Burgemeester en wethouders maken bekend dat zij op 23 augustus 2016 de ‘Beleidsregels kruimelafwijking’ hebben vastgesteld. De beleidsregels hebben betrekking op de toepassing van artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht en geven kaders aan waarbinnen medewerking wordt verleend aan de afwijking van een bestemmingsplan. Hierdoor kan een snellere besluitvorming plaatsvinden en kan op efficiënte wijze een inhoudelijke afweging over ruimtelijke initiatieven kan worden gemaakt.
Aanleiding
Aan een omgevingsvergunning die wordt aangevraagd voor de activiteit strijdig gebruik of van rechtswege als zodanig moet worden aangemerkt, kan in voorkomende gevallen medewerking worden verleend door toepassing van de zogenaamde ‘kruimellijst’. Met de ‘kruimellijst’ wordt artikel 4 bedoeld van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het artikel bestaat uit 11 leden (categorieën) die ieder voor zich een grondslag bevatten voor een afwijking van het bestemmingsplan. Een omgevingsvergunning kan dus worden verleend onder verwijzing naar artikel 4 van bijlage II Bor indien de aanvraag onder één of meer van die categorieën te scharen valt. Echter, het is vanuit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur ook nodig om het besluit om af te wijken van het bestemmingsplan te motiveren. Een enkele verwijzing naar artikel 4 van bijlage II Bor is niet voldoende.
Om de aanvragen om omgevingsvergunning zo vlot mogelijk en zo consequent mogelijk te beoordelen en af te handelen, is het wenselijk om beleidsregels op te stellen. Dit maakt voor een ieder inzichtelijk wat men kan verwachten over de toepassing van artikel 4 van bijlage II Bor en vergemakkelijkt ook de motivering van een besluit op een aanvraag om omgevingsvergunning. Dit geldt zowel voor de klant (de aanvrager) als de behandelend ambtenaar.
Ter motivering van een besluit kan slechts worden volstaan met een verwijzing naar een vaste gedragslijn voor zover deze is neergelegd in een beleidsregel (artikel 4:82 Algemene wet bestuursrecht). Indien er geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die afwijking van de beleidsregel rechtvaardigen, kan de motivering van het besluit de toets der kritiek doorstaan.
De toepassing van een eenduidige beleidsregel komt de ruimtelijke kwaliteit ten goede omdat ad hoc beslissingen worden hiermee zoveel mogelijk voorkomen. De besluitvorming wordt daarmee dus consequenter.
Het is gebleken dat niet voor alle categorieën van artikel 4 uit bijlage II Bor een beleidsregel op te stellen is. Dit heeft te maken met het feit dat de aanvragen binnen dezelfde categorie erg uiteen kunnen lopen waardoor het lastig is om op voorhand beleidsregels te formuleren. In die gevallen is een motivering en beoordeling nodig naar de specifieke omstandigheden van het geval. Dit gebeurt aan de hand van minimale beoordelingscriteria die in acht moeten worden genomen. In deze beleidsregel wordt aangegeven welke omstandigheden in ieder geval worden beoordeeld bij de aanvraag.
Juridisch kader
In artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is bepaald dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. De aanvraag om omgevingsvergunning kan dan met artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° Wabo juncto artikel 4 van bijlage II Bor worden verleend.
Het opstellen van beleidsregels is geregeld in artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht. Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende bevoegdheid. Op grond van artikel 3.1 van de Wabo is het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag om een besluit te nemen op een aanvraag om omgevingsvergunning. Dit betekent dat het college over de toepassing van de ‘kruimellijst’ beleidsregels mag opstellen.