Beleidsregel 40 Algemene voorziening in het kader van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO)

 

 

Beleidsregel 40 Algemene voorziening in het kader van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO)

Deze beleidsregel gaat over burgerparticipatie en over vernieuwende algemene voorzieningen in het kader van de WMO 2015.

1. Doelstelling activiteiten

a. Meer participatie, minder specialistische voorzieningen

De gemeente streeft naar vermindering van het gebruik van specialistische voorzieningen waar burgers toegang toe krijgen op basis van een gemeentelijke beschikking

b. Sterk netwerk rondom burgers

De gemeente vindt het belangrijk dat burgers zelfredzaam zijn en gebruik kunnen maken van een sterk netwerk. De basis van de te starten vernieuwende algemene voorziening wordt gevormd door een uitgevoerd onderzoek naar het knelpunt in de zelfredzaamheid van de doelgroep, dat men wil verminderen of oplossen.

c. Haal de voorziening uit de “zorgsfeer”

De gemeente vindt het belangrijk dat organisaties niet alleen binnen hun eigen organisatiegrenzen bezig zijn met vernieuwing en verbetering, maar dat zij elkaar opzoeken en gebruiken. Bij ieder initiatief moeten daarom minstens 2 partijen met elkaar samenwerken.

d. Burger staat centraal

De gemeente vindt het belangrijk dat bij innovatie de burger centraal wordt gesteld. Daarom stimuleert de gemeente initiatieven van burgers zelf, initiatieven waarbij vanuit het perspectief van de burger als cliënt wordt nagedacht (vraaggericht) en initiatieven waarbij burgers betrokken zijn.

e. Preventie

De gemeente vindt het belangrijk, dat preventie een doel is van de innovatie. Door het initiatief wordt zoveel mogelijk voorkomen, dat mensen een beroep moeten gaan doen op dure hulpverlening.

f. Informele inzet

De gemeente vindt het belangrijk dat de informele inzet van mensen deel uitmaakt van de innovatie. De gemeente stimuleert daarom initiatieven waarbij vrijwilligers, mantelzorgers, verenigingen etc. betrokken zijn.

g. Betaalbaarheid

Het WMO budget daalt de komende jaren met ongeveer 25%. Ingediende initiatieven moeten bijdragen aan het “anders” organiseren van maatschappelijke ondersteuning met als doel borging van kwaliteit tegen lagere kosten.

h. Deelname aan het maatschappelijk verkeer

De gemeente vindt het belangrijk dat haar inwoners zoveel mogelijk deelnemen aan het maatschappelijk en sociale verkeer binnen buurt, wijk of kern. De gemeente ondersteunt daarom initiatieven die burgers bij elkaar brengen door middel van bewonersparticipatie.

Er moet onderzoek gedaan zijn naar de in de wijk aanwezige relevante stakeholders en netwerkpartners. Het probleem en het voorgestelde plan moet herkend worden door een representatief deel van de in de wijk aanwezige netwerkpartners en (vertegenwoordigers van) bewoners.

i. Nabijheid

De algemene voorziening is bedoeld voor iedereen en moet daarom toegankelijk zijn voor iedereen in de wijk. De voorziening moet daarom bij voorkeur in de wijken, dichtbij de bewoners worden uitgevoerd.

j. Succesvolle projecten

De gemeente is voornemens succesvolle projecten, die een bewezen positief effect hebben op de zelfredzaamheid en betaalbaarheid van de maatschappelijke ondersteuning voor meerder jaren te contracteren of te subsidiëren

2. Diensten / Activiteiten / Producten:

Algemene voorziening van vernieuwende activiteiten in de buurt of wijk, georganiseerd door

2 of meer samenwerkende organisaties, waardoor netwerken worden gevormd van burgers,

die elkaar ondersteunen. Hierdoor wordt voorkomen dat mensen een beroep moeten doen

op dure specialistische zorg.

3. Subsidiesoorten

Incidentele subsidie, waarderingssubsidie, structurele activiteitensubsidie en budgetsubsidie

4. Subsidiegrondslagen

a. Activiteitenplan met begroting.

b. Het jaarlijks door het college vastgestelde subsidieplafond

c. Het in het subsidieprogramma voor deze activiteit opgenomen maximale subsidiebedrag

d. Verdeelsleutel: Naar rato

5. Nadere subsidievoorwaarden

a. Bij iedere aanvraag wordt een afweging gemaakt tussen de investeringen en resultaten; de in te zetten middelen moeten in verhouding staan tot het beoogde resultaat. Het gesprek met de aanvrager gaat in ieder geval over:

- Resultaten lopend jaar

- Investeringen 1ste jaar

- Doorkijk van resultaten en investeringen op lange termijn (> 5 jaar)

b. In het activiteitenplan wordt in ieder geval beschreven:

- hoe de algemene voorziening de zelfredzaamheid van cliënten bevordert;

- welke partijen (organisaties, instellingen, stichtingen, vrijwilligers etc.) met elkaar

  samenwerken. Er moet sprake zijn van minimaal 2 organisaties of een organisatie met

  verbinding tot vrijwillige inzet;

- hoe de algemene voorziening bijdraagt aan een afname van specialistische begeleiding, bij

voorkeur met een financiële doorrekening;

- hoe de algemene voorziening invulling geeft aan activiteiten in de wijk en wat het draagvlak

is binnen die wijk;

- hoe specialistische en informele inzet georganiseerd wordt

- welke ondersteuning er geboden wordt;

- hoe de algemene voorziening gebruik maakt van de reeds bestaande infrastructuur binnen

zorg en welzijn;

- welke resultaten en investeringen worden verwacht in termen van geld en maatschappelijke

effecten.

c. In de financiële paragraaf van de subsidieaanvraag wordt in ieder geval de volgende informatie opgenomen:

- kosten en baten overzicht

- welke financieringsbronnen er naast het vernieuwingsbudget ingezet worden;

- welke investeringen er worden gedaan door de bij de aanvraag betrokken organisaties;

- hoe de eigen bijdragen van de deelnemers worden ingevuld

- welke ondersteuningsbijdrage er van de gemeente wordt gevraagd. Dit kan ook anders dan

financieel zijn.

6. Nadere vereisten bij de aanvraag

Er moet gebruik worden gemaakt van de door het college vastgestelde subsidieaanvraagformulieren

 

Naar boven