Beleidsregels Handhaving, Maatregelen en Boete Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015
 
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
1. Begripsbepalingen
  • 1.
    1 Aangesloten wordt bij de begripsbepalingen in artikel 1, eerste lid van de Handhavings-verordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015, artikel 1, eerste lid van Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive Leeuwarden en artikel 1, eerste lid van de afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Gemeente Leeuwarden 2015.
  • 1.
    2 Voor het overige worden begrippen in deze beleidsregels gebruikt in dezelfde betekenis als in de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Hoofdstuk 2 Sancties
De gedragingen waarbij en de wijze waarop een sanctie kan worden opgelegd is geregeld in artikelen 18 en 18a van de Participatiewet, 20a van de IOAW en artikel 20a van de IOAZ, alsmede de afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015.
Hoofdstuk 3: Bestuurlijke boete
3 .1 Geen benadelingsbedrag
3 .1.1 In geval van schending van de inlichtingenplicht zonder dat dit tot een benadelingsbedrag heeft geleid volstaat het college met het geven van een schriftelijke waarschuwing.
3 .1.2 In aanvulling op artikel 3.1.1 vindt er geen boeteonderzoek plaats en wordt er geen schriftelijke waarschuwing afgegeven indien er sprake is van een aanvraag algemene/ bijzondere bijstand welke buiten behandeling wordt gesteld met reden dat niet voldaan is aan de inlichtingenplicht.
3.1.3 De wet schrijft niet exact voor hoe hoog een bestuurlijke boete moet zijn bij schending van de inlichtingenplicht zonder benadelingsbedrag. Het college gaat uit van een boetebedrag van 150,00, welke getoetst dient te worden aan het evenredigheidsbeginsel als benoemd in artikel 3.2.
3.1.4 Indien binnen 2 jaar de gedraging als bedoeld in artikel 3.1.1 wederom plaats vind dan legt het college een bestuurlijke boete op van ten hoogste het bedrag van de tweede categorie als bedoeld in artikel 23, vierde lid van het Wetboek van Strafrecht, met een minimum van € 10,-.
3.2 evenredigheidsbeginsel
3.2.1. De boete dient te worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 5:46 lid 2 Awb. Hierbij geldt als uitgangspunt bij bepaling van de hoogte van de boete:
•opzet aantoonbaar: 100% van €150 bij nul-fraude of het benadelingsbedrag;
•grove schuld: 75% van €150 bij nul-fraude of het benadelingsbedrag;;
•geen opzet en geen grove schuld: 50% van €150 bij nul-fraude of het benadelingsbedrag;;
•voldoen aan criteria van artikel 2a Boetebesluit of om andere reden sprake van verminderde verwijtbaarheid: 25% van €150 bij nul-fraude of het benadelingsbedrag;
3.2.2 De percentages als genoemd in artikel 3.2.1 kunnen als uitgangspunt worden gehanteerd, indien er sprake is van individuele omstandigheden kan van deze percentages worden afgeweken.
3.2.3 In het geval van recidive moeten de verweten gedragingen elk op de aanwezigheid van opzet of grove schuld door de belanghebbende beoordeeld worden.
3 .3 Verrekening bestuurlijke boete met beslagvrije voet bij recidive
Het college verrekent gedurende maximaal drie maanden de bestuurlijke boete die in geval van recidive in de zin van artikel 18a, vijfde lid van de Participatiewet, wordt opgelegd zonder de beslagvrije voet in acht te nemen.
3 .4 Verzoek tot doorbetaling huur/hypotheekrente
3 .4 .1 Belanghebbende kan verzoeken om de huur dan wel hypotheekrente na aftrek van huurtoeslag respectievelijk hypotheekrenteaftrek, gedurende de een vastgestelde periode ( als bedoeld in art 3.3) direct vanuit de bijstand te voldoen. Indien dit verzoek wordt toegekend wordt de verrekening daarop aangepast.
3 .4 .2 Een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval afgewezen indien belanghebbende(n) redelijkerwijs over voldoende gelden kan beschikken om de genoemde drie maanden in zijn levensonderhoud te voorzien dan wel redelijkerwijs deze gelden op korte termijn kan verwerven.
3 .5 Verrekenen met inachtneming van artikel 4:93, vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht
In afwijking van artikel 2 verrekent het college het openstaande boetebedrag met inachtneming van artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor zover:
  • a.
    toepassing van artikel 2 en 3 onaanvaardbare consequenties heeft voor de eventuele minderjarige belanghebbende(n); dan wel
  • b.
    de gezondheidstoestand van (een van de) belanghebbende(n) naar het oordeel van het college ernstig wordt bedreigd doordat mogelijkheden ontbreken om de noodzakelijke medicatie of behandeling te financieren.
Hoofdstuk 4: maatregelen
4.1 verlaging
4.1.1 Indien er sprake is van schending van een verplichting als bedoeld in artikel 8 en 10 van de maatregelverordening verlaagt het college de bijstand met 100% voor een periode van ten minste een maand en ten hoogste drie maanden, waarbij over de eerste maand ten minste 1/3 van het bedrag van de verlaging wordt verrekend ( art 7 lid 4 Maatregelverordening)
4.1.2 Indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt wordt afgezien van het opleggen van een maatregel.
4.1.3 op grond van artikel 18, lid 10 Participatiewet en de artikelen 4 en 5 van de maatregelenverordening is het college verplicht een verlaging of weigering van bijstand te matigen indien het daartoe dringende redenen aanwezig acht.
Hoofdstuk 5: Slotbepaling
Deze beleidsregels treden in werking op 1 juli 2015.
Algemene toelichting
Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), waaronder ook de handhaving.
Middels het vaststellen van de Handhavingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 voldoet de gemeenteraad aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 8 Participatiewet, artikel 35 eerste lid aanhef en onderdeel c IOAW en IOAZ. Het college is bevoegd om voor de uitvoering van deze verordeningen nadere regelgeving vast te stellen. Deze regels zijn vastgelegd in de Beleidsregels Handhaving Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015.
De gemeente Leeuwarden voert haar handhavingsbeleid uit binnen het concept van de hoogwaardige handhaving. Hoogwaardige handhaving dient er toe dat de spontane nalevingsbereidheid wet- en regelgeving beter wordt verhoogd. Misbruik en oneigenlijk gebruik van de bijstand of de uitkering dient zoveel mogelijk te worden voorkomen.
De beleidsregels Handhaving en Boete Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 gaan op hoofdlijnen over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het begrip „hoogwaardig handhaven‟. Deze hoofdlijnen worden nader uitgewerkt in uitvoeringsinstructies.
Handhaving omvat het hele terrein van verplichtingen, waaronder de arbeids- en re-integratieverplichting en de informatie- en inlichtingenverplichting, die aan de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ zijn verbonden. Indien belanghebbende deze verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, dient het college in beginsel de bijstand of de uitkering verlagen. De oplegging van een dergelijke maatregel is veelal gericht op een correctie van het gedrag van de belanghebbende en niet zozeer als straf bedoeld. De gemeente heeft het maatregelenbeleid vastgelegd in de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 3.1.2
Een aanvraag algemene /bijzondere bijstand welke wordt afgewezen in verband met het niet, niet volledig dan wel onjuist voldoen aan de inlichtingenplicht leidt wél tot het doen van een boeteonderzoek.
Artikel 3.1.3
Uitgangspunt bij het vaststellen van het basisboete bedrag bij nul-fraude is dat het innen van de boete niet meer mag kosten dan de hoogte van de boete.
Artikel 3.3
Artikel 3.3 voorziet in de mogelijkheid voor belanghebbende om het college te verzoeken om in ieder geval de huur (en bij een eigendomswoning de hypotheekrente onder aftrek van de in dit kader ontvangen belastingteruggave en eventueel ontvangen bijzondere bijstand) via de bijstand te laten doorbetalen. Gedachte hierachter is dat met name moet worden gevreesd dat belanghebbende, wanneer hij drie maanden van bijstand verstoken blijft, het risico loopt dat hij vanwege de ontstane achterstand in de woonlasten uit huis wordt geplaatst met allerlei eventuele extra kosten voor de maatschappij. Om dit te voorkomen voorziet deze bepaling in de mogelijkheid dat het college het te verrekenen bedrag kan aanpassen, zodat alsnog vanuit de bijstand de woonlasten kunnen worden doorbetaald.
Wel is gekozen voor een directe doorbetaling aan de verhuurder/hypotheekverstrekker om te voorkomen dat de bijstand voor andere zaken wordt ingezet, waardoor alsnog het risico van uithuisplaatsing reëel blijft.
In artikel 3.3.2 is daarnaast bepaald dat een verzoek tot doorbetaling zonder meer wordt geweigerd indien belanghebbende in redelijkheid over voldoende gelden kan beschikken om de genoemde drie maanden in zijn levensonderhoud te voorzien dan wel in redelijkheid deze gelden op korte termijn kan verwerven.
Gesproken wordt over gelden, niet over middelen. Van het in de Participatiewet gedefinieerde middelen begrip zijn immers een aantal posten uitgesloten. Denk dan bijvoorbeeld aan bedragen die belanghebbende heeft ontvangen in het kader van een immateriële schadevergoeding of bedragen waarover belanghebbende wel beschikt, maar die bij saldering met de openstaande schulden geen aan te spreken vermogen opleveren. Dit zijn echter wel gelden die belanghebbende in deze situatie kan aanspreken voor zijn levensonderhoud, voor zover hij er in ieder geval in redelijkheid over kan (gaan) beschikken. Iemand kan onder andere redelijkerwijs over gelden gaan beschikken, indien het redelijk is dat hij ofwel binnen afzienbare tijd vermogensbestanddelen te gelde weet te maken ofwel op korte termijn werk weet te aanvaarden.
Belanghebbende kan natuurlijk altijd al zijn bezittingen verkopen en op die wijze over gelden gaan beschikken, maar het is niet redelijk dat het college in deze van belanghebbende verlangt dat hij bezittingen verkoopt die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn (denk aan z’n meubels of bed). En natuurlijk kunnen inkomsten worden verworven door werk te aanvaarden, maar indien de afstand van belanghebbende tot de arbeidsmarkt heel groot is, is het niet reëel om te verwachten dat hem dit op zeer korte termijn zal lukken. In dit soort situaties kan dus niet met een beroep op het tweede lid een verzoek tot doorbetaling zonder meer worden afgewezen.
Dat gesproken wordt over een verzoek houdt in dat belanghebbende zelf in actie moet komen zo hij de verrekening wil laten aanpassen. Dat houdt tevens in dat zo’n verzoek ook lopende de drie maanden van verrekening kan worden gedaan, mocht bijvoorbeeld plots blijken dat uithuiszetting dreigt of dat verwachte inkomsten uitblijven.
Artikel 3.4
Artikel 4:93, vierde lid, van Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat verrekening niet mogelijk is voor zover beslag op de vordering nietig zou zijn. Concreet houdt dit in dat bij verrekening in beginsel rekening moet worden gehouden met de beslagvrije voet zoals deze zijn regeling vindt in artikel 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Zoals reeds aangegeven geeft de Participatiewet het college de bevoegdheid om deze bepaling in de eerste drie maanden na oplegging van de boete buiten toepassing te laten. Het college mag dus de openstaande boetevordering (zowel de recidiveboete als een wellicht nog openstaand bedrag in verband met de eerdere boete) in deze eerste drie maanden volledig met een eventueel bijstandsrecht verrekenen.
Het spreekt voor zich dat het hier gaat om een maximum bedrag. Mocht het recht van belanghebbende op bijstand beperkter zijn dan bedraagt de inhouding natuurlijk dit beperktere recht. Een bepaling zoals hier opgenomen in artikel 6.3 is in dit geval waarschijnlijk niet nodig.
Artikel 4.1.1
Artikel 7 lid 4 van de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Gemeente Leeuwarden 2015 omschrijft dat indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven een verlaging kan worden toegepast over maximaal drie maanden waarbij aan 1/3e van de verlaging in de eerste maand moet worden toegekend.
Onder bijzondere omstandigheden verstaat het college onder andere omstandigheden waarbij de gedraging, als bedoel in artikel 8 lid 1 a t/m 1g afstemmingsverordening, hersteld kan worden waarbij het herstel van het gedrag kan leiden tot een herbeoordeling van de opgelegde maatregel.
De eerste maand van deze maatregel dient ten aller tijde ten uitvoer gebracht worden. Indien hierna blijkt dat de gedraging, als bedoel in artikel 8 lid 1 a t/m 1g maatregelverordening, hersteld is, kan het college besluiten, de sanctie in de overige twee maanden niet ten uitvoer te leggen.
Naar boven