3
.1 Geen benadelingsbedrag
3
.1.1 In geval van schending van de inlichtingenplicht zonder dat dit tot een benadelingsbedrag heeft geleid volstaat het college met het geven van een schriftelijke waarschuwing.
3
.1.2 In aanvulling op artikel 3.1.1 vindt er geen boeteonderzoek plaats en wordt er geen schriftelijke waarschuwing afgegeven indien er sprake is van een aanvraag algemene/ bijzondere bijstand welke
buiten behandeling wordt gesteld met reden dat niet voldaan is aan de inlichtingenplicht.
3.1.3 De wet schrijft niet exact voor hoe hoog een bestuurlijke boete moet zijn bij schending van de inlichtingenplicht zonder benadelingsbedrag. Het college gaat uit van een boetebedrag van 150,00, welke getoetst dient te worden aan het evenredigheidsbeginsel als benoemd in artikel 3.2.
3.1.4 Indien binnen 2 jaar de gedraging als bedoeld in artikel 3.1.1 wederom plaats vind dan legt het college een bestuurlijke boete op van ten hoogste het bedrag van de tweede categorie als bedoeld in artikel 23, vierde lid van het Wetboek van Strafrecht, met een minimum van € 10,-.
3.2 evenredigheidsbeginsel
3.2.1. De boete dient te worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 5:46 lid 2 Awb. Hierbij geldt als uitgangspunt bij bepaling van de hoogte van de boete:
•opzet aantoonbaar: 100% van €150 bij nul-fraude of het benadelingsbedrag;
•grove schuld: 75% van €150 bij nul-fraude of het benadelingsbedrag;;
•geen opzet en geen grove schuld: 50% van €150 bij nul-fraude of het benadelingsbedrag;;
•voldoen aan criteria van artikel 2a Boetebesluit of om andere reden sprake van verminderde verwijtbaarheid: 25% van €150 bij nul-fraude of het benadelingsbedrag;
3.2.2 De percentages als genoemd in artikel 3.2.1 kunnen als uitgangspunt worden gehanteerd, indien er sprake is van individuele omstandigheden kan van deze percentages worden afgeweken.
3.2.3 In het geval van recidive moeten de verweten gedragingen elk op de aanwezigheid van opzet of grove schuld door de belanghebbende beoordeeld worden.
3
.3
Verrekening bestuurlijke boete met beslagvrije voet bij recidive
Het college verrekent gedurende maximaal drie maanden de bestuurlijke boete die in geval van recidive in de zin van artikel 18a, vijfde lid van de Participatiewet, wordt opgelegd zonder de beslagvrije voet in acht te nemen.
3
.4
Verzoek tot doorbetaling huur/hypotheekrente
3
.4
.1 Belanghebbende kan verzoeken om de huur dan wel hypotheekrente na aftrek van huurtoeslag respectievelijk hypotheekrenteaftrek, gedurende de een vastgestelde periode ( als bedoeld in art 3.3) direct vanuit de bijstand te voldoen. Indien dit verzoek wordt toegekend wordt de verrekening daarop aangepast.
3
.4
.2 Een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval afgewezen indien belanghebbende(n) redelijkerwijs over voldoende gelden kan beschikken om de genoemde drie maanden in zijn levensonderhoud te voorzien dan wel redelijkerwijs deze gelden op korte termijn kan verwerven.
3
.5
Verrekenen met inachtneming van artikel 4:93, vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht
In afwijking van artikel 2 verrekent het college het openstaande boetebedrag met inachtneming van artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor zover:
- a.
toepassing van artikel 2 en 3 onaanvaardbare consequenties heeft voor de eventuele minderjarige belanghebbende(n); dan wel
- b.
de gezondheidstoestand van (een van de) belanghebbende(n) naar het oordeel van het college ernstig wordt bedreigd doordat mogelijkheden ontbreken om de noodzakelijke medicatie of behandeling te financieren.