Algemene subsidieverordening Westland 2016 (ASV Westland 2016)

De raad van de gemeente Westland;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 1 juni 2016;

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en de Algemene wet bestuursrecht;

besluit vast te stellen de volgende verordening:

ASV Westland 2016

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westland;

  • b.

    incidentele subsidie: subsidie voor activiteiten met een eenmalig of experimenteel karakter;

  • c.

    subsidieregeling: waarin nadere regels kunnen worden bepaald om voor subsidie in aanmerking te komen;

  • d.

    structurele subsidie: jaarlijks terugkerende subsidie voor de exploitatiekosten teneinde activiteiten met een voortdurend karakter of jaarlijks terugkerende activiteiten in stand te houden;

  • e.

    investeringssubsidie sport: een subsidie voor het bouwen of verbouwen van sportgebouwen of –inrichtingen;

  • f.

    wet: Algemene wet bestuursrecht;

  • g.

    activiteitenplan: zoals bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht artikel 4:62;

  • h.

    rekenkamercommissie: de door de gemeenteraad bij of krachtens verordening ingestelde rekenkamercommissie;

  • i.

    risicoparagraaf: beschrijving van de voornaamste risico’s en onzekerheden;

  • j.

    controleverklaring: accountantsverklaring als bedoeld in artikel 393 eerste lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

  • k.

    controleprotocol: handleiding voor de accountant voor de controle op de besteding van het subsidiebedrag;

  • l.

    gelieerde rechtspersoon: onder gelieerde rechtspersoon wordt verstaan een rechtspersoon die voornamelijk dient ter financiële ondersteuning of buffer van de subsidieaanvrager, tot uitdrukking komend in één of meerdere van de volgende kenmerken:

    • 1.

      een rechtspersoon waaraan in het verleden door de subsidieaanvrager een groter bedrag dan € 500 om niet ter beschikking is gesteld, waarover de subsidieaanvrager op enig moment weer de beschikking kan

      krijgen;

    • 2.

      een rechtspersoon ten aanzien waarvan de subsidieaanvrager een beslissende invloed heeft op de besteding van de middelen dan wel invloed heeft op de benoeming van één of meer bestuursleden;

    • 3.

      een rechtspersoon, die statutaire bepalingen kent op grond waarvan bij liquidatie gelden aan de subsidieaanvrager kunnen toevloeien;

    • 4.

      een rechtspersoon, waarbij statutair bepaald is dat deze mede ten doel heeft de subsidieaanvrager financieel te ondersteunen.

Artikel 2 Algemene grondslag

Subsidies kunnen worden verstrekt ten behoeve van activiteiten op de beleidsterreinen die vallen onder de door de raad vastgestelde en in de gemeentebegroting opgenomen programma’s.

Artikel 3 Bevoegdheden college

  • 1.

    Het college is belast met de uitvoering van deze verordening.

  • 2.

    Indien de begroting niet is vastgesteld dan wel goedgekeurd, verleent het college subsidies alleen onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.

  • 3.

    Het college is bevoegd ter uitvoering van deze verordening een subsidieregeling vast te stellen.

  • 4.

    Het college is bevoegd een subsidieregeling vast te stellen en daarin af te wijken van het bepaalde in deze verordening.

Artikel 4 Subsidieplafonds

  • 1.

    Het college kan per beleidsterrein als bedoeld in artikel 2 of per activiteit binnen een beleidsterrein een subsidieplafond vaststellen.

  • 2.

    Het college stelt per subsidieplafond de wijze van verdeling van het beschikbare subsidiebudget als bedoeld in het eerste lid vast.

Artikel 5 Subsidiabele kosten overhead

  • 1.

    Wanneer de hoogte van het subsidiebedrag wordt berekend of mede wordt berekend aan de hand van de exploitatiekosten, de accommodatiekosten of de kostprijs van de activiteit, zijn de kosten die behoren tot de overhead subsidiabel voor zover het de kosten van de directie, de leidinggevenden, de kosten voor facilitaire zaken en de huisvesting van de organisatie van de subsidieontvanger betreft.

  • 2.

    De huisvestingskosten die worden gemaakt ten behoeve van het uitvoeren van de activiteiten worden niet beschouwd als overhead maar worden toegerekend aan de activiteiten.

  • 3.

    De overhead kosten worden gesubsidieerd voor zover zij niet meer dan 25% van de totale kosten uitmaken.

Artikel 6 Indexering

  • 1.

    Het college beslist jaarlijks of indexering van een subsidiebedrag plaatsvindt.

  • 2.

    Wanneer subsidiebedragen worden geïndexeerd, gebeurt dit op basis van het consumentenprijsindexcijfer van het jaar voorafgaand aan het jaar van indiening van de aanvraag om subsidie.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid wordt de looncomponent van een activiteitensubsidie van € 70.000 of meer, geïndexeerd op basis van de percentages zoals deze door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten jaarlijks bekend worden gemaakt.

Artikel. 7 Sanctie bij te laat of onvolledig indienen aanvraag vaststelling

Indien een subsidieontvanger niet voldoet aan de verplichting de aanvraag tot vaststelling van een subsidie van meer dan € 10.000 of de daarbij behorende stukken voor een bepaalde datum in te dienen en hij op grond van artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht in de gelegenheid is gesteld de aanvraag of de daarbij behorende stukken alsnog in te dienen, kan de subsidie wegens het niet naleven van de betreffende verplichting met 5% worden verlaagd ten opzichte van het bedrag waarop de subsidie anders zou zijn vastgesteld.

Artikel 8 Maximaal eigen vermogen

  • 1.

    Een instelling die een activiteitensubsidie aanvraagt mag over een eigen vermogen beschikken dat bestaat uit:

    • a.

      de boekwaarde van inventaris en onroerende zaken in eigen gebruik; en

    • b.

      bestemmingsreserves ten behoeve van de zaken als genoemd in het derde lid; en

    • c.

      een egalisatiereserve van maximaal 10% van het totaal van het aangevraagde gemeentelijk subsidiebedrag en de overige begrote inkomsten, of een egalisatiereserve van maximaal 25% van het totaal van het aangevraagde gemeentelijk subsidiebedrag en de overige begrote inkomsten in geval van een subsidie-aanvrager die een gebouw in eigendom exploiteert.

  • 2.

    Bij het bepalen van de hoogte van het eigen vermogen worden uitsluitend voorzieningen geaccepteerd die concrete, geïdentificeerde verplichtingen of risico's betreffen die hun oorsprong vinden in het verslagjaar of in een voorafgaand boekjaar of strekken tot een gelijkmatige verdeling van de kosten over de jaren en die aantoonbaar redelijk zijn gekwantificeerd. Voorzieningen voor normale bedrijfsrisico's zoals voornemens en plannen voor het verevenen van de resultaten worden beschouwd als eigen vermogen.

  • 3.

    Bij het bepalen van de hoogte van de bestemmingsreserves worden de volgende afschrijvingstermijnen gehanteerd:

    • a.

      onroerende zaken: 40 jaar;

    • b.

      automatisering: 5 jaar;

    • c.

      inventaris: 15 jaar;

  • 4.

    Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor subsidieontvangers die een incidentele subsidie ontvangen.

  • 5.

    Wanneer het eigen vermogen van een instelling groter is dan het maximaal toegestane bedrag als bedoeld in het eerste lid, wordt het verschil tussen beide bedragen in mindering gebracht op de aangevraagde subsidie.

  • 6.

    Het college kan bepalen dat de mindering wordt verspreid over maximaal drie jaar.

  • 7.

    Het college kan bepalen dat het bedrag van het eigen vermogen dat het maximumbedrag als bedoeld in het eerste lid overstijgt, mag worden besteed aan extra activiteiten voor zover deze activiteiten passen binnen het beleid van de gemeente Westland.

  • 8.

    Het college kan afwijken van het bepaalde in het eerste tot en met het zesde lid, wanneer daarvoor aanleiding bestaat.

  • 9.

    Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op binnen het Westland actieve onderwijsinstellingen voor primair, voortgezet en/of beroepsonderwijs.

  • 10.

    Dit artikel is niet van toepassing op regionaal, provinciaal of landelijk werkende instellingen.

Artikel 9 Subsidies op grond van de Awb

  • 1.

    Het college is bevoegd te beslissen op aanvragen om subsidie op grond van artikel 4:23, derde lid, van de Awb.

  • 2.

    Op subsidies die worden verstrekt op grond van artikel 4:23, derde lid, van de wet, zijn de artikelen 10, 11, 13 eerste tot en met derde lid, 14 tot en met 16 onder a tot en met e, 19 tot en met 21, 24 tot en met 26 van deze verordening van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    De artikelen 17 en 18 van deze verordening zijn van overeenkomstige toepassing op subsidies die worden verstrekt op grond van artikel 4:23, derde lid onder c, van de wet.

Artikel 10 Eisen aan een subsidieregeling

Een subsidieregeling bevat tenminste:

  • a.

    een omschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt;

  • b.

    het subsidieplafond dan wel de mogelijkheid voor het college een subsidieplafond vast te stellen, tenzij daar geen behoefte aan bestaat;

  • c.

    de criteria waaraan de subsidieaanvragen worden getoetst;

  • d.

    voor zover gewenst, de bepaling dat de subsidie zonder voorafgaande verlening wordt vastgesteld

  • e.

    de verplichtingen die aan de subsidieverstrekking kunnen worden verbonden, naast de verplichtingen die op grond van de wet en deze verordening aan de subsidieverstrekking kunnen worden verbonden.

Artikel 11 Meerjarige subsidies

  • 1.

    Het tijdvak waarvoor een incidentele of structurele subsidie wordt verleend is maximaal vier jaar.

  • 2.

    Een meerjarige subsidie wordt verleend onder het voorbehoud dat jaarlijks voldoende financiële middelen ter beschikking worden gesteld.

HOOFDSTUK 2 SUBSIDIEVERLENING

Artikel 12 Indieningstermijn aanvraag

  • 1.

    Tenzij in de subsidieregeling anders is bepaald, wordt:

    • a.

      de aanvraag voor een structurele subsidie vóór 1 april voorafgaand aan het subsidiejaar, ingediend;

    • b.

      de aanvraag voor een incidentele subsidie tenminste acht weken voor aanvang van de te realiseren activiteit, ingediend;

  • 2.

    Het college kan in bijzondere gevallen uitstel verlenen van de verplichting om voor een bepaalde datum een subsidieaanvraag in te dienen.

Artikel 13 Tweede aanvraag algemeen

In een subsidieregeling kan het college bepalen of en onder welke voorwaarden er binnen hetzelfde tijdvak een tweede aanvraag kan worden ingediend.

Artikel 14 Eisen aan de aanvraag

  • 1.

    Indien er een (digitaal) aanvraagformulier beschikbaar is, is de aanvrager verplicht daarvan gebruik te maken op grond van artikel 4:4 van de Awb.

  • 2.

    Tenzij in de subsidieregeling anders is bepaald, wordt:

    • a.

      bij een eerste subsidieaanvraag van de subsidieaanvrager die een rechtspersoon is, overgelegd:

      • de statuten of het reglement van de subsidieaanvrager;

      • een opgaaf van de bestuurssamenstelling;

      • een uittreksel handelsregister Kamer van Koophandel

    • b.

      bij een aanvraag voor een structurele subsidie overgelegd:

      • een activiteitenplan;

      • de exploitatiebegroting over het lopende en het komende jaar;

      • bij subsidieaanvragen boven de € 100.000 moet de exploitatiebegroting zijn voorzien van een risicoparagraaf;

      • de laatste jaarrekening;

      • het laatste jaarverslag.

    • c.

      bij een aanvraag voor een structurele subsidie van minder dan € 10.000 overgelegd:

      • een globaal activiteitenplan;

      • een overzicht van de kosten en opbrengsten van de activiteiten met toelichting.

      • de laatste jaarrekening;

      • het laatste jaarverslag.

    • d.

      bij een aanvraag voor een incidentele subsidie overgelegd:

      • activiteitenplan;

      • een exploitatiebegroting voor de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

      • bij subsidieaanvragen boven de € 70.000 wordt daarnaast overgelegd:

        • -

          een investeringsplan;

        • -

          de laatste jaarrekening;

        • -

          het laatste jaarverslag;

        • -

          de aanvragen om subsidie bij andere bestuursorganen en aanvragen om financiële middelen bij andere organisaties.

  • 3.

    Indien voor de beoordeling van de aanvraag, aanvullende of andere gegevens of bescheiden nodig zijn, kunnen deze opgevraagd worden.

  • 4.

    Het college kan de subsidieontvanger verplichten een overzicht te verstrekken van de met de subsidieontvanger gelieerde rechtspersonen, alsmede informatie te verstrekken over de aard van deze betrekkingen, de financiële positie en de jaarrekeningen van deze rechtspersonen.

  • 5.

    Het overleggen van de genoemde stukken in de onderdelen b. en c. kan achterwege blijven, als deze reeds in bezit zijn van het college.

  • 6.

    Het overleggen van de laatste jaarrekening en het laatste jaarverslag kan achterwege blijven, als dit in verband met de datum van oprichting niet mogelijk is.

Artikel 15 Beschikking op de aanvraagom subsidieverlening

  • 1.

    Tenzij in de subsidieregeling anders wordt bepaald, wordt:

    • a.

      de beschikking op een aanvraag voor een structurele subsidie van € 10.000 of meer bekendgemaakt voor aanvang van het jaar waarop de aanvraag voor subsidie betrekking heeft;

    • b.

      de beschikking op een aanvraag voor een incidentele subsidie bekendgemaakt binnen acht weken

      nadat de aanvraag is ingediend. In ieder geval vóór aanvang van de te realiseren activiteit.

  • 2.

    Van de termijn waarbinnen de beschikking op een aanvraag bekend gemaakt moet zijn, kan in geval van incidentele en meerjarige subsidies worden afgeweken.

Artikel 16 Weigeringsgronden

Naast de weigeringsgronden in de wet kan de subsidieverstrekking tevens worden geweigerd indien:

  • a.

    de subsidieverstrekking niet past binnen het beleid van de gemeente;

  • b.

    de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd onder ongeoorloofde staatssteun vallen;

  • c.

    in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;

  • d.

    de hiervoor benodigde gelden niet in de gemeentebegroting zijn opgenomen;

  • e.

    de activiteit waarvoor subsidie wordt gevraagd niet (voornamelijk) is gericht op inwoners van Westland of op de promotie van Westland;

  • f.

    uit de bij de aanvraag overgelegde bescheiden blijkt dat de aanvrager zelf in de kosten van de activiteit kan voorzien, hetzij uit eigen middelen, hetzij uit middelen van derden, waaronder met de aanvrager gelieerde rechtspersonen;

  • g.

    de activiteiten, doelstellingen of middelen van de aanvrager in strijd zijn met de Nederlandse wetgeving of het algemeen belang;

  • h.

    dit voortvloeit uit een subsidieregeling.

HOOFDSTUK 3 VERPLICHTINGEN

Artikel 17 Toestemming voor bepaalde handelingen

  • 1.

    De subsidieontvanger van een structurele subsidie heeft voorafgaande schriftelijke toestemming nodig van het college voor:

    • a.

      het oprichten van, dan wel deelnemen in, een rechtspersoon;

    • b.

      het aangaan van overeenkomsten waarbij de subsidieontvanger zich verbindt tot zekerheidsstelling,

      met inbegrip van zekerheidsstelling voor schulden van derden of waarbij hij zich als borg of hoofdelijk

      medeschuldenaar verbindt of zich voor een derde sterk maakt.

  • 2.

    Het college kan voorschriften aan de toestemming verbinden.

  • 3.

    Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van het verzoek over de te verlenen toestemming.

  • 4.

    De beslistermijn kan eenmaal voor ten hoogste vier weken worden verlengd.

Artikel 18 Meldingsplicht wijzigingen organisaties

De subsidieontvanger doet een mededeling aan het college, binnen één maand na bekendmaking, waar subsidieontvanger redelijkerwijs van had kunnen begrijpen dat dit van invloed zou zijn op de subsidieverstrekking, bijvoorbeeld:

  • a.

    het wijzigen van de statuten;

  • b.

    wijziging van bestuurssamenstelling;

  • c.

    het ontbinden van de rechtspersoon;

  • d.

    het doen van aangifte tot faillissement of aanvragen van zijn surseance van betaling.

Artikel 19 Meldingsplicht afwijking activiteiten of verplichtingen

De subsidieontvanger doet onverwijld melding aan het college, zodra aannemelijk is dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt, niet of geheel niet zullen worden verricht of dat niet of geheel niet aan de aan de beschikking tot subsidieverlening verbonden verplichtingen zal worden voldaan.

Artikel 20 Niet subsidiabele kosten

Loonkosten van bestuurders, directie of andere medewerkers van subsidieaanvrager die de in de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector opgenomen norm (Wnt-norm) te boven gaan, komen niet voor subsidie in aanmerking.

Artikel 21 Overig onderzoek

  • 1.

    De subsidieontvanger is verplicht mee te werken aan een onderzoek door het college of de rekenkamercommissie naar de besteding van de subsidiegelden of de naleving van de aan de subsidie verbonden verplichtingen door de ontvanger.

  • 2.

    Het onderzoek kan zich uitstrekken over meerdere jaren en meerdere gesubsidieerde activiteiten.

Artikel 22 Voorzieningen en vermogensvorming bij structurele subsidies

  • 1.

    Het college kan een ontvanger van een structurele subsidie verplichten tot het vormen van voorzieningen en reserveringen.

  • 2.

    Het college kan een ontvanger van een structurele subsidie verplichten een egalisatiereserve te vormen.

Artikel 23 Vergoeding voor vermogensvorming

  • 1.

    In de gevallen, bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is de subsidieontvanger aan het college een door het college te bepalen vergoeding voor vermogensvorming verschuldigd.

  • 2.

    Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de waarde van de goederen en ander vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat in geval van ontvangst van schadevergoeding voor verlies of beschadiging van zaken wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de subsidieontvanger wordt ontvangen.

  • 3.

    Indien het onroerende zaken betreft, wijst het college een onafhankelijk deskundige aan die de waarde bepaald.

  • 4.

    Het college kan afwijken van het bepaalde in het eerste lid en besluiten dat geen vergoeding verschuldigd is dan wel dat het gevormde vermogen mag worden besteed aan bepaalde activiteiten.

Artikel 24 Niet doelgebonden verplichtingen ex artikel 4:39 van de wet

  • 1.

    Het college kan verplichtingen opleggen met betrekking tot de wijze waarop de activiteit wordt verricht. Deze verplichtingen kunnen betrekking hebben op:

    • a.

      gelijke behandeling;

    • b.

      toegankelijkheid van de activiteiten voor mensen met een beperking;

    • c.

      social return on investment;

    • d.

      duurzaamheid;

    • e.

      de samenwerking met andere instellingen;

    • f.

      de hoogte van de tarieven voor, of bijdragen van deelnemers aan, gesubsidieerde activiteiten.

  • 2.

    Het college kan tevens bij de subsidieverlening verplichtingen opleggen indien regelingen van het Rijk dan wel van de provincie deze aanbevelen.

Artikel 25 Controleprotocol

Voor zover de subsidieontvanger verplicht is bij de aanvraag tot vaststelling een goedkeurende controleverklaring over te leggen, is hij verplicht het controleprotocol voorafgaand aan de controle ter beschikking van de accountant te stellen.

HOOFDSTUK 4 VASTSTELLING SUBSIDIES

Artikel 26 Aanvraag tot subsidievaststelling

  • 1.

    Indien er een (digitaal) formulier voor de aanvraag tot vaststelling van de subsidie beschikbaar is, dient de aanvrager daarvan gebruik te maken.

  • 2.

    De aanvraag tot vaststelling van een structurele subsidie wordt vóór 1 juni van het jaar volgend op het jaar waarvoor de subsidie is verleend, ingediend.

  • 3.

    De volgende stukken moeten bij de aanvraag tot vaststelling van een structurele subsidie worden overgelegd:

    • -

      een inhoudelijk verslag;

    • -

      de financiële verantwoording;

    • -

      een goedkeurende controleverklaring voor subsidiebedragen groter dan € 70.000.

  • 4.

    De aanvraag tot vaststelling van een incidentele subsidie wordt binnen drie maanden na realisering van de activiteit ingediend.

  • 5.

    Voor zover de ontvanger van een incidentele subsidie ook een structurele subsidie ontvangt geldt voor de aanvraag tot vaststelling van de incidentele subsidie de indieningtermijn als bedoeld in het tweede lid.

  • 6.

    De volgende stukken moeten bij de aanvraag tot vaststelling van een incidentele subsidie worden overgelegd:

    • -

      een inhoudelijk verslag;

    • -

      de financiële verantwoording;

    • -

      een goedkeurende controleverklaring bij subsidiebedragen groter dan € 70.000.

  • 7.

    Indien voor de beoordeling van de aanvraag andere of aanvullende gegevens of bescheiden nodig zijn, kunnen deze worden opgevraagd.

  • 8.

    Het college kan een meerjarige subsidie jaarlijks vaststellen.

  • 9.

    Het college kan in bijzondere gevallen uitstel verlenen van de verplichting om voor een bepaalde datum rekening en verantwoording af te leggen.

Artikel 27 Beslistermijn vaststelling van de subsidie

Tenzij in een subsidieregeling anders is bepaald, beslist het college:

  • a.

    op de aanvraag tot vaststelling van een incidentele subsidie binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag;

  • b.

    op de aanvraag tot vaststelling van een structurele subsidie binnen negen maanden na ontvangst van de aanvraag;

  • c.

    voor zover de ontvanger van een structurele subsidie ook een incidentele subsidie ontvangt, geldt in afwijking van het bepaalde onder a dat de incidentele subsidie tegelijk met de structurele subsidie wordt vastgesteld.

Artikel 28 Hardheidsclausule

Het college kan van de bepalingen in deze verordening afwijken indien toepassing van de bepalingen zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.

HOOFDSTUK 5 SLOTBEPALINGEN

Artikel 29 Intrekking

De Algemene subsidieverordening Westland 2011, zoals vastgesteld op 15 december 2009, wordt ingetrokken.

Artikel 30 Overgangsbepaling

  • 1.

    Verwijzingen in de subsidieregelingen naar de artikelen van de Algemene subsidieverordening Westland 2011 worden geacht te verwijzen naar artikelen van deze verordening waarin hetzelfde onderwerp wordt geregeld.

  • 2.

    De Algemene subsidieverordening Westland 2011 blijft van toepassing op subsidies die zijn aangevraagd voor inwerkingtreding van de Algemene subsidieverordening Westland 2016 en op lopende meerjarige subsidies die nog niet zijn vastgesteld.

  • 3.

    Bestaande subsidieregelingen en beleidsregels gelden als regels die op grond van de Algemene subsidieverordening Westland 2016 zijn vastgesteld.

Artikel 31 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van bekendmaking.

Artikel 32 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: ASV Westland 2016.

Aldus vastgesteld in de vergadering van de gemeenteraad op 5 juli 2016.

de griffier,

N. Broekema

de voorzitter

J. van der Tak

Toelichting Algemene subsidieverordening gemeente Westland 2016  

Algemene toelichting

Aanleiding

Bij de herziening van de ASV zijn artikelen toegevoegd over staatssteun en over niet subsidiabele kosten met betrekking tot loonkosten van bestuurders, directie of andere medewerkers van subsidieaanvrager.. De gemeente verstrekt subsidie aan organisaties die in Europeesrechtelijke zin ondernemers zijn, er is daarom een risico op het verlenen van ontoelaatbare staatssteun.

Loonkosten van bestuurders, directie of andere medewerkers van subsidieaanvrager die de in de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector opgenomen norm (Wnt-norm) te boven gaan, komen niet voor subsidie in aanmerking.

De Algemene subsidieverordening Westland 2016 is van toepassing op het vertrekken van subsidie voor het uitvoeren van activiteiten die een bijdrage leveren aan de realisatie van het gemeentelijk beleid.

In de subsidieverordening is geregeld voor welke (soorten van) activiteiten subsidie wordt verstrekt. Dit is in deze verordening geregeld in het artikel ‘algemene grondslag’. Bovendien moet de subsidieverordening een grondslag vormen voor de verplichtingen die de overheid aan de subsidieaanvrager/-ontvanger oplegt, voor zover die nog niet in de Awb zelf is neergelegd.

 

Uitgangspunten Algemene subsidieverordening gemeente Westland 2016 (ASV Westland 2016)

Aan de ASV Westland 2016 liggen de volgende uitgangspunten ten grondslag.

  • Duurzaam en gebruiksvriendelijk

    De ASV Westland 2016 moet een duidelijk kader bieden waarbinnen subsidieaanvragen worden behandeld. Een duurzame verordening betekent dat de verordening vooral algemene bepalingen bevat, zodat veel verschillende situaties eronder kunnen worden geschaard en niet om de haverklap een wijziging van de verordening noodzakelijk is. De meer gedetailleerde bepalingen over subsidiëring van bepaalde activiteiten worden neergelegd in beleidsregels. Deze beleidsregels worden door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld, zodat flexibel ingespeeld kan worden op noodzakelijke aanpassingen.

  • Aansluitend op praktijk Westland

    Het subsidieproces zoals beschreven in de ASV Westland 2016, sluit aan op het feitelijke besluitvormingsproces zoals dat in de organisatie verloopt. Zo zijn de indienings- en beslistermijnen afgestemd op de planning- en controlecyclus.

  • In overeenstemming met hogere regelgeving zoals de Awb

    Naast de ASV Westland 2016 en de beleidsregels is ook de Awb van toepassing op subsidierelaties. Titel 4.2 Awb bevat een groot aantal subsidieregels. De ASV mag niet met deze regels in strijd zijn.

    Er is voor gekozen geen bepalingen uit de Awb op te nemen in de ASV Westland 2016, omdat het de indruk kan wekken dat andere bepalingen uit de Awb niet van toepassing zijn.

  • Eenvoudig en helder subsidieproces

    Het subsidieproces is zo eenvoudig en simpel mogelijk gehouden, zodat bij de uitvoering van de ASV Westland 2016 zo min mogelijk onduidelijkheden ontstaan voor zowel de subsidieaanvrager als de behandelend ambtenaren.

  • Overeenkomstig Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving

    Bij het opstellen van de verordening is rekening gehouden met de (niet verplichte) Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving zoals opgesteld door de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten.

  • Uitwerking in subsidieregelingen en beleidsregels

    Diverse bepalingen uit de ASV Westland 2016 worden uitgewerkt in subsidieregelingen en beleidsregels. Het betreft onder andere artikel 2, de beleidsterreinen waarop subsidies kunnen worden verstrekt. Het college van burgemeester en wethouders kan in subsidieregelingen nader specificeren welke activiteiten precies worden gesubsidieerd.

  • Praktijkervaringen tonen de behoefte aan naar goed onderbouwde beleidsregels. Het is nodig om expliciete keuzes te maken ten aanzien van activiteiten en instellingen die door de gemeente kunnen worden gesubsidieerd. Ook de berekening en afrekening van de subsidiebedragen in relatie tot de uitvoering van activiteiten en het bereiken van (gemeentelijke) doelstellingen worden beter onderbouwd en meer inzichtelijk gemaakt.

Dit zou op termijn kunnen gaan leiden tot heroverweging of herverdeling van bestaande subsidierelaties.

 

Algemene grondslag ASV Westland 2016

De Awb verplicht gemeenten in subsidieverordeningen aan te geven voor welke activiteiten een subsidie kan worden verkregen. In artikel 2 van de ASV Westland 2016 wordt vermeld dat dit activiteiten betreft op de beleidsterreinen die vallen onder de door de raad vastgestelde en in de begroting opgenomen programma’s. Hierdoor ontstaat er meer flexibiliteit voor het verstrekken van subsidies voor activiteiten op het terrein van:

  • a.

    sociaal-cultureel werk

  • b.

    educatie;

  • c.

    sport;

  • d.

    kunst, cultuur en historisch erfgoed;

  • e.

    participatie;

  • f.

    jeugd- en jongerenwerk;

  • g.

    maatschappelijke ondersteuning;

  • h.

    volksgezondheid;

  • i.

    evenementen;

  • j.

    veiligheid;

  • k.

    gemeentelijke promotie en toerisme;

  • l.

    internationale samenwerking;

  • m.

    natuur en milieu.

 

Welke activiteiten die onder de genoemde terreinen vallen precies worden gesubsidieerd, wordt uitgewerkt in subsidieregelingen.

 

Inhoud en opbouw ASV Westland 2016

De ASV Westland 2016 bestaat uit vijf hoofdstukken:.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Hoofdstuk 2 Subsidieverlening

Hoofdstuk 3 Verplichtingen

Hoofdstuk 4 Vaststelling subsidies

Hoofdstuk 5 Slotbepalingen

 

Hoofdstuk 1, de algemene bepalingen, omvat onder meer de begripsbepalingen, de algemene grondslag, de subsidieplafonds en meerjarige subsidies.

De bepalingen over de indiening van aanvragen om verlening van subsidies, beslistermijnen en weigeringsgronden zijn opgenomen in Hoofdstuk 2.

De verordening gaat er in beginsel van uit dat aan de subsidievaststelling een verleningsbeschikking vooraf gaat. In geval van structurele subsidies < € 10.000,- ligt dat anders. In overeenstemming met de artikelen 4:29 en 4:43 Awb worden deze structurele subsidies direct vastgesteld. Een uitzondering hierop vormen de subsidies van minder dan € 10.000,- voor voorschoolse educatie. Deze subsidies worden standaard eerst verleend en na afloop van de activiteiten vastgesteld. De bepalingen over de verlening van de verschillende soorten subsidies zijn neergelegd in Hoofdstuk 2.

Hoofdstuk 3 bevat de verplichtingen voor de subsidieontvanger. Niet-naleving van de verplichtingen kan leiden tot het lager vaststellen van de subsidie. De verplichtingen maken het onder meer mogelijk een goed zicht te krijgen of te houden op het verloop van de gesubsidieerde activiteiten en de (financiële) ontwikkelingen binnen de organisatie.

In Hoofdstuk 4 zijn de bepalingen omtrent vaststelling van de subsidie neergelegd en is een hardheidsclausule opgenomen. Rekening en verantwoording wordt afgelegd nadat de activiteiten zijn uitgevoerd, in het kader van de subsidievaststelling. Op grond van de Awb moet iedere subsidie worden vastgesteld. Bij de vaststelling wordt nagegaan of, en in welke mate, de activiteiten zijn verricht en de verplichtingen zijn nagekomen. Als de activiteiten zijn uitgevoerd overeenkomstig de verlening, dan wordt de subsidie vastgesteld op het verleningsbedrag.

Het is denkbaar dat de activiteiten gedeeltelijk zijn uitgevoerd, maar dat het met de subsidie beoogde resultaat in zijn geheel niet wordt bereikt.

Een verbouwing van een sportaccommodatie wordt bijvoorbeeld maar gedeeltelijk uitgevoerd, waardoor een accommodatie die voldoet aan de eisen van deze tijd (het doel van de subsidie) nog steeds niet gerealiseerd is. In dat geval kan een subsidie op nul worden vastgesteld.

Hoofdstuk 5 bevat de gebruikelijke slotbepalingen zoals de intrekking van de bestaande subsidieverordening en een overgangsbepaling.

 

Verhouding Algemene wet bestuursrecht

Titel 4.2 van de Awb bevat specifieke bepalingen die van toepassing zijn op subsidies. De bepalingen uit de Awb gelden naast de ASV Westland 2016. Sommige bepalingen uit de Awb bieden de mogelijkheid eigen regels te stellen, andere hebben een dwingend karakter. Zo ligt de definitie van een subsidie bijvoorbeeld vast (artikel 4:21 Awb). Volgens deze bepaling wordt onder een subsidie verstaan: de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten. Iedere financiële relatie tussen de gemeente en een burger of instelling die voldoet aan de kenmerken van de definitie, is een subsidie. Ook wanneer die relatie wordt vormgegeven als opdracht of overeenkomst. Ook bevat de Awb een regeling voor de situaties waarin een subsidie lager vastgesteld, ingetrokken, gewijzigd of beëindigd mag worden. Daarom zijn over deze onderwerpen geen regels in de ASV Westland 2016 opgenomen.

                   

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

Het artikel bevat een beperkt aantal begripsbepalingen. Binnen de gemeente Westland kunnen verschillende soorten subsidies worden verleend.

 

Incidentele subsidies - voorheen projectsubsidies genoemd - worden verleend voor in tijd begrensde activiteiten van een subsidieontvanger. Het kan gaan om een incidentele activiteit die maar een keer wordt georganiseerd en om activiteiten die jaarlijks terugkeren.

In artikel 4:23, vierde lid, onder d, van de Awb is neergelegd dat in incidentele gevallen kan worden afgeweken van de hoofdregel. Een incidentele subsidie is een subsidie die in beginsel eenmalig wordt toegekend, in elk geval niet structureel. Subsidie voor een activiteit die een permanent of repetitief karakter heeft (elk jaar, elke twee jaar bijvoorbeeld), is niet incidenteel als het in de rede ligt ook in de toekomst te blijven subsidiëren. Maar één of twee keer subsidiëren in afwachting van de beslissing over de vraag of er een subsidieregeling zal worden getroffen, wordt ook wel als incidenteel behandeld. Daarop is dan onderdeel a van artikel 4:23, derde lid, van de Awb van toepassing (zie hiervoor); onderdeel d van hetzelfde artikellid laat daarvoor uitdrukkelijk ruimte door middel van de zinsnede “mits de subsidie voor ten hoogste vier jaren wordt verstrekt”.

 

Structurele subsidies - voorheen activiteitensubsidie genoemd - worden verleend voor reguliere, voortdurende, activiteiten die gedurende het hele jaar plaatsvinden. Het gaat om activiteiten van bijvoorbeeld de bibliotheek, maatschappelijke organisaties of peuterspeelzalen. Die verzorgen allemaal activiteiten die structureel zijn en vrijwel het hele jaar doorlopen. De structurele subsidie kan worden verleend per kalenderjaar of per schooljaar. Een aantal subsidieontvangers heeft een administratie ingericht op basis van een schooljaar. Het college bepaalt voor welke activiteit het kalenderjaar en voor welke activiteit het schooljaar wordt aangehouden. In de verordening wordt onderscheid gemaakt tussen structurele subsidies van € 10.000,- of meer en structurele subsidies van minder dan € 10.000,-. Aan de grotere subsidies worden hogere eisen gesteld als het gaat om de subsidieaanvraag, subsidieverlening en subsidievaststelling en kan het college aan de subsidieontvanger meer verplichtingen opleggen.

 

Investeringssubsidies sport worden verleend voor het bouwen of verbouwen van sportgebouwen of -inrichtingen.

 

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    incidentele subsidie: subsidie voor activiteiten met een eenmalig of experimenteel karakter;

  • b.

    structurele subsidie: jaarlijks terugkerende subsidie voor de exploitatiekosten teneinde activiteiten met een voortdurend karakter of jaarlijks terugkerende activiteiten in stand te houden;

  • c.

    subsidieregeling: nadere regels als bedoeld in artikel 10;

  • d.

    wet: Algemene wet bestuursrecht;

  • e.

    activiteitenplan: zoals bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht artikel 4:62;

  • f.

    rekenkamercommissie: de door de gemeenteraad bij of krachtens verordening ingestelde rekenkamercommissie;

  • g.

    risicoparagraaf: opgave van factoren die ertoe kunnen leiden dat de subsidie niet wordt gebruikt waarvoor deze is verleend en opgave van de beheersmaatregelen om deze factoren te beperken (zoals voorzieningen);

  • h.

    controleverklaring: accountantsverklaring als bedoeld in artikel 393 eerste lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

  • i.

    controleprotocol: handleiding voor de accountant voor de controle op de besteding van het subsidiebedrag.

  • j.

    Gelieerde rechtspersoon: onder gelieerde rechtspersoon wordt verstaan een rechtspersoon die voornamelijk dient ter financiële ondersteuning of buffer van de subsidieaanvrager, tot uitdrukking komend in één of meerdere van de volgende kenmerken:

    • 1.

      een rechtspersoon waaraan in het verleden door de subsidieaanvrager een groter bedrag dan € 500 om niet ter beschikking is gesteld, waarover de subsidieaanvrager op enig moment weer de beschikking kan krijgen;

    • 2.

      een rechtspersoon ten aanzien waarvan de subsidieaanvrager een beslissende invloed heeft op de besteding van de middelen dan wel invloed heeft op de benoeming van één of meer bestuursleden;

    • 3.

      een rechtspersoon, die statutaire bepalingen kent op grond waarvan bij liquidatie gelden aan de subsidieaanvrager kunnen toevloeien;

    • 4.

      een rechtspersoon, waarbij statutair bepaald is dat deze mede ten doel heeft de subsidieaanvrager financieel te ondersteunen.

 

Artikel 2 Algemene grondslag

Artikel 4:23 van de Awb verplicht de gemeente een wettelijk voorschrift vast te stellen waarin is geregeld voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt. Met het vaststellen van de ASV Westland 2016 is aan deze verplichting voldaan.

De verordening is van toepassing op subsidieaanvragen en -besluiten die betrekking hebben op de genoemde beleidsterreinen, te weten:

  • a.

    sociaal-cultureel werk

  • b.

    educatie;

  • c.

    sport;

  • d.

    kunst, cultuur en historisch erfgoed;

  • e.

    participatie;

  • f.

    jeugd- en jongerenwerk;

  • g.

    maatschappelijke ondersteuning;

  • h.

    volksgezondheid;

  • i.

    evenementen;

  • j.

    veiligheid;

  • k.

    gemeentelijke promotie en toerisme;

  • l.

    internationale samenwerking;

  • m.

    natuur en milieu.

 

Dit betekent niet dat alle aanvragen om subsidie voor activiteiten op deze beleidsterreinen ook toegekend zullen worden. Alleen de activiteiten die in beleidsregels nader zijn omschreven kunnen worden gesubsidieerd.

 

Artikel 3 Bevoegdheden college

Het college is belast met de uitvoering van deze verordening en dus bevoegd alle besluiten die nodig zijn ter uitvoering van de verordening te nemen. Het betreft niet alleen het beslissen op aanvragen om subsidieverlening of vaststelling, maar bijvoorbeeld ook het tussentijds intrekken, wijzigen of het beëindigen van subsidierelaties.

 

Artikel 4 Subsidieplafonds

Begrip subsidieplafond

Een subsidieplafond is het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens een bepaald wettelijk voorschrift. Het is derhalve de bedoeling dat per beleidsterrein of voor de activiteiten die in de beleidsregels zijn genoemd, een plafond wordt ingesteld. De vaststelling van een plafond moet bekend gemaakt worden overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:42 Awb, door kennisgeving van het besluit of van de zakelijke inhoud ervan in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze.

 

Bevoegdheid college

Het college stelt de subsidieplafonds vast, zo mogelijk overeenkomstig het bedrag dat voor de betreffende activiteit op de begroting beschikbaar is gesteld. Niet in alle gevallen zal een te subsidiëren activiteit op de begroting zijn vermeld. Ook dan dient het college vanzelfsprekend rekening te houden met de door de gemeenteraad beschikbaar gestelde financiële middelen. Deze zijn dan echter niet direct te herleiden tot één begrotingspost.

Omdat subsidieplafonds besluiten van algemene strekking zijn waartegen bezwaar en beroep kan worden ingediend, kunnen de plafonds niet worden opgenomen in beleidsregels.

 

Subsidieplafond niet altijd nodig

Het vaststellen van een subsidieplafond is niet verplicht en ook niet altijd nodig.

Een subsidieplafond beoogt te voorkomen dat de begroting van een overheidsorganisatie moet worden overschreden, omdat het beroep dat op de subsidieregeling wordt gedaan, de beschikbare financiële middelen overschrijdt. Wanneer voorafgaand aan een subsidiejaar duidelijk is in welke omvang aanspraak wordt gemaakt op de subsidieregeling en dit bedrag op de begroting beschikbaar is gesteld, is het niet nodig een plafond in te stellen. Wanneer gedurende het subsidiejaar nog aanvragen kunnen worden ingediend, zoals bijvoorbeeld bij buurtactiviteiten, is van tevoren niet duidelijk hoeveel aanvragen zullen worden ingediend. In dat geval voorkomt een subsidieplafond dat ook een subsidie moet worden verstrekt, terwijl er geen geld meer beschikbaar is.

 

Verdeelregels

Het college stelt per subsidieplafond de wijze van verdeling van het beschikbare subsidiebudget vast.

Tegelijkertijd met de bekendmaking van het subsidieplafond, wordt ook de wijze vermeld waarop het beschikbare geld wordt verdeeld. Deze verdeelregels zijn niet hetzelfde als de weigeringsgronden of de eisen die worden gesteld om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie. De verdeelregels zijn de regels die worden toegepast op het moment dat het totaal van de aanvragen dat voldoet aan de eisen om in aanmerking te komen voor een subsidie, meer bedraagt dan aan financiële middelen beschikbaar is gesteld bij de vaststelling van het subsidieplafond. In dat geval moet het geld worden verdeeld over al die aanvragen.

 

Artikel 5 Subsidiabele kosten overhead

Subsidiabele kosten overhead: kosten die vallen onder de definitie overheadkosten worden gesubsidieerd voor zover zij niet meer dan 25% van de totale kosten uitmaken. Dit betekent dat in de praktijk gekeken moet worden in hoeverre het subsidiebedrag bestaat uit exploitatiekosten, accommodatiekosten of de kostprijs van de activiteit en welk percentage als overhead in rekening wordt gebracht. Het doel van deze bepaling is om zoveel mogelijk activiteiten te subsidiëren in plaats van de bedrijfsvoering;

 

Artikel 6 Indexering

Jaarlijks kan een subsidie of een subsidiecomponent worden bijgesteld op basis van een door het college vast te stellen indexering. Het staat ter beoordeling van het college of subsidie voor bepaalde activiteiten worden geïndexeerd.

 

Artikel.7 Sanctie bij te laat of onvolledig indienen aanvraag vaststelling

Sanctie bij te laat indienen van een aanvraag voor subsidievaststelling: organisaties die een subsidie ontvangen van meer dan € 10.000,- zijn verplicht om na de afronding van de activiteiten een aanvraag tot subsidievaststelling (verantwoording) in te dienen voor 1 juni van het volgende jaar. In het kader van de verantwoording en rechtmatigheid is het van belang om een besluit tot subsidievaststelling te nemen.

Met deze bepaling is getracht om subsidieontvangers, op last van een vermindering van 5% van het subsidiebedrag, de aanvraag voor subsidievaststelling binnen de gestelde termijn in te dienen. Wanneer subsidieontvangers een onvolledige aanvraag indienen binnen de gestelde termijn moet de gemeente Westland de ontvangers de gelegenheid geven om de aanvraag aan te vullen binnen een redelijke termijn. Wanneer subsidieontvangers in het geheel geen aanvraag tot subsidievaststelling (verantwoording) indienen is een ambtshalve vaststelling van de subsidie op € 0,- in principe de enig mogelijke reactie. De besteding van de subsidie is immers in het geheel niet verantwoord.

 

Artikel 8 Maximaal eigen vermogen

Met dit financiële kader kiest het college van B&W voor transparant beleid om excessieve vermogensvorming en onwenselijke inzet van gemeenschapsgeld te voorkomen. Om in te kunnen spelen op onvoorziene situaties in de praktijk zijn er een aantal bepalingen opgenomen waardoor het mogelijk wordt om als college flexibel om te gaan met deze beoordelingen. Zo heeft het college de mogelijkheid van de regel af te wijken (negende lid). Van deze mogelijkheid zal overigens terughoudend gebruik worden gemaakt. Ook kan het college bepalen dat de overtollige gelden mogen worden besteed aan extra activiteiten die passen binnen het subsidiebeleid (achtste lid) en is het mogelijk om de mindering over drie jaren te verspreiden en zo een geleidelijke overgang te creëren. Ook deze mogelijkheden zullen terughoudend worden gebruikt. Immers worden de maatschappelijke effecten met deze overtollige gelden bij voorkeur zo spoedig mogelijk gerealiseerd.

 

Artikel 9 Subsidies op grond van de Awb

  • 1.

    Het college is bevoegd te beslissen op aanvragen om subsidie op grond van artikel 4.23, derde lid van de Awb.

  • 2.

    Op subsidies die worden verstrekt op grond van artikel 4:23, derde lid, van de wet, zijn de artikelen 11, 12, 14 eerste tot en met derde lid, 15 tot en met 17 onder a tot en met e, 20 tot en met 22, 25 tot en met 27 van deze verordening van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    De artikelen 18 en 19 van deze verordening zijn van overeenkomstige toepassing op subsidies die worden verstrekt op grond van artikel 4:23, derde lid onder c, van de wet.

     

Artikel 10 Eisen aan een subsidieregeling

Een subsidieregeling bevat:

  • a.

    een omschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt;

  • b.

    het subsidieplafond dan wel de mogelijkheid voor het college een subsidieplafond vast te stellen, tenzij daar geen behoefte aan bestaat;

  • c.

    de criteria waaraan de subsidieaanvragen worden getoetst;

  • d.

    voor zover gewenst, de bepaling dat de subsidie zonder voorafgaande verlening wordt vastgesteld en

  • e.

    de verplichtingen die aan de subsidieverstrekking kunnen worden verbonden, naast de verplichtingen die op grond van de wet en deze verordening aan de subsidieverstrekking kunnen verbonden.

     

Artikel 11 Meerjarige subsidies

Aan de verlening van meerjarige subsidies wordt dit een artikel een maximum gesteld van vier jaren. Bij de subsidieverlening wordt aangegeven op welk bedrag de subsidieontvanger jaarlijks recht heeft dan wel op welke wijze het toegekende bedrag jaarlijks geïndexeerd wordt. Is er sprake van indexering, dan past het college jaarlijks het subsidiebedrag aan en maakt dit bekend voor 1 december.

 

Hoofdstuk 2 Subsidieverlening

Artikel 12 Indieningstermijn aanvraag

Het artikel regelt dat een aanvraag om verlening van een structurele subsidie of van een investeringssubsidie sport uiterlijk 1 april voorafgaand aan het subsidiejaar op een door het college vastgesteld formulier moet worden ingediend. De gehanteerde termijn maakt het mogelijk om in de begroting rekening te houden met de aangevraagde subsidiebedragen. Van de genoemde termijn kan het college ontheffing verlenen.

De aanvrager van een subsidie verschaft de gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Dit is de algemene regel uit artikel 4:2 Awb. Artikel 14 ASV Westland 2016 werkt deze bepaling uit door concreet te benoemen welke gegevens moeten worden overgelegd bij het indienen van een aanvraag om een structurele of incidentele subsidie, namelijk een activiteitenplan en een begroting.

Voor de aanvraag om verlening van een incidentele subsidie geldt in principe een indieningstermijn van tenminste acht weken voorafgaand aan de te realiseren activiteit. Voor het overige is artikel 14, tweede lid onder d. en vierde lid , van de ASV Westland 2016 van overeenkomstige toepassing op de aanvraag om een incidentele subsidie.

 

Artikel 13 Tweede aanvraag algemeen

In nadere regels kan het college bepalen of en onder welke voorwaarden er binnen hetzelfde tijdvak een tweede aanvraag kan worden ingediend.

 

Artikel 14 Eisen aan de aanvraag

Teneinde de voor de beoordeling van een subsidieaanvraag benodigde informatie volledig en gestructureerd te ontvangen, wordt gewerkt met standaardformulieren, waarvan een aanvrager gebruik moet maken om een subsidieaanvraag in te kunnen dienen.

In geval van een eerste aanvraag zal een organisatie vaak nog niet bekend zijn bij het gemeentebestuur. Het is daarom wenselijk in dat geval over extra gegevens te beschikken om een goed oordeel te kunnen vormen over de vraag of de organisatie in aanmerking komt voor subsidie. Ongeacht de vraag of het een eerste aanvraag om subsidie betreft, kan het college overlegging van andere stukken of verstrekking van nadere informatie verlangen, indien nodig ter beoordeling van de subsidieaanvraag.

Omdat het bedrag van een kleinere structurele subsidie relatief laag is, hoeven er vergeleken met de overige subsidiesoorten minder gegevens te worden overgelegd. Een subsidieaanvraag moet vergezeld gaan van een globaal activiteitenplan en een overzicht van de kosten en eventuele opbrengsten van de activiteiten. Het college kan overlegging van andere stukken of verstrekking van nadere informatie verlangen, indien nodig ter beoordeling van de subsidieaanvraag.

 

Artikel 15 Beschikking op de aanvraag om subsidieverlening

De beslistermijn voor een structurele subsidie van € 10.000 of meer of een investeringssubsidie sport is vóór de periode van het jaar waarop de aanvraag voor subsidie betrekking heeft. Wanneer de subsidie per schooljaar wordt verstrekt, moet uiterlijk 1 september van het jaar waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft, worden beslist. Bij de start van het schooljaar moet duidelijk zijn of een subsidie is verleend.

Voor incidentele subsidies geldt een beslistermijn van acht weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidieverlening.

Omdat een structurele subsidie van minder dan € 10.000 wordt vastgesteld zonder voorafgaande verleningsbeschikking verwijst het artikel naar artikel 16 van de ASV Westland 2016, waarin is bepaald dat het college uiterlijk 1 december van het jaar voorafgaande aan het jaar waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft de aanvraag om een subsidie van minder dan € 10.000 vaststelt. Ten aanzien van incidentele subsidies tot € 10.000 beschikt het college over de mogelijkheid deze direct vast te stellen, zonder voorafgaande verleningsbeschikking.

 

Artikel 16 Weigeringsgronden

Artikel 4:25, tweede lid, en artikel 4:35 van de Awb noemen verschillende gronden om subsidie te weigeren. Deze weigeringsgronden worden in artikel 16 van de ASV Westland 2016 aangevuld. Naast het feit dat de ASV Westland 2016 of beleidsregels de subsidiëring van bepaalde activiteiten mogelijk moeten maken, moet ook aan een aantal andere randvoorwaarden voldaan zijn om in aanmerking te komen voor de subsidie.

  • a.

    Het college verstrekt geen subsidie indien de activiteiten niet passen binnen het beleid van de gemeente.

  • b.

    Subsidie is een beleidsinstrument dat wordt ingezet om bepaalde doelstellingen van het gemeentebestuur te realiseren. Dit is alleen mogelijk wanneer de activiteiten in overwegende mate gericht zijn op de gemeente of haar inwoners dan wel ten goede komen aan de gemeente of haar inwoners.

  • c.

    De subsidie moet worden besteed aan de activiteiten waarvoor zij verleend is. Wanneer gegronde reden bestaat aan te nemen dat de subsidie geheel of gedeeltelijk zal worden aangewend voor andere zaken, kan deze geweigerd worden.

  • d.

    Wanneer een subsidieaanvraag in principe voor toewijzing in aanmerking komt, maar het college gegronde reden heeft aan te nemen dat de activiteiten bijvoorbeeld beter op andere wijze of met minder middelen dan voorgesteld kunnen worden uitgevoerd, kan het de subsidie weigeren.

  • e.

    Om te voorkomen dat dezelfde activiteiten onnodig dubbel worden georganiseerd, dient een subsidieaanvrager samen te werken met andere instellingen die dezelfde activiteiten verzorgen.

  • f.

    Activiteiten die beogen een partijpolitiek, godsdienstig of levensbeschouwelijk standpunt over te dragen, worden niet gesubsidieerd.

  • g.

    Het college verleent geen subsidie wanneer er gegronde redenen bestaan aan te nemen dat de subsidieaanvrager handelt in strijd met de wet, het algemeen belang of de openbare orde (Wet Bibob).

  • h.

    Wanneer de subsidieaanvrager beschikt over voldoende eigen middelen (eigen vermogen) is er geen aanleiding tot subsidiëring over te gaan.

  • i.

    Hetzelfde geldt voor de situatie waarin de aanvrager mogelijkheden heeft andere inkomsten te verkrijgen, maar deze niet of niet voldoende benut. Te denken valt aan contributie van leden, donaties, sponsors, subsidies van andere bestuursorganen (profijtbeginsel).

  • j.

    Tot subsidiëring hoeft niet te worden overgegaan, als in het beoogde doel of de voorgenomen activiteiten al op andere wijze is voorzien.

  • k.

    Activiteiten die plaatsvinden in het kader van een jubileum van de subsidieontvanger worden niet gesubsidieerd.

 

Hoofdstuk 3 Verplichtingen

 

Artikel 17 Toestemming voor bepaalde handelingen

Het artikel geeft het college de bevoegdheid om bij een structurele subsidie van € 10.000 of meer de subsidieontvanger te verplichten toestemming te vragen voor de handelingen zoals opgenomen in artikel 4:71, eerste lid, van de Awb. Het gaat om de volgende handelingen:

  • a.

    het oprichten van dan wel deelnemen in een rechtspersoon;

  • b.

    het aangaan van overeenkomsten waarbij de subsidieontvanger zich verbindt tot zekerheidsstelling met inbegrip van zekerheidsstelling voor schulden van derden of waarbij hij zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt of zich voor een derde sterk maakt;

Het artikel verklaart artikel 4:71, tweede tot en met vierde lid, van de Awb van overeenkomstige toepassing. Daarin is geregeld dat binnen vier weken wordt beslist op een aanvraag om toestemming. Deze termijn kan worden verlengd met vier weken. De aanvrager moet schriftelijk op de hoogte worden gesteld van het besluit de beslistermijn te verlengen. Wordt niet tijdig beslist, dan wordt deze geacht te zijn verleend.

 

Artikel 18 Meldingsplicht wijzigingen organisaties

De subsidieontvanger doet een mededeling aan het college, binnen één maand na bekendmaking, in geval van bijvoorbeeld:

  • a.

    het wijzigen van de statuten;

  • b.

    wijziging van de bestuurssamenstelling;

  • c.

    het ontbinden van de rechtspersoon;

  • d.

    het doen van aangifte tot zijn faillissement of het aanvragen van zijn surseance van betaling.

 

Artikel 19 Meldingsplicht afwijking activiteiten of verplichtingen

De subsidieontvanger doet onverwijld melding aan het college, zodra aannemelijk is dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, niet of geheel niet zullen worden verricht of dat niet of geheel niet aan de aan de beschikking tot subsidieverlening verbonden verplichtingen zal worden voldaan.

Het college heeft de bevoegdheid om de bevoorschotting stop te zetten indien de subsidieontvanger verzuimt deze meldingsplicht na te komen.

Als de subsidieontvanger na de subsidieverlening niet aan de voorwaarden voldoet, wordt de subsidie niet vastgesteld.

 

Artikel 20 Niet subsidiabele kosten

Loonkosten van bestuurders, directie of andere medewerkers van subsidieaanvrager die de in de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector opgenomen norm (Wnt-norm) te boven gaan, komen niet voor subsidie in aanmerking.

Voor dit alternatief is gekozen omdat de gemeente een subsidie niet mag korten wanneer een bestuurder van een publieke en semipublieke instelling een topsalaris verdient. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht mogen aan de subsidieontvanger alleen verplichtingen worden opgelegd als die "strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie”. . 

 

Artikel 21 Overig onderzoek

De subsidieontvanger is verplicht mee te werken aan een onderzoek door het college of de rekenkamercommissie naar de besteding van de subsidiegelden of de naleving van de aan de subsidie verbonden verplichtingen door de ontvanger.

Het onderzoek kan zich uitstrekken over meerdere jaren en meerdere gesubsidieerde activiteiten.

 

Artikel 22 Voorzieningen en vermogensvorming bij structurele subsidies

Het college kan de ontvanger van een structurele subsidie verplichten om bestemmingsreserves of voorzieningen te vormen. Bestemmingsreserves zijn reserves die worden gevormd met het oog op bepaalde investeringen, die in een bepaald jaar voor een bepaalde doel zullen worden gedaan. Deze dienen te worden opgenomen in de begroting, jaarrekening en balans van de subsidieontvanger Wanneer de subsidieontvanger zelf initiatief neemt tot de vorming en voeding van bestemmingsreserves met subsidie van de gemeente, is goedkeuring van het college vereist. Ook in dat geval dient de bestemmingsreserve te worden opgenomen in de begroting, jaarrekening en balans van de subsidieontvanger.

Het college kan de ontvanger van een structurele subsidie verplichten een egalisatiereserve te vormen, waarbij het verschil tussen het vastgestelde subsidiebedrag en de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend ten gunste of ten laste van reserve komen. Hierbij geldt dat de van de egalisatiereserve genoten rente aan de egalisatiereserve wordt toegevoegd.

Met een egalisatiereserve kunnen tekorten in het ene jaar worden opgevangen met overschotten in het andere jaar of andere jaren. De egalisatiereserve vormt mede de weerstandscapaciteit van de subsidieontvanger.

 

Artikel 23 Vergoeding bij vermogensvorming

Artikel 4:41 van de Awb biedt de mogelijkheid in bepaalde gevallen een vergoeding te vragen van met de subsidie behaald vermogensvoordeel, wanneer dit in de verordening of bij de subsidieverlening is bepaald. De gemeente Westland hecht eraan dat de subsidies worden besteed aan activiteiten en niet onnodig leiden tot vermogensvorming. Omdat het niet redelijk en doenlijk is iedere vermogenstoename af te romen, is de vergoedingsplicht aan enkele beperkingen gebonden. Vast moet staan dat de vermogenstoename niet zou hebben plaatsgevonden als de subsidie niet zou zijn verleend. Een vergoeding is uitsluitend verschuldigd in de volgende situaties:

  • -

    de subsidieontvanger vervreemdt, bezwaart of wijzigt de bestemming van goederen die voor de gesubsidieerde activiteiten zijn gebruikt of bestemd;

  • -

    de subsidieontvanger ontvangt een schadevergoeding voor verlies of beschadiging van voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen;

  • -

    de gesubsidieerde activiteiten worden geheel of gedeeltelijk beëindigd;

  • -

    de subsidieverlening of de subsidievaststelling wordt ingetrokken of de subsidie wordt beëindigd;

  • -

    de rechtspersoon die de subsidie ontvangt, wordt ontbonden.

 

Het tweede en derde lid van artikel 23 bepalen op welke wijze de hoogte van de te betalen vergoeding wordt berekend. Worden de activiteiten van de subsidieontvanger voortgezet door een derde partij en worden de activa en passiva tegen de boekwaarde overgedragen, dan is er geen aanleiding een vergoeding voor vermogensvorming te eisen (lid 4).

 

Artikel 24 Niet doelgebonden verplichting ex artikel 4:39 van de wet

Artikel 4:39 van de Awb bepaalt dat verplichtingen die geen relatie hebben met het doel waarvoor de subsidie wordt verstrekt, maar beogen andere beleidsdoelstellingen te realiseren, alleen mogen worden opgelegd wanneer zij een relatie hebben met de wijze waarop of de middelen waarmee de activiteiten worden uitgevoerd.

Social return of investment volgens het ‘Protocol Social Return Westland’: social return is een manier om sociaal rendement te realiseren bij overheidsopdrachten. Dat wil zeggen dat partijen in ruil voor het uitvoeren van overheidsopdrachten iets terug doen voor de maatschappij door het creëren van werkgelegenheid, stage- en leerwerkplekken voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Social Return wordt toegepast door middel van het opnemen van sociale criteria (voorwaarden, eisen en wensen) in de beschikking.

De doelgroep van Social Return bestaat uit werkloze jongeren tot 27 jaar en personen met een grote(re) afstand tot de arbeidsmarkt. Dat wil zeggen langere tijd werkloos (langer dan 12 maanden), 50 jaar of ouder en/of personen die zonder re-integratieondersteuning of andere begeleiding niet zelfstandig aan werk kunnen komen.

 

Onder de doelgroep zijn te verstaan:

WWB (Wet Werk & Bijstand)

WW1 (Werkloosheidswet)

WIA/WGA/WAZ (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen/Werkhervatting Gedeeltelijk/ Wet

arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen Arbeidsgeschikten/

WAJONG (Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten)

IOAW/IOAZ (Wet Inkomensvoorziening Oudere gedeeltelijk Arbeidsongeschikte en Werkloze

werknemers/Inkomensvoorziening Oudere Arbeidsongeschikte Zelfstandigen)

SW-geïndiceerden (Sociale Werkvoorziening)

Niet uitkeringsgerechtigde werkzoekenden1

Vroegtijdige schoolverlaters met onvoldoende kwalificaties

Leerlingen in het kader van BOL/BBL opleidingen, VSO en/of praktijkscholen.

 

Op grond van artikel 24 kan het college de subsidieontvanger verplichtingen opleggen ten aanzien van:

  • a.

    gelijke behandeling;

  • b.

    toegankelijkheid van de activiteiten voor mensen met een beperking;

  • c.

    social return of investment;

  • d.

    duurzaamheid;

  • e.

    de samenwerking met andere instellingen;

Daarnaast regelt het artikel dat het college bij de subsidieverlening tevens verplichtingen kan opleggen indien regelingen van het Rijk dan wel van de provincie deze aanbevelen.

 

Artikel 25 Controleprotocol

Voor zover de subsidieontvanger verplicht is bij de aanvraag tot vaststelling een goedkeurende controleverklaring over te leggen, is hij verplicht het controleprotocol voorafgaand aan de controle ter beschikking van de accountant te stellen.

 

Wanneer de subsidieverlening € 70.000 of meer bedraagt, overlegt de subsidieontvanger bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie een originele accountantsverklaring.

Het is ook mogelijk dat door het verstrekken van meerdere subsidies aan eenzelfde subsidieontvanger de subsidieverlening in totaal € 70.000 of meer bedraagt. Ook in dat geval moet de subsidieontvanger een originele accountantsverklaring overleggen. De subsidies zijn in deze situatie natuurlijk wel allemaal verleend door bestuursorganen van de gemeente Westland. Ook gaat het om subsidies die voor hetzelfde tijdvak zijn verleend. Wanneer de subsidie een bijdrage in de huurkosten van de accommodatie omvat, is het niet nodig dat de accountant onderzoekt of de subsidie daadwerkelijk aan de huurkosten is besteed. Daarom is geregeld dat de grens van € 70.000 wordt berekend na aftrek van dat deel van de subsidie dat bestemd is voor het voldoen van de huur.

 

De verklaring van de accountant omvat niet alleen de uitslag van het gebruikelijke onderzoek of het financiële verslag voldoet aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften en of het activiteitenverslag, voor zover hij dat verslag kan beoordelen, met het financiële verslag verenigbaar is. De verklaring omvat ook de uitslag van het onderzoek naar de naleving van de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Bij de subsidieverlening wordt een aanwijzing gegeven over reikwijdte en intensiteit van het onderzoek van de accountant naar het naleven van de verplichtingen. In lid 5 is geregeld dat een bestuursverklaring of een verklaring van de kascommissie als bedoeld in artikel 2:48 Burgerlijke Wetboek wordt overgelegd, wanneer een accountantsverklaring niet vereist is. Is de subsidie verleend aan natuurlijke personen, dan hoeft geen verklaring te worden overgelegd. In dat geval zal de natuurlijke persoon of groep van natuurlijke personen die de subsidie hebben ontvangen zelf de stukken waarmee rekening en verantwoording wordt afgelegd hebben opgesteld en voegt een verklaring hier niets aan toe.

 

Hoofdstuk 4 Subsidievaststelling

 

Artikel 26 Aanvraag tot subsidievaststelling

De aanvraag tot vaststelling van een structurele subsidie van € 10.000 of meer of van een incidentele subsidie of een investeringssubsidie sport moet binnen vijf maanden na afloop van het tijdvak of na het einde van de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt worden gedaan.

Net als bij de aanvraag om verlening van een subsidie, wordt bij de aanvraag om vaststelling gewerkt met standaardformulieren.

Het is van belang om bij de subsidievaststelling te beschikken over de gegevens die de uitgevoerde activiteiten, de inkomsten en uitgaven, alsmede de mate van naleving van de verplichtingen in beeld brengen. Het artikel noemt hiertoe de gegevens die in het kader van een aanvraag tot subsidievaststelling moeten worden overgelegd, te weten een financieel verslag en een activiteitenverslag.

 

Artikel 27 Beslistermijn vaststelling van de subsidie

Het college beslist op een aanvraag tot vaststelling van een structurele subsidie van € 10.000 of meer en op een aanvraag tot vaststelling van een investeringssubsidie binnen dertien weken na het einde van de termijn waarvoor de aanvraag moet zijn ingediend.

 

Het college beschikt op een aanvraag tot vaststelling van een incidentele subsidie binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. De termijn van acht weken geldt zowel wanneer aan de vaststelling een verleningsbeschikking vooraf is gegaan als wanneer de subsidie direct wordt vastgesteld.

 

Een structurele subsidie van minder dan € 10.000 wordt vastgesteld zonder voorafgaande verleningsbeschikking. Het college stelt vóór de periode van het jaar waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft de aanvraag om een subsidie van minder dan € 10.000 vast.

 

Artikel 28 Hardheidsclausule

Wanneer de toepassing van het bepaalde in de verordening leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, kan het college de verordening, of onderdelen daarvan, buiten toepassing laten of daarvan afwijken.

 

Hoofdstuk 5 Slotbepalingen

 

Artikel 29 Intrekking

Op het moment dat de ASV Westland 2016 in werking treedt, wordt de Algemene subsidieverordening Westland 2011 ingetrokken.

 

Artikel 30 Overgangsbepaling

De ASV Westland 2016 is van toepassing op aanvragen om subsidie die betrekking hebben op een tijdvak dat ligt na de inwerkingtreding of een activiteit die wordt uitgevoerd na de inwerkingtreding.

Uit het oogpunt van rechtszekerheid blijft op subsidies die zijn verstrekt voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, de Algemene subsidieverordening Westland 2011 van toepassing zoals deze luidde op de datum van inwerkingtreding van deze verordening .

Er gelden in de gemeente Westland enkele bijzondere subsidieverordeningen. Artikel 3, derde lid, van de ASV Westland 2016 bepaalt dat de gemeenteraad subsidieverordeningen kan vaststellen waarin is opgenomen dat de ASV Westland 2016 niet van toepassing is. Om te voorkomen dat de ASV Westland 2016 van toepassing wordt op de bestaande bijzondere subsidieverordeningen waarin nog niet is opgenomen dat de ASV Westland 2016 niet van toepassing is, worden deze verordeningen in artikel 32 expliciet uitgezonderd van de werking van de ASV Westland 2016. Het gaat om de Subsidieverordening Gemeentelijke Monumenten Westland 2007, de Reïntegratieverordening 2004, de Verordening subsidie oud papier Westland zoals vastgesteld op 31 januari 2006 en de Subsidieverordening Innovatie 3D Westland zoals vastgesteld op 10 juni 2014.

 

Artikel 31 Inwerkingtreding

De verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van bekendmaking.

 

Artikel 32 Citeertitel

De titel waarmee de verordening wordt aangeduid is: ASV Westland 2016.

Naar boven