeengekomen budgetplan en plan van aanpak;

 

c. budgetplan:

een individueel op maat gemaakt financieel maandoverzicht van o.a. inkomsten, uitgaven, verplichte aflossing schuldbemiddeling en reserveringen;

 

d. college:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam;

 

e. gemeente:

de gemeente Rotterdam;

 

f. inkomen:

inkomen als genoemd in Hoofdstuk 3 van de ‘Gedragscode Schuldhulpverlening’ van de NVVK;

 

g. maximale afloscapaciteit:

de maximale afloscapaciteit als bedoeld in Hoofdstuk 3 van de Gedragscode Schuldhulpverlening van de NVVK;

 

h. schuldbemiddeling:

bemiddeling, eventueel in combinatie met budgetbeheer, tussen de schuldenaar en zijn schuldeisers om in geval van een problematische schuldsituatie te komen tot een oplossing van de totale schuldenlast;

 

i. NVVK:

Nederlandse Vereniging voor schuldhulpverlening en sociaal bankieren;

 

j. schuldbemiddeling:

de bemiddeling, eventueel in combinatie met budgetbeheer, tussen de verzoeker en zijn schuldeisers om in geval van een problematische schuldsituatie te komen tot een oplossing voor de totale schuldenlast;

 

k. inwoner:

een inwoner als bedoeld in artikel 1 van de Wgs;

 

l. schulddienstverlening:

de schuldhulpverlening als bedoeld in artikel 1 van de Wgs;

 

m. schulddienstverleningstraject:

de looptijd van de uitvoering van het aanbod schulddienstverlening;

 

n. verzoek:

verzoek om schulddienstverlening;

 

o. verzoeker:

een verzoeker als bedoeld in artikel 1 van de Wgs;

 

p. verzoekperiode:

de periode die is gelegen tussen de datum waarop een verzoeker zich met een verzoek voor de eerste maal in persoon dan wel schriftelijk tot het college wendt en de bekendmaking van de beschikking schulddienstverlening;

 

q. Wgs:

Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.

Artikel 2 Doelgroep gemeentelijke schulddienstverlening

  • 1.

    Tot de doelgroep van de gemeentelijke schulddienstverlening behoren:

    • a.

      inwoners van de gemeente van 18 jaar of ouder;

    • b.

      personen die niet zijn ingeschreven in de basisregistratie personen en voor wie het college op grond van artikel 40, eerste lid van de Participatiewet bij algemene maatregel van bestuur is aangewezen voor de verlening van bijstand.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid geldt dat zelfstandigen die als zodanig staan ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, niet vallen onder de doelgroep als bedoeld in het vorige lid.

Artikel 3 Criteria schulddienstverlening

  • 1.

    Het college verleent aan de verzoeker schulddienstverlening als het college dit noodzakelijk acht.

  • 2.

    Na het verzoek om schulddienstverlening heeft de schuldbemiddelaar een gesprek met de verzoeker waarin onder andere de financiële situatie van de verzoeker en de mogelijkheden voor een traject schulddienstverlening op maat worden besproken.

  • 3.

    Bij de afweging over de noodzakelijkheid en de inhoud van een aanbod schulddienstverlening aan een verzoeker, kan het college in ieder geval de volgende factoren betrekken:

    • a.

      de doelmatigheid van de ondersteuning met het oog op de aard, zwaarte en omvang van de schulden en de regelbaarheid van deze schulden;

    • b.

      de mate van zelfredzaamheid en de financiële vaardigheden van de verzoeker;

    • c.

      de mate van medewerking van de verzoeker;

    • d.

      de oorzaak van het ontstaan van de schuldenlast.

  • 4.

    Schulddienstverlening kan in elk geval bestaan uit een of meerdere van de volgende trajecten:

    • a.

      schuldbemiddeling;

    • b.

      budgetbeheer;

    • c.

      toeleiding naar een traject op grond van de Wet schuldsanering natuurlijke personen.

Artikel 4 Verplichtingen

  • 1.

    Om voor schulddienstverlening in aanmerking te komen verplicht de verzoeker zich om alle medewerking te verlenen die het college noodzakelijk acht gedurende de verzoekperiode en tijdens het traject van schulddienstverlening.

  • 2.

    De medewerking als bedoeld in het vorige lid kan betrekking hebben op:

    • a.

      het nakomen van gemaakte afspraken en, indien van toepassing, nadere, schriftelijk opgelegde individuele verplichtingen;

    • b.

      het tijdig verschijnen op afspraken;

    • c.

      de inspanning om het inkomen te verhogen en deze inspanning aantoonbaar te maken;

    • d.

      de inspanning om de uitgaven te verminderen en deze inspanning aantoonbaar te maken;

    • e.

      het niet aangaan van nieuwe schulden vanaf het moment dat de verzoekperiode is aangevangen;

    • f.

      het tijdig betalen van de vaste lasten;

    • g.

      het verkopen van bezittingen die niet noodzakelijk zijn en de opbrengst inzetten ten behoeve van vermindering van de schuldenlast;

    • h.

      het meewerken aan een traject schulddienstverlening in het kader van maatschappelijke ondersteuning, dienstverlening door Sociaal Raadslieden en andere instanties waarnaar is verwezen ter ondersteuning van het traject schulddienstverlening;

    • i.

      het meewerken aan het oplossen of verminderen van psychosociale of verslavingsproblematiek als dit noodzakelijk is om het traject schulddienstverlening succesvol af te kunnen ronden of om terugval met betrekking tot de genoemde problematiek te voorkomen;

    • j.

      het deelnemen aan een traject gericht op financiële zelfredzaamheid als dit noodzakelijk is om het traject schulddienstverlening succesvol af te kunnen ronden of om terugval met betrekking tot de financiële zelfredzaamheid te voorkomen;

    • k.

      de voor de schulddienstverlening van belang zijnde informatie door de gemeente te doen inwinnen bij en te verstrekken aan ketenpartners;

    • l.

      het nalaten van hetgeen de voortgang van het traject schulddienstverlening belemmert;

    • m.

      het gevraagd en ongevraagd verstrekken van juiste en volledige informatie en bewijsstukken die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor het traject schulddienstverlening;

    • n.

      het in voldoende mate bereid zijn tot het inzetten van de maximale afloscapaciteit voor de aflossing van zijn schulden;

    • o.

      het door de verzoeker tentoonspreiden van, naar algemeen aanvaarde maatschappelijke normen gemeten, correct gedrag jegens medewerkers van de gemeente of van een organisatie die tevens bij de schulddienstverlening is betrokken.

  • 3.

    Onder de informatie als bedoeld in het vorige lid, onder m, wordt in elk geval verstaan wijzigingen in gezinssamenstelling, burgerlijke staat of woonsituatie en wijzigingen in inkomsten, uitgaven, bezittingen en schulden.

Artikel 5 Afwijzing en beëindiging schulddienstverlening en hersteltermijn

  • 1.

    Als de verzoeker niet of in onvoldoende mate de op hem van toepassing zijnde verplichtingen uit artikel 4 nakomt, kan het college een verzoek afwijzen of de schulddienstverlening beëindigen.

  • 2.

    Voordat het college de schulddienstverlening afwijst of beëindigt, wordt de verzoeker een redelijke termijn geboden om alsnog de gevraagde medewerking te verlenen als bedoeld in artikel 4.

Artikel 6 Overige afwijzings- en beëindigingsgronden

Het college kan tevens een verzoek afwijzen of de schulddienstverlening beëindigen indien:

  • a.

    het traject van schulddienstverlening succesvol is afgerond;

  • b.

    de verzoeker niet of niet langer tot de doelgroep behoort;

  • c.

    de verzoeker in staat is om zijn schulden zelf of via zijn sociale netwerk te regelen;

  • d.

    de geboden ondersteuning, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, niet of niet langer doelmatig is;

  • e.

    de inkomens-, woon- of leefsituatie van de verzoeker dermate onzeker is, dat schulddienstverlening niet of nog niet mogelijk is;

  • f.

    de verzoeker naar een andere gemeente verhuist, tenzij er sprake is van een lopende schuldbemiddeling;

  • g.

    de verzoeker hier zelf om vraagt;

  • h.

    het traject van schulddienstverlening geen kans van slagen heeft door gebrek aan medewerking van één of meerdere schuldeisers;

  • i.

    een verklaring als bedoeld in artikel 285, eerste lid, onderdeel f, van de Faillissementswet is afgegeven;

  • j.

    de schuldregeling niet is geslaagd en de verzoeker geen gebruik wenst te maken van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen als bedoeld in Titel III van de Faillissementswet;

  • k.

    de verzoeker is overleden.

Artikel 7 Uitsluiting

  • 1.

    Als de schulddienstverlening wordt afgewezen of beëindigd met toepassing van artikel 5, kan de verzoeker gedurende een periode worden uitgesloten van schulddienstverlening.

  • 2.

    De periode, als bedoeld in het vorige lid bedraagt:

    • a.

      6 maanden bij herhaaldelijke schending van artikel 4, tweede lid, onder a, b, c, d, g, h, i, j, k, l en n;

    • b.

      1 jaar bij herhaaldelijke schending van de informatieplicht als genoemd in artikel 4, tweede lid, onder m;

    • c.

      3 jaar bij herhaaldelijke schending van de verplichting als genoemd in artikel 4, tweede lid, onder f;

    • d.

      3 jaar bij schending van de verplichting als genoemd in artikel 4, tweede lid, onder e;

    • e.

      3 jaar bij schending van artikel 4, tweede lid, onder o.

  • 3.

    Na afronding van een succesvol traject van schulddienstverlening of een traject in het kader van de Faillissementswet, wordt gedurende een periode van vijf jaar geen schuldbemiddeling aangeboden aan de verzoeker wanneer hij binnen vijf jaar na afronding van een succesvol traject, opnieuw in een problematische schuldsituatie terecht is gekomen, tenzij de nieuw ontstane problematische schuldsituatie naar het oordeel van het college redelijkerwijs niet verwijtbaar is aan verzoeker.

  • 4.

    In geval van fraude als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Wgs, waarbij sprake is geweest van opzet als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, onder a of van grove schuld als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, onder b, als genoemd in de ‘Beleidsregels bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW en IOAZ Rotterdam 2016’ en eventuele opvolgende regelingen, wordt gedurende vijf jaar geen schulddienstverlening aan verzoekers aangeboden, behoudens de eventuele verstrekking van informatie en advies.

  • 5.

    De periode van vijf jaar als genoemd in het vorige lid wordt berekend vanaf de datum van aanvang van de strafrechtelijke veroordeling of de datum van bekendmaking van de bestuurlijke sanctie als bedoeld in artikel 3, derde lid van de Wgs.

  • 6.

    In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, onder c, d en e, en het derde en vierde lid van dit artikel, kan het college op grond van specifieke omstandigheden van de verzoeker, deze verzoeker uitsluiten van schulddienstverlening voor een kortere periode dan is aangegeven in de laatstgenoemde artikelleden.

Artikel 8 Intrekken oude beleidsregels

De Beleidsregels schulddienstverlening Rotterdam 2013 worden ingetrokken.

Artikel 9 Inwerkingtreding

De beleidsregels treden in werking op de dag na publicatie in het Gemeenteblad.

Artikel 10 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Beleidsregels schulddienstverlening Rotterdam 2016.

 

Aldus vastgesteld op 8 september 2016.

Namens het college van burgemeester en wethouders,

A.G. Coenen

Directeur Maatschappelijke Ondersteuning in de Wijk

Toelichting

Algemeen

Schulddienstverlening is een wettelijke taak van de gemeente op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs). In artikel 2 van deze wet is aangegeven dat de raad een plan dient vast te stellen dat richting geeft aan de integrale schuldhulpverlening aan inwoners van zijn gemeente. Daarnaast geeft artikel 3 van de Wgs door middel van ‘kan-bepalingen’ aan dat het college nadere invulling kan geven aan de uitvoering van de gemeentelijke schulddienstverlening. Deze beleidsregels bevatten de uitwerking van deze beleidsruimte.

Plan ‘Schulddienstverlening Rotterdam 2016–2019’

Ter uitvoering van deze wettelijke verplichting heeft de raad het plan ‘Schulddienstverlening Rotterdam 2016–2019’ vastgesteld, met als ondertitel ‘Samen werken aan financiële zelfredzaamheid’ (‘schulddienstverlening’ heeft in dit kader dezelfde betekenis als de aanduiding ‘schuldhulpverlening’ die in de Wgs wordt gebruikt). In dit plan is in hoofdstuk 4 de visie van de raad neergelegd op het terrein van gemeentelijke schuldhulpverlening. Daar waar burgers hun schulden zelf of samen met hun omgeving niet kunnen oplossen heeft de gemeente samen met haar ketenpartners een verantwoordelijkheid. Met een effectieve inzet van schulddienstverlening wil de gemeente bijdragen aan de zelfredzaamheid van de betreffende burgers en hun deelname aan de samenleving.

Verantwoordelijkheden college

In artikel 3 van de Wgs is vervolgens vermeld dat het college verantwoordelijk is voor de schuldhulpverlening aan de inwoners van zijn gemeente en dat hierbij uitvoering moet worden gegeven aan het plan. In de Memorie van Toelichting op de Wgs is aangegeven om welke verantwoordelijkheden van de gemeenten het naar het oordeel van de regering het gaat:

  • het aanbieden van schuldhulpverlening die breed toegankelijk is;

  • het aanbieden van integrale schuldhulpverlening;

  • het vervullen van een regierol;

  • het aanbieden van schuldhulpverlening die uitgaat van gestandaardiseerd maatwerk;

  • het aanbieden van schuldhulpverlening die van hoge kwaliteit is en waarbij op evenwichtige wijze rekening wordt gehouden met de belangen van de schuldeisers;

  • het zo mogelijk opleggen van sancties indien de cliënt niet of onvoldoende meewerkt aan een schuldhulpverleningstraject;

  • het bieden van nazorg na afloop van de schuldhulpverlening.

Beleidsregels schulddienstverlening Rotterdam 2016

In deze beleidsregels worden deze taken en verantwoordelijkheden van het college op grond van de Wgs en Hoofdstuk 4 van het plan ‘Schulddienstverlening Rotterdam 2016–2019’ nader uitgewerkt.

Intrekking Beleidsregels schulddienstverlening 2013

Deze Beleidsregels schulddienstverlening Rotterdam 2016 komen in de plaats van de Beleidsregels schulddienstverlening 2013. Een van de redenen is dat wetgeving is gewijzigd op een aantal punten. Voorts is als gevolg van voortschrijdend inzicht en evaluatie van de oude regeling, actualisatie van de beleidsregels uit 2013 noodzakelijk.

Inherente afwijkingsbevoegdheid college

Het college heeft op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de mogelijkheid om af te wijken van het bepaalde in deze beleidsregels, de zogenaamde ‘inherente afwijkingsbevoegdheid’.

Afwijken mag volgens dit artikel als het uitvoeren van de beleidsregels onevenredige nadelige (of voordelige) gevolgen zou hebben voor de aanvrager (of andere belanghebbenden). Het gaat om onevenredige gevolgen in verhouding tot het doel van de beleidsregels. Deze bevoegdheid om af te wijken van beleidsregels is niet opgenomen in deze beleidsregels. Dit is niet nodig omdat deze bevoegdheid expliciet uit de wet volgt (artikel 4:84 Awb).

Artikelsgewijs

Artikel 1 Begripsbepalingen

In artikel 1 worden enkele begrippen gedefinieerd die worden gebruikt in de beleidsregels. Het gaat in enkele gevallen om begrippen die op dezelfde wijze zijn gedefinieerd als in de Wgs. Voor de duidelijkheid is er voor gekozen om een aantal van deze begrippen ook in de begripsbepalingen van de beleidsregels op te nemen. Voor een paar definities wordt verwezen naar het betreffende begrip uit de Gedragscode Schuldhulpverlening van de Nederlandse vereniging voor schuldhulpverlening en sociaal bankeren (NVVK). Enkele begrippen uit de Wgs worden hieronder toegelicht.

 

In de Wgs is de volgende definitie van schuldhulpverlening opgenomen (in de beleidsregels wordt ‘schulddienstverlening’ gebruikt):

 

‘Het ondersteunen bij het vinden van een adequate oplossing gericht op de aflossing van schulden indien redelijkerwijs is te voorzien dat een natuurlijke persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, alsmede de nazorg.’

 

Schulddienstverlening omvat zowel het voorkomen van problematische schulden (preventie) als het helpen van de schuldenaar (verzoeker) bij het vinden van een oplossing voor zijn problematische schulden, als het voorkomen van terugval in de oude situatie. Schuldhulpverlening heeft een integraal karakter. Zowel materiële aspecten als immateriële aspecten kunnen onderdeel uitmaken van de schuldhulpverlening.

 

Het begrip ‘verzoeker’ is als volgt omschreven in de Wgs:

 

‘persoon die zich tot het college heeft gewend voor schuldhulpverlening’.

In de beleidsregels wordt de aanduiding ‘verzoeker’ gebruikt tijdens het gehele traject van schulddienstverlening. Dus vanaf het moment dat een persoon zich in persoon of schriftelijk meldt bij de gemeente, tot de beëindiging van het schulddienstverleningstraject.’

Artikel 2 Doelgroep gemeentelijke schulddienstverlening

In het eerste lid, onder a, is aangegeven dat de mogelijkheid van schulddienstverlening open staat voor alle inwoners van Rotterdam van 18 jaar of ouder, die een beroep op doen op schulddienstverlening. Onder inwoners wordt, zoals bepaald in de Wgs, verstaan degene die als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven.

 

Sub b heeft betrekking op de schulddienstverlening aan personen zonder adres. Hierbij wordt aangesloten bij artikel 40, eerste lid, van de Participatiewet, op grond waarvan de gemeente Rotterdam (als centrumgemeente) aangewezen is om de bijstandsverlening aan een aantal daklozen zonder adres te verzorgen. Voor deze groep is het college dus ook verantwoordelijk voor het verlenen van schulddienstverlening. Uitgesloten van schulddienstverlening in de zin van deze beleidsregels zijn zelfstandig ondernemers die staan ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Deze zelfstandigen kunnen zich voor ondersteuning met betrekking tot het oplossen of verminderen van hun problematische schulden wenden tot het Regionaal Bureau Zelfstandigen voor onder meer een onderzoek naar de levensvatbaarheid van hun onderneming.

Artikel 3 Criteria schulddienstverlening

Nadat een verzoek om schulddienstverlening is ingediend, vindt een gesprek plaats tussen de schuldbemiddelaar van de gemeente en de verzoeker. Hierbij wordt de schuldenproblematiek van de verzoeker in kaart gebracht.

 

In het derde lid worden enkele factoren opgesomd (niet limitatief) die kunnen worden gebruikt bij het bepalen van de noodzakelijkheid en de aard van het eventuele aanbod. Leidend daarbij zijn de zelfredzaamheid en de medewerking van de schuldenaar en de aard, zwaarte, omvang van de schulden en de oorzaak van het ontstaan van de schuldenlast. Verwezen kan worden naar andere vormen van hulpverlening als het college daartoe voldoende aanleiding ziet. Vormen van schulddienstverlening kunnen ook worden gecombineerd. Op grond de genoemde factoren kan ook het oordeel zijn dat geen schulddienstverlening wordt aangeboden.

Artikel 4 Verplichtingen

In het eerste lid van dit artikel is aangegeven dat, om voor schulddienstverlening in aanmerking te kunnen komen, de verzoeker tijdens verzoekperiode en tijdens het traject van schulddienstverlening, alle medewerking dient te verlenen. Dit artikel stelt hierbij de eigen verantwoordelijkheid van de schuldenaar voorop. In het tweede lid is vermeld om welke medewerking het gaat.

 

De in het artikel vermelde vormen van medewerking (geen limitatieve opsomming) hebben tot doel de kans op succes van de schulddienstverlening zo groot mogelijk te maken. Zo wordt bijvoorbeeld van de verzoeker gevraagd om toestemming te verlenen voor het inwinnen bij en verstrekken van informatie aan ketenpartners en voor het gevraagd en ongevraagd de informatie te verstrekken die van belang is voor het schulddienstverleningstraject. Ketenpartners zijn de personen of instanties die een belangrijke rol spelen in het traject van de schulddienstverlening. Te denken valt hierbij aan sociale raadslieden, maatschappelijk werkers en schuldeisers.

 

In het tweede lid, onder o, is de verplichting opgenomen dat een verzoeker zich, naar algemeen aanvaarde maatschappelijke normen gemeten, correct dient te gedragen ten opzichte van medewerkers van de gemeente of van een andere organisatie die tevens is betrokken bij de schulddienst-verlening. In het kader van deze beleidsregels wordt ervan uitgegaan dat correct gedrag in elk geval niet aan de orde is als sprake is van zeer ernstige misdragingen. In het geval van een zeer ernstige misdraging kan het college een verzoek om de schulddienstverlening afwijzen of beëindigen op grond van artikel 5, eerste lid. Op grond van artikel 7, tweede lid, onder e, kan het college in zo’n geval (afwijzing of beëindiging) een verzoeker uitsluiten van schulddienstverlening voor een periode van 3 jaar.

Artikel 5 Afwijzing en beëindiging schulddienstverlening en hersteltermijn

In dit artikel is aangegeven dat het college kan besluiten om een verzoek om schulddienstverlening af te wijzen of een traject te beëindigen als niet of niet in voldoende mate aan verplichtingen uit artikel 4 wordt voldaan. Het artikel is geformuleerd als een zogenaamde ‘kan-bepaling’: het college heeft de bevoegdheid tot afwijzing of beëindiging, maar niet de verplichting. Zo kan het college bijvoorbeeld besluiten om niet te beëindigen of niet af te wijzen, als het niet nakomen van de verplichtingen de verzoeker redelijkerwijs niet verweten kan worden.

 

Voordat een verzoek om schulddienstverlening wordt afgewezen of beëindigd, wordt de verzoeker, conform het tweede lid, eenmaal een termijn geboden om alsnog de gevraagde medewerking te verlenen. De termijn die geboden wordt moet redelijk zijn. Wat hierbij redelijk is, hangt af van het type verplichting. Wanneer de verzoeker ook gedurende deze herstelperiode zijn verplichting(en) niet nakomt, kan het college besluiten tot afwijzing of beëindiging.

Artikel 6 Overige afwijzings- en beëindigingsgronden

In artikel 6 staan de overige gronden waarop het college kan besluiten om een verzoek om schulddienstverlening af te wijzen of een traject te beëindigen. Het verschil met artikel 4 is, dat in artikel 6 alleen gronden worden genoemd die in beginsel niet binnen de invloedsfeer van de verzoeker liggen. Bij de verplichtingen uit artikel 4 gaat het echter om de medewerking van de verzoeker. Dus hier heeft hij redelijkerwijs wel invloed op.

 

Zo kan de schulddienstverlening op grond van artikel 6 beëindigd worden of kan een verzoek worden afgewezen als de schulddienstverlening niet langer aansluit bij de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker. Het kan bijvoorbeeld aan de orde zijn dat een verzoeker niet langer tot de doelgroep behoort of zelf in staat is om schulden te regelen. In dergelijke gevallen is er geen reden om schulddienstverlening aan te gaan of voort te zetten.

Artikel 7 Uitsluiting

Dit artikel geeft het college de mogelijkheid om verzoekers gedurende een bepaalde periode uit te sluiten van schulddienstverlening, na een beëindiging of afwijzing. Dit kan bijvoorbeeld in het geval dat de verzoeker herhaaldelijk afspraken of verplichtingen niet nakomt of nieuwe schulden is aangegaan. De invulling van het begrip ‘herhaaldelijk’ wordt bepaald aan de hand van de aard van de schending en aan de hand van de concrete omstandigheden.

 

In het tweede lid is aangegeven hoe lang kan worden uitgesloten en ten aanzien van welke verplichtingen. Onder e is aangegeven dat een verzoeker drie jaar kan worden uitgesloten in het geval hij zich zeer ernstig misdraagt ten opzichte van medewerkers van de gemeente of andere betrokkenen bij het schulddienstverleningstraject (zie laatste alinea van de toelichting op artikel 4).

 

In het derde lid is geregeld dat geen schuldbemiddeling wordt aangeboden gedurende vijf jaar als een verzoeker in de vijf jaar nadat het een WSNP- of schulddienstverleningstraject is afgerond met succes, de verzoeker opnieuw in een problematische schuldsituatie belandt. Alleen als die situatie de verzoeker redelijkerwijs niet verweten kan worden, kan hij wel opnieuw in aanmerking komen voor schulddienstverlening binnen die vijf jaar.

 

In het vierde lid wordt uitwerking gegeven aan de mogelijkheid die artikel 3, derde lid, van de Wgs het college geeft om in geval van ‘fraude’, schulddienstverlening te weigeren.

Uitsluiting van schuldhulpverleningin brede zin kan aan de orde zijn als het college de toegang tot schuldhulpverlening weigert op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, omdat iemand fraude heeft gepleegd en een bestuurlijke boete heeft gehad. Dit is een bevoegdheid en geen verplichting, waarbij het college bovendien altijd een individuele afweging dient te maken. In haar ‘Verzamelbrief 2015-1’ aan de colleges schrijft de staatssecretaris hierover het volgende.

 

‘Bij uitsluiting van een schuldregeling speelt het volgende. Gemeenten (als schuldeiser) mogen als gevolg van de Fraudewet geen medewerking verlenen aan een schuldregeling als sprake is van boetes of vorderingen als gevolg van het overtreden van de inlichtingenplicht. Dit vloeit voort uit artikel 60c van de Participatiewet. Het gaat hierbij om een schuldregeling met als resultaat finalekwijting van het openstaande bedrag. Het college is immers verplicht om deze kosten terug te vorderen. Gemeenten hebben wel de mogelijkheid om de vordering tijdens de schuldregeling op te schorten of mee te laten lopen, waarbij het resterende bedrag na afloop van de schuldregeling alsnog wordt betaald.

Om hierover geen misverstanden te laten bestaan zal artikel 60c van de Participatiewet op dit onderdeel verduidelijkt worden.

In beide situaties gaat het niet om een wettelijke verplichting en hoeft uitsluiting niet nodig te zijn. Gemeenten hebben ruimte om mensen ook in geval van fraude schuldhulpverlening te bieden.’

 

De reikwijdte van het begrip ‘fraude’ is in deze beleidsregel gekoppeld aan het begrip ‘opzet’ en ‘grove schuld, zoals bedoeld in artikel 2, vijfde lid onder a, respectievelijk b van de ‘Beleidsregels bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW en IOAZ Rotterdam 2016’ en eventuele opvolgende regelingen.

Van opzet is volgens de ‘Beleidsregels bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW en IOAZ Rotterdam 2016’ sprake indien:

 

‘de belanghebbende de inlichtingenplicht willens en wetens heeft geschonden met de bedoeling een hogere uitkering te verkrijgen of te behouden dan waar recht op bestaat. Dat willens en wetens gehandeld is, is bijvoorbeeld aan de orde indien de belanghebbende de feiten en omstandigheden anders heeft voorgesteld dan ze in werkelijkheid zijn.

Van grove schuld is sprake als de belanghebbende bepaalde feiten en omstandigheden heeft nagelaten tijdig, juist en op de voorgeschreven wijze te melden. Tevens staat vast dat de belanghebbende:

  • i.

    redelijkerwijs had moeten weten dat van een nalatigheid sprake was en dat deze nalatigheid zou leiden of heeft geleid tot het behouden of verkrijgen van een hogere uitkering dan waar recht op bestaat, en

  • ii.

    in staat geweest is deze nalatigheid te voorkomen of te herstellen en heeft verzuimd dit uit zichzelf te doen.’

Voor het woord ‘belanghebbende’ in de bovenstaande schuingedrukte tekst dient in het kader van deze beleidsregel schulddienstverlening ‘verzoeker’ gelezen te worden.

Dit gemeenteblad 2016, nummer 146, is uitgegeven op 12 september 2016 en ligt op werkdagen van 8.30 tot 16.00 uur ter inzage bij het Bestuurlijk Informatiecentrum Rotterdam (BIR), locatie Stadswinkel Centrum, Coolsingel 40 (zijde Doelwater, tegenover hoofdbureau politie)

(Zie ook: www.bis.rotterdam.nl – Regelgeving of Gemeentebladen chronologisch)