Artikelsgewijze toelichting
In deze verordening is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de gebruikte begrippen in de Participatiewet, de Ioaw, de Ioaz, de Wet SUWI en de Algemene wet bestuursrecht.
Op grond van dit artikel dient het college een handhavingsbeleidsplan vast te stellen. Daarin moet het invulling geven aan de taken die het ingevolge deze verordening heeft. Uiteraard moet het college bij het vaststellen van het beleidsplan zich binnen de kaders van de verordening bewegen. Het fraudebeleid, preventie, controle, opsporing en de gevolgen van fraude moeten in dit beleidsplan evenwichtig aandacht krijgen.
Preventie begint met informatie. De belanghebbende moet zich ervan bewust zijn wat zijn rechten en plichten zijn, en wat de gevolgen van schending kunnen zijn. Ook moet hij geïnformeerd worden over het feit dat de gemeente zijn opgaven controleert. Belangrijke middelen om de belanghebbende vroegtijdig te informeren zijn, naast het besluit tot toekenning of voortzetting van bijstand, het verstrekken van nieuwsbrieven en brochures, en de persoonlijke gesprekken van de klantmanager met de belanghebbende. Het optimaliseren van de dienstverlening is van belang om de spontane naleving van de wet te bevorderen.
Het college dient de naleving van de regels te controleren. Daartoe verricht het periodiek en incidenteel onderzoek. Periodiek onderzoek ziet in de eerste plaats op de periodieke gegevensverstrekking die van de cliënt wordt verlangd (maandelijkse opgave van bepaalde gegevens). Ook kan het de vorm hebben van een zogenaamd heronderzoek. De door de belanghebbende verstrekte gegevens worden gecontroleerd op correctheid en validiteit. Indien het college dit nodig acht, hetzij wegens bij het onderzoek van gegevens gerezen vragen, hetzij wegens externe signalen of veranderde omstandigheden, verricht het incidenteel onderzoek. Het onderzoek kan onder meer betreffen het recht op bijstand van de belanghebbende, de naleving van de verplichtingen, de afstand van de belanghebbende tot de arbeidsmarkt.
Het college voert periodiek bestandsvergelijkingen uit en onderzoekt daaruit voortkomende samenloopsignalen. Om witte fraude op te sporen maakt het college gebruik van de samenloopapplicatie van het Inlichtingenbureau. De vergelijking is erop gericht na te gaan of een persoon naast de uitkering een andere vorm van inkomen heeft, is ingeschreven bij een instelling van wetenschappelijk of hoger onderwijs of beschikt over vermogen. Daarnaast maakt het college gebruik van Suwinet-Inkijk. Met dit instrument kan direct inzicht worden verkregen in relevante geregistreerde gegevens van verschillende instanties, waaronder het UWV WERKbedrijf en de RDW. Hierbij gaat het om adresgegevens, inschrijvingen, gegevens over bemiddelingsactiviteiten, gegevens met betrekking tot het opleidings- en arbeidsverleden, uitkeringsgegevens en vermogensgegevens.
Uit gesprekken, signalen van “buitenaf” en de gegevens die de belanghebbende verschaft, kunnen signalen van onrechtmatig handelen naar voren komen. Deze signalen kunnen aanleiding zijn voor het college om in gesprek te gaan met de cliënt om hem in gelegenheid te stellen zelf het signaal te weerleggen door het aanleveren van argumenten, gegevens of bewijsstukken. Indien de weerlegging onvoldoende is of indien het college dit noodzakelijk acht, vindt er intensieve controle plaats. Indien het college een strafbaar feit vermoedt, kan het besluiten ROTS (regionaal opsporingsteam sociale recherche) in te schakelen.
Door de uitvoering van de Participatiewet, de Ioaw en de Ioaz krijgt de gemeente met enige regelmaat vorderingen op uitkeringsgerechtigden en anderen. Daarbij kan gedacht worden aan bijstand in de vorm van een geldlening, terugvordering van ten onrechte genoten uitkering of wegens een opgelegde sanctie en verhaal van kosten van bijstand op een onderhoudsplichtige.
Het college heeft beleid opgesteld met betrekking tot de regels omtrent terugvordering, herziening, verhaal en invordering.
Het Openbaar Ministerie onderscheidt zaken die bestuursrechtelijk (sanctie op basis van de Afstemmingsverordening) en zaken die strafrechtelijk (vervolging of transactie) worden afgedaan. In beginsel geldt dat bij zaken met een nadeel minder dan € 50.000 geen aangifte wordt gedaan. Deze grens is vastgelegd in de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude van het college van procureurs-generaal (Aanwijzing d.d. 23 december 2008, kenmerk 2008A019, Stcrt. 23 december 2008, nr. 2373). Onder omstandigheden wordt overigens wel van de grens afgeweken (bijv. bij recidive binnen een periode van 5 jaar). Voor gedetailleerde informatie wordt verwezen naar de Aanwijzing.
De artikelen 5, 6 en 7 behoeven geen nadere toelichting.