Gemeenteblad van Rotterdam

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
RotterdamGemeenteblad 2016, 111362Verordeningen



Beleidsregels individuele inkomenstoeslag Participatiewet Rotterdam 2016

De directeur Maatschappelijke Ondersteuning in de Wijk van het cluster Maatschappelijke Ontwikkeling,

 

gelet op:

  • artikel 36 van de Participatiewet;

  • de Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet Rotterdam 2016;

  • de artikelen 1.3, tweede lid, en 5.2, zesde lid, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Rotterdam 2016, artikel 2, eerste en derde lid van het Besluit ondermandaat, ondervolmacht en ondermachtiging van de algemeen directeur 2016 en artikel 3.1, eerste lid, van het Besluit Ondermandaat, Ondervolmacht en Ondermachtiging cluster Maatschappelijke Ontwikkeling 2016;

overwegende:

dat het noodzakelijk is beleidsregels vast te stellen voor de uitvoering van artikel 36 van de Participatiewet en de Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet Rotterdam 2016;

besluit vast te stellen:

 

Beleidsregels individuele inkomenstoeslag Participatiewet Rotterdam 2016

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

 

a. aanvraagdatum:

datum van ontvangst van het verzoek door het college;

 

b. beleidskader:

Beleidskader Werk en Inkomen 2015–2018;

 

c. bijstand:

algemene bijstand op grond van de Participatiewet of WWB;

 

d. IOAW:

Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

 

e. IOAZ:

Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

 

f. maatregel:

verlaging van de bijstand of uitkering op grond van de IOAW of IOAZ in verband met het niet nakomen van verplichtingen met betrekking tot arbeidsinschakeling;

 

g. verordening:

Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet Rotterdam 2016;

 

h. verzoeker:

persoon die een aanvraag indient als bedoeld in artikel 36, eerste lid van de wet.

Artikel 2 Verzoek en besluitvorming

  • 1.

    Een verzoek voor een toeslag wordt schriftelijk ingediend door middel van een daarvoor ter beschikking gesteld aanvraagformulier.

  • 2.

    Als bijlagen bij het aanvraagformulier worden gevoegd:

    • a.

      een afschrift van alle, op de referteperiode betrekking hebbende jaaropgaven van de alleenstaande of de gehuwde; en

    • b.

      een kopie van alle bankafschriften waarop een saldo per 31 december, direct voorafgaand aan de peildatum, is vermeld.

  • 3.

    In afwijking van het vorige lid behoeven:

    • a.

      geen bijlagen bij het verzoek gevoegd te worden wanneer de verzoeker en zijn eventuele echtgenoot ononderbroken over de referteperiode een bijstandsuitkering heeft of hebben ontvangen;

    • b.

      alleen de bijlagen, bedoeld in het vorige lid, onder b, gevoegd te worden wanneer de verzoeker en zijn echtgenoot een uitkering op grond van de IOAW of IOAZ heeft of hebben ontvangen.

  • 4.

    Het college kan aanvullende informatie van de verzoeker verlangen.

  • 5.

    De beschikking wordt gegeven binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag.

Artikel 3 Uitwerking inkomensnormen

Als sociaal wettelijk minimum, bedoeld in artikel 4, van de verordening, geldt het belastbaar inkomen zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze beleidsregels.

Artikel 4 Wijziging situatie gedurende referteperiode

Als gedurende de referteperiode de situatie van de persoon wijzigt, waardoor op grond van artikel 4 van de verordening een ander sociaal wettelijk minimum van toepassing is, wordt het sociaal wettelijk minimum naar rato vastgesteld.

Artikel 5 Geen uitzicht op inkomensverbetering

  • 1.

    Uitzicht op inkomensverbetering wordt in elk geval verondersteld niet aanwezig te zijn in de situatie dat verzoeker:

    • a.

      op de aanvraagdatum volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;

    • b.

      op de aanvraagdatum jonggehandicapte is als bedoeld in de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;

    • c.

      op de aanvraagdatum werkzaamheden verricht in een garantiebaan; als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder h, van de Participatieverordening Rotterdam 2015;

    • d.

      op de aanvraagdatum voor nog minimaal zes maanden een ontheffing heeft van de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van de Participatiewet;

    • e.

      tot de doelgroep activering, als bedoeld in hoofdstuk 5 van het beleidskader, behoort; of

    • f.

      op de aanvraagdatum nog ten minste twee jaar aanspraak kan maken op een ontheffing van de arbeidsverplichtingen als alleenstaande ouder.

  • 2.

    Indien een situatie als bedoeld in artikel 6 van toepassing is op een verzoeker als bedoeld in het eerste lid, wordt verzoeker in afwijking van het eerste lid, geacht wel uitzicht te hebben op inkomensverbetering, tenzij het college van oordeel is dat er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die in de weg staan aan inkomensverbetering.

  • 3.

    Indien verzoeker gehuwd is, wordt uitzicht op inkomensverbetering verondersteld niet aanwezig te zijn in de situatie dat op beide echtgenoten:

    • a.

      één of meerdere van de in het eerste lid genoemde situaties van toepassing is;

    • b.

      het tweede lid niet van toepassing is.

Artikel 6 Uitzicht op inkomensverbetering

  • 1.

    Uitzicht op inkomensverbetering wordt in elk geval verondersteld aanwezig te zijn in de situatie dat verzoeker of zijn echtgenoot op de aanvraagdatum:

    • a.

      tot de doelgroep matching, als bedoeld in paragraaf 4.2.1 van het beleidskader, behoort;

    • b.

      tot de doelgroep prematching, als bedoeld in paragraaf 4.2.4 van het beleidskader, behoort;

    • c.

      een opleiding volgt als bedoeld in de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;

    • d.

      een studie volgt als bedoeld in de Wet studiefinanciering 2000;

    • e.

      een andere studie of opleiding volgt waarop de Wet educatie en beroepsonderwijs of de Wet op het hoger en wetenschappelijk onderwijs van toepassing is; of

    • f.

      inkomsten uit arbeid ontvangt;

  • 2.

    Uitzicht op inkomensverbetering wordt in elk geval verondersteld aanwezig te zijn als verzoeker of zijn echtgenoot in de twaalf maanden voorafgaand aan de aanvraagdatum:

    • a.

      een maatregel van 100% opgelegd heeft gekregen;

    • b.

      een opleiding of studie als bedoeld in het eerste lid, onder b, c of d, heeft afgerond; of

    • c.

      inkomsten uit arbeid heeft ontvangen.

  • 3.

    Het college kan afwijken van de voorgaande leden, indien het college van oordeel is dat er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die in de weg staan aan inkomensverbetering.

Artikel 7 Hardheidclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van verzoeker afwijken van de bepalingen van deze beleidsregels, als toepassing van deze beleidsregels naar het oordeel van het college tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 8 Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking van het Gemeenteblad waarin zij worden geplaatst en werken terug tot en met 12 juli 2016.

Artikel 9 Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als Beleidsregels individuele inkomenstoeslag Participatiewet Rotterdam 2016.

 

Aldus vastgesteld op 2 augustus 2016,

A.G. Coenen

Directeur Maatschappelijke Ondersteuning in de Wijk

Cluster Maatschappelijke Ontwikkeling

Toelichting

De gemeenteraad heeft op 7 juli 2016 de Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet Rotterdam 2016 vastgesteld. Hierin is aangegeven dat een persoon in aanmerking kan komen voor een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet, als gedurende 5 jaar zijn inkomen niet meer bedroeg dan 100% van het wettelijk sociaal minimum, waarbij de toepasselijke bijstandsnormen worden gehanteerd als inkomensgrens. Daarnaast is in de verordening het criterium opgenomen dat de verzoeker, gelet op de omstandigheden, geen uitzicht heeft op inkomensverbetering. Bij de beoordeling van het verzoek dient het college rekening te houden met de omstandigheden van de verzoeker. Hierbij spelen ook de omstandigheden van de eventuele echtgenoot een rol. Tot die omstandigheden worden, volgens de wet, in elk geval gerekend zijn krachten, bekwaamheden en inspanningen om tot inkomensverbetering te komen, die weer nader zijn omschreven in artikel 2 van de verordening.

Deze beleidsregels zijn een uitwerking van artikel 6 van de verordening waarin is aangegeven dat het college beleidsregels kan vaststellen. In deze beleidsregels wordt met name uitgewerkt wat het college verstaat onder het criterium ‘(geen) uitzicht op inkomensverbetering’.

Artikel 1 Begripsbepalingen

In dit artikel staan de begrippen gedefinieerd die niet al in de wet of in de verordening zelf staan gedefinieerd. In de wet worden al begrippen zoals alleenstaande en gehuwd gedefinieerd, zodat die definities in dit artikel niet worden herhaald. Hetzelfde geldt ten aanzien van begrippen uit de verordening, zoals verzoek en referteperiode. Ook deze begrippen worden niet opnieuw gedefinieerd in deze beleidsregels.

Ad b

Op 18 juni 2015 heeft de gemeenteraad het Beleidskader Werk en Inkomen 2015–2016 vastgesteld. In dit kader wordt uitgewerkt op welke wijze het college wil bereiken dat zoveel mogelijk Rotterdammers hun eigen inkomen kunnen verdienen.

De cliëntgroep van de gemeente wordt in dit beleidskader globaal ingedeeld in 3 doelgroepen:

  • doelgroep matching;

  • doelgroep prematching;

  • doelgroep activering.

Deze doelgroepen komen in de artikelen 5 en 6 terug om vast te stellen of iemand uitzicht heeft op inkomensverbetering.

Ad f

In dit onderdeel wordt duidelijk gemaakt dat een maatregel een verlaging van de bijstand (in dit geval alleen Participatiewet) of de uitkering IOAW of IOAZ kan inhouden in verband met het niet nakomen van verplichtingen, gerelateerd aan arbeidsinschakeling. In de toelichting bij artikel 6, tweede lid, zijn deze verplichtingen verder uitgewerkt.

Artikel 2 Verzoek en besluitvorming

In het eerste lid is geregeld, dat een verzoek voor een individuele inkomenstoeslag schriftelijk moet worden ingediend. Het college stelt daarvoor een aanvraagformulier beschikbaar.

 

Ten aanzien van de inkomensgrens is het uitgangspunt dat de verzoeker gedurende de vijf jaar, voorafgaand aan het aanvraagjaar, ononderbroken een laag inkomen moet hebben gehad. Om dit te kunnen beoordelen, dient de verzoeker bij de aanvraag per refertejaar een kopie te voegen van de jaaropgaven. Daarnaast moet hij een bankafschrift toevoegen van iedere rekening waarover hij beschikt, waarop het saldo van 31 december voorafgaand aan de peildatum is opgenomen.

Verzoekers die gedurende de gehele referteperiode bijstand hebben ontvangen, behoeven geen kopieën mee te sturen. De gemeente beschikt in dat geval al over de benodigde gegevens. Hetzelfde geldt voor personen die een IOAW of IOAZ hebben ontvangen over de gehele referteperiode voor wat betreft inkomensgegevens. Zij hoeven alleen gegevens te overleggen zodat het college het vermogen kan vaststellen.

Artikel 3 Uitwerking inkomensnormen

In artikel 4 van de verordening is opgenomen dat als laag inkomen wordt aangemerkt een inkomen ter hoogte van 100% van het wettelijk sociaal minimum. Dit minimum wordt gerelateerd aan de toepasselijke bijstandsnorm.

 

In bijlage 1 worden deze bijstandsnormen omgerekend in een van de bijstandsnormen afgeleid belastbaar inkomen. Daarbij wordt voor alleenstaande ouders onder de WWB uitgegaan van de voor hen toepasselijke norm voor alleenstaande ouders.

Na invoering van de Participatiewet is de bijstandsnorm voor alleenstaande ouders gelijk aan de bijstandsnorm voor alleenstaanden, doordat de alleenstaande ouder vanaf dat moment recht heeft op een fiscale toeslag.

Artikel 4 Wijziging situatie gedurende referteperiode

Als er in de referteperiode een wijziging van een situatie heeft plaatsgevonden, waardoor verschillende inkomensnormen van toepassing zijn, wordt hiermee rekening gehouden. Er vindt dan een naar rato berekening plaats.

Artikel 5 Geen uitzicht op inkomensverbetering

Dit artikel geeft een (niet-limitatieve) opsomming van situaties waarin het college van oordeel is dat redelijkerwijs niet gesproken kan worden van uitzicht op inkomensverbetering.

Eerste lid

Ad a

In dit onderdeel gaat het om de situatie dat een persoon ‘volledig en duurzaam arbeidsongeschikt’ is. Voor de invulling van het begrip ‘volledig en duurzaam arbeidsongeschikt’ wordt aangehaakt bij de definitie uit de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA): een persoon die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Onder duurzaam wordt verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie en een medische

situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

Ad b

In dit onderdeel gaat het om het om jonggehandicapten in de zin van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. In deze wet zijn jonggehandicapten (onder andere) omschreven als personen die op de dag waarop zij achttien jaar worden duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Dit moet het rechtstreekse gevolg zijn van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling en het moet medisch zijn vastgesteld. In paragraaf 1 van Hoofdstuk 1a van deze wet wordt dit begrip nader uitgewerkt.

Ad c

Voor een garantiebaan kunnen personen in aanmerking komen die arbeidsbeperkt zijn in de zin van artikel 38b, eerste en tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen. Van deze groep wordt verondersteld dat zij geen uitzicht hebben op inkomensverbetering. Zij hebben een loonwaarde van minder dan 100% en om die reden ontvangt de werkgever een aanvullende loonkostensubsidie.

Ad d

Een burger is, om in aanmerking te komen voor een bijstandsuitkering, verplicht om naar vermogen arbeid te verkrijgen en te aanvaarden. Als hiervoor dringende redenen zijn, kan het college besluiten om een tijdelijke ontheffing te verlenen van deze verplichtingen. Het uitgangspunt is dat het college de op te leggen verplichtingen aanpast aan de mogelijkheden die de bijstandsgerechtigde heeft. Het college kan hierbij ondersteuning bieden, bijvoorbeeld door het aanbieden van voorzieningen. Ook personen met een IOAW- of IOAZ-uitkering die nog gedurende zes maanden een ontheffing hebben van deze verplichtingen vallen onder categorie d.

Ad e

Het Beleidskader Werk en Inkomen 2015–2016 zegt in hoofdstuk 5 o.a. het volgende over de doelgroep ‘activering’.

Werkzoekenden die (tijdelijk) geen reëel perspectief hebben op betaald werk en/of zijn ontheven van de arbeidsverplichting, behoren tot de doelgroep Activering. Hun arbeidspotentieel is nog onvoldoende om te kunnen deelnemen aan de aanpak Werk. Voor hen is maatschappelijke participatie de norm, totdat hun kans op werk voldoende is vergroot. Zij leveren een tegenprestatie voor 20 uur per week of naar vermogen.

Dat kan door het verrichten van vrijwilligerswerk, mantelzorg en/of andere maatschappelijk nuttige werkzaamheden. Ook deelname aan taaltraining, gezondheidsbevordering en andere activeringstrajecten is mogelijk.

Ad f

Dit onderdeel ziet op de ontheffing voor de alleenstaande ouder met jonge kinderen tot 5 jaar. Deze ontheffing is geregeld in artikel 9a van de Participatiewet en artikel 38 van de IOAW/IOAZ. De ontheffing wordt eenmalig voor maximaal vijf jaar verleend. Zolang er nog aanspraak is op meer dan twee jaar op deze ontheffing, is er geen sprake van uitzicht op inkomensverbetering.

Tweede lid

In de situatie dat er in de twaalf maanden voorafgaand aan de aanvraagdatum of op de aanvraagdatum sprake was van:

  • a.

    een maatregel van 100%;

  • b.

    een opleiding of studie; of

  • c.

    inkomsten uit arbeid,

wordt verondersteld wel sprake te zijn van uitzicht op inkomensverbetering, ook al is een situatie, als bedoeld in artikel 1, van toepassing.

Op grond van artikel 6 en 7 kan hiervan in bijzondere situaties worden afgeweken.

Derde lid

Het uitgangspunt is dat bij gehuwden uitzicht op inkomensverbetering door beide partners gerealiseerd kan worden. Bij gehuwden wordt dan ook gekeken of voor beide echtgenoten een van de gronden van toepassing is genoemd in het eerste lid. Als dat het geval is, is er voor de gehuwden geen uitzicht op inkomensverbetering. Als voor één van de partners geconstateerd wordt dat er wél uitzicht is op inkomensverbetering, bestaat er geen recht op een individuele inkomenstoeslag.

Artikel 6 Uitzicht op inkomensverbetering

In dit artikel wordt onderscheid gemaakt tussen gronden die op de aanvraagdatum aan de orde zijn (eerste lid) en gronden die op enig moment in de refereteperiode aan de orde zijn geweest (tweede lid).

Eerste lid, onderdelen a en b:

In hoofdstuk 4 van het Beleidskader Werk en Inkomen 2015–2018 worden de doelgroepen die genoemd staan beschreven. Het gaat om de doelgroepen ‘matching’ en ‘prematching’. Van hen wordt verondersteld dat zij mogelijkheden hebben om binnen afzienbare tijd (maximaal 2 jaar) aan het werk te komen. Door deze arbeidspotentie wordt iemand geacht uitzicht op inkomensverbetering te hebben.

Ad a: doelgroep matching

Van de cliënten in doelgroep matching wordt verondersteld dat zij algemeen matchbaar zijn.

In paragraaf 4.2.1. van het beleidskader staat hierover:

Als een werkzoekende direct inzetbaar is op de arbeidsmarkt geldt de kortste weg naar werk. De sectorteams bemiddelen de werkzoekende dan direct naar beschikbare vacatures. Op basis van de vraag van werkgevers zorgen matchmakers voor de werving en selectie van geschikte werkzoekenden. Dit gebeurt sectorgericht.

Als een match niet direct mogelijk is, kan een werkzoekende in aanmerking komen voor kortdurende beroepsgerichte scholing, vraaggerichte re-integratie of een leer-werktraject om zijn arbeidsmarktpositie te versterken. Het doel is om de werkzoekende, binnen negen maanden, te plaatsen op een geschikte vacature.

Ad b: doelgroep prematching

Werkzoekenden die binnen een termijn van 2 jaar algemeen matchbaar zijn te maken, vallen onder de doelgroep prematching.

In paragraaf 4.2.4. van het beleidskader staat hierover:

Een deel van de werkzoekenden is op de korte termijn niet plaatsbaar op beschikbare banen, maar heeft wel arbeidspotentieel. Het ontbreekt hen aan de nodige beroeps- en (basis) werknemersvaardigheden om te kunnen voldoen aan de vraag van werkgevers. Ook is er in veel gevallen sprake van belemmeringen die arbeidsinschakeling in de weg staan. Het gaat dan om (een combinatie van) lichamelijke of psychische problemen of sociale problematiek zoals schulden of huisvesting. Toch verwachten we dat deze werkzoekenden binnen maximaal 24 maanden inzetbaar kunnen zijn op de arbeidsmarkt. Daarbij is wel de juiste ondersteuning nodig. Uitgangspunt hierbij is dat de werkzoekende zelfstandig doet wat hij kan en er ondersteuning wordt geboden waar dat niet lukt. Daarbij kunnen diverse instrumenten worden ingezet zoals: taalcursussen, gezondheidsbevordering, scholing, werkervaringsplaatsen en extra intensieve begeleiding voor werkzoekenden met meervoudige psychosociale problematiek. Dit moet er uiteindelijk toe bijdragen dat de werkzoekende zich voldoende ontwikkelt om bemiddeld te kunnen worden naar beschikbare banen.

Ad c, d en e

Als verzoeker op de aanvraagdatum een studie/opleiding volgt, is er sprake van uitzicht op inkomensverbetering. Een opleiding is immers uiteindelijk gericht op arbeidsinschakeling en daarmee is er een reëel perspectief op inkomensverbetering.

Ook gedurende de opleiding kan een persoon zijn inkomenssituatie verbeteren door part-time te werken.

Ad f

Ook als iemand al werkt, is er sprake van perspectief op inkomensverbetering als gevolg van promotie, stijging van periodieken of urenuitbreiding, danwel de overstap naar een andere baan.

Tweede lid

Ad a:

Als er sprake is geweest van een maatregel van 100% in de twaalf maanden voorafgaand aan de aanvraagdatum, wordt uitzicht op inkomensverbetering verondersteld aanwezig te zijn.

 

Vanaf 1 januari 2015 geldt dat een maatregel van 100% op grond van de Participatiewet, IOAW of IOAZ en de daarvoor geldende verordening kan worden opgelegd als er sprake is van het niet nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. Het gaat daarbij om de volgende verplichtingen:

  • a.

    aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;

  • b.

    uitvoering geven aan de verplichting om ingeschreven te staan bij een uitzendbureau;

  • c.

    naar vermogen verkrijgen van arbeid in een andere gemeente;

  • d.

    bereid zijn om 2 uur per dag te reizen indien dat noodzakelijk is voor het verkrijgen, aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;

  • e.

    bereid zijn om te verhuizen als dit noodzakelijk is om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, aanvaarden of behouden bij een arbeidsovereenkomst van ten minste een jaar met een netto beloning van ten minste de voor hem geldende bijstandsnorm;

  • f.

    verkrijgen of behouden van kennis en vaardigheden, noodzakelijk voor het verkrijgen, aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;

  • g.

    naar vermogen verkrijgen, aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid niet belemmeren door kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging of gedrag;

  • h.

    gebruik maken van door het college aangeboden voorzieningen, waaronder sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling en mee te werken aan onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

Als een maatregel op grond van bijzondere omstandigheden is gematigd, wordt de maatregel in dit kader geacht te zijn opgelegd.

Ad b

Als verzoeker in de referteperiode een opleiding/studie heeft afgerond of heeft gewerkt, is dat nog dermate recent, dat ook op grond hiervan kan worden versteld dat hij weer in staat moet zijn om zijn inkomen te verbeteren, bijvoorbeeld door werkaanvaarding.

Derde lid

Het uitgangspunt is dat bij gehuwden uitzicht op inkomensverbetering door beide partners gerealiseerd kan worden. Bij gehuwden wordt dan ook gekeken of voor beide echtgenoten een van de gronden van toepassing is genoemd in het eerste of tweede lid. Als dat het geval is, is er voor de gehuwden uitzicht op inkomensverbetering. Als voor één van de partners geconstateerd wordt dat er uitzicht is op inkomensverbetering, bestaat er geen recht op een individuele inkomenstoeslag.

Artikel 7 Hardheidsclausule

In dit artikel is opgenomen dat het college van de vorige artikelen kan afwijken op grond van de individuele omstandigheden van verzoeker.

Artikel 8 Inwerkingtreding

De beleidsregels hebben terugwerkende kracht tot en met 12 juli 2016. Op deze datum is de verordening in werking getreden.

Bijlage 1 bij de Beleidsregels individuele inkomenstoeslag Participatiewet Rotterdam 2016

 

2016

Belastbaar inkomen per maand vanaf 1/1

Belastbaar inkomen per maand vanaf 1/7

Totaal 2016

Norm

 

 

 

Alleenstaande

1.238,00

1.245,00

€ 14.898,00

Alleenstaande ouder

1.238,00

1.245,00

€ 14.898,00

Gehuwden samen

1.600,00

1.610,00

€ 19.260,00

 

 

 

 

2015

Belastbaar inkomen per maand vanaf 1/1

Belastbaar inkomen per maand vanaf 1/7

Totaal 2015

Norm

 

 

 

Alleenstaande

1.224,00

1.226,00

€ 14.700,00

Alleenstaande ouder

1.224,00

1.226,00

€ 14.700,00

Gehuwden samen

1.582,00

1.586,00

€ 19.008,00

 

 

 

 

2014

Belastbaar inkomen per maand vanaf 1/1

Belastbaar inkomen per maand vanaf 1/7

Totaal 2014

Norm

 

 

 

Alleenstaande

1.212,00

1.217,00

€ 14.574,00

Alleenstaande ouder

1.637,00

1.644,00

€ 19.686,00

Gehuwden samen

1.574,00

1.582,00

€ 18.936,00

 

 

 

 

2013

Belastbaar inkomen per maand vanaf 1/1

Belastbaar inkomen per maand vanaf 1/7

Totaal 2013

Norm

 

 

 

Alleenstaande

1.204,00

1.205,00

€ 14.454,00

Alleenstaande ouder

1.623,00

1.626,00

€ 19.494,00

Gehuwden samen

1.568,00

1.570,00

€ 18.828,00

 

 

 

 

2012

Belastbaar inkomen per maand vanaf 1/1

Belastbaar inkomen per maand vanaf 1/7

Totaal 2012

Norm

 

 

 

Alleenstaande

1.271,00

1.271,00

15.252,00

Alleenstaande ouder

1.714,00

1.715,00

20.574,00

Gehuwden samen

1.654,00

1.654,00

19.848,00

 

 

 

 

2011

Belastbaar inkomen per maand vanaf 1/1

Belastbaar inkomen per maand vanaf 1/7

Totaal 2011

Norm

 

 

 

Alleenstaande

1.260,00

1.267,00

€ 15.162,00

Alleenstaande ouder

1.700,00

1.709,00

€ 20.454,00

Gehuwden samen

1.642,00

1.652,00

€ 19.764,00

 

 

 

 

2010

Belastbaar inkomen per maand vanaf 1/1

Belastbaar inkomen per maand vanaf 1/7

Totaal 2010

Norm

 

 

 

Alleenstaande

1.240,00

1.246,00

€ 14.914,00

Alleenstaande ouder

1.673,00

1.681,00

€ 20.124,00

Gehuwden samen

1.614,00

1.622,00

€ 19.416,00

Dit gemeenteblad 2016, nummer 137, is uitgegeven op 9 augustus 2016 en ligt op werkdagen van 8.30 tot 16.00 uur ter inzage bij het Bestuurlijk Informatiecentrum Rotterdam (BIR), locatie Stadswinkel Centrum, Coolsingel 40 (zijde Doelwater, tegenover hoofdbureau politie)

(Zie ook: www.bis.rotterdam.nl – Regelgeving of Gemeentebladen chronologisch)